Poëzie (256)

Het land van mest en mist

De herfst komt eraan en dan denk ik altijd even aan die eerste regel uit Boutade van P.A. de Génestet:
      ‘’O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen”.

Petrus Augustus de Génestet (1829-1861) was een jong gestorven dichter-dominee. Hij was volgens critici meer dichter dan dominee en bleef gespaard voor de hoon van de Tachtigers. Niet alleen omdat zijn werk aantrekkingskracht had, maar ook omdat hij er onmiskenbaar gevoel voor humor in legde. Zo’n man kon je maar beter niet afzeiken.

Als je het gedicht nog eens helemaal leest, kom je in eerste instantie nogal wat onbekende of -op het oog- niet bestaande woorden tegen. Dat laatste is overigens niet waar, want alle woorden staan -ik heb het er maar weer eens bij gepakt- in de dikke van Dale. Ik zal er direct wat dieper op ingaan, maar lees eerst het gedicht en schrik niet als gooien met enige verbeeldingskracht rijmt op zoon of vrede op zee.


Van P.A. de Génestet     

Boutade

O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen.
Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen
Vol jicht en parapluis, vol kiespijn en vol kramp!

O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen
Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoön,
Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,
Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!   

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen
Tot modder, ‘k heb geen lied, geen honger, vreugd nog vreé.
Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,
Gij -niet op mijn verzoek- ontwoekerd aan de zee.



---Een boutade is een geestige uiting van misnoegen.

---Sijperen bestaat echt en betekent gewoon sijpelen of langzaam vloeien dan wel geleidelijk doordringen.
---Vuns is schimmel of schimmelig, muf dan wel vochtig.

---Kliemerig is kleverig, modderig of gewoon klef.
---Ontwoekeren is een samentrekking van woekeren en onttrekken, maar is sinds de woekerpolissen ook een bestaand werkwoord.

Er zijn in dit land diverse De Génestetstraten of -lanen.
       Maar ik hoor nooit iemand zeggen dat hij of zij naar de De Génestetstraat moet.
Ik denk dat Petrus  Augustus daar wel om zou kunnen lachen.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

De rijmelaar & de psychiater

De Van Eedenstraat in Haarlem ligt in een enigszins voorname wijk in het zuiden van het stadscentrum. Vlakbij het Frans Hals Museum. De Ten Katestraat ligt meer naar het oosten in de Oude Amsterdamse Buurt, een wat mindere wijk. Verder verwijderd van het centrum en het Frans Hals Museum.  

Is dit symboliek?
Het zou kunnen, maar ik denk niet dat er bewust voor gekozen is.
Hoewel!

J.J.L. ten Kate (1819-1889) was een dominee-dichter met een hoge productie. Hij rijmde gemakkelijk en schreef vrij simpele verzen, die er bij de gegoede burgerij goed in gingen.
      Frederik van Eeden (1860-1932) was een romancier (De kleine Johannes) en een psychiater-dichter. Samen met Willem Kloos, één van de voormannen van ‘’De Tachtigers’’, een beweging die zich onder meer afzette tegen het establishment.
      Toen hij 25 jaar was verscheen zijn bundel Grassprietjes onder het pseudoniem Cornelis Paradijs.  Daarin veegt hij de vloer aan met de dominee-dichters en andere rijmelaars.


Aan J.J.L. ten Kate

Ten Kate! Ten Kate! 
O koning der cantate! 
Die hupp'lend in het priesterkleed, 
Den lusthof onzer taal betreedt, 
De schoonste bloemen plukkend, menglend, 
Met bonten zwier ze strikkend, strenglend, 
Verenglend 's levens duistre sfeer, 
Ons minzaam dichtend naar de Heer! 
O, J.J.L. ten Kate, 
Wie zou u kunnen haten?

Ten Kate! Ten Kate! 
O, dichter boven mate! 
Uw ademtocht is Poëzie, 
Uw lach is Kunst, uw traan Genie, 
Wanneer uw wiekjes speelsch zich reppen, 
Of als een aad'laar opwaarts kleppen, 
Bij 't scheppen van de Schepping zelf, 
Kompleet, met aarde en stargewelf. 
O, J.J.L. ten Kate, 
O, vorst van rijm en maten!

Ten Kate! Ten Kate! 
Hoe glanst gij in uw state 
Van ethisch en irenisch licht! 
Beheerscher van 't godsdienstig dicht! 
Van Gods genade spelmeijer 
Met onze taal! Wie kan er blijer 
En vrijer zingen tot Gods eer! 
Wie schendt u aan, wie velt u neer? 
Neen, J.J.L. ten Kate! 
Laat vrij benijders praten!

Zing op! Zing op! ten Kate! 
(Gij kunt het toch niet laten) 
Laaf onze ziel aan Harmonie, 
Al wat gij zingt is Poëzie! 
Zing dartel, speelsch of vroom van zinnen 
Op kerken, vorsten of vorstinnen, 
Wij minnen alles wat gij doet: 
Want wat ten Kate schrijft is goed! 
Zing, J.J.L. ten Kate, 
Ten aller vromen bate!

        
Was het nu echt zo beroerd wat Ten Kate maakte? 

Ach….

Van J.J.L. ten Kate

Sonnet op het sonnet

Geverfde pop, met rinkelen omhangen,
Gebulte jonkvrouw in uw staal’ korset.

Lamzaligste aller vormen, stijf Sonnet!
Wat rijmziek mispunt deed u ’t licht erlangen?


Te klein om één goed denkbeeld op te vangen,

Voor epigram te groot en te koket,
Vooraf geknipt, koepletjes voor koeplet,
Knooptge onverdiend in onze minnezangen.

 

Neen! De echte Muze eist vrijheid, en het Lied
Onhoudbaar uit het zwoegend hart gerezen,
Zij als een bergstroom die zijn band ontschiet!


Gij deugt tot niets, ten zij het deugen hiet,
Om, enkel door de broddelaars geprezen,
Op GEYSBEEK een berijmd vervolg te wezen.

Later bij de honderdste geboortedag van Ten Kate, zal Frederik van Eeden een spijtbetuiging voorlezen.
Hoewel!

Spijtbetuiging aan J.J.L. ten Kate

Ter gelegenheid van de honderdjarige geboortedag van J.J.L. ten Kate

Frederik van Eeden

Niemand zal wel denken dat het mij te doen is om bij de dominees in de pas te komen als ik een enkel woord wijd aan de nagedachtenis van J.J.L. ten Kate. Ik gevoel er behoefte aan.

Ik heb eens een ruiter met steentjes beschoten uit een katapult. De aanval had alle succes dat een kwa-jongen kan begeren. Het paard ging ervan door en de ruiter had veel werk om in 't zadel te blijven. Ik heb toen een zwaren gang gedaan en ben den ruiter excuus gaan vragen. Jarenlang voelde ik een zeekre schaamte als ik hem ontmoette of zijn huis voorbijging. Toen ik zelf later eens het mikpunt werd en bijna uit het zadel ging, herdacht ik mijn daad met nog duidelijker gevoelens. Twee zaken behoren bij den goeden ouderdom. Namelijk meer verdraagzaamheid en meer waardering. Het bij elke kwetsing opstuwende zelfgevoel is noodig voor de jeugd, om zich te handhaven, de vinnige kritiek om de standaard van het goede werk niet te laten zakken. In den goeden ouderdom schijnt dit alles niet zoo dringend noodig meer. Men behoeft zich nu niet meer te verontrusten over den grooten aanhang en de groote bewondering die J.L.L. ten Kate ten deel viel-en een eerbiedwaardig mensch, die het zeer goed meende, en ook meenig goed vers gemaakt heeft, vinnig te bespotten, dat is actie uit de vleegeljaren, waarop men later niet trots is.

Ten Kate wordt nu niet meer over het paard getild-en er zijn nu nog wel anderen in tijdelijk aanzien, die meer spot verdienen dan hij. Ik heb een studenten-tijd gehad, maar ik gevoel geen recht om dien tijd-zooals veelen doen-tot de goede en noodzakelijke levens-perioden te reekenen. Ik heb mee-gedaan aan fuiven en baldadigheeden met heimelijke afkeer, en een gevolg van van stijgende schaamte. En tot die dingen, waarvoor ik toen te oud en te wijs had behooren te zijn-reeken ik ook: mijn spotternij teegenoover drie eerbiedwaardige mannen, Nicolaas Beets, Allard Pierson en J.J.L. ten Kate. Bij Pierson heb ik het door een persoonlijk bezoek zooveel mogelijk goedgemaakt-bij de andere twee is dat niet gebeurd en het gevolg is een pijnlijke herdenking. Het was voor een volwassene -als ik toen mocht heeten- niet waardig en niet correct -evenmin als het stuktrekken van een huis-schel. Ik wil ook geen verzachtende omstandigheden pleiten - maar voor de jongeren van deezen tijd nog meedeelen, dat het de omgeeving was van de `helden van tachtig' die tot zulke baldadigheden den stimuleerende bijval schonk. Voor Kloos en zijn satellieten kon het nooit heftig genoeg. En wie onttrekt zich geheel aan den invloed van een prijzenden kring? Men neeme nu ten Kate's verzen nog eens ter hand, en men zal zien dat het meer is dan vlotte rijmelarij.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie



 

Mijnheer Prikkebeen en andere Mopjes

J.J.A. Goeverneur (1809-1889) was een dichter en kinderboekenschrijver. Zijn initialen staan voor Jan Jacob Antonie. Een paar bekende kinderliedjes, die nu nog steeds gezongen worden, zijn: In een groen groen knollenland, Toen onze Mop een Mopje was, Roodborstje tikt tegen het raam en Op twee haasjes.


Mop en Mopje

Toen onze Mop een Mopje was
Was ’t aardig hem te zien;
Nu bromt hij alle dagen
En bijt nog buitendien

‘’Je bent een recht bedorven dier!
eerst at je, wat ik bood;
Nu wil je lekkre beetjes
En lust niet eens meer brood’’.

De Mop zei hierop tot den knaap;
‘’Hoe dwars praat gij daar toch!
Hadt gij mij niet bedorven,
‘k Was een lief Mopjen nog’’.


Mijnheer Prikkebeen

Zo mogelijk nog bekender is zijn bewerking van de strip "Fahrten und Abenteuer des Herrn Steckelbein’’ van de Zwitser Julius Kell. Een werk dat weer was ontleend aan M. Cryptogame van de Fransman Amédée de Noé (Cham). Goeverneur gaf zijn werk de titel Mijnheer Prikkebeen. Hij nam de tekeningen van Rodolphe Töpffer gewoon over.

Een fragment uit het hoofdstuk I.

Hoe mijnheer Prikkebeen aan zijne zuster een afscheidsbrief schrijft.


 

Maar helaas, 't was jammer, dat

Prik een booze zuster had,

Die hem dagelijks bekeef,

Dat hij bij haar t' huis niet bleef,

Tot hij eindlijk op papier

Bragt dit korte briefje hier:

 

 

 



‘Lieve zuster Ursula!

Ik ga naar Amerika;

Dat is 't echt kapelleland. -

'k Schrijf je dit met eigen hand

En blijf, evenals voorheen,

Je getrouwe Prikkebeen.’

 

 


Zuster Ursula en Amerika komen we dan weer tegen bij Rob de Nijs in zijn lied:

Dag Zuster Ursula


Boudewijn de Groot & Elly Nieman zingen:

Meester Prikkebeen


Bob Vrieling had in 1970 een hit met:

Prikkebeen


VPRO-Radio

J.J.A. Goeverneur heeft in dit land diverse straten en lanen op zijn naam. De bekendste is de Goeverneurstraat in Dordrecht, omdat de VPRO-Radio daar in het seizoen 1976-’77 een jaar lang programma’s maakte, die op vrijdagavond tussen negen en tien uur werden uitgezonden op de Muziekzender Radio 3. Kees Slager, Roel van Broekhoven en Katrien de Klein waren de makers van dit programma, dat werd gepresenteerd door Germaine Groenier.
       Eén van de nevenactiviteiten was een voetbalwedstrijd tussen vertegenwoordigers van de straat en de omroep. De foto van het VPRO-team plaatste ik al eens.


 
Staand v.l.n.r.: Gerrit Kramer, Ad Kooyman, Jan Donkers, Ronald van den Boogaard, Pim Buddingh', Roel van Broekhoven.
Zittend: Bob Ris, Kees van Kooten, Frans de Smit, John Jansen van Galen, Jan Haasbroek.   

De wedstrijd werd door de Goeverneurstraat gewonnen. Ik dacht eerst dat we met 6-1 hadden verloren, maar er was tot mijn verbazing een lezer die zeker wist dat het 5-2 was geworden.

 Wij waren technisch beter en hielden het tot de rust op 1-1. Daarna gaf conditie de doorslag.  

 
Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 



Het homo-erotische gedicht van de priester

Ooit woonde ik aan de Gezellelaan in Roosendaal. Niet Gazelle maar Gezelle. Naar Guido Gezelle, de Vlaamse priester-dichter. Ik vroeg toen wel eens aan mensen of ze ooit iets van hem gelezen hadden. Dat was zelden of nooit het geval.

Guido Gezelle was een groot dichter. Daar zijn alle kenners, liefhebbers, recensenten en collega-dichters het over eens. Zijn meest geroemde en beroemde gedicht is DIEN AVOND EN DIE ROOZE. Geschreven op 1 november 1858 en opgedragen ‘’Aan den Voorgaande’’.
      Gezelle was toen leraar aan het Kleinseminarie van Roeselaere. Die voorgaande was zijn 18-jarige leerling Eugène van Oye aan wie hij al eerder gedichten had opgedragen. Als je het gedicht 160 jaar later leest kun je je met al die seksuele schandalen in de R.K. Kerk nauwelijks voorstellen dat zo’n gedicht nog ergens geplaatst of gepubliceerd zou worden. Hier is sprake van een homo-erotische -zo u wilt- pedo-erotische verhouding tussen leerkracht en leerling.

Lees het gedicht en oordeel zelf:


DIEN AVOND EN DIE ROOZE

                     Aan den voorgaande

‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
- wie zal dit kwaad genezen? -
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ‘t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
‘t en ware ik ‘t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u
dien avond - en - die rooze!

Het gedicht is geschreven na een bezoek van Eugène (ook wel Eugeen of Eugen op z’n Vlaams) aan Gezelle. De leerling heeft bij die gelegenheid een roos meegenomen. Als het verschenen is, besluit de vader van Eugène om zijn zoon van het Seminarie te halen.
      Dat grijpt Guido Gezelle zo aan, dat hij instort. Niet veel later zal hij van het Seminarie verwijderd worden wegens te nauwe betrekkingen met leerlingen. Gezelle en Van Oye hadden een vertrouwelijke correspondentie, die bewaard is gebleven.

Voor zover ik heb kunnen nagaan gaat Boudewijn Büch het meest ver in zijn analyse.  In een stuk over ‘’pedofilie bij bekende schrijvers van gedichten’’ schrijft hij:

“In de Nederlandse letteren hebben we lang geleden al voor de eerste keer te maken gehad met een onmiskenbaar pedofiele priester. Zijn naam is Guido Gezelle (1830-1899), een Vlaming, en hij is één van de grootste dichters van de negentiende eeuw. Als taal- en dichtkunstvernieuwer is hij van zeer groot belang en zijn liefdesgedichten voor jongens – meestal pubers – zijn wonderlijk mooi. Vooral zijn verzen voor één van zijn leerlingen, Eugen van Oye (1840-1926) zijn werkelijk schitterend, zoals bijvoorbeeld het in Vlaanderen nog steeds beroemde Dien avond en die rooze. Helaas liep het met Van Oye minder mooi af: hij pleegde in de Eerste Wereldoorlog verraad, liep achter de Duitsers aan en werd na de oorlog van al zijn functies beroofd. Het was toen allang geen mooie jongen meer, maar een oude, bebaarde man’’.

 
Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

Kalfslever en benen

De Schoolmeester (1808-1858) was een populair en veelgelezen dichter. Op het oog simpele verzen. Alles rijmt, alles loopt ritmisch. Maar vaak kent zijn werk een diepere laag.
      Esopus in het volgende gedicht kennen wij beter als Aesopus, een Griekse maker van fabels, die leefde rond 500 Voor Christus. Of wij inderdaad het spreekwoord ‘’Als twee honden vechten om een been, gaat een derde ermee heen’’ aan hem te danken hebben is mij niet geheel duidelijk.
      Ik ga daar direct dieper op in maar lees eerst den Schoolmeester's gedicht De Hond.


De Hond 

Een hond is vermaard
  Om zijn gezellige aard
  En 't kwispelen van zijn staart.
    Zijn neus, doorgaans rond,
    staat gewoonlijk in 't front,
  En zo lang die maar nat en fris is,
Is 't een bewijs, dat meneer zo gezond als een vis is

Een hond is iemand, die van zijn baas bijzonder veel houdt,
Die hij, om zo te spreken, als zijn derde vader beschouwt,
En die hem dikwijls een hele boerewoning toevertrouwt,
Waar hij door zijn blaffen bedelaars en dieven vandaan weet te jagen
En de post van portier waarneemt, zonder er ooit geld voor te vragen.

  Als een haas niet op zijn tellen past,
  Wordt hij dikwijls door een hond verrast;
  Doch een hond loopt er ook wel tegen aan,
  Als men hem in de hondsdagen uit laat gaan.

    Menig een blinde hond
  Is verdronken, omdat hij geen zwemmen verstond;
    Doch zodra zij dit verstaan,
  Kan men ze rustig uit baaien laten gaan.

  Honden zijn dol op kalfslever en benen;
Doch, volgens Esopus, loopt er dikwijls een derde mee henen.
  Ook nuttigt een hond met plezier water en droog brood;
  Doch een pak slaag, daar heeft hij een broer aan dood.
Het opzetten is ook iets, daar hij niets om geeft
Als het maar niet begonnen wordt, terwijl hij nog leeft

Ook blaffen honden niet langer, als ze eenmal dood zijn;
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn.


Aisopische Fabels

In de zogeheten Aisopische Fabels van Aesopus komt de hond zeer regelmatig voor:

De hond en de schaduw

De hond en de hel

De hond en de haas

De wolven en de honden

De hond en de ruif

De smid en zijn hond

De honden en de vos

De hond en de wolf

De hond, de haan en de vos

De reiziger en zijn hond

De hond en de zeug

De ezel en de hond

De tuinman en zijn hond

De haas en de hond

De hond en de vos

De hond en de kok

De schelpen en de honden

Ik heb eerlijk gezegd lang niet al die fabels gelezen, dus of er ergens een derde met kalfslever en benen vandoor is gegaan, weet ik niet.
      De DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren) verwijst naar een anoniem gebleven toneelschrijver, die rond 1647 ‘’De klucht van de pasquilmaker voor den duyvel’’ schreef.
      Daarin komen de volgende regels voor:

Daer twee honden vechten om een schinckel te kluyven,
 
Gaet een derde gemenelijck me hene schuyven.

 

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje