Reizen (323)

 

Toeristen met geweren

 Als je Longyearbyen, de hoofdstad van Spitsbergen verlaat moet je een geweer bij je hebben.
      Je kunt dan namelijk een ijsbeer tegenkomen. Die moet je doodschieten als ‘ie agressief wordt.
Op de schietbaan even buiten het stadje wordt het je allemaal uitgelegd.
       Er hangen zelfs plaatjes met de plekken waar je het beest ‘t best kan raken.
Dat de theorie en de praktijk hier wel eens lelijk kunnen botsen, lijkt me duidelijk.

 

 

Verhalen

De verhalen op Spitsbergen gaan vaak over ijsberen. Dat lijkt logisch, maar het is ‘t niet.
      Er zijn maar weinig van de 1500 inwoners van Longyearbyen, die een beer in het echt gezien hebben.
Ze komen namelijk vrijwel nooit naar het stadje.

IJsberen op Spitsbergen zitten in het noorden en het oosten. De geschatte aantallen variëren van 3.000 tot 5.000.
      Je moet een tocht per schip maken om ze te zien. Er worden zelfs cruises aangeboden waar je je geld terugkrijgt als je geen beer ziet.

Dit jaar in augustus werd een groepje Britse jongeren nog aangevallen door een ijsbeer.
      Zij kampeerden op veertig kilometer afstand van de hoofdstad. Een jongen van zeventien kwam om het leven, vier andere kinderen werden ernstig gewond.
      De ijsbeer werd doodgeschoten.
Autopsie leerde dat het beest zo agressief was omdat hij tandpijn had. De zenuwen van twee hoektanden lagen bloot.


Standbeelden

Er zijn op Svalbard -waaronder Spitsbergen valt- diverse standbeelden van ijsberen.
     
Er hangen tal van foto’s en in ieder boek over de eilandengroep wordt er ruim aandacht aan besteed.
Logisch dus dat je in de plaatselijke souvenirwinkel veel ijsberen vindt.
    Deze moeder met kind heb ik daar gekocht.
    

 

 

Voorjaar 2002

Midzomernacht: Een onttakeld bioritme

 

Ik ben met de Nederlandse Constance Andersen. Zij werkt bij een plaatselijk reisbureau. Eigenlijk zou ze nooit meer weg willen, want ze is hier ’volmaakt gelukkig’. Lyrisch is ze over het landschap, de natuur en de uitzichten. En met het klimaat kan ze inmiddels goed leven.
      ‘Ja, het doet wel wat met je’, zegt ze. ’s Winters kan het vijftig graden vriezen en in de zomer loopt de temperatuur wel eens op tot twintig graden boven nul. ’Het is hier ondanks dat het een eiland is, een droog klimaat. ’Dat helpt‘

De weinige inwoners van Longyearbyen moeten een huis en een baan hebben, anders mogen ze zich er niet vestigen. Het merendeel van de inwoners komt uit Noorwegen, maar omdat er een universiteit is, waar je arctische wetenschappen kunt studeren zijn er hoogleraren en studenten uit de hele wereld. Op de heenweg in het vliegtuig van Tromsø naar Longyearbyen zat ik naast een IJslandse hoogleraar arctische geologie, op de terugweg naast zijn Deense collega. Beide professoren zijn net zo lyrisch over het eiland als Constance.
      Dat je naar een merkwaardige uithoek in de wereld gaat, blijkt op de heenweg trouwens ook, want als we over het Beren-eiland in de Noordelijke IJszee vliegen, keert de piloot van de Noorse vliegmaatschappij Braathens het lijnstoestel en vliegt nog eens terug, zodat alle passagiers het eiland kunnen zien. “Een zeldzaamheid’, legt hij uit, ''want vrijwel altijd is het hier zo bewolkt dat het eiland niet te zien is.''

      De eeuwige zon schijnt dag en nacht fel die week. Zo fel, dat baby’s niet alleen petjes op het hoofd gedrukt krijgen, maar ook een zonnebril op hebben. Bij drie graden boven nul kun je -uit de wind- in een t-shirt op een terras zitten. Rendieren komen zomaar langs. Ze zijn mager, want de afgelopen winter was erg streng. In de stad mogen de dieren niet geschoten worden. Daar buiten wel. Iedere inwoner van Longyearbyen mag per jaar één rendier schieten. Men hoort van tevoren of dat een mannetje, een vrouwtje of een kalf is. Als een dier geschoten wordt, moet bij de overheid ter controle een tand van het beest ingeleverd worden.


EXTREEM DUUR
  

WAPENS  

 Als je het stadje verlaat ben je verplicht om een wapen mee te nemen. Je kunt namelijk zomaar een ijsbeer tegen komen. Sommige toeristen nemen dit zo letterlijk, dat ze het wapen zelfs bij zich dragen in de enige supermarkt van het plaatsje. Johan., de Noorse echtgenoot van Constance verhuurt die wapens. ’Oefenen moet, zegt hij. ’Oefenen’.
      Hij troont mij mee naar de schietbaan, die een paar kilometer buiten de stad ligt. 
’Ik ben met wapens opgegroeid’, zegt hij.
Dan kijkt hij mijn richting op.
      ‘En jij’.
      ‘Tja’, zeg ik maar eens. Zo’n dertig jaar geleden zat ik in het leger. Toen bleek dat ik wel aardig kon schieten. Maar ja, sinds die tijd heb ik 't nooit meer gedaan’.

Na wat oefenen zet Johan. een vizier op het geweer en schiet ik een mooie serie. ‘Ongelooflijk’, zegt hij. ‘Ik geloof bijna niet dat jij zolang niet geoefend hebt’.
      ‘s Avonds, als het groot feest is en er enorme hoeveelheden drank zijn omgezet in Huset, het plaatselijke restaurant annex feestzaal, staat Johan. op en begint mij luidruchtig te prijzen.
      Applaus klinkt en nog meer drank is ons aller deel.
     
                                Op naar Spitsbergen!

‘s Winters als het 24 uur lang pikkedonker is, schijnt er wel eens een verdwaalde Japanse toerist te komen.

 Zonnebadende walrus 

  

Deze aquarel is van de Noorse kunstenares Ellen Linde-Nielsen. Ik kocht een reproductie (47 x 37 cm) in Galerie Svalbard te Longyearbyen, waar het schilderij ook gemaakt is. 
      Het heet: Soltilbeder 79 N'' (Zonnebaden op 79 graden Noorderbreedte)

 

 

Drank gerijpt door warmte, golven & wind

 

 

‘Zullen we een aperitiefje nemen’, zei Harald. Het was hoog in de lucht boven het Bereneiland tussen Tromsø in het noorden van Noorwegen en Longyearbyen, de hoofdstad van Spitsbergen.
      We vlogen met de Noorse maatschappij Braathens en hadden op de route Amsterdam-Oslo-Tromsø ook al naast elkaar gezeten.
Aquavit moesten we drinken, zei hij. ‘Linie aquavit, want dat is de beste’.

Harald was een Noorse wapenhandelaar uit Trondheim. Maar sinds een paar jaar deed hij zaken op Spitsbergen of zoals je het volgens hem moest noemen Svalbard.
      Toeristen op Svalbard moesten namelijk een wapen bij zich hebben als ze Longyearbyen verlieten om zichzelf te kunnen beschermen tegen ijsberen. Een lucratieve handel, want er kwamen steeds meer toeristen.
De stewardess bracht vier kleine flesjes aquavit en twee Svalbard glaasjes.
      ‘Er is met deze aquavit iets bijzonders aan de hand’, zei Harald.
‘Het wordt in Noorwegen in houten vaten gestopt en aan boord van een containerschip gebracht. Een schip dat naar Australië gaat. Het spul is dan maanden onderweg en krijgt een zeer aparte smaak door het schommelen van het schip en allerlei verschillende weersinvloeden. En omdat het op die tocht van Noorwegen naar Australië en terug twee keer de Evenaar passeert noemen wij het Linie Aquavit’.

‘Het weer tijdens iedere reis is natuurlijk anders', zei Harald, die de 0.04 liter van het flesje in één teug opdronk.
      ‘Daarom smaakt deze aquavit nooit hetzelfde’. Er zijn mensen -vooral buitenlanders- die de aquavit koud drinken. Dat zijn barbaren. Die drank is namelijk zo zuiver dat je het op kamertemperatuur moet drinken. Dan pas proef je die licht zilte smaak, dat heerlijke aroma, die invloed van warmte en wind, van passaten en moessons’.

 

                                

 

Een blik op het etiket leert dat de aquavit gerijpt is tussen 6 januari 1988 en 13 mei 1988 aan boord van het motorschip Barber Tampa. Het heeft 41.5% alcohol en is gebotteld in Trondheim, inderdaad de geboorteplaats van Harald.
      Bij aankomst op Svalbard kregen we nog een extra flesje en ook het glaasje mochten we houden.

 

 

 

Zomer 1999

Uitwijken voor eland met kalf

          

Weg 25 ligt een slordige 100 kilometer boven Oslo in het oosten van Noorwegen.
      Het is een mooie bochtige weg over heuvels met dichte dennenbossen.

Ergens tussen Elverum en Hamar gebeurde het.

      Ineens liep daar een eland (met kalf) de weg op.
Je weet dat het kan gebeuren.
      Overal staan waarschuwingsborden. En toch word je erdoor verrast.
Mijn Citroën CX zou de befaamde elandtest glansrijker doorstaan hebben dan de mini-Mercedes, want de beesten konden nog net ontweken worden.

 
Ongelukken 

 Ze zijn groot; elanden.
      Mannetjes zijn groter dan twee meter, hebben een kop-romplengte van bijna drie meter en kunnen tot 800 kilo wegen. Vrouwtjes zijn zo’n 25% kleiner.
      In Noorwegen en Zweden gaat het om een half miljoen dieren, waarvan er jaarlijks zo’n 100.000 worden afgeschoten.
Er gebeuren duizenden ongelukken per jaar.
      Het aantal dodelijke ongelukken valt relatief mee, omdat de meeste wegen daar in Scandinavië niet breed zijn en nogal bochtig. Daarom kun je er niet zo hard rijden.
      Bovendien hebben de mensen geleerd om zich gedisciplineerd in het verkeer te gedragen. Altijd weer een vreugde om mee te maken.

 

 
Knuffeldier

De eland is een soort nationaal knuffeldier. In Hamar vond ik een gespecialiseerd winkeltje, waar je ze in allerlei varianten kunt kopen.
      Daar heb ik dit exemplaar aangeschaft.
 

 

 

 

Dolen in chaos

(Door Rolf Weijburg)
We huurden een auto die bij het hotel in Holetown zou worden afgeleverd. Service van de zaak. De auto kwam de parkeerplaats opgereden.
      De car-rental agent parkeerde de wagen en stapte uit. Hij had zijn secretaresse meegenomen die een attachékoffertje kon ophouden als ware het een tafeltje zodat we er handig de contracten op konden tekenen.
      Daarna werd me vriendelijk verzocht om het stel wel weer naar het kantoor terug te rijden zodat ze geen taxi hoefden te nemen of lopend hoefden terug te gaan.


Dichtbevolkt

Maar toen konden we dan toch op weg.
      Met ongeveer 300 000 inwoners op een oppervlakte van 430 km2 is Barbados, het op 12 na kleinste land ter wereld, één van de dichtstbevolkte eilanden ter wereld. Als je op de kaart kijkt, zie je dan ook buiten de grote agglomeratie langs de zuid-  en de zuidwestkust, een enorme hoeveelheid gehuchten en dorpen verspreid over het hele binnenland. Alleen langs de ruige Atlantische oostkust is het wat rustiger.
      Al die dorpen moeten natuurlijk met elkaar verbonden zijn en daarom ligt Barbados helemaal vol met wegen. Kijk eens op deze kaart:


Wirwar

Het is één grote wirwar. De kaartenmaker heeft dan wel een aantal wegen door middel van kleurtjes aan elkaar geregen om zo de schijn te wekken dat er doorgaande wegen zijn, maar die zijn er niet echt. In de praktijk zijn die gekleurde wegen niet anders, niet breder en niet beter dan alle andere wegen.
      Als je dan bedenkt dat er ook nog eens nergens richtingaanwijzers zijn, is het duidelijk dat het vinden van de juiste weg een flinke uitdaging is. Verdwalen is een algemeen verschijnsel op Barbados, uiteraard meer onder bezoekers dan onder bewoners.
      De vele keren dat we aan iemand de weg moesten vragen werden we dan ook steevast begroet met een fikse schaterlach en een opmerking in trant van “Lost, aren’t you? Hahaha, welcome to Barbados”.  

 

Geloof

We meanderden naar het noorden. Het was zondag en het religieuze leven was in volle gang. Uit al die kerken en kerkjes kwam gezang.

Klokken klonken. Mensen waren op hun paasbest. Het, hoofdzakelijk christelijk, geloof heeft Barbados in een benauwende greep.


Speights

We reden langs Speightstown een stad aan de noordwest kust, waar alleen de ijscoman nog aan het werk was.


Vergezichten

Vanaf de vlakke westkust was het land in noordoostelijke richting langzaam gaan stijgen. We slingerden de heuvels in en werden getrakteerd op prachtige vergezichten over de oostelijke kust.


Contrast

Het contrast met de west- en zuidkust van het eiland kon haast niet groter. Niks zachtjes wiegend  turquoise water aan witte stranden die waren vervuild met door hotels geplaatste aaneengeschakelde rijen strandstoelen. Geen dobberende of pootjebadende toeristen hier.

Nee, hier bulderden de Atlantische golven heftig op het eiland en blies de wind een zoute mist over de ruige stranden. Als je hier wilde zwemmen moest je dat echt wel kunnen. Hotels waren er nauwelijks.


Gullies

Het eiland wordt in het noorden en westen doorsneden door diepe gullies, een soort groeven in het landschap tot wel 20 meter diep. Restanten van ondergrondse rivieren waarvan de “daken” langgeleden waren ingestort. Wel 250 kilometer gully ligt er op Barbados.

 

Eilandflora

Doordat de wind er nauwelijks invloed heeft, en de diepe smalle groeven oninteressant waren voor de suikerriet verbouw, kon in deze gullies veel van de oorspronkelijke eilandflora overleven. Vegetatieschuilplaatsen eigenlijk, waar een vochtig microklimaat voor een verrassend dichte junglevegetatie zorgt.
      Hoewel de gullies slechts 5% van het eilandoppervlak beslaan, vind je er één derde van alle flora op het eiland. Een aantal van die gullies zijn Nationale Parken waar je over goed onderhouden paden aangenaam kunt wandelen.


Meerkatten

In deze gullies, maar ook in veel bewoonde gebieden kom je regelmatig apen tegen: de geelgroene meerkat. Deze apen komen oorspronkelijk uit West Afrika en zijn zo’n 350 jaar geleden met slavenschepen meegekomen naar onder andere Barbados.


Onderzoek
Buiten de natuurgebieden plunderen de beesten vaak landbouwgewassen. Ze worden daarom als een plaag gezien op het eiland. Ik geloof dat afschieten niet mag, maar je kon wel proberen om ze te vangen en ze op bepaalde plekken in te leveren.
      De beesten werden vervolgens geëxporteerd naar de VS en het VK waar ze werden gebruikt voor onderzoek naar polio vaccins. Of dat nog zo is weet ik niet.

Barbados werkt aan zijn ecologisch imago en diervriendelijkheid hoort daar wellicht ook bij.



Je rommel opruimen ook, hoewel dat blijkbaar niet altijd vanzelf spreekt.

 

 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh