Media (361)

 

Stonewall Barr

(Door Hugo Kijne te Hoboken USA)

Robert E. Lee had Stonewall Jackson and Donald Trump has William Barr.  The two came together in a peculiar way this week.  First the president doubled down on his remark that there had been ‘very fine people’ on both sides in Charlottesville, by claiming that the neo-Nazis and KKK members who marched there were defending the honor of Lee, a cruel slave owner who led a military insurrection against the United States, but according to Trump was one of ‘our’ greatest generals.  Obviously the president’s recurring defense of anti-Semites didn’t go down well right after another deadly shooting at a synagogue, and Trump didn’t make things better when at a campaign rally he graphically described how after having given birth and dressed up their babies some mothers start planning the killing of their newborn with the doctor.  But it was all only an overture to a shitshow at the US Senate where Barr, who was called ‘Cover-up General Barr’ during his first stint as Attorney General under George H.W. Bush, would take center stage.  His failed attempt to bury evidence of Bush’s involvement in Iraq-gate and the Iran-Contra affair earned him his first nickname, but henceforth he should be known as ‘Stonewall Barr.’

On the eve of Barr’s testimony to the Senate Judiciary Committee the Washington Post revealed that late in March Robert Mueller had sent Barr a letter expressing his disapproval of the way Barr had characterized the findings of his investigation in a four page letter to Congress on March 24th.  Further reporting showed that the Special Counsel’s office had already contacted the Department of Justice on March 25th about these concerns, and in the afternoon of that day sent a letter once more containing the summaries of Mueller’s report it had prepared for the general public, asking for their immediate release.  When there had been no response Mueller sent Barr a letter on March 27th, stating that the Attorney General’s actions had created ‘public confusion about critical aspects of his investigation’ and undermined confidence in the role of the Special Counsel as an impartial investigator.  It was obvious that in Mueller’s opinion Barr had misrepresented his findings in order to give Trump the chance to claim complete exoneration, and that he was pissed off about it, just like Barr got pissed off about Mueller’s letters and called his (former?) friend the next day to tell him to stop writing letters.

Mueller’s second letter can be summarized as ‘stop lying about my report’ and freaked out Trump, who launched a tweetstorm attacking Mueller, the FBI and for all practical purposes Hillary Clinton.   Barr’s criticism of the Special Counsel in his Senate hearing was that if Mueller wasn’t going to indict Trump he should not have investigated him, a declaration that – in light of the Office of Legal Counsel’s opinion that a sitting president cannot be indicted – implies that the president can never be investigated and is in fact above the law.  

Since Mueller made it clear in his report that he had preserved evidence for Trump to potentially be indicted after his presidency White House Counsel Emmit Flood sent a letter to Barr accusing Mueller of ‘playing politics,’ exhibiting once more how scared Trump is of Mueller.  Barr pulled out of a House hearing the day after his Senate hearing, but it appears that direct negotiations with Mueller are under way to have him testify by mid-May.

Trying to block the testimony of the Special Counsel and that of witnesses like former White House Counsel Don McGahn yesterday the White House issued a statement that Trump will no longer allow anybody who works or has worked for his administration to testify to Congress.  Even Stonewall Barr, who is after all a skilled lawyer, must realize that this is an empty gesture.

 
Ga HIER naar toe voor alle afleveringen

 

 

 

Omstreden, bewierookt, verguisd

Ger Harmsen was in de roerige jaren ‘70 van de vorige eeuw de meest omstreden, meest bewierookte en meest verguisde hoogleraar in Nederland.
       Na een bewogen periode aan de Universiteit van Amsterdam volgde tot verrassing en verbazing van velen zijn benoeming tot hoogleraar aan de Rijksuniversiteit van Groningen: Dialectische filosofie & historische sociologie.

Een Marxistische leerstoel werd het genoemd.
De CPN sprak over de NAVO-professor.
Anderen noemden hem een BVD-infiltrant.

Maar de colleges van Ger Harmsen trokken massale aandacht, net als eerder in Amsterdam.
      Studenten stonden in de rij om zijn colleges te volgen.


Arbeiderskind met moeilijk karakter

Op 8 augustus 1997 had ik voor de VPRO-radio een drie uur durend marathon-interview met Ger Harmsen. Een gesprek waarin hij zeer openhartig is.
      Twee weken voor het interview ging ik bij hem op bezoek in het Friese gehucht De Knipe bij Heerenveen. Een ruim huis. Veel rommeltjes. Wilde door onkruid overwoekerde tuin. Hij voelde zich wel vereerd. Dacht dat hij inmiddels vergeten was.
      Hij leidde mij rond en liet vol trots zijn mossenverzameling zien. Keurig gerangschikt in een prachtige kast, die door zijn broer gemaakt was. ‘’Die broer van mij kan er wat van hoor’’.
       Hij beloofde toen openhartig te zijn en dat pakte tijdens het interview ook zo uit.

Voor zijn gevoel heeft hij namelijk weinig of niets te verbergen.
      Hij spreekt over zijn moeilijke karakter, moeizame relaties, verwondering over zijn benoeming, populariteit gedurende bepaalde periodes in zijn leven, over zijn achtergrond als arbeiderskind, zijn werklust, over Marx en Hegel en over de natuur en zijn fascinatie voor mossen.   
      Ger Harmsen overleed in 2005.

Het Interview
Het interview is verschenen op de site van de VPRO en is HIER te beluisteren.



Eerste uur

In het eerste uur spreken wij ondermeer over zijn omvangrijke autobiografie Herfsttijloos, een plantje (bolgewas) dat in de herfst bloeit.
      ‘Zelf was ik immers ook een laatbloeier’.
Met zijn moeder had hij nauwelijks een band. Wel met zijn vader -een timmerman- die hem overigens regelmatig met een stok sloeg.
      Hij ging naar de lagere Handelsschool, werd jongste bediende in een tabaksmagazijn en werkte vier jaar ondermeer als spoeljongen in een chemische fabriek.

Zijn achtergrond als arbeiderskind en zijn eerste werkervaringen speelden later een belangrijke rol in zijn leven.
      Hij bleef bijvoorbeeld altijd het idee houden er niet helemaal bij te horen. Ondanks zijn enorme belezenheid, zijn meer dan 500 wetenschappelijke publicaties en zijn 27 boeken.
      Hij haat mensen die de kantjes eraf lopen, kan zeer neerbuigend zijn, maar heeft ook behoefte tot bewonderen.


Tweede uur

In het tweede uur gaat het over zijn lidmaatschap van de CPN (begonnen in 1946); hoe zijn persoonlijk leven deel ging uitmaken van zijn partijleven, hoe hij in 1958 werd uitgekotst door deze partij, lid werd van de PSP en later -op verzoek van Joop den Uyl- lid van de P.v.d.A.
      Hij vertelt over zijn periode als geschiedenisleraar in Zierikzee en zijn periode in Amsterdam waar hij zijn zeer druk bezochte door Marx geïnspireerde colleges gaf.
      Maar hij spreekt ook over zijn liefde voor de natuur en zijn enorme verzameling mossen (Circa 700).


Derde uur

In het laatste uur gaat het vooral over zijn tijd in Groningen, de lastercampagnes en de in totaal 66 zeer negatieve publicaties, die hij keurig archiveert.
      Hoewel hij Russisch leest en spreekt is hij nooit in de Sovjet-Unie of Rusland geweest, want hij is geen reiziger en had altijd iets anders te doen. Ger Harmsen leest regelmatig van tien uur ‘s ochtends tot elf uur ‘s avonds.
      Hij is altijd bezig want ‘uit het raam staren is zonde van de tijd’.
Hij spreekt over zijn favoriete mosje en vergelijkt de interviewer aan het eind van het gesprek met een ‘gezellige onderhoudende pad’. Geen giftige, want die bestaan niet.


Pim Fortuyn

In één opzicht is het interview gedateerd. Ger Harmsen werkte namelijk veel samen met Pim Fortuyn, die bij hem promoveerde op de dissertatie over de sociaal-economische politiek in Nederland tussen 1945-1949.
      Fortuyn was in 1997 nog onbekend en daarom wordt er in het interview niet over hem gesproken.
In zijn autobiografie komt Fortuyn echter regelmatig ter sprake.

Een citaat:

‘Tussen de studentenactivisten nam Pim van het begin af een eigen positie in. Al jong keurig in het driedelige pak, met gevoel voor decorum en theatrale effecten, hield hij wat afstand van andere actievoerders. Maar bij bezettingen was hij onderhandelaar.
      Zijn liefde gold van meet af aan het onderhandelen, besturen en beleid uitstippelen. Mede door zijn voorkomen maakte hij een imponerende indruk. Uiterst welbespraakt en intelligent, beschikte hij daarbij over een tomeloze energie.
      Het vreemde was dat hij grote bestuurlijke en organisatorische gaven had, maar het geduld miste een zaak tot het einde af te werken.
Hij hield iets van een kind dat eerst met zorg van blokken een kasteel bouwt, om het dan, juist voor het helemaal af is, met één handbeweging omver te gooien’.

Klik  HIER voor een -loffelijke- recensie. Ook wel eens leuk!


Klik
HIER voor alle Ontmoetingen



 

Een omstreden rode vlag

Vijfenveertig jaar geleden op 1 mei 1974 werd de kiem gelegd voor de anti-Pv.d.A. stemming bij een deel van de bevolking in Rotterdam.
      André van der Louw was aangetreden als burgemeester en één van zijn eerste beleidsdaden was, dat op 1 mei de rode vlag op het stadhuis zou wapperen. Bovendien kreeg al het gemeentepersoneel een dag vrij.

Het openbaar bestuur werd gepolitiseerd.
      Het leidde tot felle pro en contra reacties, gevoed door de pers. Ik werkte indertijd als verslaggever in Rotterdam voor de Volkskrant. Een linkse Amsterdamse krant in de ogen van veel Rotterdammers en daar hadden ze wel een beetje gelijk in. 

      Op het Roooievlaggenplan kwam veel kritiek. Dat mag natuurlijk, maar er waren ook kwalijke reacties. Scheldpartijen, doodverwensingen noem maar op. Er waren toen nog geen sociale media, maar de trollen, kankeraars en hufters zijn van alle tijden.
      Een actiegroep kondigde zelfs aan -desnoods met geweld- de vlag te zullen weghalen. Het college besloot toen -om de rust te bewaren- de Nederlandse driekleur te laten wapperen.


Kranten

Opwinding  

De opwinding in Rotterdam werd nog groter nadat de P.v.d.A. bij gemeenteraadsverkiezingen later in mei van dat jaar met 24 van de in totaal 45 zetels de absolute meerderheid haalde.
      De sociaaldemocraten gingen bij elkaar zitten en formeerden een college van uitsluitend P.v.d.A. wethouders. Geen zeven -het wettelijk maximale aantal-, maar negen, want er werd een constructie gevonden om dit mogelijk te maken.
      Twee voormalige D’66’ers waren namelijk ’overgelopen’, omdat hen een wethouderspost beloofd was. Dat waren mevrouw Elizabeth Schmitz, die later als staatssecretaris van justitie belast werd met het moeilijke vreemdelingenbeleid en Hans Mentink, de advocaat die later Bram Peper verdedigde in de ’bonnetjesaffaire’.

Dit was arrogantie van de macht.
      Dat was de strekking van veel commentaren in Rotterdamse kranten. En ook daarin hadden ze wel een beetje gelijk.
Op markten en in wijken vooral op Rotterdam Zuid hoorde je rabiate anti-P.v.d.A. stemmen.

Kreten die je later bij aanhangers van Pim Fortuyn en Leefbaar Rotterdam hoorde terugkomen.
      En weer later bij de PVV en nu weer bij F.v.D.

Idaarderadeel

Ik schreef indertijd dat het uitsteken van die rode vlag een primeur voor Nederland was.

Daarna werd ik -nog voor 1 mei- gebeld door een inwoner van de gemeente Idaarderadeel in Friesland. Zijn gemeente met Grouw (Grou in het Fries) als grootste plaats was een rood bolwerk. Daar werd al sinds jaar en dag de rode vlag uitgestoken. De medewerkers hadden vrij.

 

 

 

GELUIDSMAN HUGO HELMOND OVERLEDEN

(Door Theo Uittenbogaard)

De geluidsman Hugo Helmond (1951), die een groot deel van zijn carrière voor de VPRO-televisie heeft gewerkt -van Het Gat van Nederland tot Diogenes en verder-, is op 24 april 2019 in het hospitaal van Le Mans in Frankrijk overleden.
      Omdat Helmond in het dorpje Parcé-sur-Sarthe (Loire) alleen woonde, en hij met verwondingen aan het hoofd in zijn huis werd aangetroffen, doet de plaatselijke gendarme onderzoek naar de doodsoorzaak, en heeft zijn huis in de Rue Dufour verzegeld. Een standaard procedure,volgens het hoofd van de gendarmerie. Zo bericht de plaatselijke krant Nouvelles.
      Zijn dorpsgenoten Rosemary en Archibald Speirs, zijn ervan overtuigd dat zijn afnemende gezondheid de reden van zijn overlijden is. "Hij had geen vijanden Hij maakte deel uit van de dorpsgemeenschap. Hij speelde jeu de boules op hoog niveau. Hij was lid van de Vrienden van het Orgel. En hij fotografeerde bij elke festiviteit in het dorp. Hij was bij iedereen geliefd. Hij was sociaal. Hij was de ster van het dorp".  
      Zijn buurman van de bar Le Lagon Bleu, zag de dag voor zijn dood een 'zieke man';  "Hij had al drie hartaanvallen gehad en hij zag er de laatste tijd moe uit". Als gevolg van zijn werkzaamheden als geluidstechnicus en de aantasting van zijn gehoor, leed Hugo Helmond al decennia aan evenwichtsstoornissen, had last van artrose, en moest zijn geluidswerk gedwongen staken.
      Dertien jaar geleden vertrok hij naar Frankrijk. Kocht een verlaten, 700 jaar oude auberge in Parcé, knapte die grondig op, maar kon het na twee jaar niet bolwerken, bij gebrek aan klandizie. 

Hugo Helmond is wat mij betreft totaal verbonden met mijn werk voor de VPRO-televisie. Hij was er altijd en overal. Van Panama tot Liechtenstein. Van Ronda tot Berlijn. 
Hij was goed reisgezelschap. En -echt waar- hij wist in elke stad of dorp waar ook ter wereld, een restaurant waar je lekker kon eten. Hij had destijds de gewoonte om standaard een foto van zijn lege hotelkamer te maken; ik ben benieuwd waar die collectie is gebleven.

 

 

vlnr: Theo Uittenbogaard (regie), Hugo Helmond (geluid), Ruud de Bruyn (camera) Panama, (1976) op reportage voor VPRO's Machiavelli : Het Verdrag

<https://www.youtube.com/watch?v=xm2rbOxm3cw>

 

 

Tante Mia en een vervelende man

In mei 1966 ging ik werken als leerling sportjournalist bij het Leidsch Dagblad.

      Ik was 21 jaar en had al anderhalf jaar in het leger gezeten. Ik wist wat ik het liefst wilde gaan doen. Maar ja: hoe moest dat?
      Toen ik een jaar of twaalf was wilde ik al ’bij de krant’’ werken en dat was eigenlijk nooit overgegaan. Dus ik schreef een open brief aan alle landelijke kranten. Ik kreeg natuurlijk overal nul op request, behalve van mener Stempels, hoofdredacteur van de NRC. In een keurig briefje zei hij dat ze geen jonge onervaren mensen aannamen, maar hij wilde best met mij praten. 

      Een week later werd ik ontvangen in Rotterdam. Het werd een plezierig gesprek. Waarom ik zonodig de journalistiek in wilde. En wat ik dan zou willen doen. En dat het toch een ongeregeld en ongewis bestaan was. Aan het eind van het gesprek adviseerde hij mij te beginnen bij een provinciale krant.
      Daarop schreef ik zo'n 25 brieven. Alle regio's van Nederland werden bereikt.
Opnieuw kreeg ik allemaal afwijzingen behalve van het Leidsch Dagblad. Zij zochten een leerling sportjournalist.   
      In mijn brief refereerde ik uiteraard aan mijn gesprek met meneer Stempels. Ik bleef met nog een kandidaat over.

      Wij moesten naar een kampioenswedstrijd van de voetbalclub UVS en een oefenstukje schrijven. Ik werd aangenomen.

Hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad was in die dagen meneer Brouwer. Een vriendelijke man, die mij altijd Ronny noemde. Hij hield van cricket en schreef daar soms stukjes over. Dat wist ik aanvankelijk niet. Tot ik een keer een paar wijzigingen in zijn stukje aanbracht en enorm op mijn flikker kreeg van hoofd sport meneer Vos. Die overigens weer een curieuze verhouding had met zijn echtgenote. Zij woonden samen en hadden een jong kind. Maar ze spraken vanwege een duister conflict al jarenlang niet meer met elkaar.  

      Je werd in die tijd leerling-journalist omdat er nog geen professionele opleiding bestond. De School voor de Journalistiek ging namelijk eind 1966 open.
      Er was wel een parttime opleiding aan het Instituut voor Perswetenschap aan de Keizersgracht in Amsterdam, een onderdeel van de Universiteit van Amsterdam. Meneer Brouwer vond dat ik daar naar toe moest. 
      Iedere zaterdag zaten we daar met zo’n 25 studenten. Nog meer jonge journalisten, die al bij een krant werkten, maar ook studenten communicatie en Nederlands. Het was wel gezellig daar. We kregen -om maar wat te noemen- persrecht, persethiek en persgeschiedenis van eerbiedwaardige mensen als prof. Maarten Rooy, Dr. Maarten Schneider en diezelfde Mr. A. Stempels

      Praktische journalistiek kregen we ook. Dat werd gegeven door Henri Knap. Hij had een dagelijkse rubriek in Het Parool, waarin hij onder de naam Dagboekanier Amsterdamse kwesties aan de orde stelde. Dat was een uitermate oubollige rubriek, die vaak handelde over weggelopen poesjes en hondenpoep op de straten.
       Wij kregen af en toe een opdracht. Hij gaf daar dan cijfers voor. Het resultaat droeg hij op een gedragen manier voor. Hij begon met het slechtste resultaat, noemde geen namen maar zorgde ervoor dat iedereen wel wist om wie het ging.
       ‘’Ik heb hier’’, zei hij dan ‘’een werkje van een meneer die bij een krant in het oosten des lands werkt. Deze eh… meneer wil kennelijk journalist worden. Ik geloof dat ik dat meneer beter af kan raden, want het resultaat van dit werkstuk -hij stak het dan met een vies gezicht omhoog- is allerbelabbertst. Ik heb hier een vier voor gegeven’’
       Dat ging nog even zo door tot hij bij de voldoendes kwam. Je voelde dan toch een soort opluchting als je nog niet aan de beurt was geweest.
       Knap kon zelf trouwens niet tegen kritiek. Hij was Vrijmetselaar en ging daar prat op. Maar als je vroeg waarom er bij hem in de Loge geen vrouwen werden toegelaten begon hij te steigeren. Wie je dan wel niet was om zo’n vraag te stellen. Vervelende man dus. Hij vond bijvoorbeeld dat journalisten ‘’er de laatste tijd teveel uitzien als glazenwassers dan wel zigeunerinnen’’. IJdeltuit ook, want hij vertelde tot vervelens toe dat hij de uitvinder was van het woord bromfiets.

      Om dat allemaal weg te spoelen, gingen we met een klein clubje jongens & meisjes na afloop vaak naar café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Daar kwamen veel journalisten en andere bekende Amsterdammers. Wij hoorden er dan ook een beetje bij. En daarna vertrokken we vaak naar Tante Mia aan de Oudezijds Achterburgwal, destijds één van de weinige Chinese restaurants in Amsterdam. Daar kon je goedkoop ‘’exotisch’’ eten en ook daar kwamen veel bekende Amsterdammers.

      Ik was het bijna allemaal vergeten tot ik gisteren dit gedicht van journalist/dichter Hans van Straten tegenkwam.

Amsterdam Blues

September de seizoenen keren
als trams bij het Centraal Station
de wolken krijgen witte veren
de wereld is een luchtballon
van Scheltema lopen wij via
de Kalverstraat naar tante Mia
en ’t najaar schuift weer puur en frans
langs onze snorren en gezichten
langs etalages met gedichten
en pornografische romans.

 

 

 
    

Subcategorieën