Poëzie (321)

 

De olieman uitgelicht

Het lijkt een simpel lied met een overigens mooie tekst:
      De olieman heeft een Fordje opgedaan.
Maar er is veel mee aan de hand.
      Het werd in 1933 gemaakt door Jacques van Tol. Louis Davids kocht voor honderd gulden de tekst en zette er zijn eigen naam onder. Dat stelde hem -vond hijzelf- ook in de gelegenheid om veranderingen in de tekst aan te brengen.
     
In het refrein bijvoorbeeld veranderde hij de regel:
     
      ‘En dan neemt zijn vrouw de slinger mee naar bed’  in :
      ‘Want dan stopt zijn vrouw de slinger onder ‘t bed’.
Dat was minder aanstootgevend.


Ook de laatste regels van het tweede couplet werden veranderd:

      ‘De buren gluurden door de ruit, van nijd waren ze groen
     
En zeien:’Ja zo gaat het als de mensen dik gaan doen’.

Dat werd:

      ‘Een jochie uit de buurt riep met z’n petje op één oor:
      Dat ding het astma Nelis, zet er maar een bokkie voor’.

Waarom dit gebeurd is, is mij niet duidelijk. De tekst wordt er bepaald niet beter van.

En verder:

De P.C. Hooft was een passagiersschip van de Stoomvaart Maatschappij Nederland.
      Dit schip vloog in 1932 in Amsterdam in brand en werd volledig in as gelegd.

Amsterdammers gingen in die dagen naar de hei bij Bussum.
      Naar het strand in Zandvoort of Bakkum, naar de bollen in Hillegom en naar de speeltuin in Vinkeveen.
Louis Davids was trouwens geen Amsterdammer maar werd geboren in Rotterdam.

Deterding was Sir Henri W.A. Deterding, directeur-generaal van de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij en later directeur van de Shell.
      Deterding lanceerde in 1937 het merkwaardige plan om voor tien miljoen gulden Nederlandse agrarische producten aan te kopen en te schenken aan de Duitse bevolking, omdat daar op dat moment voedselschaarste was.
      Ons Ministerie van Landbouw was daar toen blij mee. Net als de landbouworganisaties.
Omzet en winst. Opportunisme is van alle tijden.
     
Deterding overleed in 1939 en werd begraven in het Duitse Dobbin.
Er was ondermeer een krans van Adolf Hitler.

Ook Jacques van Tol had een dubieuze reputatie.
      Hij schreef naast zijn 'gewone' werk anti-semitische liedjes en Nazi-propaganda.
Na de oorlog zat hij drie jaar gevangen.

Luister hier naar de vertolking van Louis Davids

 
Van Jacques van Tol

De olieman heeft een Fordje opgedaan

De olieman van ‘t pleintje ging zijn radio verpanden

Hij was blasé van ‘t goede en verbrak de etherbanden

En toen met ome Jan zijn zeven tientjes in zijn handen

Had hij op ‘t autokerkhof een vehikeltje gekocht

Een onecht kind van Ford , vol deuken, bulten en hiaten

In lang verleden tijden op de mensheid losgelaten

Dat zich met korte sprongen voorwaarts repte langs de straten

En hartverscheurend kreunde als je remde in de bocht

Maar als hij met zijn wagen door zijn eigen buurtje ging

Dan riep de hele buurt: ‘Opzij … daar hè je Deterding’


(Refrein)

De olieman heeft een Fordje opgedaan

Daar rijdt ‘ie mee als een vorst door de Jordaan

Maar ’s avonds om tien uur is het uit met de pret

En dan neemt zijn vrouw de slinger mee naar bed

Tuf, tuf, tuf

 

Op zeek’ren zondagmorgen die het noodlot extra schikte

Geviel het dat ook Ma haar meer dan ongewone dikte

Etapsgewijze, deel na deel, in ’t wrak vehikel wrikte

Om met haar man en kroost een dag naar Bussum toe te gaan

Pa trachtte met de slinger ’s monsters ingewand te zoeken

Maar ’t reageerde niet, het kraakte slechts in alle hoeken

En Pa gaf de premiè re van twee splinternieuwe vloeken

Omdat Ma lijzig vroeg of ‘ie misschien niet aan wou slaan

De buren gluurden door de ruit, van nijd waren ze groen

En zeien: ‘Ja zo gaat het als de mensen dik gaan doen’


(Refrein)


Pa wierp zich onder ‘t voertuig en forceerde enkele moeren

Ma zei: ‘Doe eerst je strikkie recht, de buren staan te loeren’

Pa vroeg beleefd maar kort of zij haar claxon niet wou roeren

En ging weer in de olie liggen met z’n goeie goed

Het kroost verpoosde zich met aan de hendeltjes te knoeien

Zodat er diep in ’t mechanisme iets begon te loeien

Pa dreigde met zijn sleutel de familie uit te roeien

En ‘t uitstapje te wijzigen in een begraaf’nisstoet

Maar ‘t Fordje was gaan kuchen en het hoofd van het gezin

Riep: ’Vrouw, je kaken op mekaar, hou vast, ik schakel in’


(Refrein)


‘t Gedrocht liet plots een schreeuw, of het er vreugde in ging krijgen

En trachtte eerst een onbeheerde handkar te bestijgen

Ma gilde: ’Me vergaan!’. Pa ging met demontering dreigen

Van haar en beider nakroost, en dat maakte haar weer klein

Toen nam het beest zijn sidderende wieletjes tezamen

En startte ten verderf. Verschrikte buurtgenoten kwamen

Naar buiten, of ze keken eens misprijzend door de ramen

Wie of er weer met zevenklappers speelde op het plein

Een wijze oude opa riep, door het geknal verdoofd

‘Dat ding rijdt naar z’n ondergang, net als de P.C.Hooft’


(Refrein)


Twee uur na dit gebeuren arriveerde er een wagen

Met paard voor Nelis’ deur en de verblijde buren zagen

Hoe Ma met een gezwollen oog de trap werd opgedragen

Luidop onschone dingen zeggend over autosport

Daarachter man en kroost, vol olie, wegenstof en deuken

De voerman van de kar bracht nog een baalzak in de keuken

Slechts hij die veel had gestudeerd in de tiendeel’ge breuken

Kon zien dat dit het afgekloven rif was van de Ford

De buren hadden hun revanche en glimlachten verblijd

En Nelis, als ’ie uitging, hoorde nog een hele tijd:


(Refrein)

 

Over Alcest & een Zangberg

Een jaar of veertig geleden las ik het puntdicht voor ’t eerst. Toen keek ik er over heen, want ik las zandberg. Tien jaar later dacht ik dat ’t een drukfout was en meende ik nog steeds dat het zandberg moest zijn.
     
Inmiddels weet ik beter.
Lees eerst het gedicht:


Van A.C.W. Staring


Aan een' navolger

Alcest, wilt gij den Zangberg op?
Zo rijd een eigen paard; geen huurknol haalt den top.

1789


Er staat inderdaad Zangberg. Dat is de bijnaam voor de Helikon, een berg in Griekenland waar volgens de mythologie de muzen woonden. Op de berg ontspringt een bron waaruit in de Griekse oudheid de inspiratie rijkelijk vloeide.
      Staring wijst dus op originaliteit en verfoeit navolgers en plagiaatplegers. Hij doet dat met ‘’rijd’’ in de gebiedende wijs.
Dit werpt vervolgens de vraag op: wie is Alcest?
     
Welaan: Alcest (Alcestis) is een vrouw uit de Griekse mythologie, een klassiek voorbeeld van liefde en huwelijkstrouw. Alcest komt diverse malen voor in het werk van Staring’s tijdgenoot Willem Bilderdijk. Een door Staring bewonderd dichter. Maar ook iemand die hij van plagiaat beschuldigde.

Later bleek Staring op zijn beurt plagiaat gepleegd te hebben, toen duidelijk werd dat ''zijn'' beroemde Oogstlied een soort vrije bewerking was van het Erntelied van Ludwig Hölty (1748-1776).

Vergelijk maar even de beginregels:

Sicheln schallen,

Ähren fallen

Unter Sichelschall;

Auf den Mädchenhüten

Zittern blaue Blüten,

Freud' ist überall.

 

Sikkels klinken
Sikkels blinken
Ruischend valt het graan
Zie de bindster gaaren!
Zie, in lange scharen,
Garf bij garven staan!

 


Ik stop verbaasd

Dit versierde bankje staat in Friesland aan de Wide Ie (Wijde Ee).
      Nabij Oudega in de gemeente Smallingerland.

Er wordt hier veel gejogd. Zo veel dat het iemand  begon te irriteren. En er verscheen een poëtische tekst op het bankje.
      Er staat : ‘’Ik ren, ik denk, ik stop verbaasd. Waarom liep ik nou te rennen…..  Ik heb helemaal geen haast’’.


Wide Ie

 

 

 

Meisjes van dertien & de merels 

 Ik luister op de radio naar Paul van Vliet, die het lied ''Meisjes van dertien'' zingt.
   En dan is daar ineens de regel: "Te groot voor de poppen, te groot voor de merels'',

Curieus!    
     Wat kan daar mee bedoeld zijn?

Ik zal het zo uitleggen, maar  luister er hier
eerst eens naar:

      Hoogst actueel nog, zij het dat ze tegenwordig vooral aan cyberpesten doen.
     

Van Paul van Vliet

Meisjes van dertien

 
Hebben van die wapperende voeten

Lopen altijd overal tegenop

Weten helemaal niet wat ze moeten

Kauwen dus de hele dag maar drop

Moeten oude jurken van hun grote zusjes aan

Die hun moeders hen nu juist zo enig vinden staan

Houden niet van zomerkampen; moeten daar toch heen

En zijn daar met z’n honderden verschrikkelijk alleen

 

Meisjes van dertien, niet zo gelukkig

Meisjes van dertien, er net tussenin

Te groot voor de poppen, te groot voor de merels

Te klein voor de liefde, te klein voor de kerels

Met een glimmende neus

En met knokige knietjes

En in hun dagboek

Staan de kleine verdrietjes

 

Meisjes van dertien, vlak voor ‘t begin

Meisjes van dertien, er net tussenin

Hebben van die dromerige koppies

Hebben van dat dunne steile haar

Willen niet meer samen met de jongens

Willen nou alleen nog met elkaar

Giechelen bij de naam van ‘t onbereikbare idool

Giechelen om hun vader en de leraren op school

Giechelen van ongemak en giechelen van spijt

Giechelen zich een weggetje naar een betere tijd

 

Meisjes van dertien, niet zo gelukkig

Meisjes van dertien, er net tussenin

Te groot voor de poppen, te groot voor de merels

Te klein voor de liefde, te klein voor de kerels

Nog nergens een vrouw, ja van boven voorzichtig

Maar verder nog nergens, nog te dun en te spichtig

Meisjes van dertien, droom er maar van

Meisjes van dertien, giechel maar an

 

Meisjeskoor; Radiokoor 

  

De Merels was in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een meisjeskoor, dat regelmatig optrad voor de radio.
      Als de meisjes dertien werden, moesten ze eruit.
Er werd in die tijd nog veel naar de radio geluisterd, zodat Paul van Vliet er vanuit ging dat iedereen wist wat ermee bedoeld werd.
      Dit is het koor, dat onder leiding stond van Leo v. d. Werf.

 

 

Op een haring, een made & een spreeuw

Ik ben op een receptie in Dordrecht, waar goed voor de aanwezigen wordt gezorgd. Er ligt ondermeer een grote schaal nieuwe haring. 

      Ik raak in gesprek met een man over de voors en tegens van uitjes bij de haring.
Tot hij ineens het volgende versje oplepelt:

Een nieuwe haring sprak te Dordt:
''Ik denk dat ik geen oude word''

Had die man dat nou ter plekke verzonnen?
      Ik vroeg het en hij gaf toe het eens gehoord en opgeslagen te hebben, omdat hij het grappig vond. Maar hij wist niet waar het vandaan kwam.

Welaan: Het versje heet ’Op een haring’ en is van Trijntje Fop, dat weer een pseudoniem is van Kees Stip (1913-2001). Het heeft slechts die twee regels.
      Stip was niet alleen dichter, maar werkte na de oorlog ook als tekstschrijver bij de Legervoorlichtingsdienst en de Regeringsvoorlichtingsdienst. 
Het pseudoniem Trijntje Fop ontleende hij aan Woutertje Pieterse van Multatuli.
      Het was een leerling uit de klas van Meester Pennewip, die het volgende versje schreef:

Ik heet Trijntje Fop
en heb een muts op mijn kop.

Stip begon in deze trant vooral zesregelige versjes te maken, die vanaf 1951 met grote regelmaat in de Volkskrant werden gepubliceerd.
      Die versjes volgen bijna altijd een vast stramien: Strak metrum, een dier en een plaatsnaam in het begin; een verrassende vondst aan het eind en het rijmschema AABBCC.

 
Op een made


Dit weekend ging een groepje maden
in Scheveningen pootjebaden


De welbespraakste van het stel
sprak: ‘Makkers, merken jullie wel?

Er zijn hier heel wat maden bij
die made zijn in Germanij”.

 


Op een Aal


Een jonge aal uit Hardinxveld
besteedt aan kleren heel veel geld


Hij dost zich als een dandy uit
al kost hem dat een flinke duit


En de gevolgen van die kwaal?
Elk meisje zegt: ‘Hij is fat-aal!’

 


Op een spreeuw


Een rupsenzamelende spreeuw
vloog door het keelgat van een leeuw


‘Ik hoop’, zo sprak het beest benauwd
‘dat deze leeuw van rupsen houdt’


Leert kinders, dit van deze spreeuw
Humor is lachen in een leeuw

 

Het Beestenfeest

In 1988 verscheen een groot aantal Trijntje Fops in de bundel Het grote Beestenfeest.
      Het bekendste vers is waarschijnlijk Op een Bok, omdat het in het Groningse plaatsje Siddeburen een eigen standbeeld kreeg.
      Dit vers heeft opmerkelijk genoeg meer dan zes regels.

 

Op een Bok

 

In Siddeburen was een bok
die machtsverhief en worteltrok


Die bok heeft onlangs onverschrokken
de wortel uit zichzelf getrokken


waarna hij zonder ongerief
zich weer in het kwadraat verhief


Maar ‘t feit waardoor hij voort zal leven
is, dat hij achteraf nog even


de massa die hem huldigde
met vijf vermenigvuldigde

 

Kees Stipprijs

 In 1985 lanceerde het literaire tijdschrift De tweede ronde de Kees Stip Prijs voor ‘light verse’.
      Stip zelf ontving de prijs ‘t eerst.
Daarna werden bekroond:
      Drs. P, Driek van Wissen, Jan Boerstoel, Ivo de Wijs, Nelis Klokkenist, Patty Scholten, Kees Jiskoot, Frank van Pamelen, Jaap van den Born en Marko Fondse.

 

 

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje