Zomer 1981

1. Een uur vliegen voor een borrel (Fictie)

‘Heb je even tijd?’
      Ik kijk de man aan. Hij is fors. Brede neus, zware zwarte snor, dikke lippen. Grote handen waarmee hij een amberen ketting ronddraait. ’s Middags ontmoette ik hem op een feestje van de olieminister van Koeweit. Decor: de 26ste verdieping in de grootste van de drie Kuwait Towers. Een langzaam ronddraaiend prestigieus restaurant, dat uitzicht biedt op de diepblauwe Perzische Golf en de gelig lege verschroeide aarde van Koeweit, Saudi Arabië, Irak en Iran. Ik was daar met een Nederlandse diplomaat, die mij op last van de ambassade in de watten moest leggen vanwege mijn ‘hoogst onaangename’ avonturen in Irak. 

      Alles was er. Alles en nog iets meer. Iraanse kaviaar uit de Kaspische Zee. Truffels, ganzenlever, salades met gerookte zalm, langoustines, inktvis, krabben en kreeften. Gevulde snoeken. Geroosterde zuiglammetjes met een mandarijntje in hun bek, vele variëteiten hummus. Exotisch fruit. Ook drank. Verse sappen, kokosmelk, Scandinavisch water. Geen alcohol.

      De Nederlandse diplomaat deed een beetje vervelend. Hij maakte grapjes over ‘die Marxistische gek ’Allende, want hij had ook in Chili ‘gediend’. Ik schudde hem zo snel mogelijk af en raakte in gesprek met de plaatselijke directeur van Gulf Air. Een Palestijn uit Ramallah op de Westbank.
      Nadat ik verteld had, dat ik diverse malen journalistiek werk in Ramallah had gedaan en dat leden van de Joodse Defensieliga in 1979 onze studio in Hilversum hadden bezet wegens `pro-Palestijnse uitzendingen’ nodigde hij mij na afloop van het partijtje uit om mee te gaan naar zijn kantoor in een andere Kuwait Tower. ‘Dan praten we nog wat and then’, zei hij met een vette knipoog: ‘we take off our shoes and have a ball’.
     
       Onderweg naar zijn kantoor probeer ik mij voor te stellen wat hij bedoelt. Gaan wij de bloemetjes buiten zetten? En hoe zou dat toch in dat saaie Koeweit moeten? Want al na een week was mij duidelijk dat de puissante rijkdom in dit landje voor niet veel meer dan verveling en lamlendigheid zorgt.
      Ook het partijtje de avond tevoren was een stuitend decadente vertoning. Het speelt zich af in het Marriott Hotel, dat een aan wal gesleept vrachtschip blijkt te zijn. De Amerikaanse directeur, zijn stafleden en de dames dansen daar wat op belegen popmuziek. Zij raken vrijwel allen onder invloed, nadat de illegale drankflessen tevoorschijn komen.

      ‘Driehonderd vijftig dollar op de zwarte markt’, zegt de directeur trots en wijst naar een fles Glenfarclas single malt whisky van 15 jaar oud. Zijn verveelde echtgenote kijkt hem meewarig aan en neemt mij op.
      ‘We gaan dansen’. Zij trekt mij mee, valt over een snoertje en blijft op de grond liggen. 
     

Palestijnen

Of ik tijd had? Natuurlijk! 
      ‘Zeshonderdduizend Palestijnen wonen hier in Koeweit’, zegt de zware man, die zich voorstelt als Raed Saadeh.’Zij zorgen ervoor dat familieleden op de Westbank een beetje behoorlijk in leven blijven’.
      ‘Heb je trek in een borrel?’
      ‘Ja, ja. Raed. Natuurlijk wil ik een borrel’. ‘Dus je hebt tijd en je hebt trek in een borrel’, constateert Raed met voldoening.  Hij pakt de telefoon, geeft een commando en vertelt dat hij gestudeerd heeft op de Bir Zeit universiteit op de Westbank. Even later wordt hij teruggebeld.
      ‘De auto is er. Ga je mee?’ Raed staat op en gaat mij voor. Beneden bij de ingang van Kuwait Tower staat een grijze limousine. Een echte.
      ‘Tien meter en 61 centimeter lang’, zegt Raed lachend. ‘Eight business seats’.
Wij stappen in en glijden weg. We gaan immers een borrel drinken.
      ‘Waar gaan we heen Raed ?’
      ‘Ach je zult wel zien’.

 
Mosul; Noord-Irak

Mijn gedachten dwalen af. Ik zie Willem weer voor me daar in Istanbul. Een Nederlandse vrachtwagenchauffeur. Hij vervoert 36 ton elektronische apparatuur voor een bedrijf in Mosul in het noorden van Irak.
      ‘Ga mee’, zegt hij, ‘ga gerust mee’.
Willem heeft blikjes Nederlands voedsel bij zich en draait onafgebroken het Nederlandse levenslied. We slapen in de auto en doen in Ankara onze ambassade aan, waar de ambassadeur persoonlijk in één dag een visum voor Irak regelt.
      ‘Ik heb ze laatst nog enorm uit de brand geholpen’, zegt hij in keurig diplomatenjargon. ‘Kwestie met een paar Koerdische boys. Hoogste tijd dat ze iets terugdoen. Hoogste tijd’.
Op het lege platteland van Anatolië zingen we liederen.’Met de vlam in de pijp’. En: ‘hou je echt nog van mij Rocking Billy?’ Voor de grens Turkije-Irak staat een rij vrachtauto’s van ongeveer twee kilometer.
      ‘Wacht maar’, zegt Willem; ‘ik regel dit wel even’.

Wij lopen langs de rij. Hij stapt op een douanier af en we verdwijnen in een hokje. Hij geeft hem een fles whisky, een slof sigaretten en een stapel pornoboekjes.
      ‘Harde porno willen ze tegenwoordig hebben. In kleur’.
Wij lopen terug en kunnen de rij met voornamelijk vrachtauto’s uit het Oostblok ongehinderd passeren. In Mosul levert Willem zijn spullen af en stapt op een Roemeense vrachtwagenchauffeur af.
      ‘Hé colleague. How are you man? You want a drink?’
Hij reikt hem een fles water aan, waarin hij citroensap spuit.
      ‘Ga je naar Bagdad? Wil je mijn vriend naar Bagdad brengen’?


Bloedhitte aan de Tigris

Het heet Tikrit. Geboorteplek van Saddam Hoessein, die zich graag vergeleek met Saladin, de moslim-leider die Jeruzalem veroverde op de kruisvaarders en er ook vandaan kwam. Een stadje aan de lieflijke licht groene Tigris. Het trilt en schittert in de bloedhitte. Twee mannen in uniform gewapend met machinegeweren stormen de weg op en dwingen de Roemeen te stoppen. Ze zijn opgewonden. Sleuren mij die auto uit en schreeuwen in het Frans.

      ‘Jij! Mee! Paspoort hier’.
Zij duwen mij hardhandig een gebouwtje in. 
      ‘Wat is dit in Jezusnaam’, roep ik in het Nederlands.


Vliegveld

De grijze limousine is op weg naar het vliegveld. Ik herken de weg.
      ‘Ze zullen daar op dat vliegveld wel een illegale bar hebben’, denk ik.
Raed ziet dat ik ondanks de uitstekend werkende airco enorm zweet. Dat ik het Spaans benauwd heb. Nauwelijks kan ademen. Ik onderga het weer. De soldaten in het gebouwtje daar in Tikrit krijgen gezelschap van een superieur. Hij heeft een pistool bij zich en richt dat op mij.
      ‘Ben jij een Jood?’
      ‘Hoezo?’
      ‘Geen vragen’, schreeuwt hij.  En dan nog een keer.
      ‘Ben jij Jood?’
      ‘Non. Geen Jood’.
      ‘Geef toe schoft’, roept hij. ‘Jij bent Jood’.


Water

‘Gaat het wel’, zegt Raed. ‘Wil je een beetje water’. Hij doet het ijskastje open en pakt een flesje. Ik kan weer een beetje adem halen. De limousine rolt het vliegveld op. Niemand legt ons een strobreed in de weg. De chauffeur parkeert pal naast een Boeing. Ik begrijp dat we in dat enorme toestel een borrel gaan drinken. Raed is inmiddels familiaar geworden.
      ‘Come on Ronnie.We gaan aan boord’.
Hij gaat me voor en kijkt vergenoegd om zich heen als hij constateert dat de economy class vrijwel vol zit. We gaan helemaal naar boven. Eerste klas. Daar zitten zes mannen die hun eerste borrels al op hebben. We worden bediend door een stewardess in een onwaarschijnlijk kort oranje rokje.
      ‘Is dit Koeweit? Is dit Islam?’


De Aanslag

‘Waarom vermoeden ze dat ik een Jood ben’, denk.  'Waarom is dat zo belangrijk?’

Drie uur zat ik inmiddels vast. De officier komt terug en lacht.

      ‘Hier is uw paspoort. U kunt gaan’.
Hij gaat met me mee, begeleidt me naar de hoofdweg en houdt een personenauto aan.
      ‘Breng deze man naar Bagdad’, beveelt hij.

In de auto zitten twee Fransen die voor Total werken.
      ‘Heeft u het al gehoord?’
     
      ‘Nee!
      'Wat zou ik gehoord moeten hebben?’
     
      ‘Israël heeft die kernreactor bij Bagdad gebombardeerd!’
     
      ‘Israel?’ zeg ik.
      ‘Iran zult u bedoelen’. Want Irak is op dat moment in oorlog met Iran.
     
      ‘Non. Les Juifs.
      'Israël is met straaljagers binnengekomen en heeft bommen gegooid’.


Een paar uur later bereiken we Bagdad. Alom controles. Schreeuwende mensen. Chaos. Het is pikdonker. Geen elektriciteit. Overal in de lucht hangen ballonnen. Dat is -verzekert men mij- tegen een nieuwe aanval.
      De volgende ochtend word ik gebeld door een collega van mijn omroep. Ze zijn door de ambassade op de hoogte gesteld. Hij is geïnteresseerd in mijn Tikritverhaal, probeert me wat op te beuren, maar vindt ook dat ik zo snel mogelijk voor ‘onze radio’ het verhaal van die gebombardeerde kernreactor moet vertellen,
      ‘Je bent waarschijnlijk de enige buitenlandse journalist in Bagdad. Iedereen wil je in de uitzending. De televisie ook. BRT, BBC noem maar op. Ze hebben daar niemand’. 
      ‘Tja! Ik ben hier net. Die reactor ligt hier zestig kilometer vandaan. Overal zijn versperringen. Ik kan daar nooit in de buurt komen. Jullie weten waarschijnlijk meer dan ik’.
      ‘Dat geeft niet. Jij bent daar. Jij kunt een ooggetuigenverslag geven. Beschrijf gewoon de sfeer’.
      ‘Oké. Ik zal een ooggetuigenverslag geven’.

Tien minuten later al komt het onvermijdelijke cliché:
      ‘Hoe is daar in Bagdad op gereageerd?’

Ik hoor mezelf weer in staccato praten.
      Dat de situatie in Bagdad gespannen is.
      Dat er chaos heerst.
      Dat men roept om wraak.
      Dat de officiële lezing is, dat het niet ging om een kernreactor maar een speelgoedfabriek.
      Dat die ochtend in een krant een foto staat van gewonde kindertjes.
     
Voor de gebeurtenissen in Tikrit is natuurlijk geen tijd.


Bahrein

De motoren van de Boeing razen. We taxiën over het veld en stijgen op.
      ‘Waar gaan we heen Raed? Ik bedoel: je vroeg of ik tijd had. Maar dit had je misschien even kunnen vertellen’.
      ‘Wel nee. We gaan naar Bahrein. Dat is een uurtje vliegen. En weet je wat het voordeel is van Bahrein?
      Ze schenken daar in iedere bar sterke drank’.

Even later staat in Bahrein opnieuw een limousine te wachten. Van bescheiden omvang dit keer. We rijden naar Manama en komen terecht in de Clipper Room van het Intercontinental hotel.
      ‘Vertel nog eens over de Nederlandse omroep, vraagt Raed na een borrel of zes. Hij is inmiddels behoorlijk aangeschoten.`Meneer Van Duynstee zei dat je daar leuk over kunt vertellen’.
      ‘Dat wordt echte borrelpraat’, denk ik.
      ‘Mag het ook een andere keer Raed?’

Volkomen irrationeel denk ik ineens dat Arabieren niet tegen drank kunnen
      Want hoe kan ik op dat moment vertellen over het Nederlands omroepbestel. Over een christelijke omroep, een katholieke, een algemene, een populaire, een sociaal-democratische, een vrijzinnige, een humanistische, een interkerkelijke, een evangelische, een allesoverkoepelende, dan wel een ongetwijfeld in de toekomst nog op te richten, Islamitische, Boeddhistische, Joodse, jongeren- of ouderen-omroep.
      Over plannen voor commerciële omroepen. Over piratenzenders, regionalen en lokalen. Over organisaties die leden moeten hebben en omroepen die het zonder mogen stellen. Over A-, B-, C- dan wel aspirant-omroepen, die de uren mogen vullen volgens de verdeelsleutel 5, 3, 1, 0,2.
       Als niemand in Nederland dat begrijpt, hoe kan ik 't dan een dronken Palestijn in een Bahreinse bar uitleggen?

Als we nog een paar drankjes verder in Hunter’s lodge bar zijn kijkt Raed lodderig op zijn grote klokje.
      ‘Het wordt tijd om terug te gaan. En doe me een plezier. Kruis je middelvingers even. Dan weten ze hier dat we iets moois hebben samen'.

      'Something very special’.

 

2A: A Hard Rain's A-Gonna Fall  (Bob Dylan)

Misschien vindt u het niet z'n beste nummer.
Misschien vindt u het niet z'n sterkste tekst.
Misschien begrijpt u lang niet alles.
Maar ik vind het zijn beste nummer, zijn sterkste tekst en ik denk het te begrijpen.
Apocalyptisch.
Hij schreef het in 1962 vlak voor de Cuba-Crisis, maar de plaat werd pas daarna uitgebracht.
Het is een nummer, dat je moet draaien als je onderweg bent. 't Liefst heel ver weg. En droom dan ook maar weg.
Eigenlijk is het een derde wereld nummer. (Rum)
Of een tweede wereld nummer. (Wodka)
Of misschien toch wel een eerste wereld nummer (Whisky)

                                      In mei 2009 schreef ik daar dit stukje over.

2. A Hard Rain in Koeweit

   In de zomer van 1981 werden Roel van Broekhoven en ik geïnterviewd in Koeweit door een presentatrice van de plaatselijke radio.
      Wij gingen namelijk de wereld rond zonder geld en maakten daar nogal druk beluisterde radioprogramma's van.


   KOEWEITROCK
 

   Na afloop gaf de presentatrice toe dat ze nog nooit van Bob Dylan had gehoord. En ook niet van Elston Gunn, de naam waaronder hij in die dagen ook optrad.
      Toen wij daar over spraken, vroeg ze aan ons of wij wel eens rock uit Koeweit gehoord hadden.
      Nee, dat hadden we niet.
   Sinds die tijd heb ik op iedere reis een bandje bij me met dit nummer en vraag ik aan al die Anglo-Amerikaanse popliefhebbers of ze wel eens Koeweit-rock hebben gehoord.

      Leuk werkte dat trouwens ook op omroepvergaderingen in Hilversum.
      ‘Waar is nog plaats voor de Koeweit-rock’, vroeg ik dan.
De omroepbonzen raakten daarop altijd in grote verwarring.

Luister HIER nog eens naar A hard rain's a-gonna fall

De meest populaire popster in Koewit is nu Bashar Al Shatty.
      Luister
HIER naar het nummer Mashi. 

 

Terug in Hilversum


 

 Roel van Broekhoven (midden rechts) en uw bloghouder (midden links) bij het feetelijk onthaal in Hilversum na afloop van de wereldreis.

 T

3. The Iraq quagmire

(Door Hugo Kijne te Hoboken USA)

Nothing shows the senselessness, the insanity, the cruelty and the criminality of the Iraq war better than Michael Ware’s documentary ‘Only the Dead See the End of War.’ George W. Bush, Dick Cheney, Donald Rumsfeld, Paul Wolfowitz and all their neo-con cronies should be forced to watch it every single day of the rest of their lives.  Ware lived in Iraq from 2003 to 2010 and filmed the war on both sides, embedded with the US forces and as an eyewitness of the actions of the emerging insurgency, the precursor of ISIS.  The film consists of four parts.  In the first part Ware is in Baghdad right after the American invasion.  There is hope, even excitement, until the US starts handing the government over to the Shiites and the first suicide bomber strikes, under orders from Abu Musab Al-Zarqawi, a butcher who was even too barbaric for Al Qaeda.  The second part shows the US effort to retake Falluja, where the insurgents make a stance, a surreal battle for an empty city.  The third part takes place in an American army outpost in Ramadi, and the fourth part again in Baghdad, when the US finally realizes that it has totally messed up in Iraq.
      The film evokes raw emotions, and many of the images are gruesome.  Innumerable mutilated corpses, of US soldiers, insurgents and Iraqi civilians, are shown in close-ups, and I had to turn my head away when the insurgents decapitated a hostage and when the US military watched a critically wounded insurgent die without providing any medical assistance, a scene that lasted at least five minutes.  The battle for Falluja could have taken place on a distant planet, between armies of clones and zombies, and the total emptiness of life in the Ramadi ‘hotel,’ where the American presence didn’t seem to serve any other purpose than to emphasize that they were still there and the massively outnumbered troops were engaged in a daily routine for survival, makes a profound impression. Ware did not only tape nightly incursions by the Americans, but also terrorist actions by the insurgents.  At Zarqawi’s instruction he was given DVDs with videos of suicide attacks that show how carefully the insurgents recorded their own operations, both for training and propaganda purposes, providing shots of explosions and the following carnage.
      If the movie exposes anything, it is the total horseshit of the US government propaganda about Iraq during the Bush years, when Pentagon spokespeople constantly trumpeted that progress was being made, while in fact ISIS was emerging.  It also shows that you cannot look at these kinds of events through a military lens, because it completely distorts reality, not only of civilian life, but also of the military operations themselves.  The US army has this down to a fine point.
      In retrospect, Bush’s ‘Mission Accomplished’ was just as delusional as the current Republican narrative that Obama lost the war because he halted the surge. The film justifies the president’s unwillingness to send any more troops into an Iraqi quagmire, and it strongly illustrates why soldiers who were not sick already could not escape this war zone without acquiring PTSD.
     
In a recent interview Michael Ware said that he walks with ghosts every day, but that he can finally sleep again and has come to consider it a privilege.  It’s a privilege he now shares with all of us, no matter how hard it is to unwrap the precious gift.