Algemeen
- Details
- Hoofdcategorie: Algemeen (571)
- Categorie: Algemeen
Een weduwe erven
Kenia kent volgens min of meer officiële cijfers 42 volken.
Maar het kunnen er ook zeventig zijn.
Kikuyu’s zijn geldwolven, de Luo’s praatjesmakers, Luhya’s kunnen goed cricketen en de Kambavrouwen worden gevreesd om hun toverkracht.
Huwelijken tussen de diverse stammen zijn zeldzaam en politici buiten de tribale geschillen uit.
Bij de Luo’s komt polygamie op grote schaal voor. Vrouwen worden daar bijvoorbeeld geërfd als de man overlijdt.
De broer van de overledene neemt de weduwe over, die overigens dan eerst een reinigingsritueel moet ondergaan.
En de traditionele wetten eisen verder dat de weduwen seks moeten hebben met een dorpsgek.
Het zijn maar een paar ‘weetjes’ die ik gevonden heb in het interessante en wetenswaardige boekje Kenia, dat verschenen is in de landenreeks van KIT Publishers, Oxfam NOVIB en 11.11.11. (België ).
Het boekje is geschreven door mijn goede collega Ilona Eveleens. (Te Gast 12)
Bijzonder boekje
Het is een bijzonder boekje omdat Ilona al sinds 1995 in Kenia woont en dus heel goed weet waar ze het over heeft. Kenia kent veel problemen.
Enorme corruptie, criminaliteit, slecht bestuur, geweld en een gapende kloof tussen arm en rijk. Maar het is ook een land van prachtige mensen en wilde dieren, van adembenemende landschappen, gele savannen, roodbruine akkers en verstilde mangrovebossen.
Als u dit land echt wilt leren kennen voordat u bijvoorbeeld uw vakantieplannen maakt, raad ik u aan het boekje te bestellen.
Dat kan voor 14.50 Euro op:
http://www.kitpublishers.nl/smartsite.shtml?ch=FAB&id=33740&ItemID=2787&title=Landenreeks%20Kenia
Een kop Keniaanse thee bestaat overigens uit een gelijke hoeveelheid melk en water en wordt gekookt met theeblaadjes en een snufje masala; wegen zijn veelal smal en vertonen diepe kraters, er heerst een onstilbare honger naar land en de president heeft als enige het privilege om overheidsland te verdelen.
Voor veel mensen bestaat de hoofdmaaltijd uit niets anders dan een bundeltje bosspinazie, honderd gram maïsmeel en een halve kop bakolie.
In de hoofdstad Nairobi leven meer dan 50.000 kinderen op straat en de prikpil is de meest gebruikte vorm van anticonceptie.
Toeristen wordt overigens niet aangeraden om op eigen houtje sloppenwijken te bezoeken.
Maar: Kenia heeft negen maanden zonneschijn.
- Details
- Hoofdcategorie: Algemeen (571)
- Categorie: Algemeen
EEN EMOTIONELE HERENIGING

Verstekelingen uit 1964
Dit is een bijzondere foto, want we zien hier een emotionele hereniging.
In het midden staat mijn goede kennis Kok de Geus.
Hij wordt vergezeld door de heren Eddy Korwa (links) en Tony Rumpaisum. Papoea’s.
Verstekelingen, die in Sorong op Biak Nieuw-Guinea in 1964 illegaal aan boord klommen van het Nederlandse vrachtschip Schelde Lloyd en zich in de machinekamer schuilhielden.
Na een bizarre terugtocht waarbij de Papoea’s door bemanningsleden van het schip voor een vrijwel zekere dood behoed werden, kwamen ze in Nederland aan en kregen uiteindelijk asiel.
Kok de Geus was matroos op dat schip, herinnerde zich dit verhaal en schreef het op. Daarna vond de hereniging plaats.
Linksonder staat mevrouw Korwa.
Kok kijkt op een wereldkaartje waarop Eddy Korwa met een potlood de terugtocht via Australië en China heeft getekend.
Hieronder het opzienbarende verhaal.
Nieuw-Guinea
Op 23 juni 1962 vertrok ik met de Schie Lloyd, een vrachtschip van de Koninklijke Rotterdamse Lloyd, naar Nieuw-Guinea. De oorlogsspanning liep daar flink op. Bij Poortershaven, een klein plaatsje aan de Nieuwe Waterweg, hebben we een halve dag munitie liggen laden. Op het dek van ons schip stonden verschillende straaljagers om daar mogelijk te worden ingezet. In de ruimen een flink aantal tanks. De route naar Nieuw-Guinea ging via het Panamakanaal.
Omdat er ook een flinke spanning was met Cuba en er zelfs voor een atoomaanval werd gevreesd, moesten er voorzorgsmaatregelen worden getroffen. De brandslangen werden hoog in de masten gebonden en op de nevelstand gezet. Bij een atoomaanval werden de kranen opengedraaid en zou het schip onder een neveldouche staan. Dit zou enige bescherming tegen de bestraling geven.
Spannende tijden dus. Toch heelhuids in Nieuw-Guinea aangekomen. Hollandia, Biak, Sorong, Manokwari. We kwamen te laat, onder internationale druk moesten we Nieuw-Guinea opgeven. De Papoea's kregen nieuwe overheersers. Dus met een schip vol met oorlogstuig terug naar Nederland.
Opnieuw Nieuw-Guinea
In 1964 vertrok ik met de Schelde Lloyd wederom naar Nieuw-Guinea, het zou mijn laatste reis zijn. Maar wel een reis om nooit te vergeten. 6 Maanden lang problemen met de kapitein. Herhaaldelijk moest ik op het matje komen voor zoals ik het toen zag en nu nog zie, ging het om kattenkwaad. Nieuw-Guinea stond inmiddels onder Indonesisch bevel. Ik had wel iets met de Paoea's, een erg vriendelijk volk.
Men mocht het niet hard op zeggen maar het werd erg vaak gefluisterd dat men het erg vond dat de Nederlanders weg waren. Kortom we vertrokken met gemengde gevoelens want ik was niet de enige die er zo over dacht. Onze laatste haven was Sorong. We waren nog maar net vertrokken of we werden weer stilgelegd door de havenautoriteiten.
Er werden twee Papoeajongens vermist. Ons schip werd binnenstebuiten gekeerd maar geen verstekeling gevonden. Na 2 dagen brak er brand uit in de machinekamer. Was tijdens de reis al vaker gebeurd maar bleek steeds wel mee te vallen. Niemand keek er dan ook van op. Wel toen er twee Papoeajongens in paniek uit de machinekamer kwamen rennen. Dat was voor mij een fantastisch voorval, de kapitein had nu een probleem. Wat moet je met verstekelingen aan boord? We voeren nog langs de kustlijn van Nieuw-Guinea.
De kapitein sommeerde een sloep klaar te maken en die twee naar de kust te brengen. Hij had daar met zijn verrekijker een dorp gezien. Iedereen aan boord vond dit een belachelijk idee. Wij waren in de veronderstelling dat daar nog wel koppensnellers zouden kunnen leven. Is niet vreemd gedacht, toch? De kapitein is de baas dus de sloep met de eerste stuurman en een paar matrozen voeren naar de kust. Jammer dat ik niet mee mocht, ik was ook matroos, de kapitein nam echter geen risico,s door die lastpost mee te sturen.
Na een halfuur zagen we de sloep terugkomen met de twee verstekelingen nog aan boord. De kapitein stond te vloeken op de brug en ik had moeite om mijn lach in te houden. De verstekelingen werden weer aan boord gehaald en er zat niets anders op dan de twee mee te nemen naar Nederland. De eerste stuurman vond het niet verantwoord om de twee daar achter te laten. Dat zal die stuurman geweten hebben.
Op het matje
Twee dagen later liet de bootsman mij weten dat ik bij de kapitein op het matje moest komen. Niets aan de hand dacht ik, komt vaker voor. De kapitein was er uit, hij heeft er twee dagen over gedaan. De problematiek met de verstekelingen was aan mij te danken. Ik had 's nachts de wacht toen de twee aan boord waren geklommen. Als wacht ben je verantwoordelijk. Het incident heeft mede geleid tot een fikse gagestraf aan het eind van de reis.
Voor dat wij in Nederland waren moesten we nog naar Australië, China, en nog heel wat plaatsen in de Oost. Dit betekende dat in iedere havenplaats de twee achter slot moesten. Als we op zee waren mochten ze redelijk vrij rondlopen. Op 8 augustus 1964 kwamen we in Rotterdam aan. Met lijn 15 naar huis en nooit meer naar zee. Jammer want ik had het 6 jaar willen vol houden om niet in militaire dienst te hoeven. Ik ben bij 4 jaar dus blijven steken.
Hoe het met de twee Papoeajongens verder is gegaan is mij de afgelopen 48 jaar een raadsel gebleven. Zijn ze na aankomst in Nederland gelijk weer teruggestuurd? Zijn ze opgesloten?Vaak heb ik nog aan die twee jongens gedacht ik vroeg mij af hoe het verder is gelopen. In 2000 heb ik mij nog eens gestoord aan een bericht in de Volkskrant over een ceremoniële vlaghijsing in West-Papoea.
Peniskoker
In de Volkskrant van 2 december het volgende bericht, “Politie ontfutselt Papoea’s hun vlag”
Het artikel wordt ondersteund door een foto met een aantal zwaar bewapende Indonesische politieagenten. Onder de foto de tekst, “Een Papoea wordt gefouilleerd door een Indonesische politieagent in Jayapura.”
De politieagent die de Papoea fouilleert heeft een kogelvrij vest aan, een helm op met stofkap en de nodige wapens bungelen rond zijn lichaam. De Papoea staat er met een veren hoofdtooi en een enorme peniskoker, meer niet. Wat valt er te fouilleren?
Het contrast is te groot.
Hollanders, Indonesiërs altijd maar weer onderdrukkers.
Wie wil nou iemand met louter een peniskoker onderdrukken. Wat heeft het volk misdaan. Wat is het belang van dat grote oerwoud? Goud, zilver, diamanten?
Begin jaren zestig ben ik twee keer in Nieuw-Guinea geweest. De eerste keer met veel Nederlandse militairen. Twee jaar later met Indonesische militairen.
Nieuw-Guinea met de Papoea’s, ingezet voor de wereldvrede.
“Het maakt niet uit wie mijn superieuren zijn, van mijn peniskoker blijven ze af.”
Het toeval
Bij toeval vond ik op internet het volgende krantenbericht gedateerd 1 december 2000. Het heeft mij prettige dagen bezorgd.
„Zolang de morgenster schijnt, houd ik hoop”
Door A. Jansen
Bijna veertig jaar geleden streed Eddy Korwa voor een vrij Papoea tegen de Indonesische bezetters. Met het hijsen van de Morgenstervlag, op 1 december '61, hadden de Papoea's immers uitzicht gekregen op spoedige onafhankelijkheid. Dat lieten Eddy en zijn kameraden zich niet ontnemen door de overheersers van Java. Maar hun strijd bleek tevergeefs. Via een spectaculaire ontsnappingstocht kwam Eddy in Nederland terecht. Maar na het vertrek van de Indonesische president Suharto is de strijd van de Papoea's voor een eigen staat weer actueel. Zo ook de omstreden vlaghijsingen die vandaag op heel West-Papoea plaatshebben. Bijna veertig jaar na zijn vlucht pakt ook Eddy de draad weer op. Vandaag is hij erbij als op Biak de Morgenster wordt gehesen.
Op de avond dat ik hem spreek, zit Eddy Korwa in de meldkamer van de Knoopkazerne, hartje Utrecht. Een kleine, ranke man, met kroeshaar en een kenmerkend Papoeagezicht. Misschien is het vanwege zijn tengere voorkomen dat je niet zou zeggen dat Eddy de zestig net is gepasseerd.
Al sinds zijn komst naar Nederland, in 1964, zit hij bij de dienst burgerbewaking van het ministerie van Defensie. Dát hij een burgerbaan heeft, lees je niet aan hem af. Want met zijn geladen pistool en robuuste handboeien aan zijn riem zou hij zo voor een echte militair door kunnen gaan.
Nog een paar uur, dan zit Eddy's dienst als bewaker erop. En kan hij de rijen beeldschermen, het geknipper en gebliep van de bewakingsapparatuur overlaten aan zijn collega van de nachtdienst. Lang zullen al die knopjes en lichtjes niet in zijn brein blijven naijlen, want Korwa heeft in zijn vrije tijd wel wat anders aan zijn hoofd. Over twee dagen vertrekt hij naar Biak, om er op 1 december de vlaghijsing mee te maken. Een, overigens omstreden, ceremonie die naar onafhankelijkheid strevende Papoea's er hebben georganiseerd.
Korwa is dus de achternaam, en kenners weten dan dat Biak, het eiland aan de noordkust van West-Papoea, de geboorteplek moet zijn. Als twintigjarige heeft Eddy de perikelen rond de afgedwongen overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië meegemaakt. En 1 december heeft wat hem betreft dezelfde lading als 5 mei bij ons. Op die datum, in het jaar 1961, had Nederland immers toegestaan dat Papoea's hun eigen vlag, de Morgenster, omhoog hesen. En daarom trilde op die dag de lucht van hooggespannen toekomstverwachting: de vlag en het volkslied hielden slechts één belofte in: naderende onafhankelijkheid!
Gulzige Sukarno
Van al dat moois kwam niets terecht, want onder druk van de Verenigde Staten werd Den Haag gedwongen zijn laatste stuk Indië af te staan aan de nieuwe machthebbers op Java. Daar zat een gulzige Sukarno zijn „Indonesische Republiek” op de tekentafel neer te zetten, en West-Irian mocht daarin niet ontbreken. Al in 1962 claimde Sukarno Nederlands Nieuw-Guinea als zijn gebied, en doopte het om tot ”Irian Barat”, West-Irian dus. In 1969 werd het officieel door Jakarta ingelijfd.
„Toen ik in 1963 op een dag van mijn werk terugkwam”, herinnert Eddy zich, „moest ik mijn Nederlands paspoort inleveren. Het werd op een grote hoop gegooid en verbrand. En ik was nog van plan geweest naar Nederland te gaan; daar was het nu te laat voor.”
Korwa vergelijkt de Indonesische bezetting van zijn land met die van de Duitsers in Nederland. „We hadden niets meer te vertellen en moesten alles doen wat die vreemde overheersers ons opdroegen.” De aanwezigheid van de Verenigde Naties bij wijze van interim-bestuur bleek een wassen neus. „Wanneer Indonesische militairen hardhandig tegen Papoea's optraden, deden die VN-soldaten niks.” Korwa zag hoe militairen Papoea's op straat mishandelden. „Had je iets niet opgevolgd, dan klonk al direct: „Jij hebt zeker nog een hartje voor Nederland, hè?” en werd je als regelrechte tegenstander gezien. Wij van Biak werden sowieso beschouwd als loopjongens van de Hollanders.”
Dat was voor Korwa reden om alsnog te proberen weg te komen. „Nederland had op dat moment nog niet besloten zijn betrekkingen met Indonesië volledig te verbreken, dus in 1964, zo wist ik, zou er nog een Nederlands schip de haven van Sorong, waar ik bij de loodsdienst werkte, aandoen om goederen te lossen” (Sorong ligt op het eiland Manokwari, ofwel de Vogelkop van West-Papoea, AJ). Hij nam zich voor als verstekeling met deze boot mee te gaan naar Nederland.
Een extra reden om te vertrekken, was dat Korwa deelnam aan acties van de plaatselijke verzetsgroep. „Met zo'n 250 man voerden we een soort stadsguerrilla, waarbij we zo veel mogelijk Indonesisch materiaal onklaar probeerden te maken. Officieren opwachten en hen ombrengen hoorde er ook bij.”
Er verschijnt een lachje om zijn mond als ik hem vraag of hij ook persoonlijk militairen heeft geliquideerd. „Natuurlijk heb ik wel eens een hoge officier laten verdwijnen, maar niemand is er ooit achter gekomen wat er met hem is gebeurd.”
De Indonesiërs wisten op een gegeven moment wel dat ene Eddy Korwa bij dit werk betrokken was, want ze hadden een namenlijst in handen gekregen. „Een neef van me was daarachter gekomen en heeft me gewaarschuwd. Wegwezen dus, want iedereen wist dat wie gepakt werd op geen genade hoefde te rekenen.”
Penvriend
Dat het hem lukte om als verstekeling op die Nederlandse boot terecht te komen, ziet de christen Korwa altijd nog als een wonder van God. „Ik heb het echt als de weg van de Heer ervaren dat ik daar weg kon komen – ik heb er ook veel om gebeden.”
Eddy vertelt dat hij enkele jaren eerder had gecorrespondeerd met „Leo Franciscus”, een Nederlandse jongen uit Enschede. Vlak voor de overdracht in 1963 was dat contact echter verwaterd. „Toen dat schip aan de kade lag, moest ik van de loods de bemanningslijst ophalen en naar het kantoor van de havenmeester brengen. Onderweg daarheen was het alsof iemand tegen me zei: „Kijk even op die lijst.” Ik sla hem open en zie tot mijn stomme verbazing de naam Leo Franciscus, mijn penvriend, staan! Nog diezelfde avond heb ik een fotootje van hem, dat hij ooit eens had gestuurd, opgezocht, en ben ik naar de boot gegaan. Aan de bootsman vroeg ik of een van de bemanningsleden soms Leo Franciscus heette. „Zeker”, zei de man, om vervolgens naar achteren te roepen:,Hé Leo, ik heb hier een Papoeajongen voor je die je wil spreken.”
„Zeg maar wat je op je hart hebt; wat wil je van me?” was het eerste wat Leo tegen me zei toen we in zijn hut waren neergestreken. „Wacht even”, vulde hij aan. „Twee jaar geleden heb ik gecorrespondeerd met een Papoeajongen, maar ik weet niet waar die nu zit, we hebben geen contact meer. Ik ben eigenlijk van plan hem op te zoeken. Hier heb ik nog een foto van hem.” „Ik heb in die tijd ook gecorrespondeerd met iemand in Nederland”, zei ik. „En ik heb ook nog een foto van hem.” Ik pakte zijn foto uit mijn zak en liet hem die zien. Met grote ogen staarde Leo naar zijn eigen foto, en riep: „Ben jíj dan Eddy? Echt waar?” We hebben elkaar spontaan omhelsd en het eerste wat hij daarna zei was: „Wil je naar Nederland vluchten?” Graag, zei ik, liefst vanavond nog.”
„De volgende avond hebben we een vluchtplan opgesteld. We zijn naar beneden gegaan, de machinekamer in en via een luik zijn we afgedaald in de onderste ruimte van het schip. „Als je helemaal naar de hoek kruipt, vindt niemand je”, verzekerde Leo. „Daar komt alleen iemand als het schip naar het dok gaat.””
Al eerder had Korwa elf andere jongens opgetrommeld die met hem mee wilden naar Nederland. „Toen we bij elkaar waren, heb ik hun op het hart gedrukt dat, mocht iemand gepakt worden en hij ons zou verraden, we dan allemaal doodgeschoten zouden worden. Ik heb toen de Papoeavlag gepakt en uitgespreid, daarop de Bijbel gelegd en voorgesteld om met de hand op de Bijbel te beloven nooit iemand te zullen verraden. Mocht een van ons dat toch doen, dan zal hij eens aan God verantwoording moeten afleggen. Nog diezelfde avond heb ik een brief aan mijn ouders in Biak geschreven en mijn vluchtplan uitgelegd. De brief heb ik de volgende ochtend nog zelf op de post gedaan.”
Jongens vermist
„Om negen uur ben ik die dag naar de boot gegaan, en ben stilletjes aan boord gestapt. Van de elf jongens die mee zouden gaan, was er nog maar één over. Met hem ben ik via de machinekamer naar beneden geglipt – het was koffietijd dus niemand was daar aanwezig. Via het luik in de scheepswand zijn we verder afgedaald en weggekropen totdat we in de uiterste punt van het schip zaten.”
„Een uur later vertrokken we, maar we waren de haven maar net uit –zo vertelde Leo later– toen over de boordradio de havenmeester berichtte dat twee van zijn Papoeajongens werden vermist. De boot werd stilgelegd en even later klom een groepje militairen aan boord. Het hele schip werd van voor tot achter en van boven tot beneden doorzocht, maar zonder resultaat. Vervolgens hebben ze nog geprobeerd met water de ruimte waarin wij zaten vol te spuiten. Maar omdat we daar tegen de schuin oplopende scheepswand zaten, hoefden we voor het stijgende water niet op de vlucht.”
Eddy vertelt in die benauwde uren veel te hebben gebeden. „In mijn gebed heb ik gezegd: Heer, als u dit een oneerlijke strijd vindt, laat ons dan gevangennemen en terugsturen. Maar is het een goede strijd, breng ons dan in Nederland.”
Die tweestrijd tussen goed of fout zou hem nog dagenlang bezighouden, want de kans dat Eddy en zijn kameraad in Nederland zouden arriveren, leek met de dag kleiner te worden. Drie dagen zaten ze achter de scheepswand, zonder eten of drinken. Ter hoogte van Merauke, een stad op Irian in de uiterste oosthoek van de Indonesische archipel, zijn ze naar boven gegaan. Dat gebeurde vlak voordat de oversteek naar Australië zou worden gemaakt. „We waren nog in de Indonesische wateren, dus de kapitein probeerde ons zo snel mogelijk ergens aan land te zetten. Een sloep werd klaargemaakt, en begeleid door een groepje matrozen werden we daarmee naar een afgelegen plek gevaren. De kapitein dacht daar een dorp met huisjes te hebben gezien, maar toen wij in die sloep dichterbij kwamen, bleek het een begraafplaats te zijn. Een paar meter van de kust begon de bemanning in de sloep te aarzelen. Ook zij vonden een begraafplaats niet de ideale plek om verstekelingen aan wal te zetten.” De twee grepen hun kans. „We zeiden: „Wij hebben op school geleerd dat Nederlanders zo christelijk zijn, dus als dat zo is, dan nemen jullie ons mee naar Nederland.””
Na wat heen en weer gepraat was onder de matrozen de conclusie unaniem: de Nederlandse regering moet maar beslissen of de twee terug naar West-Irian moeten. Van hen mochten ze mee varen. Tot zijn grote woede zag de kapitein de sloep mét verstekelingen weer terugkeren. Maar na flink aandringen van de bemanning draaide ook hij ten slotte bij.
In Australië werd voor een week aangemeerd. Dat betekende voor de Papoea's zeven dag cel, want de Australische autoriteiten wilden voorkomen dat de twee de benen zouden nemen.
Drie maanden na het vertrek uit Sorong, op 8 augustus 1964, kwam de boot in Rotterdam aan. Na enig geharrewar met de autoriteiten en dankzij de steun van enkele Papoea's die al eerder naar Nederland waren gekomen, kregen Korwa en zijn medevluchteling in Nederland politiek asiel. Nog datzelfde jaar werden ze allebei bij Defensie aangenomen als bewaker; 36 jaar later zitten ze nog steeds bij die eerste baas, op dezelfde locatie: Utrecht.
Van de familie Korwa is Eddy de enige die naar Nederland is gevlucht. Afgezien van zijn zwager in Sorong –hij heeft twee jaar vastgezeten omdat hij Eddy zou hebben laten gaan– is zijn familie verschoond gebleven van represailles door het Indonesische leger.
Het gezin Korwa in Nieuwegein telt inmiddels zeven kinderen – genoeg redenen voor Eddy om zich helemaal op Nederland te richten. Maar West-Papoea blijft trekken en de heimwee is groot. „Ik probeer dat verlangen naar huis af te zwakken door tal van activiteiten te organiseren voor onze Papoeagemeenschap”, zegt Eddy. Mede om die reden kent Nieuwegein het enige Papoearadiostation van Nederland.
Desondanks zijn de familiebanden met Biak sterk gebleven. Een extra reden om betrokken te blijven bij de zaak van de Papoea's daar.
Op uitnodiging van het Comité voor Vlaghijsing in Biak, woonde Eddy vandaag deze vlaggenceremonie persoonlijk bij.
Beloften teruggedraaid
De toon van de centrale regering in Jakarta is echter grimmiger geworden, en president Wahid moet machteloos toezien hoe allerlei door hem gedane beloften worden teruggedraaid door de strijdkrachten. De vraag is op zijn plaats of zo'n vlagceremonie nog wel zin heeft.
„Het is toch toegestaan?” reageert Eddy ietwat verontwaardigd. „Op 1 december mag het nog, maar op één voorwaarde: per stad één vlag.”
„We hebben tegen de mensen daar wel gezegd dat ze zich moeten matigen. Want voor de Papoeabevolking geldt 1 december nog steeds als deadline. De leiders moeten dan besluiten tot onafhankelijkheid, vinden ze. „Vanaf die datum gaan we niet meer opzij voor de Indonesiërs”, zei men eerder dit jaar. Maar Indonesië heeft inmiddels al wel militaire versterkingen gestuurd! Dus je kunt nu wel zeggen: Het is erop of eronder, maar dan krijg je een bloedbad. Wij zullen proberen hen ervan te overtuigen dat we door moeten gaan met de dialoog. Onze leiders voeren al overleg met de regering in Jakarta, en op die manier proberen we verder te komen.”
Eddy vertelt al eerder tegen fanatieke jongelui op Biak te hebben gezegd dat die vlag „maar een doekje” is. En dat niemand er wat aan heeft als op 1 december iedereen wordt afgemaakt. „Spaar je levens voor de grote dag. Als we over een jaar of vijf jaar echt keihard eisen gaan stellen, dan hebben we jullie krachten hard nodig.”
Die 'grote dag' van onafhankelijkheid kómt er dus. Eddy Korwa blijft erin geloven. „Jazeker”, zegt hij. „Ik blijf positief. En als onze Morgenster straks niet meer mag wapperen, dan hebben we altijd nog de echte morgenster. Zolang die iedere ochtend aan de hemel verschijnt, houd ik hoop.”
Einde persbericht
Waar internet al niet goed voor is. De penvriend Leo Franciscus uit Enschede zei mij niet zo veel. Ook maar even zoeken op het internet. Op de bemanningslijst van de Schelde Lloyd kwam een L.F. Flake voor die voer als ketelbinkie. Na wat zoeken ook deze man gevonden, hij woont nog steeds in Enschede.
Een lang verhaal maar ik moest het kwijt.

- Details
- Hoofdcategorie: Algemeen (571)
- Categorie: Algemeen
Geplaatst in februari
28 februari: Beelden 88; Malbun Liechtenstein
26 februari: Gehoorde frasen 30; Logisch toch!
25 februari: ZoekPoëzie 9; Simon de Geus
24 februari: Poëzie 62: Vader & zoon & moeder; K. Schippers
23 februari: ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin
23 februari: Honkbal 44; Silver nights in Rochester
22 februari: G.M.117: Rémy & repie
20 februari: Media 59; Een opmerkelijk publicatieverbod
19 februari: Reportages 21; De Kwade Hoek Zuid-Holland
18 februari: Frasen 29; Een balkenende
17 februari: Algemeen 76; De angsten van de Hoeksche Waard
16 februari: Intussen in mijn kreek 13; Meerkoetjes op het ijs
15 februari: Goedemorgen 115; Liefdevol ruggeke
14 februari: Frasen 28; Dood in ogen
12 februari: ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade
11 februari: Goedemorgen 113; Geld bestaat niet
10 februari: Goedemorgen 112; Een ernstig ongeluk
9 februari: Nieuwe woorden 52; Linzensoepzin
8 februari: Intussen in mijn kreek 12; Een zwarte zwaan
7 februari: Algemeen 75; Grof internationaal schandaal
6 februari: Frasen 27; Werkplekcomplex
5 februari: ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker
4 februari: Poëzie 58: Vader & zoon 13; Paul Snoek
3 februari: Intussen in mijn kreek 11; Dansje met meeuwen
- Details
- Hoofdcategorie: Algemeen (571)
- Categorie: Algemeen
DIEUWKE
Mijn fietsroute ligt in de westhoek van de Waard. Rust, ruimte; veel ruimte. Akkers. Polders. Rechte wegen langs verkavelde gebieden. Graan, bieten, aardappelen. Maar ook kronkelende bomen-, struiken- en kruidendijken. Slapers, dromers. Prachtige kreken, slikken, grienden en gorzen. Boerenhoeves, molens en kerken. Veel kerken. Dit land van zware klei, wolken en luchten; dit land moet zuchten. Maar God, wat is het mooi!
Gisteren belde ze. Dieuwke. Ik luister naar haar en denk: ‘dat is toch een Friese naam?’ Zo klinkt ze niet. Prettig, warm, beschaafd. Mooie enigszins donkere stem.
‘We hebben je verhaal gelezen. Allemaal. Lieve ook. We vinden het prachtig. Maar er is één ding waar ik met je over wil praten.’
Hoe ziet ze eruit. Dieuwke? Hoe oud is ze?
‘Het is vooral die ene zin. Waarin je schrijft: en dan is er nu ook nog die kunstzinnig verantwoorde luchtfietserij van AIR. Dat vindt Lieve onacceptabel’.
Ze is vast donker. Dieuwke. Halflang haar. Hier en daar wordt het al wat grijs. Maar dat vindt ze niet erg. Begin veertig. Niet dat gladde strakke, maar een beetje doorleefd. Aantrekkelijk. Volslank. Vrij lang.
‘Die luchtfietserij? Dat is een grapje’.
‘Nou zo hebben we het anders niet opgevat. Als het er niet uit mag, wordt je verhaal niet geplaatst. Lieve wil het niet.’
Dat klonk dreigend! Gisteren.
Route
Mijn route begint op de Zuidzijdsedijk. Er is altijd wind. Die wijst mij de weg. Soms wil ik wind mee, soms tegen. Ik trek grillige patronen door dit platte land.
Lieve!
Ze is al eens naar Oud-Beijerland gereisd om mij te ontmoeten, want ik woon al heel lang in de Hoeksche Waard. Ze is veel aan het woord en jargont in een diep zuidelijk accent. Lieve is een Belse. Ik begrijp niet altijd waar ze het over heeft. Op mijn beurt vertel ik een paar verhalen en anekdotes. Over de angsten van de Hoeksche Waard. Dat vindt ze interessant. .
Dieuwke is een beetje hees.
Ze rookt toch niet? Is ze kunsthistorica? Nee! Cultuurfilosoof. Ze heeft al een paar mislukte relaties achter de rug. Geen kinderen.
Ze bereidt zich voor op een discussie, die ze liever niet wil voeren.
Maar ja, Lieve is de baas.
Ik geloof dat ik haar aardig vind. Dieuwke.
Hoe is ze gekleed? Nonchalant? Nee! Meer een type voor broekpakken.
‘Ieder individu en iedere instelling moet zichzelf kunnen relativeren. Zeker Architecture International Rotterdam’, denk ik.
‘Het is alleen die ene zin’, zegt Dieuwke. Lieve wil het echt niet’.
‘Ach dan laat je het er toch uit’ zeg ik.
Ze valt stil. Dieuwke. Dat had ze niet verwacht.
Zal ik haar uitnodigen om naar de Hoeksche Waard te komen?
Dan gaan we fietsen en kan ze al die bijzondere, mooie, specifieke en karakteristieke plekken zelf zien.
Molen Landzigt in Zuid-Beijerland bijvoorbeeld daar in de verte. Een korenmolen van het type grondzeiler, waar je meel kan kopen. Hij brandde in 1990 af tijdens de orkaan. De wieken sloegen op hol en draaiden tegendraads. Een intriest, prachtig schouwspel.
‘Oké’, zegt ze.’Dag’
AIR-Zuidwaarts
Van september 1998 tot diep in de zomer van het jaar daarop werd de Hoeksche Waard overspoeld door de zesde AIR onder het motto AIR-Zuidwaarts/Southbound. Een ‘interdisciplinaire architectuurmanifestatie’ die zich richtte op het cultuurhistorisch landschap van dit eiland ten zuiden van Rotterdam.
Lieve legde het me allemaal uit bij een cappuccino in het Grand Café. In merkwaardige volzinnen, die ik thuis direct noteerde.
‘AIR Zuidwaarts/Southbound’ zei ze bijvoorbeeld, ‘gaat op zoek naar de metapositie, die de bekende romantische of liever modernistische positie overstijgt waardoor begrippen als stadslandschap en stedelijk veld betekenisvoller worden voor het regionaal ontwerp op de schaal van Nederland en Europa’.
Kunstenaars zouden er komen. Vormgevers. Fotografen. Schrijvers, dichters. Stedenbouwkundigen. Landschapsarchitecten. Antropologen. Deskundigen op het gebied van de nieuwe media. Ze kwamen uit de hele wereld.
Behalve uit de Hoeksche Waard.
Tentoonstellingen zouden worden ingericht. Er kwamen gespreksgroepen, toneelvoorstellingen, excursies en ontmoetingen met inwoners waaronder autochtonen.
‘Vandaar waarschijnlijk die antropologen’ denk ik geprikkeld en stop bij dat boerderijtje aan de rand van Piershil om een paar geitenkaasjes te kopen.
STEF
Er zouden publicaties verschijnen, waarvan ik er ook een paar voor mijn rekening mocht nemen. Ik schreef over de bewoner van dit monumentale pand hier aan het Zwartsluisje. Stef zit voor het raam en klingelt met zijn wijsvinger.
Hij woont al bijna zestig jaar in zijn geboortehuis; een ontwikkeld man. Erudiet. Studeerde theologie. Iemand met een subtiel gevoel voor humor. Tot hij gaat drinken. Dan slaan de angsten toe. En na iedere borrel wordt het erger. De angst voor het water, dat in 1953 bezit van zijn ouderlijk huis nam en vooral de angst voor het geloof. De ware helleangst. Als hij zijn gevoel wil uitdrukken pakt hij een oude VPRO-gids en citeert oud-programmamaker en dominee Klaas Vos, want niemand kan het beter onder woorden brengen dan hij:
‘Die God is niet mis hoor. De mens deugt immers niet. Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Zo staat het in de Heidelbergse Catechismus. Ook al ben je nog zo gelovig; ook al voel je je in hartelijke verbondenheid met de Here Jezus, dan is het nog niet zeker dat je straks de poorten van de hemel binnenkomt. Want wat is zonde? En wanneer zullen de fiolen van Gods toorn over mij worden uitgegoten? Ik krimp ineen, voel de pijn in me en kan Hem alleen maar om vergiffenis vragen.’
Irritatie
Vaak speelt er lichte irritatie op tijdens mijn tocht. Over plannenmakers, bestuurders, autoriteiten, politici. Ruim 30 jaar geleden komt uit Rotterdam het plan 2000-plus. Insteekhavens aan de noordkant van het eiland. Opslagruimtes voor containers. Industrieterreinen. Hele dorpen, landerijen en wegen zijn van de kaart geveegd. De mensen kunnen gaan wonen in een nieuw te bouwen stad in het centrum van de Hoeksche Waard en de boeren moeten maar naar de Flevopolder. Een megalomaan plan waar burgemeester Thomassen en de havenbestuurders later hun verontschuldigingen nog voor zullen aanbieden.
Maar er zijn meer plannen. Een tweede internationale luchthaven bijvoorbeeld. Groter dan Schiphol. Bedacht door het Openbaar Lichaam Rijnmond onder leiding van André van der Louw. Mijn huis is op alle tekeningen verdwenen.
Zomaar.
Het plan kan worden uitgevoerd –staat er letterlijk- mede vanwege de reeds aanwezige infrastructuur.
Voor een internationale luchthaven?
In de Hoeksche Waard?
Wat kan dat toch zijn?
Ik schiet vijf mensen aan bij dat Openbaar Lichaam, maar niemand weet het. Tot een ambtenaar de oplossing aanreikt.
‘Die akkers worden toch wel eens bespoten vanuit sproeivliegtuigjes. Daar heb je je infrastructuur. Die vliegtuigjes moeten toch ook stijgen en landen”.
Gek zijn ze. Soms.
Volkomen gek.
Daar op de Oosthoek is zo’n baantje van 25 meter lang en twee meter breed.
Ik zal het haar in het staccato van mijn pedaalslag vertellen. Dieuwke. Dat we een een foto hebben laten maken, die in alle kranten kwam. Dat daar toen hard om gelachen is, Dat niet zo gek lang daarna het Openbaar Lichaam Rijnmond werd opgeheven. Dat ik daar veel genoegen in schepte.
Er moesten twee kerncentrales komen. Eén bij ’s Gravendeel en één op Tiengemeten. Een pretpark verscheen op de tekentafel. Een depot voor giftig havenslib in het Hollandsch Diep. Grootschalige glastuinbouw. De hoge snelheidslijn is er inmiddels. Bedrijvenparken zijn niet uitgesloten.
‘Blijf er met je poten vanaf ’, denk ik en schakel naar een hogere versnelling. ‘We zijn inmiddels toch Nationaal Landschap’.
Herinneringen
Gelukkig zijn er veel bijzondere herinneringen. Vooral door ontmoetingen met autochtonen. Oud-Beijerland. Het huis van Adri, een gekend man in de streek. Hij verlaat zijn goedkope huurwoning om jongeren daarvan te laten profiteren. Hij doet ombudswerk, helpt mensen met hun belastingformulier, zit in het bestuur van de P.v.d.A., draait jarenlang mee in de gemeenteraad en doet alleen boodschappen bij partijgenoten.
Hij sterft een beetje als de Oud-Beijerlandse schokbrekerfabriek KONI wordt overgenomen door ITT. Het mooie bedrijf dat groot werd door het harde gedisciplineerde werk van arbeiders uit de Hoeksche Waard, wordt achter zijn rug om verkocht aan een ‘vuige’ Amerikaanse multinational. Als Adri echt dood is, neemt niemand van zijn partij tijdens de uitvaartbijeenkomst de moeite om een woordje te spreken.
Mijn tocht voert langs veel kerken. Van de gereformeerde gemeente, de hervormde gemeente, de Evangelische gemeente, de Evangeliegemeenschap van Jezus Christus, de Nederlandse Protestantse bond, de gereformeerde gemeente vrijgemaakt, de oud-gereformeerden, de Christelijk gereformeerden en de stichting tot instandhouding van de oud-gereformeerde waarheid.
Goudswaard zucht het meest. Even buiten het dorp staat verstild in het landschap het angstaanjagende kerkgebouw van de gereformeerde gemeente. Eben Haëzer. Steen der hulpe. Samuel 4 vers 1.
Ooit kwamen twee kinderen bij ons op bezoek toen er een polio-epidemie heerste. Ze waren niet ingeënt.
Zou ik ze een klontje geven? Gewoon in een kopje thee. Is dat dan ook niet Gods wil? En zijn die ouders diep in hun hart dan niet heel dankbaar?
Ik stap, niet wetend dat weer een ander kind op bezoek is, bloot de badkamer uit. ‘s Avonds komt de vader verhaal halen. Zijn dochter heeft voor het eerst van haar leven een blote man gezien.
Jacob is geboren aan de dijk. Hij is een man van weinig woorden. Zijn vrouw stierf op betrekkelijk jonge leeftijd aan K. Vrijwel niemand aan de dijk die wist dat ze zo ziek was.
‘Weet je buurman’ is zijn sonore commentaar later,’er zijn nu eenmaal dingen waar je niet over praat’.
Op het Vuurbaken herinner ik me weer een paar zinnen van Lieve.
‘Air Zuidwaarts/Southbound is eigenlijk een symfonie in drie delen. Je moet ons zien als een katalysator om het debat over nieuwe stedenbouwkundige kwesties aan te zwengelen en te stimuleren. De Hoeksche Waard is immers het resultaat van een occupatiegeschiedenis van vele generaties.’
Ik schakel naar mijn hoogste versnelling als ik merk dat ik al die rimram onthouden heb. Daar is veehouder Schil, één van de weinigen op het eiland.
Hij zwaait en roept:
‘Volgende week’.
Er zijn kalfjes geboren. Ik kan biest halen. Daar is geen hormoon aan te pas gekomen, want ook Schil is een diepgelovig man.
Zou ik haar wat biest cadeau doen? Dieuwke.
'Van het platteland', kan ze dan tegen haar stadsvriendinnen zeggen.
'Word je vruchtbaar van'!
't Kleine buikje
Ach dat kleine buikje. Toon woont even voor Goudswaard. Het gebeurde op zijn dertiende. Zijn vriendje leerde hem dat het kleine buikje er niet alleen was om te plassen, maar dat het ook tot wonderlijk genot kon dienen.
Toon wist dat God dit niet goed zou vinden en dat hij in de hel zou komen om tot in eeuwigheid te branden. Als dominee het in de kerk over zonde had, wist hij precies waar het over ging. In opperste verwarring, angst en opwinding vertelde hij het zijn vader en werd tot bloedens toe in elkaar geramd.
In het centrum zal Bas wel in zijn achtertuin zitten. Ooit had hij een unieke functie: burgemeester van drie gemeentes tegelijk: Goudswaard, Piershil en Nieuw-Beijerland, waar de curieuze coalitie PvdA-SGP tot stand was gekomen. Bas hult zich graag in leer op zijn zware motor. Hij wil nog wel eens gas geven. Ook op zondag en dat neemt niet iedereen hem in dank af. Bas maakte zijn jongensdroom waar: Route 66 op een Harley Davidson 1200 cc.
Hij viel en brak het één en ander. Maar hij zette door en bereikte Los Angeles. Toen het gips verwijderd was ging hij in de oceaan zwemmen en botste tegen een pijlstaartrog, die zijn giftige staart in hem zette. Hij zweefde geruime tijd tussen hel en hemel. De ervaring van zijn leven.
Daar buitendijks voorbij Goudswaard zijn in de winter de ganzen. Duizenden, tienduizenden. Rotganzen, kolganzen, grauwe ganzen, brandganzen. En pas als ik ze voor het eerst en masse in beweging zie, begrijp ik wat dat is: in de ganzenpas lopen.
Verderop diep in de polder werd voor het eerst Poëzie Buiten gehouden.
Cees Buddingh’ leest er een gorgelrijm. Simon Vinkenoog rookt en de beroemde dichter S. is te dronken om nog iets te doen. Binnen in de schuur is het stampvol, buiten worden schapen geroosterd.
In Nieuwendijk woont Leo. Hij werkt parttime. Neemt altijd vrij op dinsdag, want dan gaat hij het Haringvliet op met de kano. Leo leeft met de seizoenen mee. Hij leest het landschap en kent het water, de geluiden, de vogels.
‘Die zeearenden komen ieder jaar weer terug’.
Leo is woedend over alle plannen.
‘Baggerdepots. Dijken doorsteken. Bedrijvenparken. Dat soort dingen. Eufemistische benamingen. Plannetjes van mensen achter een tekentafel. En dan noemen ze dat: ecologische hoofdstructuur. Me reet’.
Het Haringvliet is sinds de sluiting begin jaren zeventig volkomen zoet; een enorme ecologische schok. De rietgorzen zijn vrijwel verdwenen. Maar toch: wat een mooi water. En bovendien zijn er wel doordachte plannen om de sluizen weer een beetje open te zetten. De terugkeer van de driedoornige stekelbaars, een scharretje, een gul, een rog, een zeepaling.
Frisse lucht
Ik fiets verder en adem frisse lucht. Handen losjes op het stuur.
Daar is het huis van de dierenarts, die in een andere cultuur opgroeide. Hij heeft zijn eigen aanpak. Ooit liet ik bij hem een kater castreren. De man vond dat ik daar bij moest zijn.
‘Dat is goed voor u’.
Hij gaat aan de slag en zegt na een tijdje:
‘Houdt u die balletjes even vast’.
En dan de kat, die ik dood reed op de dijk. Ik bel aan en vertel het de eigenaar. Hij zwijgt, loopt weg en keert even later terug met een schep.
‘Hier! Begraaf jij hem maar’.
Verderop zit Dieneke in de bijkeuken van haar grote boerderij. Zij heeft zicht op de dijk en kent vrijwel iedere automobilist die voorbij komt. Bij mooi weer zit ze buiten en moet dan veel zwaaien. Ze leest in de Bijbel, Psalm 58: ‘Handhaaf het recht O God’. Daar moet ze binnenkort over vertellen in de Bijbelstudieclub. Het gaat over goddelozen en afvalligen.
De mooiste hoeves passeren. Vaak vernoemd naar vrouwen. De Petronellahoeve. Helenahoeve. Adriana, Agatha Johanna en Suse. Als ik mijn route wat uitbreid en het pontje naar Tiengemeten neem, volgen Laurette, Marquerita, Louise, Helene, Susanna , Tessa, Irene, Ida en Nicole. Een eerbetoon aan de vrouwelijke nakomelingen van het geslacht Van Brienen, dat tot 1967 eigenaar van het eiland was, zoals valt te lezen in het boekje ’Over het Vuile Gat naar Tiengemeten’ van Ton van der Graaf.
Zou zij ook een hoeve op haar naam willen? Dieuwke. Nee! Ze klinkt als een stadsmevrouw. Ze houdt wel van gezonde buitenlucht, maar niet te vaak. En klompen? Nee! Klompen doet ze niet aan.
Op één van die mooie karakteristieke zwartgeteerde schuren stond de poëtische zin: ‘Dan denk ik: wat tob ik!’.
Het is van kraanmachinist Simon de Geus uit Puttershoek.
Grote kijkers
Bij de laatste kreek die ik tegenkom zie ik R. en L. met grote kijkers. Zij inventariseren iedere zondagochtend de vogelstand. In het bosje verderop zijn negen reigersnesten. En er is een wilde pauw. De dodaars is weer in de kreek teruggekeerd. Eén smient vandaag en naast het gebruikelijke spul een tafeleend. Maar voor L. kan de dag niet meer stuk als hij een beflijster ziet.
Jannie woont al dertig jaar aan de dijk. Ze komt uit de Achterhoek en vond de Hoeksche Waard in het begin kaal.
‘Na al die jaren ben ik van dit landschap gaan houden. Het mooist zijn die onaanroepbare akkers.’
Ik ben er bijna. Daar is de Polder-eterij. Er staat struisvogelbiefstuk op het menu. Die beesten worden honderd meter verderop gefokt. In de hoofdstad kun je bij de visboer inmiddels zwaardvis kopen; de delicatessenzaak heeft Vindaloo-pasta, er is al een slager die gelardeerde lever verkoopt en de dim-sum hapjes bij de supermarkt zijn ook weer terug. In de boekwinkel is het behelpen. Ooit zocht ik iets van Multatuli. De jonge verkoopster kijkt mij wanhopig aan.
‘Multatuli? Is dat een tijdschrift of zo?’
De kantoorboekhandel verkocht een tijdje de International Herald Tribune, maar ook dat is weer voorbij. En nooit zal ik het onthutste gezicht vergeten van de jongen in de platenwinkel, toen ik vroeg of ze toevallig iets van Vladimir Vyssotski in huis hadden.
Ze kwamen meestal kort langs in de Hoeksche Waard. De kunstenaars en de vormgevers. En ze verdwenen nog sneller. Ze heetten ondermeer Peter Calthorpe, Matthew Taecker, François Roche, Stefano Boeri, Jörg Dettmar, Ulrike Beuter, Harald Fritz, Simone Hastenpflug, Edzo Bindels, Ruurd Gietema , Henk Hartzema, Arjan Klok en Marieke Timmermans.
Het waren slechts passanten, die ’een dingetje’ deden. Dingetjes , die in een boek werden gepubliceerd, maar waar natuurlijk niets mee gedaan werd.
In de Hoeksche Waard heerst angst. Angst voor het geloof. Angst voor het water. Angst voor de toekomst. Maar het verstand zal zegevieren. Bij het kunstatelier op Zuidzijde staat het in grote letters. ‘Bij het trekken van de lijn is de verandering een feit’. Of is bij het trekken van de lijn de verandering slechts schijn?
Dit land blijft kruien van bieten en uien.
(Aangepaste versie; eerder geplaatst voorjaar 2007)
- Details
- Hoofdcategorie: Algemeen (571)
- Categorie: Algemeen
NOGMAALS BEAU BASSIN MAURITIUS
Ruim een jaar geleden plaatste ik onder Reizen 52 een stukje over een Joodse begraafplaats op het eiland Mauritius in de Indische Oceaan. Er lagen 126 mensen begraven, die allen waren overleden in de Tweede Wereldoorlog. Een zeer onbekend grof schandaal. Eind december 1940 arriveren twee Nederlandse schepen na een tocht vol ontberingen bij het eiland. Aan boord 1670 Joden uit Duitsland, Oostenrijk, Polen en Tsjecho-Slowakije. Het waren vluchtelingen, die door mandaathouder Engeland eerder de toegang tot Palestina ontzegd waren.
Mijn vriend Henk Weltevreden ( Te Gast 17) was vorige maand op Mauritius. Omdat hij mijn stukje gelezen had bracht hij een bezoek aan de begraafplaats en maakte foto’s.
Blessed be the true judge
Dit is de ingang met daarop het opschrift Blessed be the true Judge (Baroech dajaan emet), wat het best vertaald kan worden als ‘Gezegend zij de ware rechter‘.
Hieronder een foto die ik in 1996 maakte. We zien dat er toen nog geen blauwe borden bij de ingang waren…..

Jood uit Litouwen
Op één van die borden wordt Isia Birger geëerd door de South-African Jewish Board. Een Jood uit Litouwen die zich in 1937 op Mauritius vestigde en zich tijdens en na de oorlog verdienstelijk maakte voor de instandhouding en het onderhoud van het kerkhof.
Nieuwe 'medewerker'
Dit is de Jezuiet Fr. Jean Maurice Labour, vicaire generale; de vice-bisschop van Mauritius, die waarschijnlijk tot zijn genoegen ziet dat de begraafplaats nog steeds zeer goed onderhouden is.

Pagina 21 van 33


