Poëzie (253)

 

Een funest drinkgelag

Op 5 oktober 1947 werd de 26-jarige student J.M.W. Scheltema in Leiden door de politie doodgeschoten. Hij was dronken en gedroeg zich vervelend. Sloeg hoedjes van het hoofd bij andere mensen. 
      Er ontstond een opstootje, de politie kwam erbij en toen liep het allemaal vreselijk uit de hand. Een agent haalde zijn wapen tevoorschijn en voelde zich zo bedreigd dat hij schoot.
      J.M.W. Scheltema werd getroffen en overleed ‘s avonds in het Academisch Ziekenhuis.
De agent werd later ontslagen van rechtsvervolging.

   

   Leidsch Dagblad, maandag 6 oktober 1947

Hij was een veelbelovend dichter. Een maand na zijn verscheiden werd zijn gedicht ''Morgen is ’t licht'' opgenomen in het literaire maandblad Criterium.
      Dat gebeurde op voorspraak van Adriaan Morriën.
Zijn vriend en studiegenoot Louis Th. Lehmann vulde in 1948 in De Vrije Bladen een hele aflevering met gedichten en liederen van Pim Scheltema, zoals hij door intimi genoemd werd.   

Ik heb een mooi vers van hem gevonden, dat in zekere zin symbool staat voor zijn eigen gedrag.


Van J.M.W. Scheltema

Overwerk

In het bleke ochtendgloren
Stapelt Dora nachtclubstoelen,
Want dat doet ze van tevoren
Omdat ze de vloer moet spoelen.

Zo maar schrobben is zo zonde;
Even doet ze snel de ronde
Om vooral de driekwart peuken
Voor het knechie in de keuken
En de bandjes van sigaren
Voor haar nichie te bewaren;

En vergetene corsasies
Zet ze thuis in kleine vasies
En de glazen met de ressies
Giet ze uit in doktersflessies,
Want vanavond is het feest:
Vijfentwintig jaar is Dora
Werkster op die club geweest.

's Avonds zit ze stil te dromen
Of de directeur zal komen
Met een dichte enveloppe,
Maar geen mens komt bij haar kloppen.
Somber zet ze alle flesjes
Met de restjes op een rijtje,
Zit te wachten nog een tijdje,
Maar zo tegen half elf
Proeft ze alle drankjes zelf
En na nog een drie kwartier
Heeft ze stilletjes plezier.
Sloeg het daar niet half negen?
Nee, ze kan er niet goed tegen,
Restjes zijn merakel sterk:
Zwaaiend gaat ze naar haar werk.

Toen ze binnenkwam, toen spoog ze
Eerst een paar keer in haar handen,
Schoof de mensen van de stoelen,
Maakte stapels aan de wanden.
Daarna ging ze op haar ronde:
Nam de peuken uit de monden,
Brak de brandende sigaren
Om de bandjes te bewaren,
Trok de dure orchideeën
Uit de halsdecolleteeën;
Schuimende champagneflessen
Sjouwde zij bijeen als resten.
Dora zong haar morgendeunen
Samen met de lady-kreuner.
Ze kroop stotend tegen benen
Om de dansvloer af te nemen
En ze plaste met de emmer
Op de divans en de paren
En ze stak de ruwe bezem
In gepermanente haren;
Met een pekinees begon ze
Toen de tafels af te sponzen;
Alle poten moest ze boenen,
Ook al stonden ze in schoenen.

Eindelijk na veel proberen,
Wisten obers en wat heren
Dora in een hoek te trekken,
Waar ze met een zucht in slaap viel
Met een dweil om toe te dekken.
Dora moest wel drie keer vragen
Waarom Dora werd ontslagen:
Dora zelf had niets gemerkt,
Maar haar plicht gedaan: gewerkt.

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

Omeros te Leiden

Nobelprijswinnaar Derek Walcott is dood. Zijn bekendste werk is Omeros, een episch gedicht dat zich afspeelt op zijn geboorte-eiland Saint Lucia in de Caraïben. Kern van het verhaal is een ordinaire ruzie tussen de vissers Achilles en Hector, die dingen naar de hand van de mooie Helena.

      Ik heb het boek in het origineel, maar ook in de vertaling van Jan Eijkelboom. Dat is op zich wel handig, want het oorspronkelijke werk vind ik niet echt eenvoudig om te lezen.

      Een strofe van het werk is te vinden als muurgedicht in Leiden. (Reuversplaats 2)  

            


Van Derek Walcott

This was the shout on which each odyssey pivots,
that silent cry for a reef, or familiar bird,
not the outcry of battle, not the tangled plots

of a fishnet, but when a wave rhymes with one's grave,
a canoe with a coffin, once that parallel
is crossed, and cancels the line of master and slave.

Then an uplifted oar is stronger than marble
Caesar's arresting palm, and a swift outrigger
fleeter than his galleys in its skittering bliss.

(uit Omeros, Boek 3, Hoofdstuk 30, Vers 2, Faber & Faber, 1990)

Vertaling Jan Eijkelboom

Dit was de schreeuw waar iedere odyssee om draait,
die stille roep om een rif of een vertrouwde vogel,
niet de oorlogskreet, niet de verwarde intriges

van een visnet, maar als een golf rijmt op iemands dood,
een doodkist op een boot, die parallel wordt overschreden,
de scheiding tussen meester en slaaf gesloopt.

Dan is een opgestoken riem sterker dan marmeren
Caesars geheven handpalm, en een snelle zeilboot
gezwinder dan zijn galeien in haar heerlijke vaart.

(Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1993)

 

 

 

De anatomische les

Riekus Waskowski (1932-1977) was een curieuze man. In de jaren zestig/zeventig van de vorige eeuw kon je hem zomaar in Rotterdam tegenkomen. Op straat, maar eerder in een café. Hij was een dichter. Geen twijfel over. Maar om in zijn levensonderhoud te voorzien deed hij allerlei klusjes.
      Hij was erudiet, had een brede belangstelling en grote talenkennis. Maar hij was ook in de war, leed aan achtervolgingswanen, dronk buitensporig veel en werd diverse malen opgenomen in psychiatrische inrichtingen.
      Hij is een vrijwel vergeten dichter en werd maar 44 jaar.

Zijn eerste bundel kwam uit in 1966 en had de mooie titel Tant pis pour le clown.
      Maar de titel van zijn tweede bundel was veelzeggender: Slechts de namen der grote drinkers leven voort.

Ik herinnerde mij dat hij ooit een gedicht had gemaakt over de P.v.d.A. Niet zozeer een geëngageerd gedicht; eerder een satirisch.
      Na wat zoeken heb ik ’t gevonden:

Van Riekus Waskowsky

De anatomische les

Vanmorgen hebben wij in het Wilhelminagasthuis
ter gelegenheid van het jubileum van de VARA
een echte oude socialist ontleed.

Het was gek wat er allemaal tevoorschijn kwam:
halfvergane rode vlaggen, strijdliederen,
internationale broederschappen en solidariteit,
AJC een potje poepen en zes geschiedenisboeken
door P/Quack (antiquarisch).

In plaats van de hersenen vonden wij: ‘’Een ver-
ontrustend rapport over de afnemende belangstel-
ling van de jongere generatie voor het dem.soc”.

Volgens diverse bronnen heeft Waskowsky dit gedicht geschreven in 1966.
     
Ik houd het maar op eind 1965, want de VARA werd opgericht op 1 november 1925.

Het Amsterdamse Wilhelminagasthuis bestond in 1966 overigens 75 jaar.

Ruim vijftig jaar later met verkiezingen in zicht is dit gedicht nog zeer actueel.
     
De belangstelling voor politiek onder jongeren is gering en de belangstelling voor het democratisch-socialisme nog geringer.
Niets nieuws onder de zon dus.

Waskowsky schreef verhalende poëzie. Daarmee valt hij te vergelijken met Johnny de Selfkicker en C. Buddingh’.
      Van hem is ook:

Dichten is net als koken!
Je pleurt maar wat
in de pan
als je koken kan


Van C.Buddingh’

Denkend aan Riekus Waskowsky

De laatste keer dat we samen schaakten

(in 'De Lantaren' in Rotterdam)

won je warempel van me.


Je dood beroofde me van mijn revanche.

En wat had ik je graag nog een paar keer ingemaakt,

al was het alleen maar om klaarheid te scheppen:

juist achter het bord moet er een standsverschil zijn.


Maar wat zou ik nu iedere week

graag een paar keer van je verliezen.



Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

 

 

 

Spelletjes & liefdeslesjes


Dit is de Spaanse dichter Almudena Guzmán. (Madrid 1964).

      Zij kijkt op deze foto een beetje ondeugend. Tevreden ook.
Alsof ze het aftelspelletje in dit gedicht inderdaad naar haar hand heeft gezet.


Spelletje met de plavuizen

Als ik er drie haal loop ik langs zijn huis,
als dat niet lukt blijf ik in het mijne.

De laatste metro is al weg en ik ben snipverkouden,
maar ik doe de kast open om mijn mooiste trui te pakken.
Wie weet kom ik hem wel tegen
                               in het trapportaal wachtend op me……..

Spelletje met de plavuizen.
Omdat ik er geen drie gehaald heb maar vier,
speel ik vals.


Het gedicht komt uit de bundel Usted. (Jullie).
      In het Nederlands opgenomen in de bundel ‘’Ik heb tien benen’’ (De Geus). Vertaald door Dini Zanders,

Nog één:

 

Nu

nu de auto’s achter ons jaloers toeteren
omdat we niet ophouden elkaar te kussen op het kruispunt,
nu ben ik echt bang voor u
en ik vraag me af of het niet beter zou zijn
-je bent nog op tijd-
uit uw ogen te vluchten zoals je vlucht uit een verkeersopstopping
want u maakt me gek,
en we zullen vervallen in hetzelfde oude liedje,
en misschien wilde ik niet dat dit wat nu gebeurt
ooit zou zijn gebeurd.

 


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

God wat is dit land verlaten

Chris Engels (1907-1980) was een multitalent. Hij was arts, schilder en maakte gedichten onder het pseudoniem Luc Tournier.
      Het beviel hem niet in Nederland. Dat uitte zich ondermeer in dit gedicht, dat hij in 1933 schreef.

Kwatrijn

God wat is dit land verlaten.
Honden janken in de straten.
Konkelaars en middelmaten
heten staten-generaal.

Maar anders dan de boze medemens van nu, trok hij consequenties uit zijn gevoel.
     
Hij vertrok uit Nederland, nadat hij deze oneliner had gelanceerd:
‘’De koloniën lijden aan randangst, het moederland aan centrumwaan’’.

In 1936 vestigde hij zich in Curaçao, waar hij een artsenpraktijk opzette.
      Aan het begin van de tweede wereldoorlog begon hij het literaire blad De Stoep, waarin niet alleen plaats was voor Nederlandse schrijvers en dichters, maar ook voor auteurs uit het Caribisch gebied. Hij gaf dit blad uit in eigen beheer.
      Directe aanleiding was het -achteraf- valse bericht dat Ter Braak, Du Perron en Marsman waren gefusilleerd.

Om zijn ‘’gespletenheid'' te illustreren schreef hij bijvoorbeeld:

tussen het klooster

aan de maas

en de veranda in de tropen

- zij is dood -

zijn god en ik

cirkelend aan 't lopen.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje