Voorjaar 1993. Jolande.

1. Amsterdam-Athene

Wij zijn nog geen tien minuten in de lucht, de gordels zijn net los en de eerste consumptie moet nog komen. De mevrouw naast me is bleek. Ze is ook nerveus. Laat de tas vallen als ze die in het bagagedepot wil leggen. ‘’Sorry’’, zeg ze. 
      Het KLM-toestel zit vol. We zitten in het middendeel van de Economy-Class. Vijf stoelen. Zij zit aan het gangpad, ik ernaast. Collega Klaas Vos zit in het midden. We gaan naar Larnaca Cyprus, maar maken een tussenstop in Athene.

‘’Sorry’’, zegt ze nog een keer. ‘’Ik ben er niet helemaal bij. Vorige week heb ik mijn vriend begraven’’.

Zo. Dat heb ik weer. Altijd in vliegtuigen. 
       Ik kijk haar aan. Een jaar of 45/50. Vrij lang. Volslank. Verzorgd gekleed. 
‘’Ik ga naar mijn zuster’’, vervolgt ze. ‘’Zij heeft me uitgenodigd om bij te komen. Ze woont al heel lang in Athene. Ik kan goed met haar opschieten. Daar kan ik uithuilen’’.

      ‘’Ik zal me even voorstellen’’, zegt ze. ‘’Jolande. Niet Jolanda. En mijn psychiater heeft me aangeraden om er vooral niet over te zwijgen. Praat er maar over, zei hij. Als je een willig oor vindt, kan dat geen kwaad’’.

‘’Ik ben een willig oor, Jolande. Wat is er gebeurd? Hoe is het zo gekomen?’’.

      ‘’Het begon zes jaar geleden. We waren nog niet eens zo lang samen. Hevige buikpijn. Krampen. Niets meer binnen kunnen houden. En het ergste: bloed in de ontlasting’’.

Ze praat monotoon. Legt vrijwel nergens klemtonen. Kijkt mij ook nauwelijks aan, maar staart voor zich uit.

‘’De huisarts verwees hem nadat hij zijn klachten had verteld direct naar de maag-darmspecialist. Er volgde een darmonderzoek, waarbij ze weefsel wegnamen. En toen ging het snel, want hij had kanker. Dikkedarmkanker’’.

Ze wendt zich even terzijde. Neemt mij op en lijkt zich af te vragen hoe ver ze kan gaan. 

‘’Wil je iets drinken Jolande? Ik haal wel even wat’’.

“Nee’’, zegt ze. ‘’Hij moest geopereerd worden. Ze moesten de buik openen en de tumor weghalen. Lymfeklieren en bloedvaten in die buurt moesten ook weg. De specialist legde het goed uit. Ik was erbij. Dat was in zekere zin wel prettig. Maar mijn vriend had 't er moeilijk mee. Hij was zijn hele leven al een hypochonder. En nu was het echt zo ver. Eigenlijk nog in de bloei van zijn leven. 45 jaar. Hij vroeg zich direct af of hij dit allemaal zou overleven. Maar daar kon die dokter natuurlijk ook geen uitspraak over doen. We zijn er redelijk vroeg bij, zei hij. Dat scheelt. Maar nogmaals; een voorspelling kan ik niet doen’’.

‘’En?’’, vraag ik. ‘’Hoe ging die operatie?’’

‘’Goed’’, zegt ze. ‘’Heel goed. Na een tijdje ging hij weer werken en werd een beetje vrolijker. We hadden veel aandacht voor elkaar, want kinderen hebben we niet. Eigenlijk hadden we een hele mooie tijd’’.

Ze zegt het met enige reserve. En ik weet dat er meer komt. Veel meer en nog veel meer ellende.

‘’Ik ga even een drankje halen’’.

We vliegen al zo’n twee uur. Nog anderhalf uur. Zij gaat daar de tijd mee volmaken. Ach, als het haar helpt wil ik daar graag aan meewerken. Zij heeft intussen bedacht dat ze mij ook maar eens wat moet vragen dus: ‘’Je gaat naar Cyprus. Wat gaan jullie daar doen? Vakantie?’’

‘’Nee. We gaan naar Nicosia en gaan ook naar Noord-Cyprus. Een radioprogramma maken over de laatste Muur in Europa’’.

Maar ze luistert nauwelijks en gaat direct weer door. Dreunend. Repeterend. Alsof ze in een soort trance is.

      ’Na twee jaar kreeg hij weer klachten. Het was teruggekeerd. Hij werd opnieuw geopereerd. Maar nu waren er complicaties. Een stoma. En die moest blijven. Verder kon hij nauwelijks eten. En toen kreeg hij na een tijdje ook nog een longontsteking. Het was vreselijk allemaal. Hij zag het niet meer. Wilde het liefst dat er maar een eind aan kwam. En ja. Wat moet je dan?’’

      ‘’En?’’, zeg ik. ‘’Wat moest je?’’

‘’We gingen weer naar die specialist. Om te informeren of er nog iets te redden viel. Hij zei dat chemotherapie nog een mogelijkheid was. Niet om te genezen, maar om het hele proces te verlichten. Een soort palliatieve behandeling. Maar dat zou ook bijwerkingen kunnen geven”.

Ze kijkt naar buiten. Merkt dat het toestel aan het dalen is. En zegt

‘’Enfin. Hij heeft dat laten doen. Maar er waren bijwerkingen. Veel bijwerkingen. Geen kwaliteit van leven meer. En zo hebben we er op ’t laatst een eind aan laten maken. Iedereen zegt altijd dat zoiets wel mooi is. Nou, Ik vond er geen moer aan. Geen rooie rotmoer’’.

    

    Uit: Stranger than paradise

 

Zomer 1985. Pserimos

2. Een klein Grieks eiland

 Image

Pserimos is een klein Grieks eiland vlak voor de kust van Turkije. Drie en twintig jaar geleden woonden er zo’n 25 mensen. Er was één klein hotel (Tripolitis) en één politieagent: Dimitri. De eigenaar van het hotel was Kostas. Dimitri en Kostas konden het goed met elkaar vinden.

Als Kostas bijvoorbeeld plotseling wat verse vis nodig had en er waren geen eilanders of vissers bij de hand, schroomden Dimitri en zijn andere vriend Jannis niet om in zee een stukje dynamiet tot ontploffing te brengen, waarna de dode en verdoofde vissen heel efficiënt uit het water werden gehaald.
      Volkomen illegaal natuurlijk, maar daar zaten de heren niet mee.

De gasten van het hotelletje kregen van Kostas een notitieblokje. Als ze wat wilden drinken, haalden ze dat gewoon uit de ijskast en zetten een streepje achter de naam ouzo, wijn of bier.


OPDRUKSPELLETJE  

Je kon ook een gratis consumptie verdienen.
      Dat ging zo.

Op de grond werd een glaasje ouzo gezet.
      Als je op handen en voeten voor het glas ging liggen en je liet je door je armen naar beneden zakken kon je met je mond het glaasje pakken en leeg drinken. Als je dat deed zonder dat andere delen van je lichaam de grond raakten, werd er geen streepje achter je naam gezet.
      Mijn vriend en collega Ton was erg goed in dit opdrukspelletje.


RUSTIG & RUIG  

Pserimos is 16 vierkante kilometer groot. Er zijn geen wegen. In een uur of drie kun je lopend het eiland ronden. Het is er mooi, zeer rustig en behoorlijk ruig. Iedere ochtend arriveert er een veerbootje uit Kos. Dat braakt een aantal passagiers uit, dat zich op het witte strand laat ploffen.
      ‘s Middags om een uur of half vijf gaat het bootje terug en is het eiland weer eigendom van de inwoners en de vaste gasten. Dan wordt ‘s avonds regelmatig een lange tafel gedekt. Een groepje eilanders gaat met harpoenen de zee in om vissen te vangen (vooral de inktvis daar is lekker), anderen gaan de heuvels in om verse kruiden te plukken en de achterblijvers maken een groot houtskoolvuur.
      Twee uur later gaat iedereen aan tafel en wordt er nog meer ouzo, koude wijn (ook rood) en bier gedronken.


HALIKARNASSOS  

Vanuit Pserimos kun je met de zeilboot eenvoudig de Turkse kust bereiken. Bodrum ligt vlakbij. Vroeger heette dat Halikarnassos en was er het mausoleum dat ter ere van Koning Mausollos gebouwd was, één van de zeven wereldwonderen uit de klassieke tijd.

Hoe klassiek het dynamiet en het opschrijfboekje inmiddels zijn, weet ik niet, maar op Pserimos is niet veel veranderd. Ik kwam gisteren een kennis tegen die er een dagje geweest was. Hij had in hetzelfde hotel gedronken. Volgens hem nog steeds het enige op het eiland. Hij had gehoord dat er in de zomer zo’n honderd mensen woonden en in de winter niet meer dan twintig.

 

Zomer 1982. Pelopónnesos

3. De beste akoestiek ter wereld

 

HET IS ECHT WAAR 

Mijn kinderen Babette en Rutger, die in 1982 resp. dertien en twaalf jaar oud zijn willen dat natuurlijk uitproberen. Rutger en ik sluiten ons op het toneel aan bij talrijke wachtenden, die ook een reisboek gelezen hebben. Er staat namelijk een enorme bak met afgebrande lucifers.
      Mijn vrouw Heleen en Babette gaan boven zitten.
      Als we eindelijk aan de beurt zijn en ook een lucifer hebben afgestreken, gaan boven de duimen omhoog. Het is echt waar. Ze hebben het gehoord. 

Een Engelsman, die ons geamuseerd aankijkt, begint een gesprekje. Leuk zo’n theater en leuk die akoestiek. Leuk ook voor al die toeristen, ‘maar, zegt hij ’iedereen laat zich hier in de maling nemen’.
      ‘Hoezo?’, roep ik een beetje verontwaardigd.
      ’Ze hebben het daar boven echt gehoord.
      Die akoestiek is fantastisch’.

      ‘Nep’, zegt de Engelsman.
      ‘Allemaal nep’.
      Kijk maar eens naar boven. Daar: achter die uitstulpingen bevinden zich allemaal  microfoons en luidsprekers.
      Zo wordt het geluid versterkt. Slim van die Grieken. Heel slim’.

Ik zeg het maar niet tegen mijn kinderen, maar vertel jarenlang -als het zo te pas komt- de smakelijke anekdote van het bedrog van het Epidaurus theater in Griekenland.

Tot ik een tijdje geleden onderstaande ingezonden brief in NRC-Handelsblad las.
      De Engelsman had mij misschien op zijn beurt weer in de maling genomen, want de akoestiek in het theater is wel degelijk zo goed.
      ‘De akoestische truc‘, schrijft meneer of mevrouw D.N.P. Brandsma uit Rijswijk ,‘van de bouwmeester van Epidaurus is even geniaal als simpel’.

Hieronder de toch niet zo simpele uitleg. 
      

   
             
 
Het doosje lucifers is dus een duetje van Purcell geworden.
      Maar ik sluit niet uit dat meneer Brandsma -ik denk toch echt dat het een meneer is- er ook ingetuind is.