Reizen (296)

 

Het onbereikbare eiland

 
         


(Door Rolf Weijburg)

São Tomé was een werkelijk prachtig eiland, maar zustereiland Príncipe zou zo mogelijk nog spectaculairder zijn. Ik had een oude Africa Pilot uit 1963 in mijn boekenkast, een fascinerend boek voor zeevarenden vol beschrijvingen, kaarten en tekeningen van de Afrikaanse kusten, waarin ook het eiland Príncipe stond beschreven. De tekst intrigeerde me al jaren:

> Ilha do Príncipe is a Portuguese possession, and is, in its physical features and aspect, one of the most remarkable islands in the world. <

Ik wilde er dolgraag heen, maar in het kantoortje van de nationale vliegtuigmaatschappij LASTP (Linhas Aéreas de São Tomé e Príncipe) vertelde men dat alle vluchten naar Príncipe voor onbepaalde tijd waren gecanceld. Ook de ferry die op onregelmatige tijden tussen beide eilanden voer, bleek voorlopig niet uit te varen.
      Er waren problemen op Príncipe. Er was een opstand geweest omdat de eilanders er zich achtergesteld en gediscrimineerd voelden en de nationale overheid verweten de aanvoer van goederen en levensmiddelen vanuit São Tomé stelselmatig te frustreren. De opstand zou hardhandig zijn neergeslagen en het eiland was voor straf van de buitenwereld afgesloten. Príncipe was onbereikbaar.
      Na ruim een week op São Tomé moesten we toch weer eens aan ons vertrek gaan denken.

Uitreisvisum
São Tomé verlaten bleek echter minstens zo moeilijk als São Tomé binnenkomen. Niet alleen was een uitreisvisum vereist dat je op het ministerie van immigratie moest aanvragen, maar om dat te kunnen krijgen moest je ook nog een soort Bewijs van Goed Gedrag kunnen overleggen, een formulier dat je op het politiekantoor moest halen. Een soort vergunning dus eigenlijk om een vertrekvergunning te kunnen verkrijgen. Jaime de Menezes reed ons in zijn voorruitloze rode kevertje naar de diverse instanties en na twee dagen hadden we de papieren, stempels en handtekeningen bij elkaar gesprokkeld. We waren klaar om te vertrekken.
      Alleen een vliegtuig  ontbrak nog.
De enige reguliere vlucht die het eiland aan deed, een tussenstop tijdens de wekelijkse verbinding tussen Portugal en Angola, was niet wat we zochten. We wilden naar een land in de buurt, naar Gabon of Kameroen. Naar Nigeria misschien. Of naar Equatoriaal-Guinee als het echt niet anders kon. Het waren alleen privévliegtuigjes die deze bestemmingen wel eens aandeden, en informatie daarover was moeilijk te krijgen.

Geruchten alom

Op een dag vertelde iemand dat er een vliegtuigje met Wereldbank medewerkers uit Gabon onderweg was. Na een paar uur wachten op het vliegveld meldde zich echter een groepje Roemeense diplomaten dat alle stoelen in het vliegtuig op de terugweg naar Gabon had gereserveerd. Een paar dagen later was er opnieuw een gerucht over een aankomend vliegtuig, maar toen we eenmaal op weg naar het vliegveld waren zagen we het vliegtuig alweer de lucht in trekken en aan de einder verdwijnen. Te laat.
      Gelukkig had Hans altijd de radio aan staan in zijn appartement. Zo hoorden we op een ochtend een officiële aankondiging op de nationale radiozender: het enige vliegtuig van de nationale luchtvaartmaatschappij LASTP zou over een paar dagen naar buurland Equatoriaal-Guinee vliegen. De minister van Buitenlandse Zaken zat er na een officieel bezoek vast in de hoofdstad Malabo en wilde graag terug naar huis. Omdat er geen reguliere vliegverbinding bestond tussen beide buurlanden, moest de minister met het eigen nationale vliegtuig worden opgehaald.
      Dat kostte geld en daarom zocht men betalende passagiers.

Ticket

We kochten een ticket naar Malabo in het kantoor van de LASTP.

“Als er voldoende passagiers zijn vertrekken we morgen,” werd ons een beetje optimistisch te kennen gegeven, maar het zou nog twee dagen duren voordat  we uit Hans’ radio vernamen dat de vlucht die middag zou vertrekken.
      Op het vliegveld zat een dertigtal passagiers. Alle bagage werd gewogen, alle passagiers ook. Er werden lijsten ingevuld, labels aan koffers gehangen, boarding passen uitgedeeld. Er heerste een opgewonden drukte die na enige tijd kalmeerde, daarna overging in berusting om vervolgens helemaal stil te vallen in het Grote Wachten. Twee, drie, vier uur later, ik weet het niet meer, begon de luidspreker te kraken.

Senhoras e senhores, helaas moeten wij u mededelen dat de ingelaste vlucht van LASTP naar Malabo vandaag niet door kan gaan.”

      Het Grote Wachten was door het Grote Mopperen wakker geschud, maar na enige tijd was er toch weer die berusting en begon iedereen de bagage bij elkaar te pakken. Toen kraakte er opnieuw een bericht uit de luidsprekers.
      “Senhoras e senhores. De ingelaste vlucht van LASTP naar Malabo zal vandaag wél doorgaan. Er is echter een probleem met de verkeerstoren, dus wij vragen nog even uw geduld, por favor.”

Weer wat later zou dan toch alles in orde zijn. De bagage kon op de handkarren worden geplaatst en werd naar het klaarstaande vliegtuig getrokken.
      Alleen was de piloot zoek.

Na nog een uurtje wachten kwam er plots een prachtige rood-witte Amerikaanse cabriolet het vliegveld op rijden. De slee hield vlak voor de terminal bij het vliegtuig stil en een in pilotenuniform gestoken man stapte soepeltjes uit. Hij zwaaide even naar de verbaasde passagiers, rende op een drafje de vliegtuigtrap op en nam plaats in de cockpit.

We konden vertrekken.

“Ilha do Príncipe”, 1990, kleurets  Rolf Weijburg

Het vliegtuig trok de lucht in en maakte een grote bocht. Onder ons zagen we het mooie hoofdstadje dat zich weer in zijn zelfopgelegde vergetelheid terugtrok. Stil lag het daar, de rode daken, de kathedraal, de boulevard, de lege haven. Alles werd opgeslokt door het omringende groen en daarna de zee.
      Drie kwartier later zagen we tussen dikke wolken door nog even een oerwoud begroeide glimp van het onbereikbare eiland Príncipe.

Ooit moest ik er toch eens heen …

  

 


Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld


Kl
iHIER voor alle afleveringen

 

 



 

Ontmoetingen in de (open) lucht

Als je nogal veel hebt gereisd ben je veel mensen in allerlei omstandigheden tegengekomen.
      Op 7 juli 2017 schreef ik voor ‘t eerst een stukje over zo’n ontmoeting. In een vliegtuig van Uzbekistan Airways op weg naar de hoofdstad Tasjkent van Oezbekistan.
      Daarna schreef ik iedere week een stukje over een ontmoeting. Niet alleen in de lucht, maar ook gewoon op straat, op een kantoor, een openbare ruimte.
      Soms duurde zo’n ontmoeting lang en was het intensief. Soms was het vluchtig. Maar altijd was het in mijn ogen bijzonder. Later volgde ook ‘’ontmoetingen’’ met objecten. Een beeld, een brug of zomaar een kapelletje op een berg.

      Tot nu toe verschenen 90 afleveringen. Dat zijn:   

 

Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan
37: Robert Peel, een Engelsman op Fanø
38: Svetlana, een Russin
39: De Mariakapel, een wit bouwsel in Ligurië
40: Zoltán, een Hongaar
41: Een verliefd stel; Hollandse tieners op Sardinië
42: De Jacquet's, een familie in de Champagne
43: Wapenhandelaar Johan, een Noor op Spitsbergen 
44: De correspondent, een Amerikaanse in Holland
45: Saeb, een Palestijnse kamelendrijver
46: De gebogen man, een Bosniër 
47: Mannen aan Zee, een beeld in Esbjerg
48: De verkoopster, een New Yorkse 
49: De juwelier, een Palestijn in Jordanië
50: De oude stenen brug, Konjic Bosnië 
51: De bavianenkiller, een Zimbabwaan 
52: Maysa, een Koeweitse
53: Saed Raadeh, een Palestijn in Koeweit 
54: Twaalf Lesothaanse dames 
55: Een gehandicapt jongetje in Guyana 
56: Sjuul, een Limburger op één been
57: De paraplumaker, een Bangladeshi 
58: Rokus, een Rendier
59: Jussi, een Kareliër
60: De kaartjeskoper, een Moskoviet 
61: Een Eland met Kalf
62: De poppenmaker, een Zimbabwaan
63: Een schilder te Ameland
64: Rob, een Nederlander te Mozambique
65: De ladderman, een walnotenplukker
66: Lisa, schoonmaakster te Zuid-Afrika
67: De Olievrouw, een Ligurische
68: De pijprookster, een Dinkavrouw
69: Man met hoed, een Litouwer
70: De uitbater, een Glagoliet
71: De chauffeur van Roots Removal
72: Een toerist te Tønder
73: Oud & Verbitterd; Jong & Bronstig
74: Kostas & Dimitri, Grieken te Pserimos
75: De schoonmaakster, een Noorse
76: De begraafplaatsbeheerder, een Zuid-Afrikaan te Mauritius
77: Bart, een Belg in Toronto

78: De vrijwilliger van Fort Sabina
79: Poncke Princen, Nederlander te Indonesië
80: Ger Harmesen, de Marx-Professor
81: Jaap van der Scheur, Stakingsleider
82: G.A.Wagner, oud Shell-dircteur
83: Arie Kleywegt, columnist en oud T.V. directeur

 

 

 

 

 

 

Zomer 2002 

De regens van Saidpur 

Said was een jaar 25. Hij wist het niet precies, want hij stond nergens geregistreerd. Ook zijn naam had hij zelf verzonnen. Said. Afgeleid van zijn woonplaats Saidpur, een deplorabel stadje in het noorden van Bangladesh, vlakbij de grens met India. Een uiterst armoedig en onderontwikkeld gebied. Er is gebrek aan alles. Zeer regelmatig valt de elektriciteit uit. 

Bovendien is het één van de meest regenrijke gebieden ter wereld.
      Per jaar -en dan vooral tijdens de moessons- valt hier zo’n 10.000 mm regen en dat is ruim tien keer zo veel als in Nederland.
Er zijn een paar paraplufabriekjes. De belangrijkste industrie in dit gebied. Hoewel: Industrie is een groot woord. Veel mensen hebben het in eigen hand genomen en zijn een klein soort zelfstandigen, die hun eigen paraplu's maken en proberen te verkopen. 
      Maar omdat er in dit gebied vrijwel geen toeristen zijn, moeten ze hun produkten aan de eigen mensen verkopen. Ze proberen er kunstwerkjes van te maken, maar moeten ook zorgen dar het betaalbaar blijft. Een behoorlijk wankel bestaan. Deze paraplu heb ik van hem gekocht.    



In 2002 ben ik er acht dagen geweest. Het regende vrijwel permanent en het regende hard.
      Bovendien was de elektriciteit zo’n tachtig procent van de tijd uitgevallen. 
(Ik verzeker u dat deze combinatie van factoren behoorlijk ontregelend werkt).
      Overal in het landschap zie je mensen met paraplu’s.

 

                             

 

                                                                     Ook uw bloghouder

                                           

 

De steel 

Said schepte er genoegen in om het handvat mooi te maken.  

                                                            

 

 Klik HIER voor alle Ontmoetingen

 

 

         

De Missão Holandesa

                          


(Door Rolf Weijburg)

Het was 1981. Radio Trottoir, de Congolese term voor nieuws dat zich razendsnel via het roddelcircuit verspreidt, werkte ook uitstekend in São Tomé, hoofdstad van de op 24 na kleinste staat ter wereld, São Tomé e Príncipe.
      Heel snel wist iedereen in de kleine hoofdstad dat er twee West-Europese “toeristen” waren gearriveerd en het duurde dan ook niet lang voordat we Hans ontmoetten die ons onverwijld uitnodigde om bij hem in zijn appartement in te trekken. Uiteraard accepteerden we zijn gastvrije aanbod in alle dankbaarheid.

Hans was ooit in een vliegtuig met 110 Friese koeien naar Sào Tomé gevlogen. Hij was één van de twee Nederlanders in het land.
      Samen vormden ze de Missão Holandesa, een ontwikkelingsproject opgezet door de Nederlandse overheid. Sào Tomé was in die tijd een soort voorkeursland als het ging om Nederlandse ontwikkelingshulp en men had lang en hard nagedacht over de mogelijke hulpacties aan het arme Afrikaanse land. Uiteindelijk was besloten om er maar Friese koeien heen te sturen. Melk was wat Sào Tomé nodig had, zo was de redenatie, en Hans en zijn compagnon moesten dat allemaal in goede banen leiden.
      De koeien hadden inmiddels enorm te leiden van de tropische hitte, maar erger nog was de vulkanische bodem: de weides lagen bezaaid met scherpe stenen die de poten van de koeien verwondden en ernstige infecties tot gevolg hadden.

Hans nam ons in zijn oude Landrover mee langs verwaarloosde cacaoplantages en experimentele landbouw alternatieven tot aan de plaats waar de koeien inmiddels meestentijds in stallen waren ondergebracht. De beesten stonden er wat zielig bij.
      “Er zijn al tien koeien gestorven. We hebben de rest nu allemaal een soort sokken aangetrokken, maar ik zie het donker in”, zei Hans pessimistisch.
      Het was een tot mislukking gedoemd project. Kostbaar en zinloos.

De mensen op São Tomé waren uitermate vriendelijk, gastvrij en trots op hun land. Het land was straatarm maar toch: alles groeide er aan de bomen en de zee zat barstensvol voedsel, er was geen religieus of tribaal geweld en er waren dan ook nauwelijks inwoners die hun heil elders wilden zoeken. Het marxistische regime liet dat ook niet echt toe natuurlijk en naar gelang we langer bleven vielen er toch wel gaten in dit paradijselijke beeld. Niet iedereen droeg het regime een warm hart toe.
      Landschappelijk was São Tomé een eiland van ongekende schoonheid.  Vulkanische activiteit had er ooit een ratjetoe van gemaakt en her en der staken grillig gevormde bergen of basalten pilaren uit de dichte, intens groene bossen.  Diepe valleien doorsneden het landschap. Riviertjes stroomden via talloze watervallen naar de met maagdelijke palmenstranden versierde randen van het eiland.

We voelden ons een beetje als clandestiene bezoekers in een vergeten en gesloten paradijs.

Terwijl Hans aan het werk was, maakten wij dankbaar gebruik van het buslijnennetwerk en reden het hele eiland over.
      Via de noord langs de baobabs van Guadelupe naar de zwarte stranden van Neves in het noordwesten.

En zuidwaarts langs de koningspalmen bij Santana naar de bamboebossen van Santa Cruz.

Of verder het zuidelijke binnenland in waar je spectaculaire uitzichten had op de Cão Grande, de basalten schacht van een weggeërodeerde vulkaan.

Er waren er meer, maar dit was de grootste, een gigantische fallus van maar liefst 750 meter hoog die zomaar in het landschap stond.


 

 


Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld


Kl
iHIER voor alle afleveringen

 

 



 

Herfst 1969

Van Eygelshoven naar Roosendaal v.v.

Het feestje speelde zich af in een flatje aan de Duke Ellingtonlaan in Roosendaal. Het was 1969. Gastheer Frans kwam oorspronkelijk uit Eygelshoven in het zuidoosten van Limburg. Hij & ik vormden de redactie Roosendaal en omstreken van het West-Brabantse Dagblad De Stem. (Voor God, Koningin en Vaderland). 
     Frans had veel mensen uitgenodigd. Ook uit zijn geboortedorp. Er was een bandje en er waren vijf majorettes in minirokjes, rode hesjes en witte lange laarsjes. Zij moesten van Frans op de tafel dansen, want dan leken ze nog meer op Limburgse dansmariekes.

Eén van de gasten uit Eygelshoven was Sjuul. Hij sprak een taal, die meer leek op Duits dan op Nederlands. Sjuul had één been. Hij bewoog zich handig op krukken. Had eerst een houten been geprobeerd en daarna een moderne prothese.
       ‘Maar het is me nooit bevallen en nu heb ik er mee leren leven’, zei Sjuul en staarde naar zijn lege linker broekspijp. 
     
‘Wat Roosendaal voor stad was?’
      Tja’, zei ik maar eens.
      ‘Erg katholiek, heel behoudend, een klein centrum met aardige cafés, een modern winkelcentrum en verder nog wat nieuwbouwwijkjes. De opkomst hier bijvoorbeeld bij verkiezingen hoort traditioneel tot één van de laagsten in Nederland; de kerk heeft veel invloed en in het openbare leven, in bedrijven, besturen en overheid kom je steeds dezelfde mensen tegen. Met Carnaval komen ze los. Mensen, die je anders niet eens groeten, vallen je dan met een kegel van drank om je nek en vrouwen moeten erg oppassen, want ze worden voortdurend belaagd en betast’.

      ‘Oh’, zei Sjuul, ’net een wat groter Eygelshoven’.
      ‘Maar hoe komt het dan bijvoorbeeld, dat ze hier een Duke Ellingtonlaan hebben?’
      ‘Ach’, zei ik, ’een bekende hier is Jack van Poll. Hij is een internationaal befaamd jazz-pianist en bandleider. Hij speelde bijvoorbeeld met Dizzy Gillespie, Johnny Griffin en Lionel Hampton.
      Het verhaal gaat, dat hij dit met een interessante lobby voor elkaar gekregen heeft. Hun huis staat even verderop hier in de laan. Vandaar!’

Sjuul hinkte daarop weg en ging dansen met één van de majorettes. Het feest eindigde een uur later abrupt, omdat de politie verscheen, die gealarmeerd was door de buren. Enkele plaatselijke coryfeeën probeerden de zaak nog ''te redden'' , maar de geproduceerde decibellen door band en gasten waren inderdaad wel wat hoog en hard. 

Een paar maanden later werd ik gebeld door Sjuul. ’Wij hebben hier een feestje. Jij en Frans en jullie partners zijn daarbij van harte uitgenodigd. ’Geen band hier, geen dansmariekes, maar mooie muziek, lekkere hapjes en veel drank!’
      Een week later waren mijn opnieuw zwangere Heleen & ik op weg naar Eygelshoven. Met onze baby Babette van tien maanden in een rieten mand, die diende als reiswieg. Ergens ter hoogte van Eindhoven, realiseerde ik me, dat ik geen adres bij me had. En ook geen telefoonnummer. Wij besloten om gewoon door te rijden, want ’ach: Hoe groot kon dat Eygelshoven nou zijn? Iedereen daar zou Sjuul met z’n ene been toch wel kennen!’
      Ter plaatse viel dat erg tegen. Wij vroegen het diverse mensen, die daarop nogal schichtig gingen doen. Sommigen keerden zich demonstratief om zonder iets te zeggen.

We besloten daarop om naar het politiebureau te gaan. De enige agent van dienst wist het. 'Een beetje moeilijk om uit te leggen. Ik rij voor en dan moet u mij gewoon volgen'.
      Na een minuut of wat stopten we voor een huis in een smal straatje. De agent belde aan, waarop een man met één been verscheen.
      De agent maakte een triomfantelijk gebaar en zei: ‘U kent elkaar!’. 
      
      Wij kenden elkaar niet.

Dit was Sjef. Ook hij liep op krukken, had een lege broekspijp en zei Sjuul te kennen. Hij stapte in zijn aangepaste auto, gevolgd door de agent, gevolgd door ons. Even later arriveerden wij bij het huis van Sjuul en gingen met een kirrende baby in ganzenpas naar binnen, nieuwsgierig aangestaard door de inmiddels al behoorlijk luidruchtige gasten.
      Sjuul omhelsde Sjef en zei; Ga zitten; ga zitten .’Iets eten, iets drinken?
      ‘Ik heb dienst’, zei de agent. ’Hoewel! Ach, ééntje kan geen kwaad.
Sjef & Sjuul hielden het die avond lang met elkaar uit. Ze vertelden herkenbare verhalen over het bestaan op één been en moesten daar vaak hard om lachen. De agent lachte steeds wat schaapachtig mee, maar leek er niet meer echt bij te horen. 

      Tot ook hier zijn collega’s -gebeld door de buren- om een uur of twee ’s nachts verschenen. Ze kwamen uit Kerkrade en keken hun collega enigszins fronsend aan, toen ze begrepen waarom ze op het bureau in Eygelshoven niemand bereikt hadden.

De feestgangers verdwenen en Sjuul zei tegen Sjef: Zullen we samen naar jouw huis lopen.
      Hebben we toch twee benen’.


(Eerder geplaatst: augustus 2013)


 Klik HIER voor alle Ontmoetingen

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh