Reizen (318)

 


Het curieuze Oecusse

Rolf Weijburg, die u kent van zijn serie over de kleinste landen van de wereld, bezoekt op dit moment de twee laatste bestemmingen om zijn atlas van die landen te kunnen afmaken. Dat zijn Micronesië en de Marshall Eilanden in de Stille Oceaan.
      Hij maakt er echter een hele rondreis van en deed onder meer Singapore, Papua Nieuw-Guinea en Darwin Australië aan.
Ook het deels onafhankelijke eiland Timor, waar hij de curieuze enclave (of beter: exclave) Oecusse vond.

 

Een leeg internationaal vliegveld

(Door Rolf Weijburg)

Natuurlijk kwam er een moment dat we Oecusse, de Oost-Timorese exclave in Indonesisch Timor, moesten verlaten. We wilden naar Dili, de Oost-Timorese hoofdstad. Om er te komen kon je over land, maar dan zou je eerst door Indonesië moeten reizen wat vanwege de grensformaliteiten nogal wat oponthoud zou geven. Bovendien verkeerde de weg vooral in het Oost-Timorese deel van de route in slechte staat en trok door bergachtig gebied waardoor het zo maar eens tien uur kon duren voordat we Dili bereikten.

    
Wegennet

Maar doordat Oecusse net als het eiland Ataúro vijf jaar geleden een Economische Speciale Zone was geworden was er veel geld beschikbaar gekomen om niet alleen het wegennet in de exclave geheel te renoveren tot onnodige over-the-top proporties, maar ook om de kleine landingsstrip uit te breiden tot een heus Internationaal Vliegveld waar dikke Boeings konden landen en tot 500 passagiers per uur “verwerkt” konden worden. Het nieuwe vliegveld werd vorig jaar geopend.

Verlaten

 
Internationaal


Terminal

Tot nog toe is er nooit een international vlucht geland of vertrokken, maar bijna iedere dag was er een vlucht naar en van Dili, zo zei men. Tickets kon je kopen in het kantoor van STAT - Servicos Transportes Aéreos de Timor Leste- op het vliegveld.
      We namen de fiets en fietsten over de bijna lege snelweg westwaarts tot aan een grote rotonde waar een afslag naar het enorme terminalgebouw voerde. Een slagboom stond omhoog, ernaast dutte een wacht in een hokje. Toen we langsfietsten en “Boa tarde!” riepen, werd hij even wakker. “Huh, fietsers? Blanken?” Dát heb ik gedroomd, moet hij gedacht hebben en viel direct weer in slaap. We reden verder tot vóór de grote hoge, open vertrek- en aankomsthal. Er waren geen passagiers, geen ophalers of wegbrengers, geen officials. Buiten stonden geen bussen en geen taxi’s en het enorme parkeerterrein dat met gemak alle auto’s van de hele exclave kon herbergen, was helemaal leeg.

      We fietsten de vertrekhal in en plotseling klonk het schrille geluid van een politiefluitje. Een bewaker verscheen die ons heftig gebarend duidelijk maakte dat dat echt niet de bedoeling was, fietsend de vertrekhal in, en dat we onze fietsen moesten parkeren op het parkeerterrein. Plek zat inderdaad.

      Het kantoortje van STAT bevond zich achter een klein deurtje in een hele grote dichte wand, waarop met plakband een A4-tje was geplakt met in dikke geprinte letters STAT. Het bleek het complete tegenovergestelde van de overweldigende grootsheid die alles in de vliegveld uitstraalde. In een minuscule ruimte zonder ramen zaten drie heren achter drie bureaus zo ongeveer met de ruggen tegen een wand vol kasten. Enkele tafelventilatoren draaiden verwoed heen en weer. Vóór de bureaus was net ruimte genoeg voor twee stoelen. We namen plaats.

“Er is morgen een vlucht naar Dili inderdaad, maar het is niet zeker of die doorgaat.”

“Waar hangt dat vanaf?”

“Of er meer passagiers komen. U bent vooralsnog de enigen. Als dat zo blijft gaan we niet vliegen. U kunt uw gegevens hier achterlaten. Als de vlucht door gaat maak ik uw tickets in orde, die kunt u dan vóór vertrek hier ophalen. Ik bel u morgenochtend.”

Hij belde inderdaad. En de vlucht zou inderdaad vertrekken. De tickets lagen klaar.

Scherm

Op de schermen stond de vlucht naar Dili keurig netjes als enige die dag aangekondigd.

Maar het vliegveld was nog steeds verlaten. Nergens een passagier, geen auto’s op de parkeerplaats. Alleen bij één van incheckbalies, de enige in een rij van twaalf die niet in plastic was verpakt, zat een vriendelijke dame.

 

Boardingcard

We kregen een boardingcard en onze tassen gleden op een geruisloos lopende band de ingewanden van het vliegveld in.
      We liepen de trap op naar de vertrek afdeling, onze handbagage werd gescand, een official begeleidde ons persoonlijk naar een van de vier departure gate lounges waar alle stoelen in plastic waren verpakt, televisies aan stonden en net als in de rest van het vliegveld de airco continu werkte om de temperatuur aangenaam te houden. Er waren twee andere passagiers, een non en een Chinese zakenman.

Plastic

Een zachtgevooisde Portugese stem klonk door de luidsprekers. Alle passagiers voor de vlucht naar Dili werd verzocht zich naar gate 3 te bewegen, maar niemand voegde zich bij ons en ook bij de drie andere gates bleef het stil.

Gates


Vliegtuigje


Stil

Het vliegtuig arriveerde uit Dili. Vijf mensen stapten uit.
       Iemand ging ons voor door een deur en dan een trap af tot op het hete asfalt van het vliegveld. De vier zware slurven van de gates waren nog nooit gebruikt en bleven ook nu ongebruikt. Het vliegtuigje was veel te klein voor de slurven, zoals heel Oecusse veel te klein was voor dit vliegveld.
   

Met vier van de 19 stoelen bezet trokken we de lucht in en vlogen langs de spectaculaire kust naar Dili.


Uitzicht

 

 

De avonturen van Mus, Yske & Tyst

In 2003 ging ik voor het radioprogramma Wereldnet naar Nieuw-Zeeland om een portret te maken van medewerker Frans Hertoghs.
      Hij was ‘een leven lang’ in Nederland leraar Nederlands. Maar in 1995 -toen hij al drie grote kinderen had- gaf hij een opmerkelijke draai aan zijn leven.

       Met zijn nieuwe veel jongere vrouw Maud vertrok hij naar Nieuw-Zeeland en vestigde zich op een wonderbaarlijk mooie plek in de Marlborough Sounds aan de noordzijde van het Zuidereiland. Daar werden nog eens drie kinderen geboren: Mus, Yske en Tyst, die toen resp. 6, 5 en 3 jaar waren.
Ik zou er een week in een ‘eigen’ huisje verblijven. De kinderen vonden dat prachtig en kwamen dagelijks een paar maal langs om wat te kletsen en te ravotten. Zij waren tweetalig.
      Frans Hertoghs schreef naar aanleiding van mijn bezoek dit leuke essay en stuurde het mij twaalf jaar later op. Het is opgenomen in zijn kinderboek "Kinderen van LandHaven".

Het mannetje van de radio

“Wanneer komt die man van Wereldnet nou precies?” vraagt mama als ze klaar zijn met eten. Ze zitten op het dek van LandHaven, de drie kinderen, papa en mama. Boven hun hoofd is de grote blauwe parasol gespannen. Maar die houdt de schuin vallende stralen van de avondzon niet tegen. Hij is er eigenlijk alleen nog voor de gezelligheid.
      “Binnenkort,” zegt papa, “ik weet het niet zo precies. Ik zal het vanavond even nakijken.”
      “Wie is dat Wereldnet, papa?” vraagt Yske. Mus weet het.
      “Dat is niet iemand, maar dat is een radioprogramma in Nederland. En daar werkt papa ook aan mee.”
      “O ja,” weet Yske ineens weer, “dan moet jij ‘s avonds laat nog wel eens een verhaaltje vertellen voor de mensen die luisteren, he?”
      “Precies,” zegt papa, “jij snapt het.”
      “Wat komt die man doen papa,” vraagt MUS.
      “Die komt een gesproken portret van papa maken,” zegt mama. “Dan mag papa van alles vertellen wie hij is en wat hij hier doet en zo.      
       Misschien mogen jullie ook nog wel op de radio.”

Dat vinden ze raar. Wat zouden zij nou te vertellen hebben?
      “Vroeger hadden we een heel raar rijmpje,” zegt papa. “Dan zeiden we: Hallo hallo, wie stinkt daar zo, het mannetje van de radio.”
      Daar moet Tyst verschrikkelijk om lachen, en ook de andere kinderen vinden het ontzettend grappig.
               “Hallo hallo!” roepen ze door elkaar, “wie stinkt daar zo, het mannetje van de radio!”
Ze komen haast niet meer bij.                                                                                                                           
      “Als je maar oplet dat je dat niet zegt als die meneer erbij is,” waarschuwt papa, “dat vindt hij vast niet zo leuk als jullie.”
      “Eigen schuld,” hikt Mus, “dan had hij maar niet bij de radio moeten gaan,”.
      “Maar ik werk toch ook bij de radio?” probeert papa nog.
      “Nou dan stink jij ook!” brullen ze en ze rollen zowat van hun stoel.

Opnames

De meneer van de radio heet Ronald en hij is erg aardig. In elk geval heeft hij voor alle kinderen iets leuks meegebracht, en dat kunnen ze wel waarderen. Hij blijft een paar dagen logeren. “Normaal ga ik in een hotel,” zegt hij. “Maar dat is hier wel een beetje moeilijk.”
      Hij vindt het heerlijk in het gastenhuisje. Af en toe gaan de kinderen er naar toe en dan doen ze spelletjes. Soms gaan papa en Ronald naar de studio en dan hebben ze daar een opname. En dus glijden ze op de glijbaan en klimmen ze bij het speelhuisje. “Hallo hallo,” brullen ze, “wie stinkt daar zo?” En ze vergeten dat papa en Ronald alles kunnen horen.

Ronald gaat naar buiten. De kinderen schrikken. Zou hij boos zijn?
      Maar Ronald moet lachen.
      “Ik hoor dat in Nederland heel vaak,” lacht hij. “Maar ik had nooit gedacht dat ik dat aan de andere kant van de wereld ook nog zou horen.”
De kinderen kijken een beetje beteuterd. Ze hadden nog zo hun best gedaan om het niet te roepen als Ronald in de buurt was.

Een eiland vol luisteraars

  Na een paar dagen zijn de opnames af. De kinderen hebben ook iets mogen zeggen.
      “Dan komen jullie ook op de radio,” belooft Ronald.
      “Luisteren er veel mensen naar jouw radio?” vraagt Yske.
  Ronald weet dat heel precies.
      “Zevenhonderdvijftigduizend,” zegt hij.
  De kinderen kunnen lang niet zover tellen, maar het lijkt ze ongelooflijk veel.
      “Dat is net zoveel als alle mensen van het hele zuidereiland bij elkaar!” roept Mus.
  “Met Nelson en Christchurch en Blenheim erbij!”
  Yske kan het bijna niet geloven.
      “En horen die dan allemaal wat wij zeggen?”
      “Allemaal,” belooft Ronald.
      “Kunnen wij dat dan ook horen?”
      TYST & YSKE
       “Als het uitgezonden wordt, natuurlijk wel,” zegt Ronald. “Maar eerst moet ik het nog klaarmaken. En dat duurt nog wel eventjes.”


Een leuk plannetje

      “Wat vind je ervan om morgen als afsluiting van het bezoek naar Titirangi Bay te gaan?” vraagt papa aan mama.
      “Leuk,” zegt die. Maar dat is niet te horen door het opgewonden lawaai dat de kinderen alle drie tegelijk aanheffen. Jaaah, leuk! en of er weer harde eieren mee mogen, en chocolademelk en of ze de grote strandbal mee mogen nemen en de opblaasboot en de emmertjes en nog veel meer dingen.
      “Wat is dat voor een baai?” vraagt Ronald. En papa vertelt, dat het een prachtig groot zandstrand is, op een uurtje rijden, helemaal aan het eind van de Sounds. Alleen al de weg ernaartoe is prachtig. En het is er niet druk. In feite is er niets anders dan een onbemande camping met vers water, een koude douche en keurige toiletten. Met papier.
      “Nieuw-Zeeland op z’n best,” zegt papa. Een van de mooiste stranden die ik ooit gezien heb. En geen kip te bekennen.”
Dat lijkt Ronald ook wel leuk.
      En meteen beginnen ze met de voorbereidingen. Mama kookt de eieren en papa maakt zalmsalade. De veranda komt vol te staan met koelboxen, strandtenten, een grote parasol, picknickmanden en badlakens, klapstoeltjes en zonnebrandspul.
      Die avond duurt het lang voor de kinderen ingeslapen zijn. En allemaal dromen ze van het strand.

Een bergrit

De volgende dag is het stralend weer, echt strandweer. De kinderen zijn al om zeven uur op en sjouwen met speelgoed dat ze mee willen nemen. Na het ontbijt wordt de auto geladen. Helemaal achterin wordt een stoeltje uitgeklapt. Daar mag Mus zitten, op de derde rij. Die wordt toch nooit wagenziek. Door dat stoeltje is er maar net genoeg plaats voor alle bagage. Maar ze krijgen het er toch allemaal in. Ronald mag voorin en mama gaat tussen Yske en Tyst zitten. En dan gaan ze op weg. Ze rijden naar het eind van de Kenepuru Road, waar de Kenepuru Sounds begint.
      “Nee, eindigt,” zegt Mus. “Kijk maar, tot zover kun je maar varen.” Dat is ook weer waar. Het is maar hoe je het bekijkt.
De weg gaat over in een rotsig zandpad, dat langzaam de bergen in klimt. En dan rijden ze ineens in een schaduwrijk oerbos, een paar honderd meter boven de zee. Hier en daar kunnen ze het water zien met duizenden inhammen, eilandjes en stranden. Er is geen huis te bekennen. Ronald heeft zoiets nog nooit gezien en hij maakt wel honderd foto’s.
      “Hoe hoog zouden we nou zitten?” vraagt hij.
Papa weet het precies, dat staat op het hoogtemetertje van de auto.
      “Rond de zevenhonderd meter hoog,” zegt hij. “Meer dan twee Eiffeltorens.”
En dan, na een uurtje rijden, komen ze op de rand van een steile helling, die bijna naar beneden valt. Ze zien het pad naar beneden slingeren als een slordig weggegooid touw. De strakblauwe baai is aan drie kanten omsloten door groene heuvels. Er is maar één eenzame boerderij te zien, half verscholen op de helling.
      “Net armen, die de baai vasthouden,” zegt papa.

Camping aan zee

Als ze beneden zijn, staat er ineens een groot hek over het pad.
      “Camping” leest Mus, “vier dollar per nacht.” Hij kijkt even rond.
      “Die moet je in dat doosje doen, daar.”
      “Moeten wij niet betalen?” vraagt Ronald.
      “Alleen als we willen overnachten,” zegt papa. “Het strand is hier van iedereen.”
Ronald duwt het hek open. En dan rijden ze een hobbelig veld op. Er staan een paar grote bomen met lekkere schaduw. En er lopen tientallen weka’s rond, grote loopvogels die veel op kiwi’s lijken, en blauwe moerashennen. Een eindje verderop zien ze een witgeverfd toiletgebouwtje met wasbakken. Daarachter is een echt duinenrijtje.
      “Gaan jullie hier wel eens kamperen?” vraagt Ronald.
      “Tot nu toe nog niet,” zegt papa, “maar dat wilden we dit jaar zeker nog doen.”
      “Wat is het hier ongelooflijk mooi,” zegt Ronald. Hij kijkt naar de hoge bergwand waar ze net van afgereden zijn. Behalve een stukje van de boerderij en een grote schuur is er geen huis te zien. Op de helling zijn een paar stukken met gras waar een paar schapen grazen. Voor de rest zijn er alleen maar bomen en rotsen.
      Papa parkeert de auto vlak bij een overstapje over het pikkeldraad en al gauw lopen ze allemaal zwaar beladen naar het strand. Hun voeten zakken diep weg in het rulle zand. Als ze boven op het lage duin staan zien ze het eerst de hemelsblauwe zee en de groene heuvels er omheen. Voorbij de baai liggen drie kleine rotspunt-eilandjes. Daarachter is de Tasman Zee. En daarachter weer Australië. Maar dat kun je natuurlijk niet zien. Aan hun voeten ligt het witte strand. Het is heel breed, wel drie kilometer. Er is helemaal niemand.
      “Het best bewaarde geheim van Nieuw-Zeeland,” zegt papa. “Hier komen geen toeristen.”
      “Hier komt zo te zien helemaal niemand,” zegt Ronald. “Echt ongelooflijk!”

  

Strand

Het is heet in de zon, maar gelukkig staat er een lekker briesje. Er wordt gezwommen en gespeeld met strandballen en speelgoedbootjes, er worden zandkastelen gemaakt. Mus zoekt grote schelpen en fossielen. Yske heeft een aantal heremietkrabben in een plastic emmer verzameld. En Tyst zoekt allerlei kleuren stenen.
      Dan gaan de picknickmand en de koelbox open. Die zitten vol heerlijke dingen. Hardgekookte eieren, zalmsalade, koek en krentenbrood, fruit en limonade. Zelfs een echt ijsje! Ze eten en drinken er een flinke bres in.
      Ze gaan mosselen rapen. Ze trekken sandalen aan en pakken een paar plastic zakken. Ze moeten over een grote rots klauteren die het rechter eind van het strand vormt. En aan de andere kant liggen de grote mossel- en oesterbanken, waar je op blote voeten niet graag overheen wil lopen. In een mum van tijd hebben ze drie grote zakken mosselen geraapt en ook nog een kleinere zak oesters.
      Als ze weer terug zijn en lekker liggen uit te rusten in de schaduw van een grote parasol, zien ze dat Tyst er niet is. Mama is ongerust, maar Mus ziet hem helemaal aan het eind van het strand over de rotsen klauteren. Op zijn dooie akkertje. Hij is al best hoog.
      “Zou hij er niet af vallen?” vraagt mama bezorgd, “moeten we er niet naar toe?”
      “Welnee,” zegt papa, “het is niet voor niets een echte kiwi.”
Maar mama is toch een beetje ongerust.
      “Ik ga hem wel halen,” zegt Yske en ze holt er al heen.

Hallo hallo

En dan is de lange middag ten einde. De zon zakt achter de heuvels. Ineens wordt het frisjes. Ze sjouwen alle spulletjes weer over het duin. Het kan bijna niet in de auto. Een heleboel spullen gaan op de vloer, waardoor de knieën van de oudste kinderen bijna tegen hun kin komen.
      “Moet kunnen,” zegt mama, “het is maar een uurtje.”
      “Wat raar dat het nou ineens zo vol is,” zegt Yske, “en we hebben nog wel zoveel opgegeten!”
      “Dat komt van al die kilo’s zand die overal in zitten,” zegt mama, “maar dat is niet erg, want dat is goed voor de groentetuin.”
      “Vergeet de mosselen niet,” zegt papa. “En de fossielen, de schelpen en de stenen!”
Op de terugweg wordt het al behoorlijk donker. Iedereen is moe van de zon, het zand en de zuurstof. Ronald en Tyst vallen in slaap. De auto bromt tevreden.
En als ze bijna thuis zijn hoort papa van helemaal achter in de auto een zacht stemmetje: “Hallo hallo!”
      En Yske antwoordt ook heel zachtjes: “Wie stinkt daar zo?”
En ze stikken bijna van het lachen als ze samen roepen: “De papa van de radio!”

 

 

  

Maart 2003 

Een bescheiden hoofdstad

Wellington is de hoofdstad van Nieuw-Zeeland. Ala je daar aankomt weet je dat Nieuw-Zeeland een rustig, net en bescheiden land is. 
      De stad heeft zo'n 180.000 inwoners. Het centrum is goed te belopen. 

  

 
Centrum

  
  

Veerboot

Je kunt vanuit Wellington naar het Zuider Eiland met een veerboot. Je kunt ook kiezen voor een klein vliegtuigje van Sounds Air. Dat gaat naar Picton in het Noorden van de Marlborough Sounds. een prachtig fjordengebied.
      De veerboot manoevreert daar uitermate voorzichtig. 
   

 

Frans Hertoghs

Ik ging op bezoek bij Frans Hertoghs., die ‘een leven lang’ leraar Nederlands was. In 1995 -toen hij al drie grote kinderen had- gaf hij een opmerkelijke draai aan zijn leven.
      Met zijn nieuwe veel jongere vrouw Maud vertrok hij naar Nieuw-Zeeland en vestigde zich op een wonderbaarlijk mooie plek in de Marlborough Sounds. 
      Daar werden nog eens drie kinderen geboren.

 Frans woont een uurtje rijden van Picton. Te bereiken via -hij heeft ze geteld- 567 bochten. 
      Hij doet dat met een SUV. Voor insiders zijn z'n Nederlandse roots duidelijk. 

  

 Er is een gastenverblijf, dat zo'n 50 meter verwijderd is van hun huis. 
      Ook al met zo'n mooi uitzicht.

  

 

 

 

Voorjaar 2003

Een emigratie op de gok 
De jonge vrouw naast me kijkt vertwijfeld. Haar man is in diepe slaap. De baby van vier maanden krijst en moet nodig een schone luier. Het kleine meisje van negentien maanden trekt aan haar moeder en huilt ook. 

      ‘Geef maar hier’, zeg ik. 
Ze neemt me even op en drukt dan de baby in mijn armen.
      De man keert zich om. Hij snurkt licht.

We zitten naast elkaar in het middenstuk van een Boeing 747, die op weg is van Hongkong naar Auckland in Nieuw-Zeeland. Zij heet Ilse en komt uit Tielt in West-Vlaanderen. Ik schat haar niet ouder dan 30.
      Zij haalt een luier en een paar doekjes uit haar bagage, neemt de baby weer over en probeert in de krappe ruimte de vereiste handelingen te verrichten. Dat lukt niet erg best. Ze gooit er een paar Vlaamse vloeken uit.
       Het kleine meisje kruipt bij mij op schoot. De man slaapt door.
Een minuut of tien later is alles in orde. De baby slaapt in haar armen; het kleine meisje bij mij.

Ze hebben in België vrijwel alles verkocht; hun overige spullen zitten in een container ergens aan boord van een schip. Ze gaan emigreren.

      ‘Hij wil het’, zegt ze en kijkt hem dierbaar aan.
      ‘Hij wil het dolgraag. Al een jaar of vijf.
      Drie jaar geleden zijn we hier voor ’t eerst geweest; vorig jaar nog een keer. 
      Wij gaan ons ergens ten zuiden van Auckland vestigen. 
      Daar is het zo mooi. Zo ontzettend mooi. En zo rustig. Zo heerlijk rustig’.

      ‘Hebben jullie dan al een huis?’, vraag ik maar eens.

      ‘Nee’, zegt ze.

      ‘Oh!’

      ‘We gaan eigenlijk op goed geluk. Hij is bouwvakker. Hij kan alles met z’n handen en wil in Nieuw-Zeeland alles aanpakken. En ik ben verpleegster. Die hebben ze ook hard nodig‘.

      ‘Jullie hebben dus ook geen emigratiepapieren?, vraag ik. 
      ‘Dat lijkt me nogal een gok. Ik bedoel: met die kleine kinderen enzo’.

      ‘Wie niet waagt, wie niet wint’, zegt ze. 
      ‘Als je in Nieuw-Zeeland wilt slagen dan kùn je slagen.
      Dat hebben ze ons echt bevestigd’.

Ik kijk haar aan; zie hoe vredig haar man en kleine kindertjes liggen te slapen en denk:
      ’ Met zo’n mentaliteit zal het ze vast wel lukken’.

      ‘Weet je,’ zegt ze ‘we hebben natuurlijk een visum en een verblijfsvergunning aangevraagd.
      Je moet dan allerlei vragen beantwoorden en daar krijg je punten voor. 
Opleiding, werkervaring; vragen over je gezondheid en oh. ja: je moet ook een soort bewijs van goed gedrag overleggen. En je moet natuurlijk Engels kunnen spreken en schrijven
      Als je dan honderd punten hebt kun je in aanmerking komen voor een zoals ze dat noemen Skilled Migrant visum.
We hebben dat allemaal gedaan, maar kwamen net niet aan honderd punten. Maar als je werkervaring in Nieuw-Zeeland hebt, krijg je punten extra. 
      En zo gaan we het doen. We hebben nu een temporary visum'.

Vlak voor de landing in Auckland wordt de man wakker.

Hij wijst naar beneden en zegt: 
     
       ’Ilse. Ons beloofde land’.

 


Samba & cachaça in de ochtend

  

In het najaar van 1994 verzorgden Fred Stroobants en ik een rechtstreekse radio-uitzending voor de VPRO vanuit een favela in Rio de Janeiro Brazilië.

  


Satelliettelefoon

       

We hadden daarvoor een grote satelliettelefoon bij ons, een modem, een codec, snoeren, microfoons, montageapparatuur en een mengpaneel met vier sporen.
      Met een kompas moesten we de schotelantenne richten op de juiste satelliet boven de Evenaar, richting Atlantisch Oceaan West.      
Bovendien hadden we een generator gehuurd, die we konden inzetten als de elektriciteit zou uitvallen.
      En dat gebeurde nogal eens daar in die krottenwijk.


INEKE

  

We waren er een dag of tien en hadden opnames gemaakt, impressies ingesproken, zwerfkinderen aan het werk gezien, waren ondermeer naar Copacabana geweest en naar het Maracanã stadion.
      Ineke Holtwijk, een Nederlandse journaliste die al heel lang in Rio woonde en het daar erg naar haar zijn had, had ons aan de nodige contacten geholpen. Bovendien kon zij tolken.
      Er waren veel mensen uitgenodigd en er was een Samba-orkestje.

  

Tijdens de uitzending kwamen steeds meer buurtbewoners op bezoek en het kinderaantal groeide.

  

De uitzending duurde twee uur en begon om tien uur 's ochtends Nederlandse tijd.
      Het was in Rio drie uur vroeger en dat betekende dat we heel vroeg (om 3 uur) waren opgestaan.
We moesten namelijk al die apparatuur eerst nog installeren en uittesten.
      Bedenk dan ook even dat wij programmamakers waren en geen radiotechnici.


FRED

  

Sommige gasten hadden eten en drinken meegenomen. Veel cachaça. Rum dus.
      Het werd een vrolijke boel daar. Ik heb wat foto’s teruggevonden.
Zijn me ooit opgestuurd, maar ik heb geen idee meer wie ze gemaakt heeft.


UW BLOGHOUDER


UITZENDING

Het geluid werd bij deze uitzending gedigitaliseerd en verzonden in Rio de Janeiro, ging 36.000 kilometer de lucht in naar de satelliet, werd over diezelfde afstand teruggekaatst naar een grondstation in Noorwegen, ging van daaruit naar een grondstation in het Friese Burum, kwam bij een studio van de VPRO binnen en ging vandaar naar De NOS, waar ze precies dezelfde codec hadden om het geluid weer analoog te maken.

Dit alles zorgde voor een vertraging van ongeveer vijf tot zes seconden.
      Dat vergde bij het presenteren uiteraard waanzinnig veel concentratie.

   


  


  


   


  

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh