Reizen (395)

 

Zomer 1988

Allenby bridge: Intimidatie & vernedering

(En: Hoe neem je cash 38.172,43 US$ over die lastige grens mee?)


Het is juni 1988. De eerste Intifadah op de bezette Palestijnse gebieden Westbank en Gaza is een half jaar bezig.
      Bij de wachtpost voor de Allenby Bridge, de enige grensovergang tussen de Westoever en Jordanië is het waanzinnig druk.
Er staat aan de kant van de Westbank een rij van zeker een kilometer voor de poort, waar de Palestijnen doorheen moeten.
      Het was hier altijd gedoe met veel intimidatie en vernedering. Maar die Intifadah heeft het allemaal versterkt.
Later die dag zal de poort rücksichtslos gesloten worden.
      ‘Morgen terugkomen’, is het motto.
En dat voor mensen die vele uren lang in de bloedhitte hebben staan wachten.

 

 
Bezoek uit Amman

Radja Sj’hade schreef er al over in zijn boek De derde weg als hij bezoek krijgt van een neef uit Amman, de hoofdstad van Jordanië.
      Nog voordat de Intifadah was uitgebroken
‘De eerste twee dagen deed hij niets anders dan mij uitschelden en de schuld geven wat hem overkomen was toen hij vanuit Jordanië de Allenby Bridge overstak. Het gegil van kinderen die uitgekleed en gefouilleerd werden; een lijk dat, op weg naar het graf op de Westelijke Jordaanoever uit de kist gehaald werd om onderzocht te worden; de stank van de voeten van reizigers die al uren zaten te wachten tot hun schoenen van de röntgencontrole terug zouden komen; het hartverscheurende gejank van een moeder wier veertienjarige zoon voor verhoor was meegenomen en nog niet terug was ’.


Ik ben dus op alles voorbereid als ik met een taxi naar de controlepost word gebracht. Maar buitenlanders hebben een eigen doorgang.
      Een ‘gewone’ Israëlische controle wordt het voor mij.
En dat betekent dat je zorgvuldig en uitgebreid gefouilleerd wordt; dat alle spullen uit de tassen worden gehaald en dat je veel vragen moet beantwoorden.
      Waarom je naar Jordanië gaat, wat je er gaat doen, wie je gaat bezoeken en wanneer je weer terugkomt.
Binnen een uur ben ik er doorheen en neem plaats in een busje dat de brug zal oversteken.

Door al die activiteiten -het busje wordt in die paar kilometer nog twee keer tegengehouden voor allerlei controles- denk je dat de Allenby Bridge een grote brug is over een machtige rivier. Maar niets is minder waar.
      Een smal bruggetje is het over een rivier die ter plekke niet meer dan tien meter breed is. 
De controle daarna door de douane van de Jordaniërs stelt niets voor.

 

 
Machtiging

In mijn zak heb ik een machtiging van advocaat V., een vooraanstaand Palestijn die in Ramallah woont.
      Hij is op de achtergrond actief voor de PLO van Yasser Arafat, die in 1988 nog almachtig was.
Het hoofdkantoor is dan al verhuisd van
Beiroet in Libanon naar Tunis, waar de Israëlische geheime dienst in april PLO-leider Abu Jihad vermoordde.

Advocaat V. heeft tien jaar geleden in Amman gewerkt en daar geld verdiend dat op een plaatselijke bank staat.
      Hij weet niet hoeveel het is, maar vermoedt dat het enkele duizenden Amerikaanse dollars zijn.
Zelf kan hij het niet ophalen. Hij kan het land wel uit, maar weet zeker dat hij er dan niet meer inkomt.
     
Als ik een paar dagen in Amman ben, stap ik naar de bewuste bank. Dan word ik uitgenodigd om bij de directeur te komen.
Hij wil de machtiging nog eens zien, vraagt om mijn paspoort en naar mijn relatie met advocaat V.

      ‘Het is veel geld‘’, zegt hij. ‘Heel veel’.

En dan komt het: 38.172,43 US$.

Tja. Wat te doen?
       Ik moet weer terug naar Ramallah over die Allenby Bridge.

Bellen met V. gaat niet, want er is geen telefoonverkeer tussen de Westbank en Jordanië .
      Op mijn eigen rekening laten storten en dan overmaken gaat volgens de directeur niet.
Ik moet het geld contant opnemen. En dan maar zien hoe ik dat de grens overkrijg.
      En op de één of andere manier aantonen dat dit niet bestemd is voor de strijd van de PLO.

David Grossman , een Israëlische schrijver die in zijn prachtige boek uit 1987 ‘Over de grens’ de bewoners van de Westelijke Jordaanoever uitvoerig portretteert schreef ook over de Allenby Bridge.

‘De soldaat haalt je koffer op de toonbank leeg, raakt elk artikel aan, neemt alles waar tekst op staat in beslag, verbiedt het invoeren van elektrische apparaten, houten voorwerpen en cosmetica, kortom: elk artikel waar explosieven in verborgen zouden kunnen worden, omdat het al eerder gebruikt is om detonators in te smokkelen. Daarom hoor je hier en daar ook vaak het bittere gehuil van kleine kinderen. Na de bagagecontrole worden je schoenen voor röntgencontrole meegenomen en word je zelf naar een kleine cel verwezen, waar je gefouilleerd wordt. Vrouwen en kinderen worden door vrouwelijke soldaten gefouilleerd. Baby’s worden tot en met hun papieren luiers uitgekleed’’.

 
Een verlossende fax

Ik ben in Israël, Palestina en Jordanië om voor de VPRO een paar radioprogramma’s te maken en besluit om te bellen met Roelof Kiers, die toen de leiding had bij de VPRO-televisie.
      Als ik hem de situatie heb uitgelegd, gaat hij volmondig akkoord met het voorstel om mij een uitvoerige fax te sturen (1988!), waarin hij verklaart dat ik ondermeer op de Westbank ben om een productiebezoek te brengen voor een T.V.documentaire.
      Maar omdat de situatie bijzonder explosief is, verklaart hij dat ik cash geld bij me heb om -in noodgevallen- een plaatselijk T.V.-team in te huren om opnames te maken.

Als ik behoorlijk gespannen uiteindelijk weer bij de Israëlische grenspost kom, vindt men natuurlijk snel dat enorme bedrag.
      Maar de fax maakt indruk. Waar die film precies over gaat en waar gefilmd wordt en ''laat uw spullen nergens onbeheerd achter''.
Dat soort dingen.
     
‘Veel succes meneer’, krijg ik ook nog te horen.

 

 

Kotsmisselijk word ik ervan

Ik ben vier keer in Israël en Palestina geweest. Voor ‘t eerst in de zomer van 1979. Vlak voor de Camp David-akkoorden.
      Twee maal in 1988 tijdens de eerste Intifadah en in 1994 nog ruim voor de tweede Intifadah.  Na de Oslo-akkoorden.
Ik was iedere keer in Israël, de Westbank en in Gaza. Twee keer op de Golan en één keer in de Sinaï, toen die nog bezet was.

      Na 1994 had ik er geen zin meer in. Dat was een emotionele en in zekere zin ook journalistieke afweging. Ik zag het allemaal steeds erger worden. Raakte betrokken. Ik kende Palestijnen, die het steeds moeilijker kregen. Mensen, die gevangen hadden gezeten en verhalen vertelden over martelingen en vernederingen, over huizen die opgeblazen waren, over mensen, die verbannen waren. Over kinderen die bij bombardementen gedood werden.
       Ik zag in 1979 de verdeeldheid in Israël. Er was een grote aanhang voor de Vrede-Nu beweging, die een eind wilde maken aan de onderdrukking en de apartheid, die gelijke kansen wilde voor Iraëliërs en Palestijnen, die een voorstander was van een autonome Palestijnse staat.

      Ik ben toen bij een demonstratieve bijeenkomst geweest waar zo’n 60.000 vredelievende mensen bij elkaar waren.
Amos Oz was één van de sprekers. Er was muziek en theater. Veel mensen hadden hun kinderen meegenomen.
Het komt wel goed, dacht ik toen. Ik was 34 jaar en kennelijk nog behoorlijk naïef.

     Het werd alleen maar erger. Het aantal nederzettingen op bezet gebied nam toe. Anno 2021 leven er ruim 600.000 Israeliërs in zo’n 100 nederzettingen. Inclusief Oost-Jeruzalem. Van de Vrede-Nu beweging is vrijwel niets meer over.

      En premier Netanyahu heeft zeer onlangs nog aangekondigd dat er opnieuw 800 huizen op bezet gebied worden gebouwd. Illegaal volgens internationaal recht en nog net voor de inauguratie van Joe Biden, een verklaard tegenstander van dit soort praktijken.
      Maar Netanyahu had in Trump een vriendje. Trump, die geen idee had wat zich daar allemaal afspeelt, maar die geïnitieerd door de orthodoxe Joodse lobby in zijn land een krankzinnig zogenaamd vredesplan lanceerde, waar zijn grote vriend Netanyahu heel blij mee was. Een akkoord, waar de Palestijnen niet betrokken bij zijn geweest. Zij hoorden er pas van, toen het duo het plan in de openbaarheid bracht. Trump kreeg het ook voor elkaar dat de Amerikaanse ambassade werd verplaatst van Tel Aviv naar Jeruzalem.

      Er werd een muur gebouwd op de Westbank. Gaza veranderde in een openlucht gevangenis. De onderdrukking ging door en werd steeds erger. Palestijnen zijn tweederangs burgers.
      Maar als je van apartheid spreekt, lever je kritiek op Israël. En als je kritiek hebt op Israël dan ben je anti-Israël. En -dat is al zo sinds mijn ervaringen vanaf 1979- als je gekwalificeerd wordt als anti-Israël, ben je antizionist en in het verlengde daarvan antisemiet. Kotsmisselijk word ik ervan.
     Vorige zomer concludeerde de Israëlische advocaat Michael Stein voor de mensenrechtenorganisatie Yesh Din, dat er apartheid heerst op de Westbank en de mensenrechtenorganisatie B'Tselem ging nog verder door Israël een apartheidsstaat te noemen. 

     De komende weken zal ik een aantal verhalen plaatsen over mijn ervaringen daar. De meeste stukken zijn al eerder geplaatst. Ze staan her en der verspreid op mijn blog. Maar nu volgen ze in een soort logische niet-chronologische serie.

 

 


Een prettig menselijke maat

(Door Rolf Weijburg)


Britse sfeer

Gan eiland, het zuidelijkste eiland van ’s werelds op acht na kleinste land, de Malediven, ligt nèt onder de evenaar. Het grootste deel van het eiland wordt in beslag genomen door het vliegveld, dat oorspronkelijk door de Britten aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in het geheim werd aangelegd. Naast het vliegveld stond het eiland vol met barakken en andere onderkomens voor het basispersoneel en diverse andere koloniale gebouwen.
      Veel van die gebouwen staan er nog steeds en Gan ademt dan ook een onmiskenbaar Britse sfeer uit. De officiers-mess en onderkomens zijn hotel geworden. De bioscoop stond er nog maar was gesloten. Lange rijen barakken hadden in de tussentijd dienst gedaan als onderkomen voor het Sri Lankese personeel van een kleding fabriek, die inmiddels gesloten was. De werknemers waren terug naar huis en de barakken stonden leeg.

 

De  oude Britse kerk was wel afgebroken. In de strenge islamitische republiek was immers maar één geloof toegestaan en naast het oude fundament van de kerk stond nu een moskee. Elders in het land waren eerder om die zelfde reden ook de door Thor Heyerdahl ontdekte pre-islamitische pyramides verwoest en nog in 2012 werden tijdens religieuze onlusten in de hoofdstad vele boeddhistische en Hindoe beelden vernietigd.

Wegen

De paar wegen zagen er met hun zwart-wit geblokte stoepranden Brits uit en kwamen allemaal samen op een pleintje waar nog steeds het door twee kanonnen geflankeerde oorlogsmonument staat dat de Britten oprichtten nadat ze de basis in 1976 verlieten en overdroegen aan de Malediven. Het schijnt dat er nog ieder jaar vanuit het VK geld wordt overgemaakt voor het onderhoud van het monument.

Monument


Verandering

Als je vanaf Gan over de dijk noordwestwaarts naar het volgende eiland, Feydhoo, gaat, verandert de omgeving en sfeer abrupt.

Opeens ben je in de Malediven.

Lange rechte koraalzandstraten lopen vanaf de hoofdweg in een keurig geometrisch patroon onder de wuivende palmen door.
      Lage, soms in pasteltinten geschilderde huizen, soms met kleine tuintjes waarin wat groenten worden verbouwd.

Kleine moskeeën. Vrouwen in kleurige sari’s. Mensen op brommers en scooters of op de fiets. Weinig auto’s. Het had allemaal een prettig menselijke maat.

      Pas toen de moskee uitging leken de straten te ontwaken.


Dijken

Via een aaneenschakeling van dijken zijn ook alle volgende eilanden met elkaar verbonden: Maradhoo, Hankede, en het grootste eiland: Hithadhoo. De aaneenschakeling zorgt voor een unicum in de Malediven.
      Nergens kan je zó ver aan één stuk doorrijden als hier. Van Gan naar het noordelijkste puntje van Hithadhoo is maar liefst 20 kilometer.


Hithadhoo

Hithadhoo is de dichtstbevolkte en belangrijkste nederzetting van het atol. Het was ruim drie jaar de hoofdstad van de korte tijd afgescheiden United Suvadive Republic eind jaren vijftig, maar omdat alle westelijke eilanden van het atol inmiddels zijn uitgegroeid tot één grote agglomeratie van bijna 40000 inwoners, heeft men het nu vaker over Addu City.

We fietsten door tot aan Hithadhoo. Vriendelijke mensen overal, een lekker relaxte, laid-back sfeer. Toch was het de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen, de eerste in de Malediven ooit. De stad hing vol met de gekleurde vlaggetjes van de diverse partijen.


Optochten en muziek

Het zag er feestelijk uit en dat was het ook wel een beetje. Er waren optochten en er was muziek.

Maar de Malediviërs stonden er toch wat onwennig bij.

 


 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

Voorjaar 2010

Het balkon van Umbrië

Neem nou Montefalco

      Een prachtig plaatsje in de centrale Italiaanse regio Umbrië .
Bijna 500 meter hoog.

Je bereikt het via bochtige weggetjes door olijf- en wijngaarden.
      La Ringhiera dell’Umbria wordt ‘t genoemd; het balkon van Umbrië.

       De wijnboeren hier in de omgeving maken de lekkere Montefalco Sagrantino en bij azienda agricola Titta Tommaso bijvoorbeeld kun je terecht voor extra vergine olijfolie.

 


Piazza del Commune


Alle straatjes in Montefalco gaan omhoog naar het Piazza del Commune. 

      Daar zijn het palazzo en het teatro en direct achter het plein is het Museo di San Francesco, waar de frescocyclus van Benozzo Gozzoli te vinden is.
      Natuurlijk zijn er terrasjes en restaurants, winkels, doorkijkjes en uitzichten op de dalen.

Palazzo del Commune

 

Museo di San Francesco

 

Porta Sant' Agostino

 

 

Koffie Zeer Verkeerd

In 2003 maakten we voor de VPRO-Radio een serie over Pleinen. Over schoonheid & architectuur; over diversiteit, romantiek en aantrekkingskracht. Waarom zoeken mensen in een stad min of meer automatisch een Plein op?
      Ik ging met collega Stef Visjager naar het beroemdste plein in de wereld, het San Marcoplein in Venetië. En wij gingen een kopje koffie drinken op het terras van Florian, het beroemdste café op dit plein.
      Het was ochtend en heel druk. Alleen toeristen. Later op de dag zou een bandje optreden. Na een minuut of tien werd de koffie geserveerd op een zilveren dienblad. De koffie was lauw. Wij moesten daarna 28 euro afrekenen. Dat was zelfs voor een toeristische bestemming uit de Wereld Toptien veel geld.
     Toen Stef, die Italiaans met een Spaans accent sprak, informeerde waarom dit zo duur was, zei de ober dat wij ook voor de muziek moesten betalen.
‘’Maar meneer,'', zei zij:  ''Er is helemaal geen muziek’’.
‘’Nee’’, was het antwoord, ‘’maar vanmiddag wel’’.  

 

Subcategories

Domar: Noord Bangladesh