Reizen


Zomer 2010

Een mooi vierkant plein in Budweis

Aangename stad

České Budějovice is een mooie aangename stad; voornaamste plaats van de regio Zuid-Bohemen in Tsjechië.
      Het is een ingetogen stad met flair.
Ooit heette het in de Duitse tijd Budweis en het is dan ook in de wereld het meest bekend om zijn Budweiser bier, dat nog steeds in de stad gebrouwen wordt.

Centraal plein

Veel wegen leiden naar het vierkante centrale plein (133 bij 133 meter), vernoemd naar vorst Ottokar II die de stad in 1265 stichtte.
      Het plein heeft nog steeds een bestrating met kinderkopjes; er zijn monumentale gebouwen en huizen, die stammen uit de renaissance of de barokperiode.
      Er zijn hotels, restaurants, terrasjes en aan alle zijden tref je zuilengalerijen met winkels.

 

Stadhuis

Markantste gebouw op het plein is het barokke stadhuis, dat in blauwwit-tinten is opgetrokken.
      Op het dak staan beelden die Voorzienigheid, Gerechtigheid, Wijsheid en Oprechtheid uitbeelden.
Op de middelste toren staat de Tsjechische leeuw en er zijn wapenschilden op de wand. Diezelfde leeuw komt terug in de Samsonfontein, die midden op het plein staat.     

Een paar andere ‘ludieke’ beelden van denkers en een soort vrouwelijke Atlas geven het plein ook een hedendaagse aanblik.

 

Zuilengalerijen

Overal op het plein heb je uitzicht op de Zwarte Toren uit de zestiende eeuw.
      Je kunt de 225 treden beklimmen; je kunt dat -als je al wat op leeftijd bent- beter nalaten.
Ook de toegangswegen hebben zuilengalerijen met winkels.

 

 Zwarte toren

 

 Samson fontein

 

Hotel Dvorak

 

 Grand hotel Zvon (Drie panden)

 

DamesAtlas met fiets

Denkers op het plein

 

 

 

Voorjaar 1991

Zij blond;hij een tarantula

Op de boot van Livorno naar Golfo Aranci op Sardinië waren we ze al tegengekomen. Twee jonge Nederlandse mensen, tieners eigenlijk nog. Zij met lange blonde haren en hij met donkerbruin gemillimeterd haar en een opvallende tatoeage op zijn rechterbovenarm. Een tarantula. Een mooi aantrekkelijk stel, dat veel heimelijke aandacht kreeg van de voornamelijk Italiaanse passagiers. Maar daar hadden ze nauwelijks erg in, omdat ze heel verliefd waren.

Ze hadden geen hut, maar sliepen op het dek.

Het was mei 1991 en al behoorlijk warm. Op de camping aan de Sardijnse kust in de buurt van het plaatsje Olbia verschenen zij ook. Zij en wij waren de enige gasten.
      Onze de Waard-tent stond al; we zaten onder de luifel een eerste glaasje te drinken. Padre Padrone van Gavino Ledda opengeslagen bij het eerste adembenemende hoofdstuk.

Zij kampeerden voor 't eerst.

Het was al weken lang kurkdroog op Sardinië en de grond was keihard. De jongen probeerde de haringen met een steen in de grond te slaan, maar dat leverde alleen maar kromme haringen op. Zij maakte toen maar een gebaar onze richting op. De jongen kwam op ons af en zei: ‘Heeft u misschien een hamer?‘

Wij hadden een hamer.

Na een half uur stond de tent en gingen zij op de grond zitten. Campinggasje in het midden. Hij ging de tent in, zocht wat in zijn spullen, kwam weer naar buiten, maakte een opmerking waarop zij opnieuw in onze richting wees. Hij kwam weer op ons af en zei:
       ’Ja eh.. sorry maar heeft u misschien ook wat lucifers te leen.

Wij hadden lucifers.

De jongen keerde terug, gooide het doosje naar haar toe en ging weer op de grond zitten. Zij pakte een koffiepot en een pak koffie en ging vervolgens de tent in. Even later kwam ze weer naar buiten en maakte een opmerking tegen de jongen. Ze keken elkaar vertwijfeld aan en toen stond hij resoluut op en kwam weer op ons af.
      ‘Eh, u zult het misschien niet geloven, maar we zijn echt goed voorbereid op vakantie gegaan. Maar eh… we zijn koffiefilters vergeten. Heeft u misschien????

Wij hadden filters.

Hij keerde terug; de koffie werd gezet en daarna verdwenen ze snel de tent in. Wij dronken en lazen en hoopten heimelijk dat we nog één keer zo stoetelend jong en verliefd konden zijn.

 

 

Voorjaar 2002

Midzomernacht op Svalbard

Ik ben met de Nederlandse Constance Andersen. Zij werkt bij een plaatselijk reisbureau en woont hier nu twee jaar. Eigenlijk zou ze nooit meer weg willen, want ze is hier ’volmaakt gelukkig’. Lyrisch is ze over het landschap, de natuur en de uitzichten. En met het klimaat kan ze inmiddels goed leven.
      ‘Ja, het doet wel wat met je’, zegt ze. ’s Winters kan het vijftig graden vriezen en in de zomer loopt de temperatuur wel eens op tot twintig graden boven nul. ’Het is hier ondanks dat het een eiland is, een droog klimaat. ’Dat helpt‘

De weinige inwoners van Longyearbyen moeten een huis en een baan hebben, anders mogen ze zich er niet vestigen. Het merendeel van de inwoners komt uit Noorwegen, maar omdat er een universiteit is, waar je arctische wetenschappen kunt studeren zijn er hoogleraren en studenten uit de hele wereld. Op de heenweg in het vliegtuig van Tromsø naar Longyearbyen zat ik naast een IJslandse hoogleraar arctische geologie, op de terugweg naast zijn Deense collega. Beide professoren zijn net zo lyrisch over het eiland als Constance.
      Dat je naar een merkwaardige uithoek in de wereld gaat, blijkt op de heenweg trouwens ook, want als we over het Beren-eiland in de Noordelijke IJszee vliegen, keert de piloot van de Noorse vliegmaatschappij Braathens het lijnstoestel en vliegt nog eens terug, zodat alle passagiers het eiland kunnen zien. “Een zeldzaamheid’, legt hij uit, want vrijwel altijd is het hier zo bewolkt dat het eiland niet te zien is.

De eeuwige zon schijnt dag en nacht fel die week. Zo fel, dat baby’s niet alleen petjes op het hoofd gedrukt krijgen, maar ook een zonnebril op hebben. Bij drie graden boven nul kun je -uit de wind- in een t-shirt op een terras zitten. Rendieren komen zomaar langs. Ze zijn mager, want de afgelopen winter was erg streng. In de stad mogen de dieren niet geschoten worden. Daar buiten wel. Iedere inwoner van Longyearbyen mag per jaar één rendier schieten. Men hoort van tevoren of dat een mannetje, een vrouwtje of een kalf is. Als een dier geschoten wordt, moet bij de overheid ter controle een tand van het beest ingeleverd worden.


EXTREEM DUUR
  

WAPENS  

 Als je het stadje verlaat ben je verplicht om een wapen mee te nemen. Je kunt namelijk zomaar een ijsbeer tegen komen. Sommige toeristen nemen dit zo letterlijk, dat ze het wapen zelfs bij zich dragen in de enige supermarkt van het plaatsje. J., de Noorse echtgenoot van Constance verhuurt die wapens. ’Oefenen moet, zegt hij. ’Oefenen’.
      Hij troont mij mee naar de schietbaan, die een paar kilometer buiten de stad ligt. 
’Ik ben met wapens opgegroeid’, zegt hij.
Dan kijkt hij mijn richting op.
      ‘En jij’.
      ‘Tja’, zeg ik maar eens. Zo’n dertig jaar geleden zat ik in het leger. Toen bleek dat ik wel aardig kon schieten. Maar ja, sinds die tijd heb ik 't nooit meer gedaan’.

Na wat oefenen zet J. een vizier op het geweer en schiet ik een mooie serie. ‘Ongelooflijk’, zegt Johan. ‘Ik geloof bijna niet dat jij zolang niet geoefend hebt’.
      ‘s Avonds, als het groot feest is en er enorme hoeveelheden drank zijn omgezet in Huset, het plaatselijke restaurant annex feestzaal, staat J. op en begint mij luidruchtig te prijzen.
      Applaus klinkt en nog meer drank is ons aller deel.
     
                                Op naar Spitsbergen!

‘s Winters als het 24 uur lang pikkedonker is, schijnt er wel eens een verdwaalde Japanse toerist te komen.

 Zonnebadende walrus 

  

Deze aquarel is van de Noorse kunstenares Ellen Linde-Nielsen. Ik kocht een reproductie (47 x 37 cm) in
Galerie Svalbard te Longyearbyen, waar het schilderij ook gemaakt is. 
Het heet: Soltilbeder 79 N'' (Zonnebaden op 79 graden Noorderbreedte)

 

 

 

Voorjaar 1999

Een mooie stinkende stad

Het contrast kan niet groter zijn.

      Na twaalf dagen rust, ruimte, schone lucht en nauwelijks verkeer in het koninkrijk Bhutan (Reizen 27) kom ik terug in de hoofdstad van Nepal: Kathmandu. Het is er druk & chaotisch. Oude ronkende auto’s, walmende bussen en vrachtwagens, beroete riksja’s en krakende scootertjes.
      Het is er droog en stoffig en het stinkt. Veel mensen lopen of fietsen met stofkapjes op en in veel straten zitten jongetjes, die deze kapjes verkopen. Soms kom je een op gas rijdend voertuig tegen met daarop de tekst: 
      ‘Niet vervuilend vervoermiddel’.

  

Kathmandu ooit het Nirwana van de hippies is niet zo groot. Ik besluit om te gaan lopen. Je moet dan wel voortdurend riksjarijders en taxichauffeurs van je afschudden. Ze zien handel ook al omdat ze niet begrijpen, dat jij met je westerse kleding en zonder twijfel genoeg poen op zak voor je plezier in deze stinkende chaos gaat rondlopen.

Toch is het ook een mooie stad met een rijke historie. Hoog boven de stad ligt de stupa van Swayambudnath, er is het belangrijkste heiligdom van Nepal het tempelcomplex van Pashupatinath en het Durbar Square is volgepropt met grote en kleine tempels.
      Tussen de voormalige hippie-wijk Thamel, waar overigens nog veel toeristen komen en Durbar Square kun je rondzwerven in kleine straatjes en steegjes. Overal zijn kleine gangetjes, die weer uitkomen op binnenpleintjes en andere gangetjes. Complete doolhoven, die het slenteren eigenlijk zeer aantrekkelijk maken.

Aan het eind van die eerste dag ben ik echter bekaf. Stekende ogen. Koppijn. Kotsneigingen.

De volgende dag pak ik de brief erbij, die ik kreeg van Brieke Steenhof, een Nederlandse vrouw, die in het Nepalese stadje Pokhara woont. Zij wist dat ik een tijdje in Kathmandu zou blijven en had mij een paar adviezen gegeven om de drukte, de chaos en de stank even te ontvluchten.

‘Neem’, schreef zij, ’een taxi naar Chobar, een mini-stadje op een heuveltje net buiten de stad, dwaal daar wat rond en loop door de velden via Kokani (weer een mini-stadje) naar Bungumati.

En dan:

Ik heb het allemaal gedaan. ‘t Klopt.

  
Hieronder nog wat tips van Brieke om in Kathmandu te eten:

 

Winter 1984

Plassen & lippen

De taxichauffeur is groot, bonkig en emotioneel. Hij is een kettingroker, die steeds nieuwe gele stinkende sigaretten aansteekt met de peuk van de vorige. Wij rijden over de Sharia Salah Salem, één van de drukste straten in Cairo, de hoofdstad van Egypte. Eigenlijk rijden we niet, maar staan we vrijwel voortdurend in files, die zich soms even oplossen.
      Het is tumultueus en rumoerig in Cairo. De over het algemeen oude auto’s zijn gammel en maken lawaai. Bovendien stinken ze. Iedereen schreeuwt en iedereen toetert hoewel dat eigenlijk verboden is. De jeugdige fietsers piepen overal tussen door. Zij hebben peppers, die ze continue gebruiken. Ook dat mag officieël niet. Voetgangers proberen de overkant van de straat te bereiken door gewoon auto’s tegen te houden.
      De chauffeur wilde voor het ritje naar het Nederlands Instituut veertien Egyptische pond ontvangen. Mijn begeleider Marco, een Egyptoloog die hier al zes jaar woont, moest daar erg om lachen. Na een luidruchtig afdingingsproces wordt de prijs afgemaakt op vijf en een half pond.
      De offciële koers in die dagen is 80 pond voor 100 US $. Maar op de zwarte markt buiten op straat ontvang je voor 100 US $ toch al snel 115 pond. Zeer lucratief dus, hoewel je in hotels en in musea pas kunt betalen als je een briefje laat zien, dat je officieël op een bank gewisseld hebt. Maar ook dat is op te lossen, want voor vijf pond kun je een briefje met een indrukwekkend stempel kopen dat je ''officieel'' voor tweehonderd pond gewisseld hebt.

De chauffeur stopt ineens midden op straat, stapt uit en doet zijn motorkap open. Dan begint hij tegen zijn rechtervoorband te plassen.
      Er staat een mevrouw achter hem, die daar een opmerking over maakt. Er volgt dan een vermakelijke discussie, die Marco vrijwel synchroon vertaalt.
      De chauffeur wordt voor zwijn en pooier uitgemaakt, waarna de vrouw een ezel en kinderverleidster wordt. Vervolgens is de één een hondenzoon en de ander een hoerenjong.
De uitsmijter komt van de taxichauffeur die het volgende zegt:
      ‘Als jouw lippen er beneden net zo uitzien als van boven, moet ik je niet. Echt niet!
Al leg je er geld bij nog niet’.

Goedemorgen!