Poëzie (281)

 

Touretappe 11

De wielrenners in de Tour de France fietsen vandaag naar de Mont Ventoux.
      Een meer dan verschrikkelijke berg, die ze dit keer maar liefst twee maal (van verschillende kanten) op moeten.

In januari 2012 schreef ik het volgende stukje over de kale berg.

 

Dichten is fietsen op de Mont Ventoux

 Sport & poëzie verdragen elkaar niet zo goed.
      Een enkele auteur en een spaarzame programmamaker hebben wel eens pogingen gedaan om het één met het ander te verbinden.
Het werd vrijwel altijd een geforceerde mislukking.
      Sport is prestatiegericht. Hard en meedogenloos. Een ratrace, waar minderbedeelden het altijd afleggen.
      Poëzie stokt hier, kan niet gedijen en sterft in schoonheid.

Jan Kal schreef op 1 augustus 1971 een mooi sonnet: Mont Ventoux.
      Hij had de berg op de fiets beklommen en schreef direct daarna het gedicht. Met die prachtige eerste regel:

      ‘Dichten is fietsen op de Mont Ventoux’.

Jan Kal is een dichter, die als fietsende liefhebber een aardige prestatie leverde.
      Maar een groot kenner van ‘t professionele wielrennen lijkt hij mij niet.
Hij veroorlooft zich een dichterlijke vrijheid.
     
Tom Simpson overleed op de berg in 1967, maar was wereldkampioen in 1965. Okee.

Maar hij maakt ook een zeer merkwaardige fout, namelijk dat de berg daarna tabu (taboe) verklaard werd.
     En dat is grote onzin. 

Lees eerst het sonnet;



Van Jan Kal


Mont Ventoux


Dichten is fietsen op de Mont Ventoux
waar Tommy Simpson nog is overleden
Onder zo tragische omstandigheden
werd hier de wereldkampioen doodmoe

Op deze col zijn velen losgereden,
eerste categorie, sindsdien tabu.
Het ruikt naar dennengeur, Sunsilk Shampoo,
die je wel nodig hebt, eenmaal beneden.

Alles is onuitsprekelijk vermoeiend
de Mont Ventoux opfietsen wel heel erg
Waarvoor ook geldt; bezint eer gij begint.

Toch haal ik, ook al is de hitte schroeiend,
de top van deze kaalgeslagen berg:
ijdelheid en het najagen van wind.

 
Het nonnenklooster voorbij


De Mont Ventoux is bijna twee kilometer hoog. Vanuit het plaatsje Bédoin is de beklimming het zwaarst.
      De renners hebben hier natuurlijk geen oog meer voor wijngaarden of het oude nonnenklooster, maar richten zich op het wegdek.
Ze moeten in 21 kilometer een hoogte van 1589 meter overwinnen.
      Het gemiddeld stijgingspercentage is 7.6% met uitschieters tot 10.5%.

De berg werd tot nu toe vijftien maal in de Tour de France beklommen. Het meest dramatische moment was op 13 juli 1967. 
      Tom Simpson raakte bewusteloos bij de beklimming. Hij had amfetaminen gebruikt en zou aan de voet van de berg ook een glaasje cognac gedronken hebben. Hij werd bevangen door de hitte en overleed.

De organisatoren hebben toen overwogen om de berg te schrappen. (Tabu te verklaren).
     
Maar dat gebeurde niet.

In 1970 stond de Mont Ventoux alweer op het programma.
     
En opnieuw kwam er iemand in grote problemen. EDDY MERCKX zelf
Hij lijkt met grote overmacht te winnen, maar krijgt het steeds moeilijker.
     
Kijk maar naar dit filmpje! 

Als hij de finish gepasseerd is raakt ook hij even bewusteloos.
      Merkwaardig dat Jan Kal dit destijds ontgaan is.
     
Of zou hij het gedicht vòòr de Tour de France van 1970 geschreven hebben?

Nee!

Het gedicht Mont Ventoux werd in 1974 opgenomen in de bundel Fietsen op de Mont Ventoux.
     
En daarin staat ook het volgende sonnet, waarin hij toch echt meedeelt dat het gedicht op 1 augustus 1971 geschreven is:


Van jan Kal


Topprestaties

Toevalligheid van de toevalligheden
ik kocht de dichtbundel van Tim Krabbé
Vijftien goede gedichten, en daarmee
is niets te veel gezegd; dat stemt tevreden.

Mogelijk meer nog dan het wel en wee
hier door de dichter-wielrenner beleden,
trof mij het omslag, en niet zonder reden:
exact de uitwerking van mijn idee!

Op 1 augustus ‘71
schreef ik, nadat ik de berg beklom:
‘Dichten is fietsen op de Mont Ventoux’

 Ik dacht: ‘Als ik in de boekhandel lig
wil ik een kiek van deze klim erom’
Er is niets nieuws onder de zon, Poupou.

 

 

 
Van J.A. Emmens

Winter

Ik hak een bestaan in de volgende dag:
de toekomst brokkelt langzaam af.
vandaag is niet meer dan een wak in de tijd,
het verleden is dichtgevroren.

 

Oleander in wit

Staat nu binnen!

 

Van Nico Scheepmaker

Landschapsschoon

De zon legt haar verguldsel op de velden,
Het lijkt wel of zij alle schapen kust…
Een prachtig beeld. Al zal men mij wel melden
Dat er helaas al copyright op rust.

Toch is de laatste dag van januari
Een ongewone dag voor zoveel zon.
Vandaar dat ik met enige bombarie
De eerste regels van dit vers begon.

Ik trek ze terug. En ik beperk mij tot
De constatering dat het landschapsschoon
Dankzij het zonlicht en zijn machtsvertoon
Niet langer afgekloven tot het bot,
Maar als een deerne die verwarring sticht
Betoverend aan onze voeten ligt…

 

 

‘’Komt Jan langs”

Jan Sierhuis wordt vandaag 92 jaar. Hij is een kunstschilder, die na de oorlog samen met onder meer Karel Appel, Corneille en Lucebert voor opwinding, aandacht en ook wel controverse zorgde.
       Hij was bevriend met Bert Schierbeek, die in 1974 een hommage aan hem schreef onder de titel Beginselen.
Eerste regel:  ’’Komt Jan Langs’’.

      Jan Sierhuis was nogal ingenomen met dit gedicht getuige zijn reactie, die ik heb gevonden op de site van de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)

“Hij heeft die prachtige tekst geschreven bij dingen van mij, ‘komt Jan langs’. Ik was op een avond bij hem langs gegaan om hem tekeningen te laten zien waar ik mee bezig was. Het waren geen affe tekeningen, maar aanzetten welke kant het op moest, ideeën. Ik zei zoiets als ‘beginsels’. Je weet hoe dat gaat, we raakten aan de praat, tot diep in de nacht, en we hebben toch zeker een paar flessen wijn opgedronken, dus erg helder was het allemaal niet meer. Voor mij niet, althans, maar voor Bert kennelijk wel. Want een paar dagen later kwam hij dus ineens met die tekst, en daar stond alles in, precies zoals ik het gezegd had. Nee, niet eens precies zoals ik het gezegd had, er stond wat ik had willen zeggen. Dat kon ie.”

(Links Bert Schierbeek, rechts Jan Sierhuis)


Van Bert Schierbeek

Beginselen

Voor Jan Sierhuis

komt Jan langs
en zegt
zie je
ik heb tekeningen
dwz.
geen tekeningen
maar meer
Aanloopsels
zie je
wanneer ik dan later
wel of niet
iets doe.

daarom kom ik langs
omdat ik dacht
misschien
als je er naar kijkt
naar de beginselen
zou men kunnen zeggen
kun je er iets mee doen
omdat het beginsels zijn
niet af
met alles wat er in zit.
niet af.

omdat ik weet
wat de afbrokkeling is.

er is eigenlijk
niks gaaf.

het zijn torsen
op stranden

alleen de zee
is volledig
te groot
denk ik
voor een potlood
en neem de kwast
en maak er iets anders van
soms lukt dat

want je moet nooit vergeten
(en dat doe ik ook niet)
de mens is overvloeiend
en fragiel
van fantasie

soms denk ik
is het het idee
van volledig willen zijn
dat ons anvreet
en zo verandert
wat wij zien

wordt misschien
de afbrokkeling totaal
en blijft toch de zee
volledig

blijf ik zee
en brokstuk
en sta er tussen in

een razende kever
in een enorme mesthoop
alleen de stank is volledig
en ongrijpbaar

en toch ga je door
dat is je kracht
aanloopsels denk je
en wat het ooit
méér kan zijn

en dan
fragiel en overvloeiend
van werkelijkheidszin
gooi je papier en potlood
verf en kwast en doek op een hoop
en steekt er de brand in

zie je de as
en daarin de zee volledig
vol torsen het strand
dat is de waarheid
denk je
en begin je opnieuw

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie


 

Ni dieu, ni maître!

In 1880 lanceerde de Franse socialist Louis Auguste Blanqui zijn tijdschrift ‘’Ni dieu, ni maître!”  
      Later werd dat een soort strijdkreet voor anarchisten.

Maar de slogan werd pas echt bekend toen Sophie Girault een chanson onder die titel  schreef, dat werd gezongen door Léo Ferré.  .  

Luister HIER naar ‘’Ni dieu, ni maître!’’

Hoe vertalen we dit?

‘’Noch God, noch meester’’, ligt voor de hand.
‘’Geen God, geen meester’’, zou ook kunnen.;
‘’Eigen meester, niemands knecht’’, lijkt mij beter. Laten we God ook met rust.


Van Sophie Girault


La cigarette sans cravate

Qu'on fume à l'aube démocrate

Et le remords des cous-de-jatte

Avec la peur qui tend la patte

Le ministère de ce prêtre

Et la pitié à la fenêtre

Et le client qui n'a peut-être

Ni Dieu ni maître

 

Le fardeau blême qu'on emballe

Comme un paquet vers les étoiles

Qui tombent froides sur la dalle

Et cette rose sans pétales

Cet avocat à la serviette

Cette aube qui met la voilette

Pour des larmes qui n'ont peut-être

Ni Dieu ni maître

 

Ces bois que l'on dit de justice

Et qui poussent dans les supplices

Et pour meubler le sacrifice

Avec le sapin de service

Cette procédure qui guette

Ceux que la société rejette

Sous prétexte qu'ils n'ont peut-être

Ni Dieu ni maître

 

Cette parole d'Evangile

Qui fait plier les imbéciles

Et qui met dans l'horreur civile

De la noblesse et puis du style

Ce cri qui n'a pas la rosette

Cette parole de prophète

Je la revendique et vous souhaite

Ni Dieu ni maître

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 


Subcategories

 

Twee maal de helft en een geel strikje