Reizen (325)



Island Hopper Line


De Ronald Reagan Test Site

(Door Rolf Weijburg)

We moesten de Marshall Islands, het op zes na kleinste land ter wereld, verlaten. Corona zat ons op de hielen, het land zou worden gesloten. We hadden een vlucht geboekt naar Pohnpei, één van de vier staten van buurland Federated States of Micronesia, dat nog wel open was.
      Het vliegtuig van United Airlines, dat gewoonlijk drie keer per week de 12 uur durende legendarische Island Hopper Line vloog van Hawaii naar Guam, waarbij het zes eilandstops maakte, was nagenoeg leeg.

      Majuro, hoofdatol van de Marshalls, verdween snel achter ons toen we op weg gingen naar de volgende stop: Kwajalein Island.


Kwajalein

Kwajalein is één van de grootste atols ter wereld en het grootste atol van de Marshall Islands, zo’n 75 mijl lang met een string van 96 eilanden en eilandjes. Elf van die eilanden, waaronder de twee grootste, zijn tot 2066 geleased aan de VS, die er een uiterst geavanceerde basis onderhouden.
      Al in de jaren dertig van de vorige eeuw was er een Japanse basis op Kwajalein eiland, het grootste eiland van het atol, die na de slag om Kwajalein in februari 1944 door de Amerikanen werd ingenomen en in de naoorlogse periode mede door de Koude Oorlog fors werd uitgebreid.  

HighTech    

De strategisch gelegen basis, de Ronald Reagan Test Site (RTS), is in de loop der jaren ontwikkeld tot een bijzonder hightech gebeuren met eilanden die volgebouwd zijn met de neusjes van de zalm van geavanceerde precisieapparatuur zoals ultra hooggevoelige radars, optische sensoren en telemetrische ontvangst stations.
      Vraag me niet wat het allemaal inhoudt en doet, maar feit is dat Kwajalein de belangrijkste Amerikaanse basis is voor het testen en evalueren van de ontwikkeling van en de verdediging tegen ballistische raketten, alsook voor de ontwikkeling en ondersteuning van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma.

      Diverse lanceerbases zijn er op de eilanden. Op het eilandje Omelek testte Elon Musk’s SpaceX de Falcon raketten die het onlangs gelanceerde bemande Dragon ruimteschip naar het ISS ruimtestation aandreven.
      ’s Werelds meest geavanceerde radarsystemen staan op het tweede eiland van het atol, Roi-Namur, en het Bocholz Army Airfield zoals het vliegveld op Kwajalein officieel heet, kan de grootste transport vliegtuigen ontvangen. Daarnaast zijn er uitstekende havenfaciliteiten.
      Het is uiteraard allemaal omgeven door high security, en het is dan ook onmogelijk om op Kwajalein uit te stappen om er een beetje rond te gaan kijken. Kwajalein-gangers worden gescreend, ondervraagd en gecheckt en als je geen goede reden hebt om er te zijn kan je zelfs het kopen van een ticket al vergeten. Op Majuro Airport worden Kwajalein-gangers gescheiden van de rest van de passagiers.

Army Airfield

Kwajalein verscheen na een vlucht van 50 minuten aan de horizon. Het vliegtuig maakte een mooie zachte landing op de brede landingsbaan van Bucholz Army Airfield en taxiede langs het grasveld waar in de jaren zestig de Bikinianen acht maanden moesten wachten tot ze naar Kili vertrokken.
     


Camouflage

Keurig gemaaid groen gras dat bij wijze van camouflage gewoon over de betonnen bunkerachtige constructies heen groeide, een paar van die grote witte radarbollen en wuivende palmen schoten voorbij voordat we in de buurt van het luchthavengebouw tot stilstand kwamen.
      Door de luidsprekers vertelde de captain dat dit Kwajalein was en dat een ieder die hier niets te zoeken heeft verplicht was in het vliegtuig te blijven.


Was het vliegtuig al nauwelijks gevuld, nu stond bijna 95% van alle passagiers op, allemaal Marshallezen, en lieten ons vrijwel alleen achter in de cabine. Al die Marshallese passagiers zullen op weg zijn geweest naar het eilandje Ebeye, Kwajaleins buureiland een paar kilometer naar het noorden. Daarvoor zijn ze vanaf het vliegveld direct in een bus gestapt en per ferry naar Ebeye vervoerd, want op Kwajalein blijven mag niet. 

Ebeye

Het 32 hectare grote Ebeye werd in de jaren vijftig bevolkt met inwoners van Kwajalein eiland omdat (daar gaan we weer) de Amerikanen grootse plannen met het eiland hadden en de oorspronkelijke bewoners toch een beetje in de weg liepen. In de jaren zestig zijn daar nog meer gedwongen evacués vanuit de centrale eilanden van het atol bijgekomen omdat de Amerikanen daar de zogenaamde Mid-Atoll Corridor hadden bedacht. Een gigantische schietschijf waar raketten vanuit de continentale VS op afgevuurd konden worden.
      Nog later in de tachtiger jaren werden inwoners uit het door de Bravo-bom ontploffing in 1954 radioactief besmette Rongelap atol op Ebeye gehuisvest nadat ze na de eerste evacuatie op Rongelap waren teruggekeerd maar jaren later om gezondheidsreden toch weer moesten vertrekken.

Overbevolkt

Toen de Rongelapianen  op Ebeye aankwamen had het overbevolkte eiland al een gigantisch huizentekort. Als één van de grootste werkgevers van de Marshall Islands bleek de basis op Kwajalein zo’n enorme aantrekkingskracht uit te oefenen op de Marshallese bevolking dat het inwonertal van Ebeye was gestegen van hooguit een paar honderd begin jaren vijftig naar zo’n 7000 in de jaren tachtig. Nu is het eiland met ruim 16000 bewoners het op zes na dichtstbevolkte eiland ter wereld.
      De Marshallezen, waarvan velen nota bene oorspronkelijk uit Kwajalein kwamen, werd verboden om op Kwajalein te wonen, of om er zelfs maar de nacht door te brengen. Ze mogen er wel onderbetaald werk verrichten maar zijn na werktijd wettelijk verplicht om terug te keren naar het overbevolkte Ebeye waar nog steeds te weinig huizen zijn, een krakkemikkige elektriciteits- en watervoorziening is en waar verder aan bijna alles wel een gebrek is.

Ferry



Een kleine ferry pendelt enkele malen per dag tussen beide eilanden heen en weer.

Kwaj
Heel anders is het leven op Kwajalein, dat de bewoners liefkozend “Kwaj” noemen. Naast de installaties, opslagsilo’s, brandstoftanks en hangars zijn er parkachtige omgevingen waar de 2000 Amerikanen in comfortabele air-conditioned huizen verblijven.
      Het ziet er hier een beetje uit als een Amerikaanse middenklasse buitenwijk met dien verstande dat men zich per fiets verplaatst en dat er hoofdzakelijk mannen wonen. Maar er zijn ook kleinschalige appartementencomplexen en simpeler barakachtige onderkomens.

Er zijn sportvelden en tennisbanen, duikscholen, restaurants en er is een bioscoop. Het leven is er aangenaam, de omgeving is schoon en de salarissen zijn uitstekend.
      Iedereen werkt hard, ’s ochtends vertrekken de meesten per fiets naar hun werk of naar het vliegveld waar ze overstappen op een Caribou STOL - een Short Take-Off and Landing - vliegtuig, dat hen naar Roi-Namur of Meck of één van de andere eilanden van de basis vliegt, om aan het eind van de werkdag weer terug te forensen naar Kwajalein eiland.

Caribou

Criminaliteit is afgezien van een uit de hand gelopen ruzietje nagenoeg onbekend.
      Of toch?
In de jaren tachtig verdwenen er regelmatig fietsen op Kwajalein. Zo groot is het eiland niet, maar de fietsen bleven jaren onvindbaar. Totdat tijdens werkzaamheden aan de ferryhaven een waar zeemansgraf van fietsen op de zeebodem werd gevonden.
      Marshallezen die bang waren om de laatste ferry te missen bleken om tijd te winnen nogal eens op andermans fiets te springen (fietsen op Kwajalein stonden nooit op slot) om ze eenmaal in de haven aangekomen ongezien van de kade af de zee in te kieperen voordat ze op de ferry sprongen.

Vertrek

Na een klein uurtje vertrokken we weer. Er was slechts een tiental nieuwe passagiers ingestapt.

Het vliegtuig trok de lucht in en maakte een grote bocht over Kwajalein eiland alvorens we deze merkwaardige plek voorgoed achter ons lieten.


Lib Island



Bij wijze van afscheid van de Marshall Islands Republic vlogen we pal over het minuscule Lib Island, ver weg van alles, maar toch met zo’n 160 inwoners.

   

 
Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

Scheißestaat

(Door Theo Uittenbogaard)

Met collega Peter Flik deel ik het genoegen dat wij door de VPRO in de gelegenheid werden gesteld om, betrekkelijk dichtbij, te mogen rondreizen in onbestaanbare sprookjeslanden vol verbazingwekkende ongerijmdheden. Het socialistisch paradijs. Het oostblok, dus. 

In Moskou bijvoorbeeld; waar, tijdens de net uitgebroken glasnost, een hoteleigenaar mij vol trots zijn glanzend spiksplinternieuwe Mercedes liet zien, met Westduitse kentekenplaten, en waar uit het gat, waarin het slot van het rechterportier zou moeten zitten, nog een ijzerdraadje stak. Of waar we, in de sovjet-tijd tegen de middag een hapje wilden eten, maar waar we op de dichte deur van het restaurant een briefje aantroffen met de tekst: "GESLOTEN WEGENS LUNCH". 

Of in Gdansk tijdens Solidarnosz, waar het toiletpapier zo schaars was, dat we dachten sigaretten te krijgen gepresenteerd uit een bekertje, maar dat het slechts opgerolde velletjes toiletpapier bleken te zijn, waarvan men discreet eentje mocht meenemen op weg naar de wc. 

Maar het toppunt van schizofrene vreugde verschafte toch wel de Eerste Arbeiders- en Boerenrepubliek op Duitse bodem, de DDR. Welks succes werd verbeeld door krachtig rokende schoorstenen in stad en platteland, waardoor het altijd en overal penetrant naar kool stonk. Adembenemende bruinkool of walgwekkende witte kool -'mit Eisbein'. 

Waar de lijm van de grauwe papieren verpakking op de drempel van de winkel reeds losliet. 

Waar kameraad-regeringsleider in het dagelijkse tv-journaal voor de zekerheid, immer van volledige titulatuur werd voorzien: "General Sekretär des Zentral Komitees der SED und Vorsitzende des Staatsrates, Genosse Erich Honecker"

En waar vriendin B door een bewaker van een, hoofdzakelijk leeg, warenhuis in de hoofdstad der DDR, bijkans weer naar binnen werd gesleept, toen zij net het gebouw onverrichterzake verlaten had door een uitnodigend openstaande nooduitgang naar de straat. Omdat het verboden is, blafte de bewaker op haar waarom. En dus werd zij gesommeerd mee naar binnen te gaan om het pand op reguliere wijze te verlaten. Maar toen ze erop wees, dat het een nooduitgang was, en dus geen ingang, duizelde de consequentie daarvan de ambtsdrager dusdanig, dat hij haar maar liet gaan. 

          

           Paardentrabi DDR (afbeelding aan de muur bij Peter Flik)

Wat me doet denken aan een grapje dat mijn droevige, bijna gepensioneerde Pressebegleiter der DDR waagde te vertellen, tersluiks op straat naast onze auto, nadat hij net een -waarschijnlijk illegaal- boek van Christoher Isherwood over Berlijn van me had gekregen, als geschenk, tot  slot van een reportagereis door de DDR, die we samen hadden gemaakt. 

"Op een zonnige, zeer vroege ochtend, loopt een man over de Stalin Allee in de Hauptstadt der DDR. De straat oogt uitgestorven. En dus ziet de man zijn kans schoon en roept zo hard hij kan tegen de gevels: "Was ein Scheissestaat !" Twee minuten later wordt hij op z'n schouder getikt door een agent in burger: "Mitkommen. U bent gearresteerd". "Waarom ?", vraagt de man. "Wegens belediging van de Eerste Arbeiders- en Boerenrepubliek op Duitse bodem". "Hoho", zegt de man, "ik heb toch niet gezegd welke Scheissestaat ik bedoelde ?"  "Haben Sie recht", zegt de agent en laat hem gaan. Twee minuten later wordt hij opnieuw op z'n schouder getikt. Door dezelfde agent. Hij zegt: "Sie sind doch verhaftet. Es gibt nur ein Scheissestaat".

 

 

 

 

BERTSDORF

(Door Peter Flik)

Dit deed zich al een paar maal voor: je loopt als het ware de geschiedenis binnen. Auschwitz was het sterkste voorbeeld. Je kunt daar niet zijn zonder terug te gaan in de tijd, zonder gevoelens te hebben of aan het heden te denken. Later huil je pas, als je allang weer thuis bent. De beelden raak je nooit meer kwijt.
      Ook liep ik een paar dagen na de val van de Berlijnse muur onder de Brandenburger Tor door naar het voormalige Oost Berlijn. Ik haalde het niet want ik werd duizelig van de geschiedenis die op me viel. Ik moest gaan zitten en zien tot rust te komen.
     

De laatste keer dat de geschiedenis me overmande was in de voormalige Deutsche Demokratische Republik in de buurt van Zwickau in de deelstaat Saksen. Ik arriveerde met een camper bij een smalspoorstation in het kleine dorpje Bertsdorf. De DDR bestond niet meer, vijfenveertig jaar terreur aan de kant gezet. Ik durfde nu wel aan de voormalige stationschef Herbert die met zijn vrouw Gertrude boven het station woonde te vragen of ik met die camper op het perron mocht staan. Dat zou in de jaren van het communisme totaal ondenkbaar zijn geweest, maar nu bleek het geen punt.
      Een week heb ik daar gestaan terwijl de stoomlocomotieven langs de camper raasden. Het was alsof de jaren de camper binnenslopen. Zelfs de lucht van desinfecterende middelen waar de DDR mee bezwangerd was keerde terug.

      Op het perron maakte ik voor de vpro-radio een opname van Angela Hübner. Zij speelt Träumerei van Robert Schumann terwijl een stoomlocomotief binnen komt. Het is ongeveer 1992.

LUISTER HIER

 

 

Voorjaar 2014

Schmalkalden & zijn Altmarkt



Schmalkalden is een klein stadje in Thüringen Oost-Duitsland. Zo’n 20.000 inwoners.
      Het is gespaard in de tweede wereldoorlog en heeft een mooie kern met vrijwel alleen vakwerkhuizen uit de zestiende tot de achttiende eeuw. Alle klinkerstraatjes leiden naar het centrale plein, de Altmarkt. Daar zijn het markante voormalige raadhuis en de Gotische Sint Joriskerk. Je passeert dan ondermeer het Lutherhuis.
      Aan de rand van de kern is het stadskasteel Schloss Wilhelmsburg, dat is ingericht als museum. Er zijn in Schmalkalden tal van tentjes met terrassen. Overal kun je Rostbratwurst eten.


Vakwerkhuis



Lutherhuis

                

Op weg naar het plein kom je langs dit huis. De protestantse theoloog Maarten Luther (In Schmalkalden: Martin) verbleef hier van 7 tot 26 februari 1537, predikte en verkondigde zijn stellingen.
      Hij was daar op uitnodiging van rentmeester Balthasar Wilhelm. Het huis werd na zijn vertrek uit Schmalkalden het Lutherhuis


Oude Raadhuis



De oude markt is onmiskenbaar het centrale punt. In wit het voormalige raadhuis, dat nu een horecabestemming heeft.


Altmarkt



Woensdag is er markt in Schmalkalden.


Sint Joriskerk


Engeltje

                                 

Schloss Wilhelmsburg



Het kasteel is vernoemd naar dezelfde rentmeester Balthasar Wilhelm.


Binnenplaats kasteel



Schmalkaldense put

 

 


 
Delap-Uliga-Darrit


De knabbelende Oceaan

(Door Rolf Weijburg)

Eén voordeel van die lintbebouwing op Majuro, een eiland van vele kilometers lang en slechts enkele tientallen meters breed,  is wel dat je de stad goed leert kennen. Je rijdt voortdurend langs dezelfde plekken heen en weer, en dan ook nog met een slakkengangetje van hooguit 30 kilometer per uur.   
      Ergens een stukje afsnijden of een andere route kiezen is er meestal niet bij: op slechts enkele plaatsen in Delap-Uliga-Darrit ofwel DUD, de hoofdstad van de Marshall Islands,  is ruimte genoeg voor een parallelle straat.

Achterbuurten

Niet dat de hoofdstraat nou zoveel moois heeft te bieden, maar in die paar parallelle straten die een beetje weggemoffeld tussen hoofdstraat en oceaan liggen  krijg je toch een beetje de indruk dat je in de achterbuurten van het stadje terecht bent gekomen. Slechte behuizing en armoede, ronddolende roedels honden en de voortdurend aan de kust knabbelende oceaan helpen natuurlijk ook niet echt.


Barretjes

Afgezien van een paar lokale barretjes en een disco die ieder weekend losbarst, is er qua vertier ook al niet zo veel in DUD.



Eén plek waar we nog niet geweest waren was de bar en het restaurant van het Marshall Islands Resort  in Delap waar de hoofdweg een heuse middenberm heeft, waarschijnlijk één van de grootste gebouwen van het land.
      Ooit als absolute luxe gebouwd was het al aardig aan het vervallen. Het zwembad was leeg en werd als een afvalbak gebruikt, maar het terras was het mooiste van Majuro –niet zo moeilijk omdat we er maar één ander terras hadden ontdekt – direct aan de lagune met een wijds uitzicht.
      Aan de bar nipte een groepje doorgewinterde expats aan hun sundowners.

Resort

We bestelden wat drankjes en een maaltijd en toen we afrekenden was het donker geworden. De avonden vallen snel en vroeg in de tropen. We moesten nog terug naar onze AirBnB aan de andere kant van het vliegveld, maar toen we rond acht uur weer buiten stonden was de eindeloze stroom auto’s en taxi’s die overdag permanent de hoofdstraat vult, als bij toverslag opgelost. Alsof er net een uur geleden een avondklok was ingegaan.
      Toch stopte er na enige tijd een taxi. In de stoel naast de chauffeur zat al een passagier en we namen plaats op de achterbank. We reden over de donkere schaarsverlichte hoofdweg westwaarts. Hier en daar zaten groepjes mensen bij de huizen, af en toe reed een tegenligger voorbij. De chauffeur en de vrouw waren in gesprek. Het onbegrijpelijke Marshallees klonk als een soort steno. Plotseling remde de chauffeur en zette de auto stil aan de kant van de weg. Hij zei wat tegen de vrouw, die uitstapte, haar bagage uit de kofferbak haalde en de klep met kracht dichtsmeet.

       De chauffeur schudde zijn hoofd.  “Strong woman”, zei hij en gaf weer gas.
Hij kon er niet over uit. “Zag je dat ze in verwachting was?” Nee, dat hadden we niet gezien.
“Ze wilde helemaal naar Laura aan het eind van het eiland, maar ze weet drommels goed dat zwangere vrouwen niet na zonsondergang naar Laura mogen!”
       Hoezo? Was dat een wet?
      “Nee, “zei de chauffeur, “het is vanwege de demonen, de kwade geesten die verderop ronddwalen. Iedereen weet dat die het ‘s nachts op zwangere vrouwen hebben gemunt.”
Zonder noemenswaardig onheil bereikten we Joe’s Place.

Een vervroegd vertrek

“Aha, daar zijn jullie! Ik kreeg een telefoontje van United Airlines. Jullie vlucht van zaterdag is vervallen. Het hele land gaat op slot vanwege de Corona-crisis en er komen geen vliegtuigen meer binnen. Ze hebben jullie al overgeboekt op de vlucht van morgenochtend, de laatste die nog binnenkomt en ook gegarandeerd weer vertrekt. Ik zal maar gaan pakken als ik jullie was!”
      En dat deden we maar. Het begon zowat onmogelijk te worden om nog rond te reizen hier met Corona op ons hielen. De volgende ochtend bracht Joe ons om acht uur naar Amata Kabua International Airport.



We checkten in en liepen in de ongenaakbare zon naar het klaarstaande vliegtuig.


Island Hopper-Lijn

Het vliegtuig was die ochtend op de in vliegtuigkringen legendarische Pacific Island Hopper-lijn vertrokken vanuit Hawaii en zou van hieruit nog vier eiland-stops maken voordat het op het Amerikaanse eiland Guam zou aankomen. Er zaten nog maar heel weinig passagiers in het vliegtuig.

Daarom konden we al twintig minuten vóór de officiële vertrektijd de lucht in.  
      Majuro Atol schoof langzaam onder ons door en verdween al gauw uit het zicht.


 

  

 
Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh