De smalle mens

Wie is de grote dichter in dit hekeldicht van E. du Perron?
      Daar is bijna een eeuw geleden druk over gespeculeerd.
Er waren tijdgenoten en collega-dichters, die er bepaald niet gerust op waren, want de poëet komt er niet zo best vanaf.

Maar...
      Ze konden na een tijdje gerust zijn. Du Perron gaf er in 1934 antwoord. op
Zelfspot! Hij was het zelf.
      
 

 
De grote dichter
 
't Is 't morgenuur. De grote dichter heeft
 zijn snor geknakt, zijn wangen ongeschoren,
 en mediteert. De taak is hem beschoren
 te mediteren over Al-wat-leeft.
 
De nachtmuts is hem schuins van 't hoofd gegleden,
 het linkeroor begraven; hij zit opgericht,
 in bed nog, alle knokkels onder het gezicht.
 O God! ééns zal men horen: ‘Hij is overleden’.
 
Bitter vooruitzicht. En hij vouwt zijn handen,
 zonder te weten, dat verstaat zich, en zijn vrouw
komt binnen, met een knoedel op het hoofd, en trouw
 geeft hij de sterke kus der ongewassen tanden.
 

Uit: De smalle mens (1934)

Panoptikum op rijm

(Heropend Mei '33)

IN 1925, na mijn ‘verzamelde werken’ gebundeld te hebben onder de weinig innemende titel Bij Gebrek aan Ernst en mijzelf onder pseudoniem te hebben laten overlijden, dacht ik afgedaan te hebben met het schrijven. Het misverstand tussen mij en onze literatuur leek mij toen een uitgemaakte zaak. Ik moest nog beter ondervinden hoezeer de schrijflust dwingen kan. Nauweliks 2 maanden later schreef ik voor mijzelf een verhaal, daarna, binnen enkele dagen, een handvol hekeldichten die ik apart liet drukken in beperkte oplage onder de titel Het Bozige Boekje. Wie in dat boekje belang stellen zou was mij niet duidelik; ik dacht eigenlik niemand dan twee of drie vrienden, en misschien dacht ik zelfs dat niet, maar wilde ik dat denken. In de definitieve druk van mijn verzen (Mikrochaos) liet ik deze weg. Nu ik het oudere boekje terugvind en doorblader, zie ik dat rijmwerk terug als minder poëties dan ooit tevoren, maar wordt de bedoeling ervan mij ook duideliker: in werkelikheid was ik ook toen, slechtverhuld door een schijnmantel van kunst, als polemist bezig. Daar de bundel waarin zij voorkomen niet meer in de handel is, breng ik hier een keuze bijeen, als rijm-panoptikum met wat prozakommentaar. Zelfs in hun onderwerpen staan zij zo dicht bij mijn latere antipatieën.. Hier is de grote dichter wiens realiteit mij toen onverenigbaar zal hebben geleken met zijn talent of de wereld van zijn poëzië.

De strijd tegen zo'n kontrast is al te gemakkelik gewonnen, maar ik was zelf zoekende naar mijn postulaten. Dat het dichterlike van de grote dichter juist bestond uit het aanvaarden en tegelijk ontkennen van zijn realiteit, van wat misschien eens lijflik tot zijn poëzie behoord had maar onweerhoudbaar zich bij zijn realiteit was gaan schikken, ontging mij. Ik maak er mij geen verwijt van; de grote dichter gaat onverminderd aan mijn vers voorbij! 

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie