Reizen (315)

 

 

Schelpen & kokosvezels

(Door Rolf Weijburg)

De Islamitische Republiek der Malediven is het op acht na kleinste onafhankelijke land ter wereld en het kleinste land van Azië.
      Het is een geografisch nogal versnipperd land.

 


Atollen

De republiek, ten zuidwesten van India en Sri Lanka, strekt zich uit over noord-zuid bijna 1000 kilometer Indische Oceaan en telt zo’n 1200 kleine atol eilanden verspreid over 26 atollen.
      Het grootste eiland is Gan in Laamu of Hadhdhunmathee Atoll dat acht km2 meet, het gros van de andere eilanden meet echter niet meer dan een paar hectare terwijl ze gemiddeld anderhalve meter boven de golven uitsteken.
      Veeg al die eilandjes bij elkaar en je hebt een landoppervlakte zo groot als één honderddertiende van Nederland, zeg maar de helft van Texel.


Sultan

Tot de twaalfde eeuw waren de Malediven nog Boeddhistisch. De eilanden werden echter steeds vaker bezocht door Arabische zeelui en handelaren die de handelsroutes tussen Arabië en India waren gaan beheersen.
      De laatste Boeddhistische koning van de Malediven, Dhovemi, bekeerde zich daardoor in 1153 tot de Islam. Hij nam de islamitische titel Sultan aan - Sultan Muhammad al-Adli - en de eilanden zouden tot in de twintigste eeuw een Sultanaat blijven.

Cowries     

De Malediven waren aanvankelijk niet meer dan een strategische tussenstop op de Arabisch-Indiase handelsroutes, maar al gauw werden de eilanden zélf een belangrijke handelsbestemming.
      In veel plekken in Azië en Oost Afrika werd de cowrie-schelp (cowry, kauri, Cipraea moneta) gebruikt als een soort munteenheid en deze fraaie schelpen bleken in de Malediven voor het oprapen te liggen.
      De Maldivische cowrie-handel groeide uit tot de grootste schelphandel ooit.



Kokosvezel

Een ander product dat op de Malediven ruimschoots voorhanden was, was kokosvezel, een sterke, stugge vezel die zich onder de buitenste schil rondom de harde kern van de kokosnoot bevindt.
       De gedroogde vezel werd gebruikt voor borstels en matten, touw en zakken maar was vooral onontbeerlijk voor de tuigage van schepen in die tijd.
       Maldivisch kokosvezel werd verhandeld tot in Oost Afrika, de Perzische Golf en China.

Belangrijke handel dus allemaal waar in de zestiende eeuw ook de Portugezen op af kwamen.


Portugezen

In 1558 vestigden ze een handelspost op de eilanden die ze bestuurden vanuit de Portugese enclave Goa in India. De Christelijke bekeringsdrang die de Portugezen aan de dag legden werd hen na een vijftiental jaar noodlottig: de Malediven kwamen in opstand en verdreven de christenen uit het islamitische eilandenrijk.
     
Hollanders

In de zeventiende eeuw kwamen de Hollanders. Vanuit Ceylon (Sri Lanka) namen ze de Maldivische handel over zonder zich met het intern bestuur van de Malediven te bemoeien, waardoor hen een lot als dat van de Portugezen bespaard bleef.


Fransen

De Fransen kwamen via een hele andere hoek de Malediven binnen. In 1752 hadden schepen van de Ali Raj van de Laccadiven, een eilandengroep ten noorden van de Malediven, een aanval uitgevoerd op de Maldivische hoofdstad Malé. De stad werd bezet en de Sultan werd ontvoerd en afgevoerd naar de Laccadiven.
      Na vier maanden konden de invallers na een bloedige strijd uit de Malediven worden verdreven. De Laccadivianen bleven echter terugkomen en ten einde raad riep de nieuwe Sultan – de ontvoerde sultan was in gevangenschap in de Laccadiven overleden - de hulp in van de Fransen die in Pondichery en andere Franse comptoirs langs de Indiase kust voor anker lagen. Dat hielp.
      Frankrijk stuurde een squadron dat de Laccadivianen dusdanig aanpakte dat ze nooit meer terugkwamen. Als beloning werd de Fransen toegestaan een kleine marinebasis in te richten voor de kust van Mahé eiland, die enige jaren zou blijven bestaan.

Britten

Het bleef onrustig in de regio. De Britten verschenen ten tonele. Ze verdreven de Hollanders en veroverden Ceylon van waaruit ze hun invloedssfeer uitbreidden tot over het strategisch gelegen Maldivische eilandrijk.
      De  eilanden werden nooit, zoals Ceylon bijvoorbeeld, een volwaardige Britse kolonie maar bleven een Brits Protectoraat wat, op papier althans, zoveel betekende dat de eilanden zeggenschap hielden over interne zaken, terwijl de Britten defensie en buitenlandse zaken voor hun rekening namen. In de praktijk echter hielden de Britten ook intern een flinke vinger in de pap en bemoeiden zich onder andere met de Maldivische troonopvolgingen.
      Ondanks de Britse steun aan de sultans kwam er in 1953 een referendum waarin uiteindelijk voor de republiek werd gekozen. Die republiek was geen lang leven beschoren: een dik jaar later werd er, wederom via een referendum, weer overgeschakeld naar het sultanaat.

Na zevenenzeventig jaar Brits Protectoraat, volgde in 1965 de onafhankelijkheid van het Sultanaat der Malediven. Op 26 juli dat jaar signeert premier Ibrahim Nasir de onafhankelijkheidsverklaring en werd de Maldivische vlag gehesen.

Ceremonie


Vlaggen

Het Sultanaat gebruikte in vroeger eeuwen, net als vele andere landen rond de Indische Oceaan die door de Arabische dhows werden aangedaan - zoals Zanzibar, de Komoren en Tadjourah, maar ook Kuwait en Oman bijvoorbeeld -, een geheel rode vlag.


Zwart-Wit

Die vlag kreeg in de Malediven later een band met zwart-witte strepen - de zogenaamde Dhandimathi - aan de mastzijde. In vroeger tijden was het de gewoonte om de witte vlaggenmasten te voorzien van een zwarte naar boven spiralende lijn, waarvan de strook op de vlag een verbeelding is.
      Aan het begin van de twintigste eeuw werd in het midden van de vlag een halve maan toegevoegd waarvan de punten naar de mast wezen en weer wat later kreeg de rode achtergrond een groene rechthoek.


Gekeerde halve maan

Pas in 1949 werd de halve maan gekeerd, zoals wereldwijd eigenlijk gebruikelijk was.

Volkslied

Bij de onafhankelijkheidsceremonie in 1965 werd het nationale volkslied ten gehore gebracht. Dat lied was al in 1948 geschreven door Mohammed Jameel en verhaalde onder andere van de kleuren van de nationale vlag:

 “We begroeten de kleuren van onze vlag, groen, rood en wit,

die de overwinning, de zegen en het succes symboliseren”

Geen woord over het zwart in de vlag. Daarom was bij het hijsen van de vlag op Onafhankelijkheidsdag in 1965 de zwart-witte strook opeens verdwenen om nooit meer op de vlag terug te keren. Vlag én volkslied bleven daarna onveranderd.
      Ook toen de Malediven in 1968 definitief de republiek als staatsvorm omarmden.

 

 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

Een beetje dazen op Spitsbergen

In het voorjaar van 2002 was ik ruim een week op Svalbard, een eilandengroep in de Noordelijke IJszee halverwege de Noordkaap van Noorwegen en de Noordpool. Ik logeerde in een soort jeugdherberg in Longyearbyen, de meest noordelijk gelegen bewoonde nederzetting ter wereld. Hoofdplaats van het grootste Svalbardeiland Spitsbergen. 1500 Inwoners. Op ruim 78 graden Noorderbreedte.
      Het was eind juni. Vrijwel alle dagen scheen de zon fel. Het was voortdurend een paar graden boven nul. Als je uit de wind op een terrasje zat, kon je een T-shirtje aan. Ook ’s nachts, want er was geen enkel verschil tussen dag en nacht.
     
Ik verzeker u dat je daar erg aan moet wennen. Je kunt gordijnen dicht doen, maar dat helpt niet echt veel. Korte onrustige slaapjes. Het lijf raakt behoorlijk onttakeld en de geest kan het ook niet helemaal verwerken. Soms liep ik maar wat te dazen.
      Na een dag of drie begon het een beetje te wennen. Maar het bleven korte hazenslaapjes met wilde dromen. Vaak ging ik midden in de nacht een wandelingetje maken. Door het dorp met zijn fel gekleurde huisjes, langs beekjes die zich vormden door smeltwater uit de bergen, met waanzinnig mooie uitzichten op de witte spitse bergen. Diep ademhalend, want de lucht op Spitsbergen is onwaarschijnlijk fris en zuiver. Soms kwam ik rendieren tegen, soms een andere toerist. IJsberen waren gelukkig nergens te bekennen. 


Orions Belte & Rubicon
     

En ik had een walkman op met muziek uit de films Rubicon en Orions Belte. Die laatste film, een spionageverhaal uit de Koude Oorlog, speelt zich voornamelijk af op Svalbard. De muziek is van de Noren Geir Bøhren en Bent Ǻserud. Het begint en eindigt met Svalbard-theme.
      Iedere nacht draaide ik die muziek. Het zat verankerd tussen mijn oren en meer en meer ging de muziek op in het landschap.

Luister  HIER naar Svalbard-theme uit Orions Belte, De Riem van (sterrenbeeld) Orion.

 

 

Toeristen met geweren

 Als je Longyearbyen, de hoofdstad van Spitsbergen verlaat moet je een geweer bij je hebben.
      Je kunt dan namelijk een ijsbeer tegenkomen. Die moet je doodschieten als ‘ie agressief wordt.
Op de schietbaan even buiten het stadje wordt het je allemaal uitgelegd.
       Er hangen zelfs plaatjes met de plekken waar je het beest ‘t best kan raken.
Dat de theorie en de praktijk hier wel eens lelijk kunnen botsen, lijkt me duidelijk.

 

 

Verhalen

De verhalen op Spitsbergen gaan vaak over ijsberen. Dat lijkt logisch, maar het is ‘t niet.
      Er zijn maar weinig van de 1500 inwoners van Longyearbyen, die een beer in het echt gezien hebben.
Ze komen namelijk vrijwel nooit naar het stadje.

IJsberen op Spitsbergen zitten in het noorden en het oosten. De geschatte aantallen variëren van 3.000 tot 5.000.
      Je moet een tocht per schip maken om ze te zien. Er worden zelfs cruises aangeboden waar je je geld terugkrijgt als je geen beer ziet.

Dit jaar in augustus werd een groepje Britse jongeren nog aangevallen door een ijsbeer.
      Zij kampeerden op veertig kilometer afstand van de hoofdstad. Een jongen van zeventien kwam om het leven, vier andere kinderen werden ernstig gewond.
      De ijsbeer werd doodgeschoten.
Autopsie leerde dat het beest zo agressief was omdat hij tandpijn had. De zenuwen van twee hoektanden lagen bloot.


Standbeelden

Er zijn op Svalbard -waaronder Spitsbergen valt- diverse standbeelden van ijsberen.
     
Er hangen tal van foto’s en in ieder boek over de eilandengroep wordt er ruim aandacht aan besteed.
Logisch dus dat je in de plaatselijke souvenirwinkel veel ijsberen vindt.
    Deze moeder met kind heb ik daar gekocht.
    

 

 

Voorjaar 2002

Midzomernacht: Een onttakeld bioritme

 

Ik ben met de Nederlandse Constance Andersen. Zij werkt bij een plaatselijk reisbureau. Eigenlijk zou ze nooit meer weg willen, want ze is hier ’volmaakt gelukkig’. Lyrisch is ze over het landschap, de natuur en de uitzichten. En met het klimaat kan ze inmiddels goed leven.
      ‘Ja, het doet wel wat met je’, zegt ze. ’s Winters kan het vijftig graden vriezen en in de zomer loopt de temperatuur wel eens op tot twintig graden boven nul. ’Het is hier ondanks dat het een eiland is, een droog klimaat. ’Dat helpt‘

De weinige inwoners van Longyearbyen moeten een huis en een baan hebben, anders mogen ze zich er niet vestigen. Het merendeel van de inwoners komt uit Noorwegen, maar omdat er een universiteit is, waar je arctische wetenschappen kunt studeren zijn er hoogleraren en studenten uit de hele wereld. Op de heenweg in het vliegtuig van Tromsø naar Longyearbyen zat ik naast een IJslandse hoogleraar arctische geologie, op de terugweg naast zijn Deense collega. Beide professoren zijn net zo lyrisch over het eiland als Constance.
      Dat je naar een merkwaardige uithoek in de wereld gaat, blijkt op de heenweg trouwens ook, want als we over het Beren-eiland in de Noordelijke IJszee vliegen, keert de piloot van de Noorse vliegmaatschappij Braathens het lijnstoestel en vliegt nog eens terug, zodat alle passagiers het eiland kunnen zien. “Een zeldzaamheid’, legt hij uit, ''want vrijwel altijd is het hier zo bewolkt dat het eiland niet te zien is.''

      De eeuwige zon schijnt dag en nacht fel die week. Zo fel, dat baby’s niet alleen petjes op het hoofd gedrukt krijgen, maar ook een zonnebril op hebben. Bij drie graden boven nul kun je -uit de wind- in een t-shirt op een terras zitten. Rendieren komen zomaar langs. Ze zijn mager, want de afgelopen winter was erg streng. In de stad mogen de dieren niet geschoten worden. Daar buiten wel. Iedere inwoner van Longyearbyen mag per jaar één rendier schieten. Men hoort van tevoren of dat een mannetje, een vrouwtje of een kalf is. Als een dier geschoten wordt, moet bij de overheid ter controle een tand van het beest ingeleverd worden.


EXTREEM DUUR
  

WAPENS  

 Als je het stadje verlaat ben je verplicht om een wapen mee te nemen. Je kunt namelijk zomaar een ijsbeer tegen komen. Sommige toeristen nemen dit zo letterlijk, dat ze het wapen zelfs bij zich dragen in de enige supermarkt van het plaatsje. Johan., de Noorse echtgenoot van Constance verhuurt die wapens. ’Oefenen moet, zegt hij. ’Oefenen’.
      Hij troont mij mee naar de schietbaan, die een paar kilometer buiten de stad ligt. 
’Ik ben met wapens opgegroeid’, zegt hij.
Dan kijkt hij mijn richting op.
      ‘En jij’.
      ‘Tja’, zeg ik maar eens. Zo’n dertig jaar geleden zat ik in het leger. Toen bleek dat ik wel aardig kon schieten. Maar ja, sinds die tijd heb ik 't nooit meer gedaan’.

Na wat oefenen zet Johan. een vizier op het geweer en schiet ik een mooie serie. ‘Ongelooflijk’, zegt hij. ‘Ik geloof bijna niet dat jij zolang niet geoefend hebt’.
      ‘s Avonds, als het groot feest is en er enorme hoeveelheden drank zijn omgezet in Huset, het plaatselijke restaurant annex feestzaal, staat Johan. op en begint mij luidruchtig te prijzen.
      Applaus klinkt en nog meer drank is ons aller deel.
     
                                Op naar Spitsbergen!

‘s Winters als het 24 uur lang pikkedonker is, schijnt er wel eens een verdwaalde Japanse toerist te komen.

 Zonnebadende walrus 

  

Deze aquarel is van de Noorse kunstenares Ellen Linde-Nielsen. Ik kocht een reproductie (47 x 37 cm) in Galerie Svalbard te Longyearbyen, waar het schilderij ook gemaakt is. 
      Het heet: Soltilbeder 79 N'' (Zonnebaden op 79 graden Noorderbreedte)

 

 

Drank gerijpt door warmte, golven & wind

 

 

‘Zullen we een aperitiefje nemen’, zei Harald. Het was hoog in de lucht boven het Bereneiland tussen Tromsø in het noorden van Noorwegen en Longyearbyen, de hoofdstad van Spitsbergen.
      We vlogen met de Noorse maatschappij Braathens en hadden op de route Amsterdam-Oslo-Tromsø ook al naast elkaar gezeten.
Aquavit moesten we drinken, zei hij. ‘Linie aquavit, want dat is de beste’.

Harald was een Noorse wapenhandelaar uit Trondheim. Maar sinds een paar jaar deed hij zaken op Spitsbergen of zoals je het volgens hem moest noemen Svalbard.
      Toeristen op Svalbard moesten namelijk een wapen bij zich hebben als ze Longyearbyen verlieten om zichzelf te kunnen beschermen tegen ijsberen. Een lucratieve handel, want er kwamen steeds meer toeristen.
De stewardess bracht vier kleine flesjes aquavit en twee Svalbard glaasjes.
      ‘Er is met deze aquavit iets bijzonders aan de hand’, zei Harald.
‘Het wordt in Noorwegen in houten vaten gestopt en aan boord van een containerschip gebracht. Een schip dat naar Australië gaat. Het spul is dan maanden onderweg en krijgt een zeer aparte smaak door het schommelen van het schip en allerlei verschillende weersinvloeden. En omdat het op die tocht van Noorwegen naar Australië en terug twee keer de Evenaar passeert noemen wij het Linie Aquavit’.

‘Het weer tijdens iedere reis is natuurlijk anders', zei Harald, die de 0.04 liter van het flesje in één teug opdronk.
      ‘Daarom smaakt deze aquavit nooit hetzelfde’. Er zijn mensen -vooral buitenlanders- die de aquavit koud drinken. Dat zijn barbaren. Die drank is namelijk zo zuiver dat je het op kamertemperatuur moet drinken. Dan pas proef je die licht zilte smaak, dat heerlijke aroma, die invloed van warmte en wind, van passaten en moessons’.

 

                                

 

Een blik op het etiket leert dat de aquavit gerijpt is tussen 6 januari 1988 en 13 mei 1988 aan boord van het motorschip Barber Tampa. Het heeft 41.5% alcohol en is gebotteld in Trondheim, inderdaad de geboorteplaats van Harald.
      Bij aankomst op Svalbard kregen we nog een extra flesje en ook het glaasje mochten we houden.

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh