Poëzie (321)

 

De genocide in Sabra & Shatila

 Het gebeurde tussen 16 en 18 september 1982.
      In de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila in de Libanese hoofdstad Beiroet, werd een bloedbad aangericht.
Christelijke Falangisten vermoordden daar een groot aantal Palestijnen.
      Volgens sommige bronnen 700; volgens andere bronnen 3.500; Het Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken houdt het op ruim 1.000.
Het Israëlische leger dat zich toen in Beiroet bevond, omdat de premier van Libanon Bashir Gemayel op 14 september door een Palestijnse bom was gedood, keek toe en greep niet in.

Een Onderzoekscommissie in Israël concludeerde later dat het leger niet hard genoeg had opgetreden. Het had er een eind aan moeten maken.
      Ariel Sharon, die toen minister van Defensie was, werd verantwoordelijk gehouden voor het niet voorzien van de Falangistische wraakacties. Sharon zou volgens dit rapport uit zijn ambt moeten worden gezet en Yitzhak Shamir, toen opperbevelhebber van het leger, werd berispt.
      Ook de toenmalig premier Menachem Begin kreeg hevige kritiek.

In een officieel stuk van de Verenigde Naties werd later gesproken over genocide.
      Time-Magazine stelde in 1987 Ariel Sharon direct verantwoordelijk voor het bloedbad.

 

Denise Levertov (1923-1997) schreef direct na het bekend worden van dit incident een mooi en bewogen gedicht, waar ze haar ouders in betrekt.
      Zij werd geboren in Ilford Engeland en verhuisde later naar de Verenigde Staten.
Haar vader was een Chassidische Jood uit Rusland (Ultra-Orthodox), die naar Engeland verhuisde. Haar moeder werd geboren in Wales en was eveneens een streng religieuze vrouw, maar geen Jodin.

 

De oorspronkelijk titel van haar gedicht luidt:

Perhaps No Poem But All I Can Say

                        And I Cannot Be Silent

 

In de Nederlandse vertaling gaat dat zo:


Misschien Geen Gedicht Maar Alles Wat Ik Zeggen Kan

                                                            En Ik Kan Niet Zwijgen

 

 

Als vroom christen was het voor mijn vader

een bron van vreugde en trots om

(net als Jezus en de Apostelen)

jood te zijn.

                     Het was

                     de chassidische leer, zijn erfgoed,

                     waar hij uit putte om

                     de Heilige Geest te kennen als sjechina.

 

Mijn niet-joodse moeder, door en door Wels,

en net als mijn vader gesterkt

door een diep geloof, koesterde

heel haar lange leven de woorden

van Israël Zangwill, die haar zei:

‘Je hebt een joodse ziel’.

 

Ik, hun dochter (’vlees van hun vlees,

                               been van hun gebeente’)

die in deze eeuw van terreur een libretto

schrijft over El Salvador, het lijden,

                                                       de martelaren,

 

kijk op van mijn blad naar

de porties nieuws -die bedorven

brokken geschiedenis

ons dagelijks opgedrongen en door

de strot gewrongen-

                                                  en zie dat

                                                  In Libanon

                                                  zogenaamde joden toelieten

                                                  dat zogenaamde christenen

                                                  een pogrom (’bliksem der verwoesting’) aanrichtten

                                                  onder een weerloos volk (een stam

                                                  van ouds verwant met de hunne en nu

                                                  geconcentreerd

                                                                           in kampen….)

 

Mijn vader -mijn moeder-

Ik heb naar jullie verlangd.

Ik zie nu,

                      het is goed dat jullie niet meer zijn,

niet meer

zijn van deze Tijd,

niet meer van deze tijd met zijn

last van schaamte die jullie gebeente, uitgeput

door eigen jaren van

tragische geschiedenis,

zeker niet had kunnen dragen.

 

Vertaling: Kathleen Rutten/ Ad van Rijsewijk

Het gedicht werd in 1984 opgenomen in de bundel Oblique Prayers: New Poems

 

 

 

 

Belgische oplossing voor de zwarte toren

Van 1968 tot 1972 woonde ik in Roosendaal vlakbij de Belgisch-Nederlandse grens. Ik werkte toen bij het dagblad De Stem, dat ook verscheen in de Belgische grensplaatsen Essen & Kalmthout. Zo kwam ik nogal eens bij onze zuiderburen en verwonderde mij vrijwel voortdurend over de manier waarop de Belgen bepaalde problemen aanpakten. ‘’Belgische oplossingen’’ noemde ik dat. Een combinatie van onvermogen, losbandigheid en ideeënrijkdom, van waan en naijver, een steekpenninkje hier en daar, van administratieve creativiteit en een zekere flair om het zoveel mogelijk mensen een beetje naar de zin te maken.

  

Kijk even naar deze foto. We zien hier De Zwarte Toren in Brussel. Het eerste beschermde stadsmonument. De toren stamt uit de twaalfde eeuw en was onderdeel van de eerste Brusselse stadsomwalling. De toren werd eind negentiende eeuw gerestaureerd en was sinds die tijd een toeristische attractie.
      Tot er daar aan het Sint Kathelijneplein een plan werd gemaakt voor de vestiging van een Novotel. De toren moest worden afgebroken, maar daar kwamen mensen tegen in verzet. Uiteindelijk kwam er zo’n Belgische oplossing. Het hotel werd om de toren heen gebouwd.
     
Deze zwarte toren komt prominent naar voren in het volgende larmoyante gedicht van Prosper van Langendonck (1862-1920; Brussel), geschreven in 1893.

Mijn hart klopt hoorbaar…

Mijn hart klopt hoorbaar in den zwarten toren
boven de straten en haar dof gerucht,
en ’t hijgt in zwenkende en geknotte vlucht
en klaagt in klamme duisternis verloren…

Mijn harte weeklaagt in den zwarten toren,
al zijne smarten in de jammerlucht
uitwenend in een langen stervenszucht,
en weer tot nieuwe jammerklacht herboren.

Hoor! ’t Is mijn hart, dat ze te morzel trekken,
dat, afgebeuld van ’t pijnlijk vezeltrekken,
in d’’eeuwgen nood der aarde om deernis schreit,

En boven hen, die ’t martlen, hoog verheven,

hoog boven mensenlust en vreugdeleven,

zijn zwaren rouwmoed langs de steden spreidt.

Als je dit leest kan je vermoeden dat het met Prosper niet goed zou aflopen. Hij was schizofreen en dat uitte zich in depressies en zwerfdwang. Hij werd krankzinnig verklaard en stierf in het hospitaal. Te morzel trekken betekent vermorzelen en met vezeltrekken bedoelt hij volgens mij ‘’tot in elke vezel gespannen’’.
      Er zou maar één dichtbundel van hem verschijnen: Verzen in 1900.



 

Kroketten in een Walgvogel

Op pagina 275 in De Walgvogel van Jan Wolkers komt het volgende zinnetje voor:
      ‘Ik dacht weer aan die reclameborden uit de oorlog voor de kroketten van Peter’.

De hoofdpersoon is aangekomen in Batavia zoals Jakarta toen nog heette. En dan volgt zijn eerste impressie:


Hè.
      Reclame in de oorlog voor Peters kroketten!
Zouden dat de kroketten van Willem Elsschot zijn?

In 1986 hield ik voor de VPRO-radio een vijf uur durend marathoninterview met Jan Wolkers.

HIER

Tijdens een voorgesprek vroeg ik hem dat. Daar moest hij even om lachen, want dat was hem nou nog nooit gevraagd.
      Hij beaamde het.

Waar gaat dit over?

Willem Elsschot, één van de beste Nederlandstalige auteurs die ooit geleefd heeft, had in Antwerpen ook een succesvol reclamebureau. Hij beweerde altijd dat hij reclame haatte, maar door sommige critici wordt dat als kokette onzin beschouwd.

Eén van zijn klanten was de krokettenbakker Peter.
      Daarvoor maakte hij ondermeer de volgende gedichten:

En:

En:


Die teksten waren dus volgens Jan Wolkers in de oorlog te lezen.
      Je moet er in zulke barre tijden maar oog voor hebben.



 

Potsierlijke burenruzie rond Russisch poëet


      De Engelse dichter Judith Kazantzis (1940-2018) was een geëngageerd publiciste en illustrator.
      Zij schreef een aantal dichtbundels, waaronder ‘Let’s pretend’ dat in 1984 verscheen.

      Eén van de bekendste gedichten daaruit is Anna Achmatova, een ode aan de grote Russische poëet, die zij zeer bewondert.

 

Het gedicht gaat zo (Vertaling Kathleen Rutten) .

Anna Achmatova

Die met ingetogen stem
sprak voor dode
miljoenen. Die zichzelf benoemde.
Die bereid was.

met Angst en de Muze
beurtelings de wacht te houden.
De herkenning te spreken.

En ongelooflijk voor mij
de dichteres gegeven en door haarzelf
zo’n krachtige genade, zo’n standbeeld.

bronsogig bij de Neva
waar gevangenisduiven koeren.
De gedode stemmen, die opvliegen, weg,
voorgoed.


Verzet
       Anna Achmatova (1889-1966) is één van de grootste dichters uit de geschiedenis van Rusland/Sovjet Unie. Eveneens zeer geëngageerd.
      Zij verzette zich tegen de ontwikkelingen in de Sovjet Unie na de revolutie van 1917. Zij was daarin zeer teleurgesteld en schreef en dichtte erover.
      Haar ex-man Nicolai Goemiljov werd in 1921 door de communisten geëxecuteerd. Haar zoon Lev werd diverse malen gearresteerd en zou tot tien jaar werkkamp veroordeeld worden. Zij werd in 1946 uit de Unie van Schrijvers gezet.

      De Muze, waarvan sprake is in het gedicht van Judith Kazantzis, is de titel van een beroemd gedicht van Anna Achmatova. Het is één van de muurgedichten in Leiden, een initiatief van de stichting Tegen-Beeld.

Ik ben er even naartoe gegaan. Het is -in Cyrillisch schrift- aangebracht op een pand op de hoek van de Johan de Wittstraat en de Van Ledenberchstraat. Een plek buiten het centrum vlakbij Oegstgeest. Je komt daar niet toevallig terecht.


De Muze


Vertaling

                

En juist over dit gedicht ontstond in 1999 een rel in Leiden. Het was aanvankelijk aangebracht met een paarse achtergrond.


Paarse achtergrond

                           

Een buurtbewoner had hierover geklaagd en vond gehoor bij de gemeente want ineens verscheen er een schoonmaakploeg, die de paarse vlek verwijderde en daarbij en passant ook vrijwel de gehele tekst meenam.
      Verantwoordelijk wethouder in die tijd was -onthoudt die naam- Alexander Pechtold.

Pas een aantal jaren later werd de tekst weer in orde gebracht, nadat een commissie had uitgemaakt dat het aanbrengen van muurteksten onder de vrijheid van meningsuiting valt. Maar de vormgeving daarentegen niet, want die moet getoetst worden door de Welstandscommissie die daar in Leiden weer een zogeheten Stadsschoonverordening voor heeft.

      Het is natuurlijk potsierlijk en triest voor de strijdster Anna Achmatova dat zij postuum in het kleinburgerlijk milieu van Leiden onderwerp werd van een ordinaire burenruzie over een paarse vlek.

Kijk dan liever even naar het standbeeld waarvan ook sprake is in het gedicht van Judith Kazantzis. Het staat voor de gevangenis aan de oever van de Neva even buiten Sint Petersburg.


Standbeeld

 

 

 

Huizen op zwemvogelvoeten

 In zijn debuutbundel uit 1951 ‘Muziek voor kijkdieren’ dicht Hans Andreus over een stad.

Het begint zo:


De stad ligt grijs en terra cotta

tussen de meren van reseda

de huizen op zwemvogelvoeten

bewegen zich maar eens per dag

 

Direct toen ik dat las moest ik om niet geheel duidelijke redenen aan het volgende kinderliedje denken:

Amsterdam, die grote stad

Die is gebouwd op palen

Als die stad eens ommeviel

Wie zou dat betalen?


Gaat het gedicht inderdaad over Amsterdam?
     
De stad wordt niet genoemd, maar Amsterdam heeft smalle en brede straten, grachten en pleinen, trams, duiven, fietsers en fietsendieven; er staan vrouwen op straathoeken en het zou best kunnen dat er 123 torens zijn.
     
Hans Andreus werd in 1926 in de Amsterdamse Jordaan geboren, ging er weg, kwam weer terug, ging weer weg en werd er uiteindelijk in 1995 herbegraven op Zorgvlied.
      Hij won zowel in 1954 als in 1963 de Poëzieprijs van de stad Amsterdam. Hij was ook nog kinderboekenschrijver.


Het gedicht gaat zo:


De stad

De stad ligt grijs en terra cotta

tussen de meren van reseda

de huizen op zwemvogelvoeten

bewegen zich maar eens per dag.

De archivaris blijft beweren

dat honderd drie en twintig torens

glimlachend op hun tenen staat

met duiven koerend in hun oksels.

De brede straten liggen languit

op hun rug de smalle straten

kruipen achteromziend weg

de grachten neuriën eenstemmig.

Boven de stad een zon van leisteen

boven de stad een maan van leisteen

maar eens per jaar kleden de bomen

zich aan en altijd zingen de vogels.

En ik loop door de brede straten

en spreek de trams aan en de autoos

en spreek een sprinkhaan van een fietser

toe maar hij verstaat het niet.

En ik loop door de smalle straten

en groet bekende fietsendieven

en schilder vrouwen op een straathoek

voorzichtig bij het is hun vak.

En langs de grachten op de pleinen

speel ik harmonica en soms

wordt er een raam half opgeschoven

soms kom ik boven voor een nacht.

En ik leef grijs en terra cotta

tussen de honderdzoveel torens

de huizen op te grote voeten

en de meren van reseda.

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje