Reizen (292)

 

Herfst 1969

Van Eygelshoven naar Roosendaal v.v.

Het feestje speelde zich af in een flatje aan de Duke Ellingtonlaan in Roosendaal. Het was 1969. Gastheer Frans kwam oorspronkelijk uit Eygelshoven in het zuidoosten van Limburg. Hij & ik vormden de redactie Roosendaal en omstreken van het West-Brabantse Dagblad De Stem. (Voor God, Koningin en Vaderland). 
     Frans had veel mensen uitgenodigd. Ook uit zijn geboortedorp. Er was een bandje en er waren vijf majorettes in minirokjes, rode hesjes en witte lange laarsjes. Zij moesten van Frans op de tafel dansen, want dan leken ze nog meer op Limburgse dansmariekes.

Eén van de gasten uit Eygelshoven was Sjuul. Hij sprak een taal, die meer leek op Duits dan op Nederlands. Sjuul had één been. Hij bewoog zich handig op krukken. Had eerst een houten been geprobeerd en daarna een moderne prothese.
       ‘Maar het is me nooit bevallen en nu heb ik er mee leren leven’, zei Sjuul en staarde naar zijn lege linker broekspijp. 
     
‘Wat Roosendaal voor stad was?’
      Tja’, zei ik maar eens.
      ‘Erg katholiek, heel behoudend, een klein centrum met aardige cafés, een modern winkelcentrum en verder nog wat nieuwbouwwijkjes. De opkomst hier bijvoorbeeld bij verkiezingen hoort traditioneel tot één van de laagsten in Nederland; de kerk heeft veel invloed en in het openbare leven, in bedrijven, besturen en overheid kom je steeds dezelfde mensen tegen. Met Carnaval komen ze los. Mensen, die je anders niet eens groeten, vallen je dan met een kegel van drank om je nek en vrouwen moeten erg oppassen, want ze worden voortdurend belaagd en betast’.

      ‘Oh’, zei Sjuul, ’net een wat groter Eygelshoven’.
      ‘Maar hoe komt het dan bijvoorbeeld, dat ze hier een Duke Ellingtonlaan hebben?’
      ‘Ach’, zei ik, ’een bekende hier is Jack van Poll. Hij is een internationaal befaamd jazz-pianist en bandleider. Hij speelde bijvoorbeeld met Dizzy Gillespie, Johnny Griffin en Lionel Hampton.
      Het verhaal gaat, dat hij dit met een interessante lobby voor elkaar gekregen heeft. Hun huis staat even verderop hier in de laan. Vandaar!’

Sjuul hinkte daarop weg en ging dansen met één van de majorettes. Het feest eindigde een uur later abrupt, omdat de politie verscheen, die gealarmeerd was door de buren. Enkele plaatselijke coryfeeën probeerden de zaak nog ''te redden'' , maar de geproduceerde decibellen door band en gasten waren inderdaad wel wat hoog en hard. 

Een paar maanden later werd ik gebeld door Sjuul. ’Wij hebben hier een feestje. Jij en Frans en jullie partners zijn daarbij van harte uitgenodigd. ’Geen band hier, geen dansmariekes, maar mooie muziek, lekkere hapjes en veel drank!’
      Een week later waren mijn opnieuw zwangere Heleen & ik op weg naar Eygelshoven. Met onze baby Babette van tien maanden in een rieten mand, die diende als reiswieg. Ergens ter hoogte van Eindhoven, realiseerde ik me, dat ik geen adres bij me had. En ook geen telefoonnummer. Wij besloten om gewoon door te rijden, want ’ach: Hoe groot kon dat Eygelshoven nou zijn? Iedereen daar zou Sjuul met z’n ene been toch wel kennen!’
      Ter plaatse viel dat erg tegen. Wij vroegen het diverse mensen, die daarop nogal schichtig gingen doen. Sommigen keerden zich demonstratief om zonder iets te zeggen.

We besloten daarop om naar het politiebureau te gaan. De enige agent van dienst wist het. 'Een beetje moeilijk om uit te leggen. Ik rij voor en dan moet u mij gewoon volgen'.
      Na een minuut of wat stopten we voor een huis in een smal straatje. De agent belde aan, waarop een man met één been verscheen.
      De agent maakte een triomfantelijk gebaar en zei: ‘U kent elkaar!’. 
      
      Wij kenden elkaar niet.

Dit was Sjef. Ook hij liep op krukken, had een lege broekspijp en zei Sjuul te kennen. Hij stapte in zijn aangepaste auto, gevolgd door de agent, gevolgd door ons. Even later arriveerden wij bij het huis van Sjuul en gingen met een kirrende baby in ganzenpas naar binnen, nieuwsgierig aangestaard door de inmiddels al behoorlijk luidruchtige gasten.
      Sjuul omhelsde Sjef en zei; Ga zitten; ga zitten .’Iets eten, iets drinken?
      ‘Ik heb dienst’, zei de agent. ’Hoewel! Ach, ééntje kan geen kwaad.
Sjef & Sjuul hielden het die avond lang met elkaar uit. Ze vertelden herkenbare verhalen over het bestaan op één been en moesten daar vaak hard om lachen. De agent lachte steeds wat schaapachtig mee, maar leek er niet meer echt bij te horen. 

      Tot ook hier zijn collega’s -gebeld door de buren- om een uur of twee ’s nachts verschenen. Ze kwamen uit Kerkrade en keken hun collega enigszins fronsend aan, toen ze begrepen waarom ze op het bureau in Eygelshoven niemand bereikt hadden.

De feestgangers verdwenen en Sjuul zei tegen Sjef: Zullen we samen naar jouw huis lopen.
      Hebben we toch twee benen’.


(Eerder geplaatst: augustus 2013)


 Klik HIER voor alle Ontmoetingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Een kleine Marxistische plaats

(Door Rolf Weijburg)

São Tomé, de hoofdstad van de Democratische Republiek São Tomé e Príncipe, het op 24 na kleinste land ter wereld, was ook één van de kleinste hoofdsteden ter wereld. Het hele land telde in 1981 krap 80.000 inwoners en de stad was niet meer dan een charmant Portugees provincieplaatsje met een enorme rits Oostblok ambassades.
      Slechts één restaurant was er in de stad, de Omstep, dat iedere avond een standaard driegangenmenu serveerde. Als je wilde mee-eten moest je er wel stipt om zeven uur zijn want om kwart over zeven was het eten op en om acht uur ging de tent weer dicht. Er was ook nog de Clube Nautico, een uitspanning aan zee aan de rand van het zwembad, waar je af en toe een sandwich kon krijgen en waar de hele dag door heerlijke koffie werd geschonken.

Souvenirs waren er niet in dit gesloten landje, maar bij de koffie in de Clube Nautico, serveerden ze het perfecte souvenir.

Lepeltje

Doordat ik voor mijn postproject “Inviting the World at Home” ooit een kaartje ontving van de directeur van de post in Sào Tomé en in Gabon zijn naam gebruikte om een visum aan te vragen, waarna bleek dat de ambassadeur een oude vriend van de directeur was, kregen we zonder verdere vragen een visum voor dit voor toeristen gesloten land.


Kaartje

Een bezoekje aan het postkantoor was daarom het eerste wat we deden. Een jonge vrouw begeleidde ons naar de bovenste verdieping waar Izidro Machado Pereira kantoor hield. We werden met alle egards ontvangen en vertelden ons verhaal. Izidro herinnerde zich het kaartje dat hij had verstuurd en vond het een prachtig project.
      De groeten van de ambassadeur in Libreville verheugden hem zichtbaar. Hij had zijn grote vriend al zo lang niet meer gezien, hoe was het met hem? Maar we konden hem weinig vertellen.
      Bij het afscheid liep hij met ons mee naar beneden en riep een jongeman, die in een kantoortje achter een oude typemachine zat.
“Dit is Jaime, Jaime de Menezes, hij zal u tijdens uw verblijf in São Tomé overal in bijstaan. Met zijn auto kan hij u brengen waar u wilt.”

We namen afscheid en liepen met Jaime mee naar zijn auto, een oude rode Volkswagen kever. Zonder voorruit.


Vlag

Er was natuurlijk weinig verkeer in zo’n kleine en ook nog Marxistische stad. Maar het complete wagenpark, plús fietsers en voetgangers, kwam twee keer per dag, om zeven uur ‘s ochtends en om zes uur ‘s avonds, tot een totale stilstand. Dan klonk het geschal van een trompet die de eerste strofen van het volkslied speelde tijdens het hijsen of strijken van de nationale vlag.
      Mensen stonden stil op de trottoirs en salueerden, fietsers stapten af, automobilisten zetten hun motoren uit en stonden naast hun auto midden op de weg. Als een film die even stil werd gezet. “Nation building” ten voeten uit.


Old City Map

Jaime liet ons de stad zien.

We reden door keurige straten met pastelkleurige Portugese huizen. De straten hadden trottoirs en straatverlichting.
      Er leek een functionerend bussysteem te zijn met echte bushaltes en kleine compacte bussen. Er waren maar weinig auto’s, veel mensen reden fiets en er was dan ook nauwelijks stedelijk lawaai.
      Het was alsof iedereen rustig zijn gangetje ging, heel relaxed en gemoedelijk. Leve leve, wat zoiets betekent als kalm aan, was dan ook een veel gebezigde uitroep.


Kathedraal

We reden langs de grote kathedraal en enkele mooie Portugees koloniale bestuursgebouwen, maakten een wandelingetje over de markt waar maar weinig te koop werd aangeboden.

Praca

 

Afgeplakte logo's

In een soort kantoorboekhandel kocht ik de enige verkrijgbare kaart van het land, daterend uit de Portugese tijd met afgeplakte Portugese logo’s en doorgestreepte koloniale termen. Ook de nationale krant,” Revolução” een weekblad van een tiental pagina’s, kocht ik er.

Over het algemeen waren de meeste winkels in de stad slecht bevoorraad, vooral de levensmiddelenwinkels waren zo goed als leeg. De meeste verkochten slechts blikjes Marokkaanse sardines, olie en rijst. Vreemd genoeg kon je overal Hongaars wc-papier kopen: het gerucht ging dat een ambtenaar zich in de nullen vergist had en er nu honderd keer te veel wc-rollen waren ingevoerd.
      Ook de vele barretjes hadden weinig te bieden. Een soort lokale rum was meestal wel voorradig maar verder was er behalve een verdwaalde fles Martini of een verroest blikje vruchtensap niets te krijgen. Het was een land zonder Coca Cola en een land zonder bier.
      Dat was eigenlijk wel bijzonder voor een land in Afrika waar je over het algemeen op de verst verwijderde de plekken toch altijd wel een, zij het warm, biertje kon krijgen. Er was wel een brouwerij, Rosema, maar die kon door gebrek aan grondstoffen niet aan de slag.


Boulevard

“Daar, in dat schip zit de grondstof die wij nog missen voor de bierproduktie”, zei Jaime toen we samen over de balustrade van de boulevard leunden en naar een schip tuurden dat in de baai voor anker lag. Het schip lag al dagen voor de kust en er werd volop gespeculeerd over de inhoud van zijn ruimen. Meel of hop, wapens of machines, blikvoer of nog meer wc-papier.
      Een paar dagen later werden we gewekt door het geluid van flessen. Voor ieder café stond een vrachtwagen leek het wel, en met vereende krachten werden houten kratten vol flessen bier de cafés binnen gedragen. Barretjes verschenen waar niemand ze had verwacht, tafels en stoelen werden op de trottoirs gezet. Er was bier! Het leven was weer waard geleefd te worden. De cafés en bars stroomden vol, de terrassen werden massabijeenkomsten. Heel São Tomé werd dronken.

De hoofdstad had zich gelaafd.
      De volgende dag was het bier op.

  

 


Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld


Kl
iHIER voor alle afleveringen

 

 

 

Het opgeknapte bordje

 In het voorjaar van 2004 liep ik zomaar wat door de straten van Georgetown, de hoofdstad van Guyana in Zuid-Amerika. 
       Ik had vrijwel niets bij me, want de criminaliteitscijfers daar waren verontrustend hoog.
In een straatje acheraf speelde een aantal jongetjes cricket met zelfgemaakte spullen.
      De bal was met elastiekjes in elkaar gefrommeld, het bat een platgemaakte boomstronk. Het wicket was een grote kokosnoot waarop ze wiebelende houtjes hadden gelegd.. Er waren goede spelertjes bij. Zelfs een kleine spinbowler die veel grotere jongetjes regelmatig uitgooide.

 

Luxe spullen

Een gehandicapt jongetje had zich daar ook geïnstalleerd.
      Op een kistje had hij spulletjes uitgestald om te verkopen. Dat lukte niet zo best.
Guyana is -op Haïta na- het armste land van ‘Het Westen’.
      De mensen daar hebben geen geld om ’luxe’ spullen te kopen. Ook niet van een gehandicapt kind.

Toeristen zijn er in dit land maar weinig.
      Het was dus logisch dat de jongen al zijn hoop op mij gevestigd had.
Hij had ondermeer tasjes, ringen, schrijfpapier en bestek.
      Ik kocht een paar dingen, maar werd pas echt vertederd door dit bordje.
Hij had ’t laten vallen.

 

 
Geen korting

Dat was natuurlijk heel jammer voor zijn nering en daarom had hij het bordje met veel geduld weer gelijmd.
      Hij wilde mij nog korting geven; dat heb ik maar laten zitten.

 

Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan
37: Robert Peel, een Engelsman op Fanø
38: Svetlana, een Russin
39: De Mariakapel, een wit bouwsel in Ligurië
40: Zoltán, een Hongaar
41: Een verliefd stel; Hollandse tieners op Sardinië
42: De Jacquet's, een familie in de Champagne
43: Wapenhandelaar Johan, een Noor op Spitsbergen 
44: De correspondent, een Amerikaanse in Holland
45: Saeb, een Palestijnse kamelendrijver
46: De gebogen man, een Bosniër 
47: Mannen aan Zee, een beeld in Esbjerg
48: De verkoopster, een New Yorkse 
49: De juwelier, een Palestijn in Jordanië
50: De oude stenen brug, Konjic Bosnië 
51: De bavianenkiller, een Zimbabwaan 
52: Maysa, een Koeweitse
53: Saed Raadeh, een Palestijn in Koeweit 
54: Twaalf Lesothaanse dames
55: Een gehandicapt jongetje in Guyana 

 

 


Een gedenkwaardige ontmoeting

(Door Rolf Weijburg)

We hadden heerlijk geslapen in de logeerkamer van de Gabonese ambassade in de Democratische Republiek São Tomé e Príncipe, het op 24 na kleinste land ter wereld. De huishoudster had ons ontbijt klaargemaakt en toen we aan de koffie zaten kwam Denis Alexis Vouaya, de conseiller, ons begroeten.
      Hij overhandigde ons zijn visitekaartje.
“Mocht u tijdens uw verblijf nog moeilijkheden ondervinden, dan kunt u altijd met mij contact opnemen.”

 

Het was een kaartje van toen hij nog op de Gabonese ambassade in Argentinië werkte, -“Het is nog niet gelukt om nieuwe visitekaartjes te laten drukken”- waarop hij met balpen het Santomese adres had geschreven.
      Sinds een haf jaar was hij als conseiller overgeplaatst van Buenos Aires naar São Tomé. De Ambassadeur was vanuit Buenos Aires overgeplaatst naar de Gabonese ambassade in Malabo, hoofdstad van het naburige Equatoriaal-Guinea, misschien wel het meest corrupte land ter wereld. Er was daar toen nog geen olie gevonden en de overplaatsing was waarschijnlijk niet echt een promotie.

Een kleine maand eerder hadden we de ambassadeur in Malabo (Linksboven op eiland Bioko) ontmoet. Het was een gedenkwaardige ontmoeting …

      Bijna iedere dag bij het vallen van de avond zat hij daar. De ambassadeur van Gabon in zijn voortuintje in Malabo. In keurig pak gestoken en zittend op een witte plastic tuinstoel aan een metalen klaptafeltje. Een glas whisky binnen handbereik. Een transistorradiootje stond altijd aan, maar de ambassadeur zat er immer emotieloos bij. De residentie en tevens ambassade bevond zich direct aan de route tussen ons hotel en het centrum van Malabo. Nooit groette hij of keek ook maar op als we langskwamen.
      Op een ochtend liepen we het voortuintje in. Zoals zo vele huizen in Malabo, zag ook dit huis er uit alsof het geen bewoners had. Een deur aan de zijkant van het huis stond open. Erachter verdween een donkerbruine trap langs vaalgele muren naar boven.

Daarboven in de hal zat de receptionist van de Ambassade van Gabon in Equatoriaal-Guinea. “Bonjour messieurs dames, waarmee kan ik u van dienst zijn?” vroeg de receptionist.

"Ik wil graag een visum aanvragen voor een verblijf in de republiek Gabon", antwoordde ik.

"Wat is uw nationaliteit?"

"Nederlands.”

“En mevrouw?”

“Française, ik heb geloof ik geen visum nodig."

"Dat is correct. U wel inderdaad meneer, als Nederlander. Ik moet even de ambassadeur raadplegen. Heeft u een ogenblikje?" De man opende een deur en verdween. We hoorden wat gemompel waarna hij weer tevoorschijn kwam.
      "Zijne Excellentie de Ambassadeur wil u graag even spreken. Wilt u binnenkomen?"

We stapten de kamer in en de receptionist sloot de deur achter ons. We bevonden ons in een grote vierkante ruimte. Er zaten tralies voor de ramen. Er stond een bijna lege boekenkast, een viertal stoelen, een groot bureau met daarop een bakelieten zwarte telefoon, een plastic pennenbakje en een Gabonees vlaggetje op een standaard. Een ventilator zwaaide zware lucht door de kamer. Natuurlijk hing Gabon’s President Omar Bongo strak ingelijst aan de muur. Achter het bureau zat de ambassadeur. Hij keek ons met een fronsende, wat geërgerde blik aan. Hoewel hij ons toch al vaak gezien zou kunnen hebben, was er geen enkel teken van herkenning.

"Goedemorgen. Wat is er allemaal aan de hand?"

"Hoe bedoelt u?"

"Nou, waarom moet u zo nodig naar Gabon? Wat hebt u daar te zoeken?"

"Wij zijn een rondreis door equatoriaal Afrika aan het maken. Daarbij willen we ook graag uw land Gabon aandoen. We hebben gehoord dat het er erg mooi is."
      "Ja, mooi, ja. Maar toch. U moet weten dat wij mensen met de Nederlandse nationaliteit niet zomaar zonder meer in Gabon kunnen toelaten. Hoe denkt u eigenlijk naar Gabon af te reizen? Gaat u per vliegtuig of heeft u een auto?"

"Nee, geen van beide. Misschien nemen we de boot naar Bata, dan over land door Rio Muni en bij Cocobeach Gabon in. We reizen met het openbaar vervoer. Taxi brousse."

"Taxi brousse?"

"Ja, zoals iedereen."

"Tja, maar dat is toch wel zeer ongebruikelijk. In Gabon hebben alle blanken auto’s. Nee, ik weet het niet. Ik zie weinig redenen om u een visum te verstrekken."

Hij leunde achterover. De armen over elkaar. Een gezicht alsof het laatste woord gezegd was. Toen opeens, alsof hij een ingeving kreeg, boog hij weer voorover, keek naar Catherine en zei: "Madame, en u dan? Bent u ook van plan om door die ongeciviliseerde jungle van Rio Muni te reizen? En ook nog per taxi brousse? Dat is toch niks voor een dame."
      "Nou," zei Catherine, "dat valt wel mee. Het is niet erger voor mij dan voor een ander. Maar ik heb de Franse nationaliteit en kan dus, dacht ik, in ieder geval zonder visum Gabon in, niet?"

Het gezicht van de ambassadeur klaarde zienderogen op. Er verscheen een brede glimlach op zijn gezicht. "Aha! Madame est Française. Ik dacht dat u ook Nederlandse was. Nee, de Fransen zijn onze beste vrienden, die kunnen komen en gaan zoals ze willen. Dat is werkelijk geen enkel probleem, laat daar geen misverstand over bestaan. Waar komt mevrouw precies vandaan?"

"Uit Parijs."

"Parijs! De Lichtstad. De stad van het échte leven." Zijn gezicht kreeg wat dromerigs.

"Ach, Parijs”, mijmerde hij. “ Toen ik daar nog op onze ambassade werkte. Dát was pas leven. Parijs. Montmartre, Champs-Élysées, de Seine. Fauchon. Ja, Fauchon, kent u Fauchon? Wat men daar toch al niet kon kopen. De heerlijkste lekkernijen haalde ik daar. Kaviaar, foie-gras en allerlei soorten kaas. Soms kocht ik er bonbons. In een heel klein zakje. Erg duur. Zeer exquise. Uitzonderlijk lekker waren die. Ach, Parijs.” Hij sloot eventjes de ogen.
      “Hier in Equatoriaal-Guinea staat het vol met verwaarloosde cacaoplantages, maar bonbons zijn er niet eens te krijgen. Dat zou hier ook niet kunnen, trouwens. Die zouden direct smelten in deze tropische hitte want ze hebben misschien maar twee ijskasten in dit land. Hahaha. Ja, twee ijskasten in het hele land en één ervan staat hier in mijn huis! Hahaha!”
      Zijn bulderende lach kaatste tegen de kale muren.

Hij wendde zich opnieuw tot Catherine.
      “En wat moet u dan toch hier in dit land, Madame? U, een Française! U kunt toch beter naar Gabon gaan. Naar Libreville. Daar vindt u de dingen die u nodig heeft. Dat is een geciviliseerde stad. Net als Parijs, alleen wat kleiner. Of Buenos Aires, kent u Buenos Aires? In Argentinië? Ook daar was ik ambassadeur en ook daar is alles te koop, net als in Parijs. Ze hebben heel veel koeien in Argentinië. Maar daar maken ze geen melk van zoals die Nederlanders doen. Nee, niks melk. Vlees! Die koeien eten ze daar gewoon op! Enorme stukken vlees krijg je daar in de restaurants, heerlijk mals vlees. Er is daar weelde en overvloed. Daar komt een mens tot leven. Net als in Parijs of Libreville. Maar hier…? Apenvlees eten ze hier, bushmeat, niks koeien. Madame, ik kan u maar één ding aanraden. Gaat u hier toch weg. Gaat u toch naar Libreville."

 "Ja, maar wij reizen samen. Als u mijn partner geen visum kunt geven kan ik ook niet naar Gabon."

De ambassadeur ging weer recht achter zijn bureau zitten. De situatie drong langzaam tot hem door.

"Nee, nee, dat kan niet”, zei hij nadenkend. “U heeft gelijk. Deze meneer moet een visum krijgen. Het zou onverantwoord zijn u, een Française, alleen door die onderontwikkelde jungle te laten reizen. Ik ga kijken of ik wat voor uw reisgenoot kan doen. Heeft u de formulieren al gehad? Ndoya!"
      De deur ging onmiddellijk open. De receptionist stak zijn hoofd door de deuropening.
"Ndoya, deze Franse dame wil graag een visum aanvragen voor deze meneer. Zij heeft twee aanvraagformulieren nodig."

Tegen Catherine zei hij: “U kunt de formulieren hiernaast invullen, Madame. Twee pasfoto’s van meneer erbij en ik zal zorgen dat het visum over twee dagen klaar is. Ik wens u een zeer aangenaam verblijf in Gabon, au revoir Madame.”

Amper een kort knikje kreeg ik van hem. 

  

 


Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld


Kl
iHIER voor alle afleveringen

 

 

 

George Baker en z’n Little Green Bag

 

De aangepaste gruttertekst

(Door Rolf Weijburg)

Het in 1969 verschenen “Little green bag” van The George Baker Selection werd slechts een bescheiden hitje, vooral in vergelijking met het megasucces dat George Baker, pseudoniem voor Johannes Bouwens, met het in 1975 uitgebrachte “Una paloma blanca” had.
      Maar nadat “Little green bag” in 1992 in Quentin Tarantino’s “Reservoir dogs” werd gebruikt, werd het singletje opnieuw uitgebracht en groeide het liedje plotseling uit tot een flinke culthit.

In de jaren daarna zakte het liedje weer weg in de vergetelheid, maar kijk, nu heeft supermarktketen  Lidl het nummer met George Baker en al weer uit de la getrokken.
      Het lijkt erop dat “Little green bag”, weliswaar met aangepaste gruttertekst, weer een heel nieuw derde leven is begonnen.

 

 

Zou George met het verdiende geld intussen een bedrijfje zijn begonnen in Basseterre, hoofdstad van de op zeven na kleinste staat ter wereld, het Caribische Saint Kitts & Nevis?

 

 


Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld


Kl
iHIER voor alle afleveringen

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh