Poëzie (274)

Kalfslever en benen

De Schoolmeester (1808-1858) was een populair en veelgelezen dichter. Op het oog simpele verzen. Alles rijmt, alles loopt ritmisch. Maar vaak kent zijn werk een diepere laag.
      Esopus in het volgende gedicht kennen wij beter als Aesopus, een Griekse maker van fabels, die leefde rond 500 Voor Christus. Of wij inderdaad het spreekwoord ‘’Als twee honden vechten om een been, gaat een derde ermee heen’’ aan hem te danken hebben is mij niet geheel duidelijk.
      Ik ga daar direct dieper op in maar lees eerst den Schoolmeester's gedicht De Hond.


De Hond 

Een hond is vermaard
  Om zijn gezellige aard
  En 't kwispelen van zijn staart.
    Zijn neus, doorgaans rond,
    staat gewoonlijk in 't front,
  En zo lang die maar nat en fris is,
Is 't een bewijs, dat meneer zo gezond als een vis is

Een hond is iemand, die van zijn baas bijzonder veel houdt,
Die hij, om zo te spreken, als zijn derde vader beschouwt,
En die hem dikwijls een hele boerewoning toevertrouwt,
Waar hij door zijn blaffen bedelaars en dieven vandaan weet te jagen
En de post van portier waarneemt, zonder er ooit geld voor te vragen.

  Als een haas niet op zijn tellen past,
  Wordt hij dikwijls door een hond verrast;
  Doch een hond loopt er ook wel tegen aan,
  Als men hem in de hondsdagen uit laat gaan.

    Menig een blinde hond
  Is verdronken, omdat hij geen zwemmen verstond;
    Doch zodra zij dit verstaan,
  Kan men ze rustig uit baaien laten gaan.

  Honden zijn dol op kalfslever en benen;
Doch, volgens Esopus, loopt er dikwijls een derde mee henen.
  Ook nuttigt een hond met plezier water en droog brood;
  Doch een pak slaag, daar heeft hij een broer aan dood.
Het opzetten is ook iets, daar hij niets om geeft
Als het maar niet begonnen wordt, terwijl hij nog leeft

Ook blaffen honden niet langer, als ze eenmal dood zijn;
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn.


Aisopische Fabels

In de zogeheten Aisopische Fabels van Aesopus komt de hond zeer regelmatig voor:

De hond en de schaduw

De hond en de hel

De hond en de haas

De wolven en de honden

De hond en de ruif

De smid en zijn hond

De honden en de vos

De hond en de wolf

De hond, de haan en de vos

De reiziger en zijn hond

De hond en de zeug

De ezel en de hond

De tuinman en zijn hond

De haas en de hond

De hond en de vos

De hond en de kok

De schelpen en de honden

Ik heb eerlijk gezegd lang niet al die fabels gelezen, dus of er ergens een derde met kalfslever en benen vandoor is gegaan, weet ik niet.
      De DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren) verwijst naar een anoniem gebleven toneelschrijver, die rond 1647 ‘’De klucht van de pasquilmaker voor den duyvel’’ schreef.
      Daarin komen de volgende regels voor:

Daer twee honden vechten om een schinckel te kluyven,
 
Gaet een derde gemenelijck me hene schuyven.

 

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

Bijna autobiografische malheur

Paul van Ostaijen (1896-1928; Geb. Antwerpen) schreef zijn gedicht Malheur, toen hij direct na de eerste wereldoorlog in ballingschap in Duitsland verbleef. Het was -om precies te zijn- op 20 juni 1920.
      Hij was toen in het bergdorpje Seeshaupt in Beieren. Samen met zijn vriendin Emmeke Clément en het kunstenaarsechtpaar Van Campendonk. Zij beklommen de Benediktenwand in het Karwendelgebergte. Van Ostaijen kreeg het vlak voordat zij de top zouden bereiken spaans benauwd en moest de laatste meters door zijn gezelschap naar boven worden geholpen. Het gedicht is daardoor bijna autobiografisch.


Van Paul van Ostaijen

Malheur

Warme walmstal
de heer privaatdocent K.
in de zomerfriste uit Breslau
probeert of hij bij middel van een convergerend glas
zijn sigaar Uebersee Bismarck kan aansteken

Op 2 meter van de bergtop verwijderd
valt zijn hoge hoed in de afgrond
een waardevol kledingstuk voor een privaatdocent onmisbaar
wat de heer K. begrijpt
hij probeert te vatten zijn vallende cilinder
waarbij hij zelf valt in de diepte
zijn cilinder achterna
differens weerstand van de lucht
zo gelukt het de heer K. gelijktijdig met zijn hoge hoed
de afgrond te bereiken
Ongedeerde hoge hoed R.I.P. privaatdocent K.

Men siert de baar van de arme alpetoerist
met edelweiss
De te zware rouwsluier zijner echtgenote
wordt gevat door een sneltrein
en bijgevolg ook de treurende Hintergebliebene

Alpinetragedie der dagbladen

Uebersee is een plaats in Beieren. Daar vond tijdens het bewind van Otto vos Bismarck die Zweite Reichsgründung plaats.
      Breslau lag toen nog in Duitsland. Na de tweede wereldoorlog is het Pools geworden: Wroclaw.
Het ligt in Silezië in het zuidwesten van het land.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

Termunten; een schijn van idylle


Veilig lig je achter de dijk.
Schapen grazen over je graven.

Zo begint het sonnet Termunten van Fetze Pijlman (Rotterdam 1946).
      Termunten is een dorpje in Oost Groningen. Niet meer dan 400 inwoners. Het ligt aan de Eemsmonding.
Vanaf de dijk heb je mooie vergezichten op het water dat sterke getijdenwisselingen kent.

     
Fetze was waarschijnlijk een beetje zwaarmoedig toen hij zijn gedicht schreef. 

Een jaar is hier een dag gelijk

En:

Alleen aan drank kan men zich laven
Het menselijk volk nam al de wijk


Dorpstoegang



Via een trappetje, dat tegen de dijk aanligt en een bruggetje kan je bijvoorbeeld in het dorpje komen. Het maakt een uitermate vriendelijke indruk.
      Nostalgische muren, leuke huizen.

Termunten is een eindpunt en het zal best dat de jeugd er wegtrekt, maar als je hier wat rondstruint  wordt het bijna idyllisch.
      En het touwtje hangt nog gewoon uit de brievenbus.

 
Touwtjes

 

Ursuskerk

De oude kerk is de kern van het dorp. Gebouwd in de 13e eeuw.

Van Fetze Pijlman

Termunten

Veilig lig je achter de dijk.
Schapen grazen over je graven.
Scheepjes roesten in je haven.
Aan niets dan armoe ben je rijk.

Een jaar is hier een dag gelijk.
De schoongeboende stoepen van de braven.
Alleen aan drank kan men zich laven.
Het meeste volk nam al de wijk.

En voor hen die achterbleven:
in neonletters RABOBANK
en uit de verte AKZO-stank.

Nee, niets niets te beleven
dan dagelijks een kater,
de strop, of misschien het water.


Bank & AKZO

Anno 2018 is de RABOBANK verdwenen.
      ‘’Al heel lang’’, zegt een meneer, die hier geboren is.  

En met die stank van AKZO-Delfzijl valt het volgens hem tegenwoordig erg mee. “Dat is inderdaad wel eens erger geweest’’.


Termunterzijl


De haven ligt niet in Termunten, maar even verderop in Termunterzijl.
      Ik heb er geen roestende schepen gezien. Eén vissersboot en een paar zeiljachten.  
Vriendelijk en ingetogen allemaal.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

De ‘’klokslag'' van Heiligerlee

Wij rijden op het Groningse platteland en daar staat op een ANWB-bordje Heiligerlee.
      Heiligerlee? De Slag bij Heiligerlee!
Wat weten wij van de Slag bij Heiligerlee?   
     

Wanneer was die slag en waar ging het om?
      Wij weten het eerlijk gezegd niet. Denken nog even dat het in de Romeinse tijd plaatsvond. Maar ja. Bestond Heiligerlee toen al.


Feest te Heiligerlee

We gaan ernaar toe en dan blijkt het feest.
      Vandaag exact 450 jaar geleden op 23 mei 1568 vond de Slag bij Heiligerlee plaats. Het begin van de Tachtigjarige Oorlog.

Het staat prominent aangekondigd bij het Museum Slag bij Heiligerlee, dat in het plaatsje gevestigd is. De Spanjaarden werden ‘’verpletterend’’ verslagen door het leger van Lodewijk van Nassau.
      Komend weekeinde wordt in Heiligerlee de slag nagespeeld door zo’n 500 re-enactors uit Nederland, Duitsland, Engeland, België en Tsjechië. Er wordt ook een muziektheaterstuk opgevoerd en er is een Historische Markt.


Klokkengieterij

En dan wordt er ook nog een speciale klok gegoten, want Heiligerlee is een centrum van klokkengieters.
      Recht tegenover het Slag bij Heiligerleemuseum is het Klokkengieterij museum.


Ida Gerhardt heeft daar nog eens een gedicht aan gewijd.

Anno Domini 1972

Er is te Heiligerlee een klok gegoten
en het was in de inzet van zijn stem:
of aarde en hemel samen vrede sloten;
hij zong -de wil des makers wekte hem.
En met de macht van zijn metalen mond
riep hij mij aan met name waar ik stond.
En stemmeloos heb ik het uitgestoten:
‘’Geen Holland, heeft als gij mijn hart doorwond’’.

En dan zijn we via Het Wilhelmus weer bij de Koning van Hispanje, die het verder wel kan schudden in Heiligerlee.

     

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

Een opgezette Roerdomp

Ik moest laatst mijn kleinzoon Jip ophalen bij een vriendje, die woont aan de Jacob van Lennepkade in Amsterdam.
      Die panden staan aan het Van Lennepkanaal, een gracht in Oud-West halverwege Overtoom en Kinkerstraat.
Op de terugweg zeurde er iets in mijn kop. Ooit had ik een gedicht gelezen, waarin dat kanaal een voorname rol speelde.
      Het heeft even geduurd, maar ik heb ’t gevonden. Het gaat over een veertje en een opgezette roerdomp.

Van Jan Kuijper

Botaurus Stellaris

De sloot werd breder, ik was op een meer.
Riet om mij heen. Geen vogels. Hoogspanning.
In 't water zag ik hier en daar een kring
maar of ik nat werd weet ik nu niet meer.
Ik roeide. Op het water dreef een veer.
Het was een onmiskenbare aanwijzing.
Een bruine veer. In deze omgeving
leefde een vogel. 'k Wist - Ik weet het weer.

Ik weet dat het de roerdomp is geweest.
Eens heb ik hem gezien, al was hij dood.
Hij lag op 't ijs in 't Van Lennepkanaal
na vele jaren in een schoollokaal.
Ik heb hem teruggezien, ik heb gevreesd
dat ik hem zien zou, in mijn kleine boot.

Het sonnet van Jan Kuijper (Amsterdam 1947) is opgenomen in de bundel Oogleden uit 1977.
      Een roerdomp is een vogel met een bruine schutkleur, die graag in rietvelden verblijft. Een zogeheten rietreiger.

Op de site van DBNL (De Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren) vond ik een uitvoerig vraaggesprek met Jan Kuijper, waarin aandacht wordt besteed aan dit sonnet. Interviewer is Tom van Deel, een collega-dichter en geen journalist zoals uit de vraagstelling blijkt.
      Een fragment:

  

Van Deel: interpreteer het gedicht eens.

K: Er is een ikfiguur, die droomt dat hij in een roeiboot zit, die vaart in een sloot met riet aan beide zijden. Die sloot wordt breder en hij komt in een soort poel terecht. Er is hoogspanning. Dat kun je zowel psychologisch als letterlijk opvatten. Er zijn geen vogels...

Maar wel drijft er een veer op het water.

Daar knoopt de dromende ik de conclusie aan vast dat er een vogel is in de buurt en hij vraagt zich af welke vogel. Dan wordt hij wakker en hij beseft dat hij over de roerdomp heeft gedroomd, ook al wist hij dat tijdens zijn droom nog niet. Over de roerdomp namelijk, die hij tijdens zijn jeugd op het ijs in een Amsterdamse gracht heeft zien liggen. Een roerdomp die helemaal geen doodgevroren roerdomp was, maar een opgezette, afkomstig uit de natuurlijke-historiekast van een of andere lagere school. Misschien heeft deze roerdomp destijds op het ijs enige schrik aangejaagd, dat is niet zeker, maar in de droom is hij duidelijk tot iets angstaanjagends geworden en de wakkere ik neemt, terugkijkend op zijn droom, aan dat het inderdaad een soort vrees was die hem belette die roerdomp ook werkelijk in zijn droom te zien. Die roerdomp tegenover de ik in z'n kleine boot, wordt dan tot een soort symbool van iets, dat ik nu maar beter geen naam kan geven, anders wordt het al te banaal.

Doe het voor de gelegenheid maar wel.

Nou, laten we het noemen ‘het Andere’, zoals in Willem Mertens' levensspiegel.

Waarom geef je het liever geen naam? Vind je het soms een beetje sneu voor de formulering die je er in dit vers nu eenmaal voor gevonden hebt?

Natuurlijk. Als ik nou zeg: die roerdomp dat is Magere Hein...

Ook alweer beeldspraak.

...dan is toch eigenlijk de jeu eraf. Vooral ook omdat het niet helemaal waar is.

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 
   

 

Subcategories

 

Twee maal de helft en een geel strikje