Poëzie (280)

 

Mijnheer Prikkebeen en andere Mopjes

J.J.A. Goeverneur (1809-1889) was een dichter en kinderboekenschrijver. Zijn initialen staan voor Jan Jacob Antonie. Een paar bekende kinderliedjes, die nu nog steeds gezongen worden, zijn: In een groen groen knollenland, Toen onze Mop een Mopje was, Roodborstje tikt tegen het raam en Op twee haasjes.


Mop en Mopje

Toen onze Mop een Mopje was
Was ’t aardig hem te zien;
Nu bromt hij alle dagen
En bijt nog buitendien

‘’Je bent een recht bedorven dier!
eerst at je, wat ik bood;
Nu wil je lekkre beetjes
En lust niet eens meer brood’’.

De Mop zei hierop tot den knaap;
‘’Hoe dwars praat gij daar toch!
Hadt gij mij niet bedorven,
‘k Was een lief Mopjen nog’’.


Mijnheer Prikkebeen

Zo mogelijk nog bekender is zijn bewerking van de strip "Fahrten und Abenteuer des Herrn Steckelbein’’ van de Zwitser Julius Kell. Een werk dat weer was ontleend aan M. Cryptogame van de Fransman Amédée de Noé (Cham). Goeverneur gaf zijn werk de titel Mijnheer Prikkebeen. Hij nam de tekeningen van Rodolphe Töpffer gewoon over.

Een fragment uit het hoofdstuk I.

Hoe mijnheer Prikkebeen aan zijne zuster een afscheidsbrief schrijft.


 

Maar helaas, 't was jammer, dat

Prik een booze zuster had,

Die hem dagelijks bekeef,

Dat hij bij haar t' huis niet bleef,

Tot hij eindlijk op papier

Bragt dit korte briefje hier:

 

 

 



‘Lieve zuster Ursula!

Ik ga naar Amerika;

Dat is 't echt kapelleland. -

'k Schrijf je dit met eigen hand

En blijf, evenals voorheen,

Je getrouwe Prikkebeen.’

 

 


Zuster Ursula en Amerika komen we dan weer tegen bij Rob de Nijs in zijn lied:

Dag Zuster Ursula


Boudewijn de Groot & Elly Nieman zingen:

Meester Prikkebeen


Bob Vrieling had in 1970 een hit met:

Prikkebeen


VPRO-Radio

J.J.A. Goeverneur heeft in dit land diverse straten en lanen op zijn naam. De bekendste is de Goeverneurstraat in Dordrecht, omdat de VPRO-Radio daar in het seizoen 1976-’77 een jaar lang programma’s maakte, die op vrijdagavond tussen negen en tien uur werden uitgezonden op de Muziekzender Radio 3. Kees Slager, Roel van Broekhoven en Katrien de Klein waren de makers van dit programma, dat werd gepresenteerd door Germaine Groenier.
       Eén van de nevenactiviteiten was een voetbalwedstrijd tussen vertegenwoordigers van de straat en de omroep. De foto van het VPRO-team plaatste ik al eens.


 
Staand v.l.n.r.: Gerrit Kramer, Ad Kooyman, Jan Donkers, Ronald van den Boogaard, Pim Buddingh', Roel van Broekhoven.
Zittend: Bob Ris, Kees van Kooten, Frans de Smit, John Jansen van Galen, Jan Haasbroek.   

De wedstrijd werd door de Goeverneurstraat gewonnen. Ik dacht eerst dat we met 6-1 hadden verloren, maar er was tot mijn verbazing een lezer die zeker wist dat het 5-2 was geworden.

 Wij waren technisch beter en hielden het tot de rust op 1-1. Daarna gaf conditie de doorslag.  

 
Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 



Het homo-erotische gedicht van de priester

Ooit woonde ik aan de Gezellelaan in Roosendaal. Niet Gazelle maar Gezelle. Naar Guido Gezelle, de Vlaamse priester-dichter. Ik vroeg toen wel eens aan mensen of ze ooit iets van hem gelezen hadden. Dat was zelden of nooit het geval.

Guido Gezelle was een groot dichter. Daar zijn alle kenners, liefhebbers, recensenten en collega-dichters het over eens. Zijn meest geroemde en beroemde gedicht is DIEN AVOND EN DIE ROOZE. Geschreven op 1 november 1858 en opgedragen ‘’Aan den Voorgaande’’.
      Gezelle was toen leraar aan het Kleinseminarie van Roeselaere. Die voorgaande was zijn 18-jarige leerling Eugène van Oye aan wie hij al eerder gedichten had opgedragen. Als je het gedicht 160 jaar later leest kun je je met al die seksuele schandalen in de R.K. Kerk nauwelijks voorstellen dat zo’n gedicht nog ergens geplaatst of gepubliceerd zou worden. Hier is sprake van een homo-erotische -zo u wilt- pedo-erotische verhouding tussen leerkracht en leerling.

Lees het gedicht en oordeel zelf:


DIEN AVOND EN DIE ROOZE

                     Aan den voorgaande

‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
- wie zal dit kwaad genezen? -
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ‘t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
‘t en ware ik ‘t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u
dien avond - en - die rooze!

Het gedicht is geschreven na een bezoek van Eugène (ook wel Eugeen of Eugen op z’n Vlaams) aan Gezelle. De leerling heeft bij die gelegenheid een roos meegenomen. Als het verschenen is, besluit de vader van Eugène om zijn zoon van het Seminarie te halen.
      Dat grijpt Guido Gezelle zo aan, dat hij instort. Niet veel later zal hij van het Seminarie verwijderd worden wegens te nauwe betrekkingen met leerlingen. Gezelle en Van Oye hadden een vertrouwelijke correspondentie, die bewaard is gebleven.

Voor zover ik heb kunnen nagaan gaat Boudewijn Büch het meest ver in zijn analyse.  In een stuk over ‘’pedofilie bij bekende schrijvers van gedichten’’ schrijft hij:

“In de Nederlandse letteren hebben we lang geleden al voor de eerste keer te maken gehad met een onmiskenbaar pedofiele priester. Zijn naam is Guido Gezelle (1830-1899), een Vlaming, en hij is één van de grootste dichters van de negentiende eeuw. Als taal- en dichtkunstvernieuwer is hij van zeer groot belang en zijn liefdesgedichten voor jongens – meestal pubers – zijn wonderlijk mooi. Vooral zijn verzen voor één van zijn leerlingen, Eugen van Oye (1840-1926) zijn werkelijk schitterend, zoals bijvoorbeeld het in Vlaanderen nog steeds beroemde Dien avond en die rooze. Helaas liep het met Van Oye minder mooi af: hij pleegde in de Eerste Wereldoorlog verraad, liep achter de Duitsers aan en werd na de oorlog van al zijn functies beroofd. Het was toen allang geen mooie jongen meer, maar een oude, bebaarde man’’.

 
Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

Kalfslever en benen

De Schoolmeester (1808-1858) was een populair en veelgelezen dichter. Op het oog simpele verzen. Alles rijmt, alles loopt ritmisch. Maar vaak kent zijn werk een diepere laag.
      Esopus in het volgende gedicht kennen wij beter als Aesopus, een Griekse maker van fabels, die leefde rond 500 Voor Christus. Of wij inderdaad het spreekwoord ‘’Als twee honden vechten om een been, gaat een derde ermee heen’’ aan hem te danken hebben is mij niet geheel duidelijk.
      Ik ga daar direct dieper op in maar lees eerst den Schoolmeester's gedicht De Hond.


De Hond 

Een hond is vermaard
  Om zijn gezellige aard
  En 't kwispelen van zijn staart.
    Zijn neus, doorgaans rond,
    staat gewoonlijk in 't front,
  En zo lang die maar nat en fris is,
Is 't een bewijs, dat meneer zo gezond als een vis is

Een hond is iemand, die van zijn baas bijzonder veel houdt,
Die hij, om zo te spreken, als zijn derde vader beschouwt,
En die hem dikwijls een hele boerewoning toevertrouwt,
Waar hij door zijn blaffen bedelaars en dieven vandaan weet te jagen
En de post van portier waarneemt, zonder er ooit geld voor te vragen.

  Als een haas niet op zijn tellen past,
  Wordt hij dikwijls door een hond verrast;
  Doch een hond loopt er ook wel tegen aan,
  Als men hem in de hondsdagen uit laat gaan.

    Menig een blinde hond
  Is verdronken, omdat hij geen zwemmen verstond;
    Doch zodra zij dit verstaan,
  Kan men ze rustig uit baaien laten gaan.

  Honden zijn dol op kalfslever en benen;
Doch, volgens Esopus, loopt er dikwijls een derde mee henen.
  Ook nuttigt een hond met plezier water en droog brood;
  Doch een pak slaag, daar heeft hij een broer aan dood.
Het opzetten is ook iets, daar hij niets om geeft
Als het maar niet begonnen wordt, terwijl hij nog leeft

Ook blaffen honden niet langer, als ze eenmal dood zijn;
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn.


Aisopische Fabels

In de zogeheten Aisopische Fabels van Aesopus komt de hond zeer regelmatig voor:

De hond en de schaduw

De hond en de hel

De hond en de haas

De wolven en de honden

De hond en de ruif

De smid en zijn hond

De honden en de vos

De hond en de wolf

De hond, de haan en de vos

De reiziger en zijn hond

De hond en de zeug

De ezel en de hond

De tuinman en zijn hond

De haas en de hond

De hond en de vos

De hond en de kok

De schelpen en de honden

Ik heb eerlijk gezegd lang niet al die fabels gelezen, dus of er ergens een derde met kalfslever en benen vandoor is gegaan, weet ik niet.
      De DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren) verwijst naar een anoniem gebleven toneelschrijver, die rond 1647 ‘’De klucht van de pasquilmaker voor den duyvel’’ schreef.
      Daarin komen de volgende regels voor:

Daer twee honden vechten om een schinckel te kluyven,
 
Gaet een derde gemenelijck me hene schuyven.

 

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

Bijna autobiografische malheur

Paul van Ostaijen (1896-1928; Geb. Antwerpen) schreef zijn gedicht Malheur, toen hij direct na de eerste wereldoorlog in ballingschap in Duitsland verbleef. Het was -om precies te zijn- op 20 juni 1920.
      Hij was toen in het bergdorpje Seeshaupt in Beieren. Samen met zijn vriendin Emmeke Clément en het kunstenaarsechtpaar Van Campendonk. Zij beklommen de Benediktenwand in het Karwendelgebergte. Van Ostaijen kreeg het vlak voordat zij de top zouden bereiken spaans benauwd en moest de laatste meters door zijn gezelschap naar boven worden geholpen. Het gedicht is daardoor bijna autobiografisch.


Van Paul van Ostaijen

Malheur

Warme walmstal
de heer privaatdocent K.
in de zomerfriste uit Breslau
probeert of hij bij middel van een convergerend glas
zijn sigaar Uebersee Bismarck kan aansteken

Op 2 meter van de bergtop verwijderd
valt zijn hoge hoed in de afgrond
een waardevol kledingstuk voor een privaatdocent onmisbaar
wat de heer K. begrijpt
hij probeert te vatten zijn vallende cilinder
waarbij hij zelf valt in de diepte
zijn cilinder achterna
differens weerstand van de lucht
zo gelukt het de heer K. gelijktijdig met zijn hoge hoed
de afgrond te bereiken
Ongedeerde hoge hoed R.I.P. privaatdocent K.

Men siert de baar van de arme alpetoerist
met edelweiss
De te zware rouwsluier zijner echtgenote
wordt gevat door een sneltrein
en bijgevolg ook de treurende Hintergebliebene

Alpinetragedie der dagbladen

Uebersee is een plaats in Beieren. Daar vond tijdens het bewind van Otto vos Bismarck die Zweite Reichsgründung plaats.
      Breslau lag toen nog in Duitsland. Na de tweede wereldoorlog is het Pools geworden: Wroclaw.
Het ligt in Silezië in het zuidwesten van het land.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

Termunten; een schijn van idylle


Veilig lig je achter de dijk.
Schapen grazen over je graven.

Zo begint het sonnet Termunten van Fetze Pijlman (Rotterdam 1946).
      Termunten is een dorpje in Oost Groningen. Niet meer dan 400 inwoners. Het ligt aan de Eemsmonding.
Vanaf de dijk heb je mooie vergezichten op het water dat sterke getijdenwisselingen kent.

     
Fetze was waarschijnlijk een beetje zwaarmoedig toen hij zijn gedicht schreef. 

Een jaar is hier een dag gelijk

En:

Alleen aan drank kan men zich laven
Het menselijk volk nam al de wijk


Dorpstoegang



Via een trappetje, dat tegen de dijk aanligt en een bruggetje kan je bijvoorbeeld in het dorpje komen. Het maakt een uitermate vriendelijke indruk.
      Nostalgische muren, leuke huizen.

Termunten is een eindpunt en het zal best dat de jeugd er wegtrekt, maar als je hier wat rondstruint  wordt het bijna idyllisch.
      En het touwtje hangt nog gewoon uit de brievenbus.

 
Touwtjes

 

Ursuskerk

De oude kerk is de kern van het dorp. Gebouwd in de 13e eeuw.

Van Fetze Pijlman

Termunten

Veilig lig je achter de dijk.
Schapen grazen over je graven.
Scheepjes roesten in je haven.
Aan niets dan armoe ben je rijk.

Een jaar is hier een dag gelijk.
De schoongeboende stoepen van de braven.
Alleen aan drank kan men zich laven.
Het meeste volk nam al de wijk.

En voor hen die achterbleven:
in neonletters RABOBANK
en uit de verte AKZO-stank.

Nee, niets niets te beleven
dan dagelijks een kater,
de strop, of misschien het water.


Bank & AKZO

Anno 2018 is de RABOBANK verdwenen.
      ‘’Al heel lang’’, zegt een meneer, die hier geboren is.  

En met die stank van AKZO-Delfzijl valt het volgens hem tegenwoordig erg mee. “Dat is inderdaad wel eens erger geweest’’.


Termunterzijl


De haven ligt niet in Termunten, maar even verderop in Termunterzijl.
      Ik heb er geen roestende schepen gezien. Eén vissersboot en een paar zeiljachten.  
Vriendelijk en ingetogen allemaal.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

Subcategories

 

Twee maal de helft en een geel strikje