Poëzie (253)

 

De ontheiligde Grote Oorlog

DE vraag in onderstaande verhalende poëzie van Bertolt Brecht is: ‘’Wat is een Ruhrkapitein?’’
      Het werk verscheen in 1945 in de bundel Deutsche Satiren. In de originele versie zijn Ruhrkapiteins  Ruhrkapitäne. Maar ook dat verschaft geen duidelijkheid, want met de rivier De Ruhr en met binnenvaartschepen heeft het niets van doen.
      Het gedicht is opgenomen in de bundel LICHT, een poëzieverzameling van 125 dichters uit meer dan vijftig landen. Gekozen door Amnesty International.

En daar komt de uitleg: Een Ruhrkapitein was in de Tweede Wereldoorlog iemand, die dwangarbeiders vervoerde en daar veel geld aan verdiende.

Het gedicht in de vertaling van Sigrid Lensink-Damen.

De oorlog is ontheiligd

Er wordt, zo heb ik vernomen, in de betere kringen over
       gesproken
dat de Tweede Wereldoorlog uit moraal oogpunt
niet op het niveau van de Eerste heeft gestaan. De
       Wehrmacht
zou de methoden betreuren waarmee de destructie
van zekere volkeren door de SS werd volbracht. De
       Ruhrkapiteins
beklagen zich naar verluidt over de bloedige klopjachten
die hun mijnen en fabrieken met slaven vulden. De
        intelligentsia
veroordeelt zo beweert men, de vraag naar dwangarbeiders
        van de kant van
de industriëlen, even als de laaghartige behandeling. Zelfs
        de bisschoppen
distantiëren zich van deze manier van oorlogvoeren. Kortom
        er heerst nu
overal het gevoel dat de nazi’s hun vaderland een uitermate
kwalijke dienst hebben bewezen en dat de oorlog
op zichzelf beschouwd natuurlijk en noodzakelijk door de
buiten alle proporties geraakte en gewoonweg onmenselijke
        wijze waarop hij
deze keer werd gevoerd, voor geruime tijd in diskrediet is
        gebracht.


Bertolt Brecht(1898-1956) schreef zijn gedicht , toen hij in ballingschap in de VS verbleef.

      In 1933 ontvluchtte hij Duitsland, omdat hij vervolgd zou worden voor hoogverraad. De opvoering van zijn stuk De Maatregel werd ruw verstoord.
Hij vluchtte naar Denemarken, woonde in Zweden en Finland en vertrok naar de V.S. waar hij vanwege communistische sympathieën vervolgd werd.  
      In 1949 keerde hij terug in Duitsland, waar hij in Oost-Berlijn ging wonen.

Het oorspronkelijke gedicht gaat zo

 
DER KRIEG IST GESCHÄNDET WORDEN

Wie ich höre, wird in den besseren Kreisen davon gesprochen

Daß der zweite Weltkrieg in moralischer Hinsicht

Nicht auf der Höhe des ersten gestanden habe. Die Wehrmacht

Soll die Methoden bedauern, mit denen die Ausmerzung

Gewisser Völker von der SS vollzogen wurde. Die Ruhrkapitäne

Heißt es, beklagen die blutigen Treibjagden

Die ihre Gruben und Fabriken füllten mit Sklavenarbeitern, die Intelligenzler

Hör ich,  verdammen die Forderung nach Sklavenarbeitern von Seiten der

Industriellen, sowie die gemeine Behandlung. Selbst die Bischöfe

Rücken ab von dieser Weise, Kriege zu führen, kurz, es herrscht

Allenthalben jetzt das Gefühl, daß die Nazis dem Vaterland

Leider einen Bärendienst erwiesen und daß der Krieg

An und für sich natürlich und notwendig, durch diese

Über alle Stränge schlagende und geradezu unmenschliche

Art, wie er diesmal geführt wurde, auf geraume Zeit hinaus

Diskreditiert wurde.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 
 

 

De smalle mens

Wie is de grote dichter in dit hekeldicht van E. du Perron?
      Daar is bijna een eeuw geleden druk over gespeculeerd.
Er waren tijdgenoten en collega-dichters, die er bepaald niet gerust op waren, want de poëet komt er niet zo best vanaf.

Maar...
      Ze konden na een tijdje gerust zijn. Du Perron gaf er in 1934 antwoord. op
Zelfspot! Hij was het zelf.
      
 

 
De grote dichter
 
't Is 't morgenuur. De grote dichter heeft
 zijn snor geknakt, zijn wangen ongeschoren,
 en mediteert. De taak is hem beschoren
 te mediteren over Al-wat-leeft.
 
De nachtmuts is hem schuins van 't hoofd gegleden,
 het linkeroor begraven; hij zit opgericht,
 in bed nog, alle knokkels onder het gezicht.
 O God! ééns zal men horen: ‘Hij is overleden’.
 
Bitter vooruitzicht. En hij vouwt zijn handen,
 zonder te weten, dat verstaat zich, en zijn vrouw
komt binnen, met een knoedel op het hoofd, en trouw
 geeft hij de sterke kus der ongewassen tanden.
 

Uit: De smalle mens (1934)

Panoptikum op rijm

(Heropend Mei '33)

IN 1925, na mijn ‘verzamelde werken’ gebundeld te hebben onder de weinig innemende titel Bij Gebrek aan Ernst en mijzelf onder pseudoniem te hebben laten overlijden, dacht ik afgedaan te hebben met het schrijven. Het misverstand tussen mij en onze literatuur leek mij toen een uitgemaakte zaak. Ik moest nog beter ondervinden hoezeer de schrijflust dwingen kan. Nauweliks 2 maanden later schreef ik voor mijzelf een verhaal, daarna, binnen enkele dagen, een handvol hekeldichten die ik apart liet drukken in beperkte oplage onder de titel Het Bozige Boekje. Wie in dat boekje belang stellen zou was mij niet duidelik; ik dacht eigenlik niemand dan twee of drie vrienden, en misschien dacht ik zelfs dat niet, maar wilde ik dat denken. In de definitieve druk van mijn verzen (Mikrochaos) liet ik deze weg. Nu ik het oudere boekje terugvind en doorblader, zie ik dat rijmwerk terug als minder poëties dan ooit tevoren, maar wordt de bedoeling ervan mij ook duideliker: in werkelikheid was ik ook toen, slechtverhuld door een schijnmantel van kunst, als polemist bezig. Daar de bundel waarin zij voorkomen niet meer in de handel is, breng ik hier een keuze bijeen, als rijm-panoptikum met wat prozakommentaar. Zelfs in hun onderwerpen staan zij zo dicht bij mijn latere antipatieën.. Hier is de grote dichter wiens realiteit mij toen onverenigbaar zal hebben geleken met zijn talent of de wereld van zijn poëzië.

De strijd tegen zo'n kontrast is al te gemakkelik gewonnen, maar ik was zelf zoekende naar mijn postulaten. Dat het dichterlike van de grote dichter juist bestond uit het aanvaarden en tegelijk ontkennen van zijn realiteit, van wat misschien eens lijflik tot zijn poëzie behoord had maar onweerhoudbaar zich bij zijn realiteit was gaan schikken, ontging mij. Ik maak er mij geen verwijt van; de grote dichter gaat onverminderd aan mijn vers voorbij! 

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

De IJssel bij Veecaten

Het is maart. De lente komt eraan.
      En als het lente wordt, denk ik even aan het gedicht van Ida Gerhardt:

 

Herinnering


’t Wordt voorjaar langs de IJssel bij Veecaten 

Wolken en licht, in wisselende staten,
scheppen een Voerman, een opalen zwerk
dat hemels is en Hollands bovenmate.

 

Jan Voerman


''Gezicht op de IJssel bij bewolkte dag'': Jan Voerman

Ik ben er even naar toe geweest. Veecaten bestaat niet meer.
      Het was een gehucht aan de IJssel halverwege Zwolle en Kampen en
 werd in de tweede helft van de vorige eeuw vrijwel geheel verzwolgen door de rivier. Een paar resterende huizen horen nu bij ’s Heerenbroek, dat ook niet veel meer dan een gehucht is.
      Het bordje herinnert er aan net als de Veecaterweg.  
Tot 1937 bestond de gemeente Zalk en Veecaten.
      Zalk ligt aan de andere kant van de rivier en is in het seizoen te voet of per fiets met een pontje te bereiken.


De IJssel bij Veecaten (1)



Ida Gerhardt (1905-1997) wist waar ze het over had. Zij was van 1939 tot 1951 lerares klassieke talen aan het Gemeentelijk Lyceum in Kampen.
      Zij woonde daar aan de IJsselkade met uitzicht op de rivier.
Ida Gerhardt kreeg in 1980 de P.C.Hooftprijs.


Pad naar het pontje



’s Heerenbroek


De IJssel bij Veecaten (2)


De IJssel bij Veecaten (3)



De IJssel bij Veecaten (4)


Wegwijzer

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 


 

Drie vrouwen in een Rode Mercedes

Als je altijd alles bewaart in zakken en dozen, komt er een moment dat je het wilt gaan ordenen.
      Je komt dan altijd iets tegen, waardoor er niets van dat ordenen komt.
Je leest, je denkt, je leest nog eens, je raakt vertederd, je begint te twijfelen, kortom ....  

Het was mei 2002. Ik had iets te vieren en huurde het etablissement in mijn gehucht af.
      Er kwamen veel mensen uit de Grote Stad naar het buurtschap op de Hoeksche Waard. 
Veel van hen waren er nog nooit geweest.

Drie vrouwelijke collega’s kwamen in een Rode Mercedes.
      Dat zorgde voor de nodige inspiratie.

Lees hier de dichterlijke eruptie van Dini, Ineke en Fieneke.

 

Hulshorst, een gepasseerd station

Wij rijden over de Veluwe en zien ineens op een bordje Hulshorst staan. Hulshorst?!
      Ach ja Hulshorst. Een dorpje, dat bekend werd door een monumentaal gedicht van Gerrit Achterberg.
Een gedicht over het treinstation daar, waar nooit iemand kwam. Hoe zou het met dat stationnetje zijn?  
      Ik geef daar direct antwoord op, meer lees eerst het gedicht, geschreven in 1936.


Hulshorst  

Hulshorst, als vergeten ijzer
is uw naam, binnen de dennen
en de bittere coniferen,
roest uw station;
waar de spoortrein naar het noorden
met een godverlaten knars
stilhoudt, niemand uitlaat,
niemand inlaat, o minuten,
dat ik hoor het weinig waaien
als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw
uit het witte Veluwhart.


Het bos

Hulshorst heeft nog geen 2.000 inwoners en ligt vlakbij Nunspeet. Het is niet veel meer dan een verzameling huizen aan een doorgaande weg. Van rails, een overweg of een station geen spoor.  
      Wikipedia leert dat het stationnetje in 1863 geopend werd en op 31 mei 1987 gesloten.
Er kwam inderdaad bijna nooit iemand, want het ligt in de bossen een kilometer of wat buiten Hulshorst. Aan een doodlopende weg vlakbij de A-28.

Het witgepleisterde station is nu een woonhuis. De eigenaar is met een machine blaadjes aan het wegblazen. Hij kijkt niet op of om en is kennelijk gewend aan mensen, die zijn huis op de foto zetten.
      Direct naast de tuin, staat een bord met het gedicht erop.


Het Station

Het station kwam er op aandringen van een landheer, die het landgoed in die omgeving beheerde. Zo werd het in eerste instantie een soort privé-station voor een paar welgestelden, die in de buurt woonden. Verder stapte vrijwel niemand daar in of uit de trein.    
      Gerrit Achterberg wel.
Wim Hazeu schrijft in zijn biografie (1988): 'Als Bep (de toenmalige verloofde van Gerrit, onderwijzeres in Oldebroek) in de weekeinden of vakanties niet naar hem toekwam, ging hij met de trein naar haar. Hij kon tot Hulshorst met de trein komen, waar hij menigmaal op Bep wachtte, of Bep op hem, om vandaar per gehuurde fiets naar Oldebroek te gaan”.


De Locomotief



Tegenover het station is een stoomlocomotief als herinnering op een zijspoor gezet, naast een horeca-etablissement waar het in ’t seizoen wel druk zal zijn.
      Als je daar buiten zit hoor je de autoweg en hoor je af een toe een trein die voorbij raast. 


Het bord

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje