Reizen (311)

 


Boeven, zwervers en ander onduidelijk volk


(Door Rolf Weijburg)

      Hoewel Barbados, het op twaalf na kleinste land ter wereld, algemeen gezien wordt als een Caribische eilandstaat, is het eigenlijk een Atlantisch eiland.
      Het ligt geïsoleerd een kleine tweehonderd kilometer ten oosten van de grote boog eilanden van de kleine Antillen die de grens vormen tussen de Atlantische Oceaan en de Caribische Zee.

 

 


"Bebaarde" bomen
De herkomst van de naam Barbados is onduidelijk, maar refereert waarschijnlijk aan de met lange wortels behangen endemische Bearded Fig trees, waarbij Barbados is afgeleid van de Spaanse (Los Barbados) of Portugese (Os Barbados) benaming voor deze “bebaarde” bomen.


Little England

Het bijvoeglijk naamwoord is Barbadian in het Engels terwijl lokaal meestal de creoolse term Bajan wordt gebruikt. Het eiland heeft de bijnaam Little England vanwege het glooiende landschap, maar ook omdat de Britten er - doordat het eiland door zijn geïsoleerde ligging niet werd meegesleurd in de vele Frans-Engelse oorlogen die de andere eilanden zo teisterden - drie eeuwen lang onafgebroken konden blijven. Uniek in de Cariben. Allerlei instituties zoals het rechtssysteem, het onderwijs en de politiek zijn dan ook tot op de dag van vandaag nog op Britse leest geschoeid.
      Barbados wordt ook Bimshire genoemd, als ware het een Engelse County, waarbij de herkomst van de term Bim misschien afkomstig is uit het Igbo, de Nigeriaanse taal van het gros van de naar Barbados verscheepte slaven en zoveel als “mijn thuis” betekent.
      Feit is dat Barbados, hoewel het in 1966 onafhankelijk werd van het Verenigd Koninkrijk, nog steeds een onmiskenbaar Britse uitstraling heeft: links rijdend verkeer, pillar boxes en bobbies, getapte pints of lager zonder schuim. Polo is er populair en er zijn overal cricketvelden.


Cricket

 
Settlers

Net als alle andere kleine Antillen bevolkten de Amerindians, de Arawak en later de Carib indianen vanuit Zuid-Amerika op enig moment ook Barbados. Maar Columbus heeft het eiland nooit gezien. Het was waarschijnlijk de Portugees Pedros a Campos die op weg naar Brazilië Barbados als eerste Europeaan zag liggen. Maar de Portugezen noch de Spanjaarden waren, afgezien van het plunderen van de lokale Indiaanse gemeenschappen, erg in het eiland geïnteresseerd.
      Toen uiteindelijk in het begin van de zeventiende eeuw de Engelsen zich op Barbados begonnen te vestigen, waren alle Indianen al vermoord of vertrokken.
      De Engelse settlers startten tabaks-, katoen-, gember- en indigo plantages en de landarbeiders die daarvoor nodig waren werden gerekruteerd uit (krijgs)gevangenen, zwervers en ander onduidelijk volk dat vanuit Engeland werd afgevoerd naar Barbados waar ze als indentured servants, nog net geen slaven eigenlijk, op de plantages werden ingezet.

Suikerriet

Rond 1640 werd suikerriet geïntroduceerd. Het klimaat en het land bleken er uitermate geschikt voor.  De bossen werden in rap tempo gekapt en vervangen door glooiende suikerrietvelden.


Slaven

Naast de voortdurende “import” van blanke veelal Ierse misdadigers werden nu ook grote groepen West-Afrikaanse slaven naar Barbados gehaald om op al die nieuwe suikerrietplantages te werken. Waren er in 1629 nog slechts 50 zwarten op het eiland, in 1685 waren het er 50000, 66 % van de totale bevolking. Het eiland raakte overbevolkt en in de achttiende eeuw trokken velen van de inmiddels vrije blanken weg naar Guyana, Grenada of Saint Vincent en later naar de Verenigde Staten, maar ook vandaag nog is Barbados het dichtstbevolkte eiland in de Cariben.

      Suikerriet werd de kracht van Barbados. Ondanks stevige concurrentie uit vooral Guadeloupe en Martinique bracht de suikerrietindustrie veel geld en redelijke stabiliteit naar het eiland. Toen de Britten in 1807 de slavernij afschaften waren er op Barbados inmiddels zoveel slavenvrouwen dat een “natuurlijke” slavenaanwas min of meer gegarandeerd was. Slaven bleven er dan ook gewoon slaven en pas na 31 jaar en enkele heftige slavenopstanden werd in 1838 ook op Barbados de slavernij helemaal afgeschaft.

      De 70000 bevrijde slaven bleven echter veelal - weliswaar als (slecht) betaalde arbeiders- op de plantages werken die steeds betere opbrengsten haalden door de introductie van betere suikerrietsoorten, kunstmest en vooral de door stoommachines aangedreven rietsuikermolens (waardoor langzaam de windmolens uit het landschap verdwenen. Op één na.)

Pas in de twintigste eeuw, toen de veel goedkopere Europese suikerbiet een gedegen concurrent werd en oorlogen de wereldhandel verstoorden, kwam de klad in de Barbadiaanse  suikerrietproductie. Het eiland is echter tot op de dag van vandaag suikerriet blijven produceren, weliswaar op een veel minder lucratieve basis en voor een groot deel voor de rumproductie.


Rum


Toerisme
Na de onafhankelijkheid in 1966 heeft de Barbadiaanse overheid dan ook naarstig gezocht naar economische alternatieven: kleinschalige industrie, offshore banking en toerisme werden speerpunten en vooral dat laatste bleek een veelbelovende sector waarop groot werd ingezet. Het toerisme heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat de inkomens op Barbados tegenwoordig tot de hoogste van Centraal en Zuid-Amerika behoren.
      De prachtige witte stranden langs de zuid- en westkust werden snel ontwikkeld. Grote hotels, resorts en appartementencomplexen vulden de kuststrook en de bouwkoorts kreeg nog een extra injectie toen Barbados in 2007 de Cricket World Cup mocht organiseren. Daarvoor werd het oude Kensington Oval Cricket Stadium nabij de hoofdstad Bridgetown afgebroken en vervangen door een nieuw, groter en moderner stadium dat inmiddels het Cricket Mekka van de Cariben wordt genoemd.


Hotels & Resorts

Toegangswegen werden opnieuw aangelegd, er kwam een veelvoud aan hotels en resorts bij en het internationale vliegveld Grantley Adams werd uitgebreid met een grotere aankomst en vertrekhal, een sjieke lounge en een nieuwe shopping mall.

Toen we er in 2012 vanuit Saint Lucia landden waren er inmiddels 22 gates en was het vliegveld een ware hub geworden met directe vluchten van en naar Europa, Noord - en Zuid-Amerika en uiteraard de Cariben.
      We werden met Britse hoffelijkheid het land in gestempeld en liepen de enorme aankomsthal in.
Buiten stond een rij taxi’s te wachten in de schaduw van een grote overkapping. Daarachter scheen de Bajan Sun.

      “How’s life in Barbados?”, vroeg ik de chauffeur toen we links van de weg tussen bloemenperkjes door het vliegveldterrein afreden.
Het leven kabbelde zo’n beetje voort, zo zei hij. Er was wat onrust in de onderwijssector, leraren staakten. Het had te maken met het op Victoriaans Britse leest geschoeide publieke onderwijs waarin lijfstraffen nog heel normaal waren, terwijl privéscholen de straffen allang hadden afgeschaft. Maar die scholen kenden maar weinig zwarte leerlingen.
      “The Bajan sun shines equally on everyone, but not everyone is equal here”, verzuchtte de chauffeur. We reden over smalle maar goede wegen door het Barbadiaanse landschap -veel Britse, wat armoedige, huizenbouw-  en kwamen bij Oistins aan de zuidwestkust waar de prachtigste stranden zouden moeten liggen.

      Maar er was niets van te zien.

Uitzichten werden geblokkeerd door talloze grote, vaak ommuurde, hotels. Hoewel stranden in Barbados nooit privé kunnen zijn, probeerde menig hotel de toegang tot die stranden voor niet hotelgasten zo lastig mogelijk te maken en niet zelden moet je via hele smalle en verborgen gangetjes tussen de hotelschuttingen of hekken door, het parelwitte zand zien te bereiken.

“Het begint zo langzamerhand één lange muur te worden! Er zijn steeds minder plekken waar we een onbelemmerd uitzicht op het strand hebben, en om er te komen wordt alsmaar moeilijker.” , mopperde de chauffeur. Maar hij had gelijk, rijdend over de hoofdweg schitterde er slechts heel af en toe een glimp van turquoise tussen de gebouwen door.

“Tourism gave us income and prosperity, but it stole our ocean views”.

 

 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

Het biljet van € 200,--

Het was vrijdagochtend kwart over acht. Ik deed snel een boodschap bij mijn plaatselijke Albert Heijn. Voor mij bij de kassa moet een mevrouw drie euro en 35 cent afrekenen voor wat broodjes, een potje jam en een tube mayonaise. Zij legt een biljet van 200 Euro neer.
      De caissière kijkt hier nogal ongelukkig bij. 'Daar heb ik niet van terug', zegt zij. Als de mevrouw wat tegenstribbelt -'u hebt toch wel biljetten van 50 Euro in kas'- zegt het meisje achter de kassa, dat ze biljetten van 200 euro niet mag accepteren.
 
In de inmiddels steeds langer wordende rij, ontstaat enige commotie. Discussie. Meningsverschil. Allerlei argumenten pro en contra passeren.

      "Zo'n biljet is toch een wettig betaalmiddel. Dat mag niet geweigerd worden".
      "Ze kunnen natuurlijk niet controleren of het een vals biljet is''.
      ''Als ze van die grote biljetten in kas hebben, zijn ze interessanter voor overvallers''.
      ''Als je zo'n klein bedrag moet afrekenen is het idioot om met zo'n groot bedrag te willen betalen''.



Gedoe op de Azoren

Ik heb eens nagegaan of iemand de moeite heeft genomen om hierover een rechtszaak te beginnen, maar daar heb ik niets over kunnen vinden. Er is wel een soort consensus. Winkeliers mogen biljetten van 200 of 500 Euro weigeren. Ook biljetten van 100 of 50. Ze kunnen zelfs eisen dat er helemaal niet cash betaald wordt, maar dat men pint of zo. Het wordt dan wel aangeraden om dat duidelijk kenbaar te maken.
      Ooit heb ik daar zelf wat moeilijkheden mee ondervonden. In februari 2002 ging ik voor de VPRO naar de Azoren, een Portugese eilandengroep in de Atlantische Oceaan. De Euro was net ingevoerd. Ik kreeg cash geld mee. 2500 Euro. Daar zaten twee biljetten van 500 Euro, drie biljetten van 200 en vijf biljetten van 100 tussen. Nu zou ik geweigerd hebben om daarmee op pad te gaan, maar omdat het hier een nieuw betaalmiddel betrof, vond ik het wel goed. Dat bleek niet zo verstandig. Ik huurde een auto en moest 300 Euro borg betalen. Geen probleem: één biljet van 200 en één van 100. 

Maar de verhuurder weigerde om de biljetten aan te nemen. ''Ga maar naar de bank'', was zijn advies. Ik betaalde toen maar met een creditcard.
De volgende dag ging ik naar een bank, maar ook daar werden de biljetten geweigerd. Uiteindelijk heb ik ze weer mee naar huis genomen.

Gedoe in Zimbabwei

Nog gekker was het in Zimbabwe waar ik in 1995 was. Ditmaal was ik uitgerust met Amerikaanse dollars. Het begon met het hotel. Ik kocht daar wat in een winkeltje en wilde met een biljet van twintig dollar betalen.
       De man achter de toonbank bekeek het biljet goed en zei dat hij het niet kon accepteren. Er zat namelijk een scheurtje in.
Ook toen ging ik naar een bank om die dollars te wisselen. Ieder papier werd grondig bekeken. Een scheurtje, een vouwtje, een andere ongerechtigheid, alles werd geweigerd.
      Die dollarbiljetten zijn vaak wat ouder en een vouwtje zit er al snel in.
Niet meer dan twee biljetten van twintig dollar kwamen door de controle.

Het biljet van 100 biljoen dollar     

Mijn bedrijf heeft toen geld op mijn rekening gestort en zo kon ik Zimbabwaanse dollars ontvangen. Die waren toen nog wel iets waard.
      In 2015 zijn de Zimbabwaanse dollars verdwenen. De gierende inflatie onder het bewind van Mugabe had tot volstrekt krankzinnige situaties geleid. Uiteindelijk werd een biljet van 100 biljoen dollar gedrukt. Daar kon je nog geen ijsje voor kopen.



 

 

Vader en grootvader in hout

In september 1995 reed ik in een rammelende huurauto van Victoria Falls in het noordwesten van Zimbabwe naar het Hwange National Park. Ongeveer 100 kilometer.
      Het was prachtig weer en ik was in een zeer goede bui, want het werk was naar tevredenheid geklaard.
 Ik zou nog een paar dagen voor mezelf hebben. En dan moet je natuurlijk -als je toch in de buurt bent- naar één van de grootste wildparken die er op deze wereld zijn.

      Even voor het stadje Hwange stond een man te liften bij een kraampje waar handgemaakte spullen verkocht werden. De man werkte in het wildpark. ’Oppassen, opruimen, mensen rondleiden, ach meneer van alles’. In het kraampje stond een jongen van een jaar of zestien. ’Cheap mister, very cheap. Have a look’’.




Ik besloot een houten poppetje te kopen. 
      ’My father’ zei de jongen.
‘And here: grandfather’

Of ik ze beiden wilde kopen voor de prijs van één.

      En hier staan ze dan. Enigszins scheef, vrij ruw gesneden, divers van snit, ietwat geteisterd, maar trots en voornaam.



      De liftende man, die Geoffrey heette, ging daarna met mij mee naar het park. Ik moest bij een lodge mijn auto laten staan en hij nam mij mee in een jeep. Natuurlijk kende hij alle waterplaatsen en wist hij waar de dieren zaten. Vier van de vijf Big Five beesten heb ik die dag gezien: Leeuwen, olifanten, buffels en luipaarden. Trouwens ook zebra’s, giraffen, gnoes, wilde honden, heel veel apen, hyena’s , struisvogels, adelaars en tientallen andere vogels, die Geoffrey allemaal bij naam kende.    
      Alleen de neushoorn heb ik gemist. Maar die zaten volgens mijn gids verderop in het park, dat overigens ongeveer net zo groot als Nederland was.



 

 

   

   

    

   

  

 

 

Евгений Онегин in het Bolshoi Theater


Het was eind maart 1995.
     
Rusland was zich aan het vrijmaken van de Sovjet-tijd. Wij sliepen niet in zo’n treurig staatshotel, maar hadden een appartement gehuurd aan de rand van het centrum. Iedere ochtend kwam de eigenaresse een ontbijtmandje brengen. Verse broodjes, worstjes, vleeswaren, kazen, een soort yoghurt, een kan koffie en steevast een klein flesje Stolychnaya wodka. 
      Wij wilden onder meer naar het Bolshoi theater, ’s werelds meest beroemde cultuurtempel. Wat immers is een bezoek aan Moskou waard als je niet in het Bolshoi geweest bent?
     
Wij gingen met de metro naar het Sverdlov Plein. Daar is het witte theater met de pilaren.

                    

Wij hadden geluk, want die weken werd de opera Jevgeni Onegin opgevoerd. Een opera van Pjotr Tsjaikowski naar de gelijknamige roman van Aleksandr Poesjkin. Uitgevoerd door het Bolshoi Theatre Orkest onder leiding van Alexander Lazarev. Russischer kon het allemaal niet.
      Het was nog redelijk vroeg en op een bordje stond dat de kassa die middag tussen twee en vijf uur open zou zijn. Telefonisch reserveren ging niet en on-line bestellen bestond natuurlijk nog niet.
     
Toen wij ‘s middags terugkeerden stond er een gigantische rij. 
Tja. Aansluiten dan maar…  
     
Er kwam een man op ons af. Waar we vandaan kwamen en wanneer we de voorstelling wilden bijwonen? Wij kwamen uit Holland en wilden diezelfde avond naar het theater.
     
‘’Dat kan’’, zei de man. ‘’U geeft mij 25.000 Roebel en dan ga ik voor u in de rij staan. Als u over drie uur terugkomt treft u mij op dezelfde plaats met kaartjes’’.

            

Hij haalde een foto tevoorschijn van het rood-gouden interieur en wees aan dat wij het beste op het balkon konden plaatsnemen; tweede ring van onderen. Ieder ticket zou 75.000 Roebel kosten en hij schreef de koers op die hij hanteerde: 1US$ is 4.500 Roebel.


Rode Plein

Moet je nu acherdochtig worden? De man was vriendelijk, sprak behoorlijk goed Engels en maakte een verzorgde indruk. En ach.... hij wilde dat doen voor een in onze ogen bescheiden bedrag. Wij aarzelden niet en gaven hem zijn (wacht)-geld. 
      En vertrokken naar het Rode Plein, want wat immers is een bezoek aan Moskou waard als je niet op het Rode Plein geweest bent? En passant deden wij er ook het Mausoleum van Lenin bij en dronken een borreltje in de Slavanska Bar aan de Oelitsa 25 Oktjabrja. 

      Toen wij terugkwamen stond de man breed grijnzend te zwaaien. Hij had de kaartjes en had ook nog een beschrijving van de inhoud van de opera. 

     

De Cast

 ’s Avonds waren wij keurig op tijd. Maar een suppoost begeleidde ons niet naar de tweede ring van onderen maar naar de tweede ring van boven. Waren wij nu toch een beetje opgelicht of was er sprake van een communicatiefout? 

      Heel erg was het niet, want de akoestiek in het theater is op alle plaatsen uitstekend en ook het zicht op de operavloer was perfect.

Thuis in Nederland kochten wij een CD met de opera. In nostalgische buien luisteren we ernaar en drinken daar Stolychnaya wodka bij.

Luister HIER naar de slotscene van Jevgeni Onegin in Moskou op het Rode Plein uitgevoerd door Anna Netrebko en Dmitri Hvorostovsky.  

 

 

 

De Spasski-toren van het Rode Plein
    

Dit is speelgoed. Je schuift de onderdelen op de stok en je eindigt met de groene spits. Dan krijg je een toren.
      Het is van hout, eenvoudig in uitvoering en je kunt het bijna eindeloos variëren. En na afloop kun je proberen de toren omver te stoten, wat overigens nog niet meevalt.
      Ideaal speelgoed voor peuters en kleuters van zo'n twee tot zes jaar.
Mijn kleinkinderen hebben er leuk mee gespeeld.

   

Ik kocht dit speelgoed in 1995 in Moskou. 
      Kijk eens naar de foto hierboven van het Rode Plein.
Links-midden de Pokrov Kathedraal en rechts het Kremlin, het mausoleum van Lenin en de Spasski-toren.
      Om die toren gaat het.  

   

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh