Reizen (335)

 

De grensovergangen van een dwergstaat


(Door Rolf Weijburg)

Andorra is het op zeventien na kleinste land ter wereld en ligt in de Pyreneeën op de grens tussen Frankrijk en Spanje. Het land is één van de bergachtigste staten ter wereld met misschien alleen Bhutan als echte concurrent.
      Het land, het enige co-prinsdom ter wereld, deelt een 64 kilometer lange grens met Spanje en een 57 kilometer lange grens met Frankrijk. Het zijn de oudste onveranderde internationale grenzen ter wereld en beide grenzen lopen door ruig en hoog berggebied met hoogtes van boven de 2000 meter. Ze worden ieder slechts één keer doorkruist door een doorgaande weg. Bij beide grensovergangen wordt, omdat Andorra niet tot de Schengen-landen behoort noch deel van de Europese Unie is, veelvuldig gecontroleerd.
      De Spaanse route volgt vanuit Seu de Urgell  de loop van de Valirarivier stroomopwaarts en kruist de grens net onder Sant Julià de Lòria bij de grenspost La Farga de Molas. De weg vanuit Frankrijk klimt aan de andere kant van Andorra de bergen over tot aan het op 2080 meter hoogte gelegen grensdorp El Pas de la Casa.

      Een vliegveld heeft Andorra niet, wel is er een heliport in Andorra la Vella en een nieuw Nationaal Heliport in aanbouw in Encamp.

Liftend op weg

De eerste keer dat ik in Andorra kwam was in 1973 toen ik samen met een vriendin liftend op weg was naar Marokko om daar in het zuidelijke kustplaatsje Mirleft een paar weken stoned rond te hangen. Zo ging dat nou eenmaal in die tijd.
      Ik hield in die jaren een boekje bij waarin ik alle liften die ik kreeg archiveerde: datum, van waar naar waar, automerk, wie er in de auto zat en wat er zoal gebeurde.

 

File

Onder het kopje 19 juli 1973 lezen we dat we van het Franse Langon in drie liften naar Mérens-les-Vals reden, 335 km verderop. Op 19 juli hebben we dan een lift te pakken vanuit Mérens-les-Vals tot aan Sant Julià de Lòria waar je Andorra alweer bijna uit bent.
      Wat de jongeman en jonge vrouw in de Volkswagen 1300 precies voor vage dingen met ons van plan waren, kan ik me niet meer herinneren.
Ik weet nog wel dat er halverwege de klim naar de Andorrese grenspost El Pas de la Casa een file stond waardoor we langzaam de berg op kropen. De file bleek te zijn veroorzaakt door de Andorrese grenscontrole: het kleine land liet niet met zich sollen en iedereen moest grondig worden geïnspecteerd alvorens de poorten tot het bergachtige co-prinsdom werden geopend.
  
   

De grenspost lag nèt over het bruggetje over de nog jonge rivier L’Ariège, die wat zuidelijker in de bergen ontspringt en zich bij Toulouse bij de Garonne voegt om uiteindelijk via Bordeaux in de Atlantische Oceaan te stromen.

Ansichten

Ik vond wat fraaie ansichten van omstreeks eind jaren zestig waarop de grenspost in winter- en zomertijd is te zien. Wat opvalt is de hoge concentratie Citroëns DS. Op een andere ansichtkaart uit waarschijnlijk ergens jaren twintig is te zien dat het gebouwtje links op beide modernere foto’s, de ‘Alto Andorra Control’, er ook in de jaren twintig al stond.

De grensovergang ligt op een hoogte van 2085 meter, maar eenmaal tot het co-prinsdom toegelaten vervolgt de weg zijn opwaartse gang tot hij de Port d’Envalira bereikt, met 2401 meter de hoogste bergpas van de Pyreneeën.
      Daarna stort het asfalt zich in het stroomgebied van de Valira, de rivier die de valleien uitsneed waarin de meeste Andorrese plaatsen alsook de hoofdstad Andorra la Vella liggen. Overigens was de officiële benaming van Andorra vroeger Valls d’Andorra, de valleien van Andorra.

Pas

De pas is de waterscheiding tussen het Valira-stroomgebied dat afwatert naar de Middellandse Zee en het Ariège-stroomgebied dat naar de Atlantische Oceaan stroomt. De pas ligt ook op de scheiding tussen de noordelijke en de zuidelijke flanken van de Pyreneeën en de omgeving van El Pas de la Casa is daardoor het enige deel van Andorra dat op de noordelijke flanken van deze bergketen ligt.
      De inmiddels tot een belangrijk wintersportoord uitgegroeide grensplaats probeert zich daarom los te maken van de parochie Encamp, één van de zeven parochies van het land dat voor het overgrote deel bestaat uit gebied op de zuidelijke flanken van de Pyreneeën. El Pas de la Casa  voelt zich anders en wil een eigen parochie. Maar daarvoor zou de Andorrese Grondwet moeten worden veranderd.

      Wat we toen in 1973 in Sant Julià de Lòria hebben uitgespookt weet ik niet meer. Andorra had weinig indruk op me gemaakt. Behalve uit bergen leek het land slechts te bestaan uit tax-free winkels waar je goedkope camera’s en radio’s maar vooral ook drank en sigaretten kon kopen.

      Mijn liftarchief vermeldt alleen nog een lift vanuit Seu de Urgell twee dagen later in een FIAT 1400 helemaal naar Barcelona. We hebben toen ongetwijfeld de enige grensovergang met Spanje moeten oversteken, La Farga de Molas, die er toen waarschijnlijk niet meer uitzag als op deze fraaie ansicht uit de jaren dertig.


Ander straatbeeld



Toen ik in 2008 in een huurauto vanuit Seu de Urgell naar Andorra reed, was het straatbeeld bij de grensovergang in ieder geval aanzienlijk veranderd.

Bergpas

Na een verblijf van vijf dagen reed ik Andorra aan de andere kant weer uit richting Frankrijk. Inmiddels was er een tunnel aangelegd die de bergen doorsteekt rechtstreeks naar Frankrijk, maar ik nam de bergpas die er nog even indrukwekkend uit zag als in mijn herinnering.

El Pas de la Casa had inmiddels alle charme verloren.

 

 

   

 
Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen


 

 

Winter 1997

Zes lifters in een oude auto

Het zijn er zes. Ze staan een beetje te lummelen. Dan steekt er één zijn hand op. Ze willen mee.
      Locatie: de uitvalsweg naar het oosten in Asmara de hoofdstad van Eritrea in de hoorn van Afrika. Ik rij rond in een huurauto; een oude Fiat Mirafiori. De wagen is niet berekend op zoveel mensen, maar iemand aan de kant van de weg laten staan in Eritrea is ‘not done’. Dat kan eenvoudig niet, want bijna vier jaar na de onafhankelijkheid is het vervoer nog erg schaars.
      Ze stappen in: twee rechts voorin, vier op de achterbank. Het zijn jonge gasten. Een jaar of twintog. Ze zijn lang en mager en kunnen -denk ik- natuurlijk heel hard en heel lang rennen. Ze hebben een weekendje gestapt in die mooie hoofdstad Asmara. Met die brede boulevards, Italiaanse oud-koloniale gebouwen, terrasjes en koffietentjes. Met overal die prachtige oude bomen.
     
Kwetsbaar

Even gaat het door me heen, dat ik wel erg kwetsbaar ben. Er ligt dure opnameapparatuur achter in de auto. En een nieuwe satelliettelefoon met een modem en een mengpaneel. Microfoons en een schotelantenne.
      Ik heb een paspoort, rijbewijs, creditcard en cash geld. Maar ik ben hier eerder geweest en weet dat er nauwelijks criminaliteit is in dit land. Wat dat betreft is Eritrea een vreedzaam baken in Afrika. Er is ook weinig verkeer, men rijdt rustig, houdt keurig halt bij een stoplicht en niemand toetert.

      Ze spreken nauwelijks een woord Engels. Waar ze naartoe moeten? Het antwoord versta ik niet. Ik pak een kaart en vraag of ze het willen aanwijzen. Ze lachen wat. Begrijpen er niets van. Kunnen waarschijnlijk niet lezen. Eén wijst naar voren. Richting Massawa, de kustplaats aan de Rode Zee, zo’n 120 kilometer verderop.

 

Onafhankelijk

De weg is goed. En dat verrast me, want vier jaar eerder reed ik hier ook. Toen was de weg overal kapot. Er zaten enorme gaten in en soms was er helemaal geen sprake meer van een weg. Resultaat van bomaanslagen tijdens een lange, hevige en bloedige onafhankelijkheidsoorlog tegen Ethiopië . Ik zat toen in een taxi met drie andere internationale journalisten. We deden er meer dan vijf uur over.
      Dat was in april 1993 toen het referendum werd gehouden, waarbij meer dan 99% van de bevolking ervoor koos om onafhankelijk te worden. Mijn God, wat een festijn was het toen in dat land. Veertien dagen lang vierden de mensen feest. ‘s Avonds trokken ze in dikke rijen dansend en zingend door de belangrijkste straat in Asmara, de Avenue van de Vrijheid. Arm in arm in ritmische harmonie. In waaiers van zeker twintig meter breed maakten ze een soort schaatsbeweging.
      Na een paar kilometer krijg ik een teken. Eén van die jongens voelt zich niet goed. Ik stop en hij stapt kotsend de auto uit. De anderen lachen maar wat.
     
Marktpleintje

     Na ongeveer een uur bereiken we het plaatsje Ghinda. Daar moeten ze zijn. Ik zet ze af op een marktpleintje en dan maakt één van die jongens een gebaar. Ik moet meekomen. Hij heet Mulu. We komen bij een vrij klein huisje, waar zijn moeder in de tuin zit.
      Of ik een kopje koffie wil.
                 Tja.
      Als je in Eritrea een kopje koffie krijgt aangeboden, moet je toch zeker op een ’vertraging’ van twee en een half à drie uur rekenen. Er volgt dan een ritueel, dat de culturele waarden van het land prachtig weergeeft. De gastvrouw gaat eerst een vuurtje maken in een oventje. De buren komen langs, want er is bezoek en dat moet verwelkomd worden. Een oudere man begint in het Italiaans. Hij wil me iets laten zien.
      Een man loopt daar met z’n kameel. Ik begrijp dat het beest ziek is. De man geeft het beest een tik op z’n kont. De kameel moet in z’n eentje de bergen in. En dan zijn er twee mogelijkheden. Hij geneest zichzelf door medicinale kruiden te zoeken of het beest sterft.
     
Koffiebonen

De moeder van Mulu haalt verse koffiebonen uit een doosje. Ze selecteert er zorgvuldig de beste bonen uit. Die gaan in een pannetje en worden op een bijna rituele wijze gebrand. Na een minuut of twintig gaan die bonen in een houten kom en worden daarna met een stok geplet, aangestampt en fijn gemalen.
      Ondertussen komen steeds meer mensen langs. Men kijkt, schudt handen, men kust, keurt en lacht, maakt muziek en danst en de gast kijkt het allemaal met veel plezier aan.
      De gemalen koffie gaat in een potje met water aan de onderkant. En dan is het de kunst om het water op dat vuurtje zo warm te maken, dat het tegen de kook aan is. Na ruim twee uur is de koffie klaar en ontvangt de gast als eerste een klein kopje.
      Pas als drie van die kopjes geleegd zijn mag de gast weer vertrekken.
      Hij is dan gelouterd en weer van alles op de hoogte. 
Drie meisjes en twee jongens willen met me mee naar Massawa.

 

Martyrs Day in de hoofdstad

 

Ansichten

Als je wilt weten hoe het economisch niveau van een land is en hoe het zich sociaal, politiek en cultureel heeft ontwikkeld kun je een aardig beeld krijgen door ansichtkaarten te bekijken.
      Deze kaart bijvoorbeeld nam ik in de jaren negentig van de vorige eeuw mee uit Asmara, de hoofdstad van Eritrea in de Hoorn van Afrika.
De foto’s zijn genomen op 20 juni 1993, Martyrs Day vlak nadat het land daarvoor op 24 mei onafhankelijk was geworden.
      Het was een groot en uitbundig feest, dat al zo’n twee maanden lang aan de gang was.
Van 23 tot 25 april namelijk had de bevolking zich voor 99.9% in een referendum uitgesproken voor onafhankelijkheid, voor de afscheiding dus van Ethiopië , dat het land dertig jaar bezet had.
      Mijn god wat waren die mensen blij. Ik weet dat, want ik was erbij.

Op de bovenste foto zitten de leden van de nieuwe regering (guerrillastrijders) met hun aanhang op een eretribune, die is opgericht voor St. Mary’s Cathedral, waar een deel van de toren op de tweede foto te zien is.
      Die kerk staat in de belangrijkste straat van Asmara, de Harnet Avenue, ook wel Liberty of Independance Avenue.
      Dat mondt uit op het Vrijheidsplein waar niet alleen de fontein opvalt, maar meer nog het Art Deco benzinestation uit 1938, linksboven op foto drie.
      Fiat staat erop, want Eritrea was ooit een Italiaanse kolonie.

Die Avenue is overigens een zeer aangename brede straat. Er staan markante gebouwen, er zijn cafeetjes en terrasjes, waar je uitstekende koffie kunt drinken en aan beide zijden staan prachtige palmbomen.
      Als je alleen deze straat zou zien, zou je kunnen denken dat Eritrea een ontwikkeld, modern en vooruitstrevend land is.
Het tegendeel is waar.
      Als je de straat verlaat kom je al snel in grote armoede terecht. Ongeplaveide straten met krotwoningen, puinhopen, afval.
      En buiten de stad op het platteland en in de bergen, in de woestijn naar het zuiden en aan de kust is het net zo.

Hieronder nog een aantal ansichtkaarten, dat een aardig beeld geeft van -het betere- Asmara, een stad overigens met milde aangename temperaturen, omdat het bijna 2400 meter hoog ligt.


St. Mary’s Cathedral

 Op de foto rechts de kathedraal. Daarnaast de Holy Saviour church.

 

Asmara Moskee

Ongeveer veertig procent van de Eritrese bevolking is moslim. De rest is Christen, vooral Kopten

 

Asmara City


Fontein

 De toren is niet scheef hoor. 

 
 Asmara buildings

 

 

 

 

Prachtig land in problemen

Ik ken diverse Eritreeërs in Nederland. Dat komt omdat ik in 1993 en in 1997 in Eritrea ben geweest.
       Eritreeërs hier vinden dat bijzonder en willen altijd weten wat je van het land en de mensen vindt.
Een kwart eeuw geleden vertelde ik enthousiaste verhalen. Het land was na een lange guerillaoorlog tegen bezettingsmacht Ethiopië in 1993 onafhankelijk geworden. In een driedaags referendum had ruim 99% van de bevolking zich daarvoor uitgesproken. Wekenlang dansten de mensen door de straten. Het was een groots en uitbundig feest. Ik stond erbij en keek ernaar.

      Vier jaar later was de situatie al enigszins veranderd. De regering van guerillaleider Isaias Afewerki had hervormingen en democratische verkiezingen beloofd, maar daar was nog niets van terecht gekomen. Een jaar later begon een oorlog met Ethiopië en later nog eens. 
      Ondertussen werd het steeds onaangenamer in het land. Vrijheden (waaronder pers en godsdienst) werden ernstig beperkt, oppositiegeluiden werden hardhandig de kop ingedrukt en mensen werden zonder enige vorm van proces gevangengezet en vaak gemarteld.

      Er werd een dienstplicht voor mannen en vrouwen ingevoerd. Dat duurde regelmatig tien jaar of langer.
Het gevolg was dat er een vluchtelingenstroom op gang kwam. Ongeveer een half miljoen mensen is gevlucht. Dat ging bijna altijd over land via Sudan en Ethiopië richting Libië. En dan met een bootje de Middellandse Zee over naar Italië.
      In Nederland zijn nu zo’n 17.000 Eritreeërs. Ze hebben over het algemeen wel een vluchtelingenstatus, maar wachten vaak al jarenlang op gezinshereniging. Bij gebrek aan geldige papieren is dat een illusie. In Nederland en andere landen worden ze regelmatig onder druk gezet en gechanteerd door landgenoten.  Ze moeten dwangsommen betalen, want anders volgen er repercussies tegen familieleden. Mensen zijn dan ook bang om in het openbaar met naam en toenaam hierover te praten. Zelfs in zogeheten openhartige gesprekken.

      Als je dus zegt, dat je het een prachtig land vindt met een vriendelijke en charmante bevolking vinden ze dat prettig, maar ze kijken er ook bij alsof ze denken dat je zoiets alleen maar uit beleefdheid zegt. En toch is dat niet waar. Dat zal de komende tijd blijken als ik een paar stukjes ga herhalen, die ik in de loop der jaren over dat land geplaatst heb. 

 

 

 

Onbekend buiten Rusland

Het is vandaag precies veertig jaar geleden dat Vladimir Vyssotski overleed. Hij is de grootste volksheld van Rusland. Zanger, songwriter, acteur. Dissident. Drinker. Gebruiker.
       Ik heb daar diverse keren over geschreven; vorig jaar augustus nog.
Waarom dan nu weer?

        Ergernis!
Ergernis bijvoorbeeld over de Nederlandse Radio, waar op iedere zender dag in dag uit dezelfde muziek gedraaid wordt. Waar ieder jaar een top tweeduizend van populaire muziek wordt uitgezonden. Dat is voor zo’n tachtig procent Anglo-Amerikaanse muziek aangevuld met Hollandse deuntjes, die lekker in het gehoor liggen. Een enkel Duits, Frans of Spaans werk.
Maar Russisch bijvoorbeeld zit er niet in, terwijl iemand als Vyssotski daar absoluut thuishoort.  Vind Ik.
      Daarom nogmaals dit stukje

Op bedevaart naar Moskou

In het voorjaar van 1995 gingen wij op een soort bedevaart naar Moskou.  
      Bestemming was het Vagankovo kerkhof aan de rand van het centrum.
Daar ligt Ruslands grootse volksheld begraven: Vladimir Vyssotski. 
      Bewierookt in Rusland; vrijwel onbekend in West-Europa en de rest van de wereld.
Wij hadden een appartement gehuurd in de Malaya Gruzinskaya, een straat waar Vyssotski jarenlang woonde.
      En wij draaiden cassettebandjes.
      En er was Stolichnaya Wodka.


Voorjaar 1995

Vladimir Vyssotski; de Russische volksheld

Drank- en drugsgebruik  

Hij overleed op 25 juli 1980.
      Hartstilstand.
Veroorzaakt door overmatig drank- en drugsgebruik.
      Hij was pas 42.
Vladimir Vyssotski -ook wel liefkozend Volodia genoemd- werd tegen alle regels in begraven op het Vagankovo kerkhof aan de rand van het centrum van Moskou. Er was naar schatting een half miljoen mensen.
      Nu is zijn graf een bedevaartsplek waar Russen uit alle delen van de voormalige Sovjet-Unie in alle rust vooral op zondag bijeenkomen.

Vyssotski maakte zo’n 700 songteksten. Daarvan werden er in de Sovjet-Unie maar vijf op een 45-toeren plaatje geproduceerd. Zijn overige teksten werden verboden.
      Hij mocht officieel ook niet optreden als zanger. Als hij onder het publiek kwam ging dat onder de noemer ’ontmoeting met de acteur Vyssotski’. Maar natuurlijk zong hij in die onnavolgbare stijl zijn liederen, waarbij hij zichzelf op de gitaar begeleidde.
      Mensen maakten illegaal opnames. Cassettebandjes werden keer op keer gekopieerd en zo ontstond er een enorm reservoir aan bandjes, waarin druk gehandeld werd.

Bij de ingang van het kerkhof is een stalletje waar je die bandjes voor een paar roebel nog steeds kunt kopen.

   

De Wolvenjacht  

Zijn bekendste lied is De Wolvenjacht. Dit lied werd namelijk niet verboden. Het gaat over jagers, die een gebied met rode vlaggen hebben uitgezet om te verhinderen dat de wolven zullen ontsnappen.
      Maar de leider van de roedel breekt uit, waarna alle wolven volgen en de jagers het nakijken hebben.
Hoewel de symboliek duidelijk is, meenden de communistische leiders zichzelf in de ontsnapte wolf te herkennen, zodat ze het lied niet verboden.

Luister HIER naar de Wolvenjacht    


Marina Vlady
  

Taganka-theater  

Marina Vlady maakt een optreden van Vyssotski mee in het Taganka-theater in Moskou en zal DAARNA aan hem voorgesteld worden.
Zij schrijft:
‘Vanuit een ooghoek zie ik een jonge man aankomen. Hij is klein en slecht gekleed. Alleen de heldergrijze ogen trekken mijn aandacht. Zonder een woord te zeggen neemt hij mijn hand , drukt hem langdurig en dan, na hem gekust te hebben, gaat hij recht tegenover mij zitten en begint me aan te staren.
      Zijn zwijgzaamheid stoort me niet, wij kijken elkaar aan, zoekend naar herkenningspunten. Ik weet dat je Vyssotski bent. Je lijkt in niets op de beestachtig brullende reus uit het toneelstuk, maar de intensiteit van je blik doet me de eerder gevoelde emoties herbeleven.

Hij zegt:
      ‘Eindelijk ontmoet ik u dan”.

Buitensporig lelijk monument  

Een vrouw zegt dat ze erbij was toen hij begraven werd. Maar ze kon niet dichtbij komen want er stond een rij mensen van een paar kilometer.

Zeven flessen wodka per dag  

Marina Vlady zal na hun eerste kennismaking regelmatig naar Moskou komen. Het was vaak moeilijk en lastig.
      ’Die zes of zeven flessen wodka per dag verwoesten je leven’, schrijft ze.

En dan volgt er in het boek een scène, waarin Vyssotski neervalt op straat.

Fabelachtig! Ongelooflijk!  

Vyssotski overleeft, maar blijft problemen met drank houden. Ondanks middeltjes en implantaten, die bij gebruik van alcohol een giftige reactie geven.
      Toch zijn er ook hoogtepunten in hun relatie. Vooral als Vyssotski het land uitmag en zich verbaast over de rijkdom.
Eerst in Polen dan in Frankrijk en later in de Verenigde Staten.

In Hollywood mag hij optreden voor een zaal vol met beroemdheden. Rock Hudson is er. Paul Newman, Gregory Peck.
      Vlady schrijft
:

Terug bij het graf  

Op de begraafplaats blijven die middag mensen komen.
      Alle bedevaartgangers leggen bloemen op het graf. Een mevrouw is voortdurend bezig om verlepte bloemen weg te halen. Van de verse bloemen knipt ze de stelen af.
      ‘Dat doet ze’, fluistert Svetlana, ‘om er voor te zorgen dat de bloemen niet gestolen en opnieuw verkocht kunnen worden‘.

Vladimir Vyssotski woonde tussen 1975 en 1980 in de Málaja Gruzínskaja, een rustige lommerrijke straat aan de noordelijke rand van het centrum; vrij dicht bij het Vagankovo kerkhof. Hij woonde acht hoog recht tegenover een monumentale basiliek.
      De kerk was in die tijd ingericht als een warenhuis annex supermarkt.
Vyssotski ergerde zich daar enorm aan en ging altijd demonstratief met zijn rug naar het raam zitten.

Sommige teksten zijn in het Nederlands vertaald.
      Dat is gedaan door Judith Starreveld.
      Luister naar : Hij keerde niet terug van het slagveld
Eerst lees ik de Nederlandse vertaling.(4’20”)

Luister HIER naar mijn radioprogramma uit de VPRO-Serie Ongehoord. 

 

 

Subcategories

Domar: Noord Bangladesh