Reizen (292)


Schilderachtige vergankelijkheid


Santo António


(Door Rolf Weijburg)

Een klein vrachtwagentje reed ons en al het filmmateriaal Santo António in, hoofdstad van Príncipe eiland. Het was een klein slaperig plaatsje met ruim 6000 inwoners dat een beetje de sfeer van het Afrika van dertig jaar terug uitstraalde. Op de achtergrond stak het grillige bergland de laaghangende wolken in.
      In het kleine centrum stonden wat oude Portugese overheidsgebouwen rondom een parkje met een monument ter nagedachtenis aan Marcelo da Veiga, een in 1892 op Príncipe geboren dichter. Het monument werd bewaakt door twee wat lullige kanonnetjes, er stonden bankjes omheen maar niemand zat er verdiept in de verzamelde werken van de dichter, zoals je zou verwachten. Een paar monumentale reizigerspalmen maakten het plaatje compleet.

Op de overheidsgebouwen wapperde naast de vlag van São Tomé & Príncipe ook die van Príncipe. Iedere avond weer om zes uur klonk trompetgeschal en streek een viertal militairen eerst de vlag van Príncipe, vouwde hem omzichtig volgens de regels op en marcheerde het pakketje een gebouwtje binnen.

Daarna pas was het de beurt aan de Saotomese vlag. Na de ontevredenheid en de opvolgende opstanden begin jaren tachtig had het eiland in 1995 autonomie binnen de republiek kunnen bedingen en die autonomie werd trots uitgedragen.

                           

 

De witte poort

De door de Belgische Consul geregelde auto reed precies om 12 uur voor bij ons kleine hotelletje in een achterafstraatje van Santo António. We reden langs de haven de stad uit die als lintbebouwing langs de weg al snel oploste in de jungle. Over een vers geasfalteerd kronkelweggetje reden we langs de afslag naar het vliegveld en verder de dicht begroeide bergen in. Twintig minuten rijden misschien en toen stonden we plots voor een wat kitscherige grote witte poort. Het leek net alsof we de Efteling binnenreden.


Roça Belo Monte

Roça Belo Monte was ooit een grote cacaoplantage, maar nadat de productie vanwege kelderende marktprijzen moest worden gestaakt, raakte de boel in verval. Een jaar of tien geleden werden de ooit prachtige hoofdgebouwen gerestaureerd, de tuinen opnieuw aangelegd en de poort in ere hersteld. Belo Monte werd omgetoverd tot een luxe hotel.

Niet dat er nou zoveel toerisme was. Het hotel richtte zich op de expats die werkten in omringende landen als Gabon, Kameroen en ook bijvoorbeeld Ivoorkust en die voor een weekend of week verwennerij naar Príncipe vlogen. Vanuit het hotel kon je met een hotelautootje de berg af worden gereden naar een prachtig strand met een barretje en ligstoelen. Veel meer hadden de gasten niet nodig, voor de meeste van hen bestond de rest van het eiland niet.

We werden rondgeleid en kregen een lunch van clubsandwiches en rode wijn aangeboden. Althans dat dachten we. De rekening werd ons uiteindelijk op een zilveren schaaltje gepresenteerd.
      De Consul was bevriend met de eigenaar, Rombout Swanborn, een Nederlandse zakenman die onder andere ook een natuurpark in Gabon bezat . (Het personeel vertrouwde ons toe dat als hij een bezoekje aan het hotel kwam brengen altijd een paar rondjes met zijn privéjet over het hotel vloog zodat de chauffeur wist dat hij naar het vliegveld moest). Misschien dat de Belgische Consul dit uitstapje voor ons had bedacht  omdat hij hoopte dat we er zouden gaan filmen en zodoende reclame zouden maken voor het hotel van zijn vriend, maar dat het personeel niet helemaal op de hoogte was. Wie zou het zeggen.
      We wachtten tot een enorme regenbui  was overgetrokken waarna de chauffeur ons weer terug reed naar ons heel wat bescheidener onderkomen in de stad. Voor het vervoer heen en terug betaalden we niets.

Er is een flink aantal roças, cacao- of koffieplantages op Príncipe. Ze liggen verscholen in de dichtbeboste bergen van het eiland. De plantagegebouwen van roça Belo Monte waren gerestaureerd en omgetoverd tot luxe hotel maar de gebouwen van de meeste andere roça’s stonden vervallen en vaak  gedeeltelijk overwoekerd weg te kwijnen. Op alle roça’s waar we zijn geweest woonden nog mensen in de arbeidersonderkomens van weleer. Het waren eigenlijk een soort dorpjes.

Roça Sundy 

Eén van de grootste roça’s op Príncipe was Roça Sundy. Prachtig gelegen met aan de noordkant schitterende uitzichten.

      De oude gebouwen stonden in een enorme rechthoek rondom een binnenplaats. De ingang werd afgesloten door een man bij een slagboom. Zijn functie was om de slagboom open te doen als er een auto aankwam, en hem daarna weer dicht te doen. Hij stelde geen vragen. Voor voetgangers, fietsers en motoren kwam hij niet in actie, die moesten maar om de slagboom heenrijden.

Er woonden aardig wat mensen in Sundy. Er waren een paar winkeltjes en een kerk waar de zondagmis werd gehouden. Oude verroeste machines stonden in ineengezakte gebouwen en de rails waarover kleine treintjes ooit de cacao- en koffiebonen rondreden lagen verzonken tussen de kasseien.

Koloniaal erfgoed




Rails


Wall

Sundy is grootse vergane glorie, schilderachtige vergankelijkheid, koloniaal erfgoed. Maar Sundy werd ooit ook beroemd en bekend over de hele wereld als mijlpaal in de astronomie.

Arthur Eddington

In mei 1919 reisde de Britse astronoom Arthur Eddington naar Sundy om een aantal experimenten uit te voeren die Einstein’s relativiteitstheorie met de voorspelling dat lichtstralen kunnen worden verbogen door de massa van bijvoorbeeld de zon, zouden kunnen bewijzen. Op 29 mei dat jaar was er een  volledige zonsverduistering die vooral vanaf Príncipe zeer goed waarneembaar zou zijn. Eddington maakte foto’s die hij vergeleek met drie maanden eerder gemaakte foto’s en ontdekte dat er in de posities van sterren dichtbij de zon wel degelijk een meetbare afbuiging te zien was. Een ontdekking die één van de hoogtepunten van de twintigste-eeuwse wetenschap werd.
      Negentig jaar na Eddington’s bezoek is er een klein monument geplaatst aan de rand van Sundy  waar Eddington zijn nachtelijke foto’s maakte.


Toen ik ter voorbereiding van dit artikel “Roça Sundy” googelde ontdekte ik dat je er sinds kort ook kunt logeren. Roça Sundy Hotel. Twee hoofdgebouwen blijken twee jaar na ons bezoek omgetoverd tot 12 luxe hotelkamers, een restaurant en een bar …
      Als Príncipe maar niet toeristisch wordt.

 

 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen

 

 




Een ooit onbereikbaar eiland


De ferry van de consul


(Door Rolf Weijburg)

De belangrijkste bestemming tijdens de reis met de filmploeg door het Afrikaanse São Tomé e Príncipe (het op 24 na kleinste land ter wereld -nog altijd ruim 40 keer zo klein als Nederland-), was een bezoek aan het eiland Príncipe.
       In de jaren tachtig was het eiland “voor straf” een tijd lang afgesloten van de rest van het land en onbereikbaar, maar nu, in 2017 was er een ander probleem. Uiteraard wilden we graag per boot naar het eiland maar de ferry naar Príncipe was gezonken waardoor het eiland over zee niet meer te bereiken was.

 

Gelukkig was er echter de honorair Consul van België. Ik had ergens gelezen dat hij in Griekenland een kleine ferry had gekocht, het schip naar São Tomé had gevaren en er een wekelijkse dienst op Príncipe mee zou starten. Omdat het niet helemaal duidelijk was of het schip echt in de vaart was, contacteerde ik de Consul per e-mail. Ik vertelde hem dat we met een filmploeg naar São Tomé zouden komen en dat we graag per schip naar Príncipe wilden oversteken.
      “Geen probleem” antwoordde de Consul per ommegaande. Er was weliswaar vooralsnog geen dienstregeling, maar het schip, de MV Amfitriti, was wel degelijk in de vaart en voer op onregelmatige tijden naar Príncipe. Reserveren was helaas niet mogelijk.

Waarom er nou in godsnaam een Belgische Consul op São Tomé moest zijn is me een beetje een raadsel. Misschien was hij daar wel om de belangen van het deels Belgische bedrijf Agripalma, dat bezig was grote delen van het woud in het zuiden van São Tomé te kappen om er enorme oliepalmplantages neer te zetten, te behartigen. Maar dat bedenk ik zo maar even.

Film

We ontmoetten hem direct al de eerste dag toen we in de stad aan het filmen waren. Hij stopte zijn auto en we maakten een praatje. Daarna zouden we hem nog vele malen op allerlei verschillende plekken ontmoeten. Vaak in gezelschap van een hoge regeringsambtenaar of vriendjes uit België of Duitsland die even waren overgevlogen om wat zaakjes te regelen of te genieten van hun Santomese buitenhuis en lokale vriend of vriendin.
      De Consul was een man van netwerken, iemand die iedereen kende en overal opdook. Als Maltezer Ridder was hij ooit aangesteld als eerste secretaris op de ambassade van de Orde van Malta op São Tomé en later werd hij door de Belgische regering tot honorair Consul van België op het eiland benoemd. Een man met vele agenda’s, een kleurrijk persoon, een graaf ook nog eens, allervriendelijkst maar ook een regelaar, iemand die zijn vele contacten op de juiste manier kon inzetten voor allerlei zaken. En dat ook deed.

James Berisha

Op zijn site Flying for Kosovo raakte James Berisha, een Kosovaar die, nadat bleek dat internationale erkenning van de nieuwe staat Kosovo nogal haperde, vanaf 2009 met een klein vliegtuigje de Europese hoofdsteden, alle landen in Amerika en de Cariben en later ook iedere hoofdstad van Afrika aandeed om de regeringen te overtuigen van de noodzaak om Kosovo als land te erkennen, niet uitgepraat over de Consul die niet alleen een diplomatiek paspoort van de Orde van Malta voor hem regelde, maar hem ook talloze introducties bij de regeringen van menig Afrikaans land had kunnen verstrekken.
      Het project  Flying for Kosovo kwam jammerlijk ten einde toen Berisha in mei 2011 met een defect geraakt vliegtuig ergens in de Soedanese woestijn een noodlanding moest maken.

 

Haven

We waren naar de haven gelopen. De ferry van de Consul lag met open laadklep aan de kade. Vanavond zou het schip vertrekken voor de ruim twaalf uur durende overtocht naar Príncipe. De passagiers begonnen al vroeg de haven binnen te druppelen.

Een enorme heftruck zwaaide containers  over de hoofden van de wachtenden.
      Uiteraard liep de Consul er ook druk regelend rond. Hij was in het gezelschap van een Duitse vriend, een zakenman en de enige die in een benauwd pak met stropdas door de tropische hitte op de kade rondsjouwde. De Consul bemoeide zich met het inschepen van allerlei bouwmateriaal, grote bundels staaldraad, zakken cement, een betonmolen.
      “Er zijn slechts een paar cabines op het schip”, zei hij toen zijn lading aan boord was. “Die zijn helaas allemaal bezet. Als ik eerder van jullie komst had geweten had ik een cabine kunnen aanbieden.Het was zíjn boot, dus dat had zomaar gekund.
“Maar jullie kunnen je bagage en al het filmmateriaal veilig opbergen in de captain’s meeting room. Vraag naar Rasta, die wijst jullie de weg.”

Hij wenste ons een goede reis, stapte samen met zijn overdressed zakenvriend in zijn grote 4x4 en reed het haventerrein af.
      Nadat de vracht was ingescheept - bouwmaterialen, kratten bier, enkele oude containers, houten kisten, een paar grote kunststof watertanks , een vrachtwagentje en een kleine bulldozer -, was het donker geworden en mochten de passagiers aan boord. Iedereen werd op naam afgeroepen. Rasta, een grote donkere man met inderdaad rastahaar, bracht ons naar de captain’s meeting room waar we de bagage veilig achter slot en grendel konden achterlaten.  De scheepskantine was vrijwel direct volgestroomd met passagiers die zich in een mum van tijd alle banken, tafels en grote delen van de vloer als slaapplaats hadden toegeëigend. Wij installeerden ons op een aantal houten banken buiten op het dek.

Stempel

Midden in de nacht brak een heftig onweer los. Bliksem, windvlagen en zware regen dwongen ons naar binnen waar we Rasta ervan konden overtuigen ons in de meeting room te laten slapen. Het was klein en krap en we sliepen half over elkaar op de grond, maar het was er in ieder geval droog. Op het bureau lag een stempel dat ik bij wijze van souvenir afdrukte in mijn notitieboekje.

De volgende ochtend was het rustig en droog. Vanaf het dek zagen we de grillige vormen van Príncipe eiland opdoemen uit de ochtendmist.
      We voeren langs de oostkant van het eiland en draaiden de diepe baai in waar aan het einde het kleine hoofdplaatsje Santo António lag verscholen.

De aanlegsteiger was nog niet aangepast aan de hoogte van de Amfitriti en iedereen moest door een aantal stevige Principers aan land worden geholpen.

Ik stond nog maar net op de kade toen een blanke jongeman op mij afstapte.
      “Are you part of the Dutch filmcrew?” Het was een Zuid Afrikaan.
De Consul van België had hem gestuurd.
      “Onze chauffeur komt u om twaalf uur ophalen bij uw hotel , dan rijdt hij u graag naar het noorden van het eiland voor een bezoek aan ons nieuwe luxe-resort Belo Monte.”

 

 


Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen



 

 

 

Sterilisaties & Voetenpercussie 

In januari 1994 was het erg heet in Maputo, de hoofdstad van Mozambique in het zuiden van Afrika. Ik logeerde bij Rob Pannekoek, een Nederlander die daar via een soort uitwisselingsprogramma terecht was gekomen. Er was geen airco in dat huis, dus ik kocht de tweede dag een ventilator, die een uur later prompt uit de auto werd gejat.
     Rob Pannekoek was gegrepen door het land, zijn cultuur, zijn mensen en vooral zijn muziek. Omdat de temperaturen overdag opliepen tot meer dan veertig graden, stonden wij ’s ochtends om vier uur op. Rob was in Nederland zanger geweest bij de Rockgroep The TitBits en zette dan muziek op van lokale groepen. “Man, man, die kunnen er wat van”.
      Hij was verliefd geworden op een Mozambikaanse en had zijn sterilisatie weer ongedaan laten maken, want anders kon er niet getrouwd worden. Het waren dat soort problemen, die hij heel openlijk en humoristisch bij een drankje besprak. Er waren trouwens nog veel meer problemen, want ik moest proberen vanuit Maputo een rechtstreekse radio-uitzending van twee uur te verzorgen. Daarvoor had ik één van de allereerste satelliettelefoons bij me inclusief een modem om het telefoongeluid te kunnen digitaliseren. De elektriciteit in Maputo viel regelmatig uit en als dat tijdens de uitzending zou gebeuren, zouden we uit de lucht zijn. Om dit op te lossen had ik voor noodgevallen een grote generator geregeld, die met de hand aan een touw moest worden opgestart. 
  
      Wij sliepen overdag van twaalf tot vier, werkten weer door tot een uur of tien en dronken dan een paar glaasjes whisky. Dat had ik op zijn verzoek meegenomen. Zijn vrouw keek ondertussen naar Braziliaanse soaps, want dat kunnen ze daar in die voormalige Portugese kolonie goed verstaan. 
      's Avonds konden we er niet met de auto op uit. In de straten van Maputo lagen namelijk roosters, waardoor regenwater werd afgevoerd. Maar veel van die roosters waren gestolen door mensen, die ze gebruikten om er vleesjes op te roosteren. Gevolg: Er zaten in alle wegen enorme gaten, die je 's avonds niet meer zag.

      Er zou in die uitzending ook live muziek gemaakt worden. Rob had in Mozambique Nambu-Producties opgericht, een instituut dat bedoeld was om de cultuur van het land uit te dragen. Hij kende veel muzikanten, maar vond dat ik een Makwayela Dance moest laten horen. Daarin zingen mannen a capella en begeleiden zichzelf met voeten-percussie. Instrumenten komen er verder niet aan te pas. Op een zondagmiddag gingen we naar een lokaaltje waar een groep van zo’n tien mannen aan het repeteren was. Ik vond het fascinerend en legde de groep vast.
      Hoe ik dat allemaal met een paar simpele microfoons en eenvoudige apparatuur moest registreren wist ik toen eigenlijk ook niet. Ik was immers programmamaker en geen radiotechnicus. Maar ook hier was in voorzien, want ik had een cassettebandje met die muziek klaarliggen als het allemaal niet om aan te horen zou zijn.
      Het lukte echter wonderwel en twee jaar later kwam de Grupo cultural de dança tradicional Moçambique naar het Nederlands Wereldmuziekfestival. Het werd een groot succes.

Rob Pannekoek is inmiddels al weer meer dan twaalf jaar dood.
      Laten we op hem een whisky drinken en luisteren naar de Makwayela Dance.

Of luister naar hemzelf met The TitBits in River

       


Klik HIER voor alle Ontmoetingen



 

Dagelijks op en neer

We zitten op een terras in Holwerd, waar over een halfuur de veerboot naar Ameland vertrekt.
      Mooi uitzicht op het wad. Veel krijsende meeuwen.
Het is namiddag.
      Een man gaat aan ons tafeltje zitten.
‘’Zo! Ik heb wel een biertje verdiend. Hard gewerkt vandaag. En het terras is gelukkig ook weer open.’’
      De man is schilder. ‘’Huisschilder’’.
Hij is 51 jaar en komt uit Groningen, maar woont op Ameland. Daar komt zijn vrouw vandaan.

Iedere dag gaat hij over. Naar het vasteland. Daar staat zijn auto. Op Ameland gaat hij gewoon fietsen. Dat alles geeft wel wat gedoe, maar het is ‘t dubbel en dwars waard.
      ‘’Als je op Ameland naar het strand wil, dan ga je naar het strand. Wil je naar het bos, dan ga je naar het bos’’.

Hij heeft een jaarabonnement voor de veerboot Holwerd-Ameland. ‘s Avonds gaat hij altijd terug met die boot. Die doet er zo’n drie kwartier over. Als het even kan om half zes, maar het loopt wel eens uit. Niet als hij in Friesland of Groningen werkt, maar hij moet ook geregeld naar Amsterdam of Haarlem. ‘’Liever naar Haarlem, want dat is een veel mooiere stad’’.

Watertaxi

’s Ochtens gaat hij met de Watertaxi. Die doet er maar een kwartier over.
      ‘’Ik stap om half zeven aan boord. Dat kost me dan 7,50, omdat ik dat jaarabonnement heb. Het wordt vergoed door mijn baas. Die wil ook dat zijn mensen het naar hun zin hebben. En dat heb ik. We hebben wel eens overwogen om naar het vasteland te verhuizen, maar dat zet je wel weer uit je kop als je hier die eilandrust ervaart. Daar weegt niets tegenop. Niets’’.


(Eerder geplaatst: 29-09-'17)

 Klik HIER voor alle Ontmoetingen

 

 

Zomer 1995

Vader en grootvader in hout

In september 1995 reed ik in een rammelende huurauto van Victoria Falls in het noordwesten van Zimbabwe naar het Hwange National Park. Het was prachtig weer en ik was in een zeer goede bui, want het werk was naar tevredenheid geklaard. 
 
      Ik zou nog een paar dagen voor mezelf hebben. En dan moet je natuurlijk -als je toch in de buurt bent- naar één van de grootste wildparken die er op deze wereld zijn.

      Even voor het stadje Hwange stond een man te liften bij een kraampje waar handgemaakte spullen verkocht werden. De man werkte in het wildpark. ’Oppassen, opruimen, mensen rondleiden, ach meneer van alles’. In het kraampje stond een jongen van een jaar of zestien. ’Cheap mister, very cheap. Have a look’’.



Ik besloot een houten poppetje te kopen. 
      ’My father’ zei de jongen.
‘And here: grandfather’

Of ik ze beide wilde kopen voor de prijs van één.

      En hier staan ze dan. Enigszins scheef, vrij ruw gesneden, divers van snit, ietwat geteisterd, maar trots en voornaam.


      De liftende man, die Geoffrey heette, ging daarna met mij mee naar het park. Ik moest bij een lodge mijn auto laten staan en hij nam mij mee in een jeep. Natuurlijk kende hij alle waterplaatsen en wist hij waar de dieren zaten. Vier van de vijf Big Five beesten heb ik die dag gezien: Leeuwen, olifanten, buffels en luipaarden. Trouwens ook zebra’s, giraffen, gnoes, wilde honden, heel veel apen, hyena’s , struisvogels, adelaars en tientallen andere vogels, die Geoffrey allemaal bij naam kende.    
      Alleen de neushoorn heb ik gemist. Maar die zaten volgens mijn gids verderop in het park, dat ongeveer een derde van het oppervlak van Nederland beslaat.


 

Klik HIER voor alle Ontmoetingen

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh