Media (369)

 

Een omstreden rode vlag

Vijfenveertig jaar geleden op 1 mei 1974 werd de kiem gelegd voor de anti-Pv.d.A. stemming bij een deel van de bevolking in Rotterdam.
      André van der Louw was aangetreden als burgemeester en één van zijn eerste beleidsdaden was, dat op 1 mei de rode vlag op het stadhuis zou wapperen. Bovendien kreeg al het gemeentepersoneel een dag vrij.

Het openbaar bestuur werd gepolitiseerd.
      Het leidde tot felle pro en contra reacties, gevoed door de pers. Ik werkte indertijd als verslaggever in Rotterdam voor de Volkskrant. Een linkse Amsterdamse krant in de ogen van veel Rotterdammers en daar hadden ze wel een beetje gelijk in. 

      Op het Roooievlaggenplan kwam veel kritiek. Dat mag natuurlijk, maar er waren ook kwalijke reacties. Scheldpartijen, doodverwensingen noem maar op. Er waren toen nog geen sociale media, maar de trollen, kankeraars en hufters zijn van alle tijden.
      Een actiegroep kondigde zelfs aan -desnoods met geweld- de vlag te zullen weghalen. Het college besloot toen -om de rust te bewaren- de Nederlandse driekleur te laten wapperen.


Kranten

Opwinding  

De opwinding in Rotterdam werd nog groter nadat de P.v.d.A. bij gemeenteraadsverkiezingen later in mei van dat jaar met 24 van de in totaal 45 zetels de absolute meerderheid haalde.
      De sociaaldemocraten gingen bij elkaar zitten en formeerden een college van uitsluitend P.v.d.A. wethouders. Geen zeven -het wettelijk maximale aantal-, maar negen, want er werd een constructie gevonden om dit mogelijk te maken.
      Twee voormalige D’66’ers waren namelijk ’overgelopen’, omdat hen een wethouderspost beloofd was. Dat waren mevrouw Elizabeth Schmitz, die later als staatssecretaris van justitie belast werd met het moeilijke vreemdelingenbeleid en Hans Mentink, de advocaat die later Bram Peper verdedigde in de ’bonnetjesaffaire’.

Dit was arrogantie van de macht.
      Dat was de strekking van veel commentaren in Rotterdamse kranten. En ook daarin hadden ze wel een beetje gelijk.
Op markten en in wijken vooral op Rotterdam Zuid hoorde je rabiate anti-P.v.d.A. stemmen.

Kreten die je later bij aanhangers van Pim Fortuyn en Leefbaar Rotterdam hoorde terugkomen.
      En weer later bij de PVV en nu weer bij F.v.D.

Idaarderadeel

Ik schreef indertijd dat het uitsteken van die rode vlag een primeur voor Nederland was.

Daarna werd ik -nog voor 1 mei- gebeld door een inwoner van de gemeente Idaarderadeel in Friesland. Zijn gemeente met Grouw (Grou in het Fries) als grootste plaats was een rood bolwerk. Daar werd al sinds jaar en dag de rode vlag uitgestoken. De medewerkers hadden vrij.

 

 

 

GELUIDSMAN HUGO HELMOND OVERLEDEN

(Door Theo Uittenbogaard)

De geluidsman Hugo Helmond (1951), die een groot deel van zijn carrière voor de VPRO-televisie heeft gewerkt -van Het Gat van Nederland tot Diogenes en verder-, is op 24 april 2019 in het hospitaal van Le Mans in Frankrijk overleden.
      Omdat Helmond in het dorpje Parcé-sur-Sarthe (Loire) alleen woonde, en hij met verwondingen aan het hoofd in zijn huis werd aangetroffen, doet de plaatselijke gendarme onderzoek naar de doodsoorzaak, en heeft zijn huis in de Rue Dufour verzegeld. Een standaard procedure,volgens het hoofd van de gendarmerie. Zo bericht de plaatselijke krant Nouvelles.
      Zijn dorpsgenoten Rosemary en Archibald Speirs, zijn ervan overtuigd dat zijn afnemende gezondheid de reden van zijn overlijden is. "Hij had geen vijanden Hij maakte deel uit van de dorpsgemeenschap. Hij speelde jeu de boules op hoog niveau. Hij was lid van de Vrienden van het Orgel. En hij fotografeerde bij elke festiviteit in het dorp. Hij was bij iedereen geliefd. Hij was sociaal. Hij was de ster van het dorp".  
      Zijn buurman van de bar Le Lagon Bleu, zag de dag voor zijn dood een 'zieke man';  "Hij had al drie hartaanvallen gehad en hij zag er de laatste tijd moe uit". Als gevolg van zijn werkzaamheden als geluidstechnicus en de aantasting van zijn gehoor, leed Hugo Helmond al decennia aan evenwichtsstoornissen, had last van artrose, en moest zijn geluidswerk gedwongen staken.
      Dertien jaar geleden vertrok hij naar Frankrijk. Kocht een verlaten, 700 jaar oude auberge in Parcé, knapte die grondig op, maar kon het na twee jaar niet bolwerken, bij gebrek aan klandizie. 

Hugo Helmond is wat mij betreft totaal verbonden met mijn werk voor de VPRO-televisie. Hij was er altijd en overal. Van Panama tot Liechtenstein. Van Ronda tot Berlijn. 
Hij was goed reisgezelschap. En -echt waar- hij wist in elke stad of dorp waar ook ter wereld, een restaurant waar je lekker kon eten. Hij had destijds de gewoonte om standaard een foto van zijn lege hotelkamer te maken; ik ben benieuwd waar die collectie is gebleven.

 

 

vlnr: Theo Uittenbogaard (regie), Hugo Helmond (geluid), Ruud de Bruyn (camera) Panama, (1976) op reportage voor VPRO's Machiavelli : Het Verdrag

<https://www.youtube.com/watch?v=xm2rbOxm3cw>

 

 

Tante Mia en een vervelende man

In mei 1966 ging ik werken als leerling sportjournalist bij het Leidsch Dagblad.

      Ik was 21 jaar en had al anderhalf jaar in het leger gezeten. Ik wist wat ik het liefst wilde gaan doen. Maar ja: hoe moest dat?
      Toen ik een jaar of twaalf was wilde ik al ’bij de krant’’ werken en dat was eigenlijk nooit overgegaan. Dus ik schreef een open brief aan alle landelijke kranten. Ik kreeg natuurlijk overal nul op request, behalve van mener Stempels, hoofdredacteur van de NRC. In een keurig briefje zei hij dat ze geen jonge onervaren mensen aannamen, maar hij wilde best met mij praten. 

      Een week later werd ik ontvangen in Rotterdam. Het werd een plezierig gesprek. Waarom ik zonodig de journalistiek in wilde. En wat ik dan zou willen doen. En dat het toch een ongeregeld en ongewis bestaan was. Aan het eind van het gesprek adviseerde hij mij te beginnen bij een provinciale krant.
      Daarop schreef ik zo'n 25 brieven. Alle regio's van Nederland werden bereikt.
Opnieuw kreeg ik allemaal afwijzingen behalve van het Leidsch Dagblad. Zij zochten een leerling sportjournalist.   
      In mijn brief refereerde ik uiteraard aan mijn gesprek met meneer Stempels. Ik bleef met nog een kandidaat over.

      Wij moesten naar een kampioenswedstrijd van de voetbalclub UVS en een oefenstukje schrijven. Ik werd aangenomen.

Hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad was in die dagen meneer Brouwer. Een vriendelijke man, die mij altijd Ronny noemde. Hij hield van cricket en schreef daar soms stukjes over. Dat wist ik aanvankelijk niet. Tot ik een keer een paar wijzigingen in zijn stukje aanbracht en enorm op mijn flikker kreeg van hoofd sport meneer Vos. Die overigens weer een curieuze verhouding had met zijn echtgenote. Zij woonden samen en hadden een jong kind. Maar ze spraken vanwege een duister conflict al jarenlang niet meer met elkaar.  

      Je werd in die tijd leerling-journalist omdat er nog geen professionele opleiding bestond. De School voor de Journalistiek ging namelijk eind 1966 open.
      Er was wel een parttime opleiding aan het Instituut voor Perswetenschap aan de Keizersgracht in Amsterdam, een onderdeel van de Universiteit van Amsterdam. Meneer Brouwer vond dat ik daar naar toe moest. 
      Iedere zaterdag zaten we daar met zo’n 25 studenten. Nog meer jonge journalisten, die al bij een krant werkten, maar ook studenten communicatie en Nederlands. Het was wel gezellig daar. We kregen -om maar wat te noemen- persrecht, persethiek en persgeschiedenis van eerbiedwaardige mensen als prof. Maarten Rooy, Dr. Maarten Schneider en diezelfde Mr. A. Stempels

      Praktische journalistiek kregen we ook. Dat werd gegeven door Henri Knap. Hij had een dagelijkse rubriek in Het Parool, waarin hij onder de naam Dagboekanier Amsterdamse kwesties aan de orde stelde. Dat was een uitermate oubollige rubriek, die vaak handelde over weggelopen poesjes en hondenpoep op de straten.
       Wij kregen af en toe een opdracht. Hij gaf daar dan cijfers voor. Het resultaat droeg hij op een gedragen manier voor. Hij begon met het slechtste resultaat, noemde geen namen maar zorgde ervoor dat iedereen wel wist om wie het ging.
       ‘’Ik heb hier’’, zei hij dan ‘’een werkje van een meneer die bij een krant in het oosten des lands werkt. Deze eh… meneer wil kennelijk journalist worden. Ik geloof dat ik dat meneer beter af kan raden, want het resultaat van dit werkstuk -hij stak het dan met een vies gezicht omhoog- is allerbelabbertst. Ik heb hier een vier voor gegeven’’
       Dat ging nog even zo door tot hij bij de voldoendes kwam. Je voelde dan toch een soort opluchting als je nog niet aan de beurt was geweest.
       Knap kon zelf trouwens niet tegen kritiek. Hij was Vrijmetselaar en ging daar prat op. Maar als je vroeg waarom er bij hem in de Loge geen vrouwen werden toegelaten begon hij te steigeren. Wie je dan wel niet was om zo’n vraag te stellen. Vervelende man dus. Hij vond bijvoorbeeld dat journalisten ‘’er de laatste tijd teveel uitzien als glazenwassers dan wel zigeunerinnen’’. IJdeltuit ook, want hij vertelde tot vervelens toe dat hij de uitvinder was van het woord bromfiets.

      Om dat allemaal weg te spoelen, gingen we met een klein clubje jongens & meisjes na afloop vaak naar café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Daar kwamen veel journalisten en andere bekende Amsterdammers. Wij hoorden er dan ook een beetje bij. En daarna vertrokken we vaak naar Tante Mia aan de Oudezijds Achterburgwal, destijds één van de weinige Chinese restaurants in Amsterdam. Daar kon je goedkoop ‘’exotisch’’ eten en ook daar kwamen veel bekende Amsterdammers.

      Ik was het bijna allemaal vergeten tot ik gisteren dit gedicht van journalist/dichter Hans van Straten tegenkwam.

Amsterdam Blues

September de seizoenen keren
als trams bij het Centraal Station
de wolken krijgen witte veren
de wereld is een luchtballon
van Scheltema lopen wij via
de Kalverstraat naar tante Mia
en ’t najaar schuift weer puur en frans
langs onze snorren en gezichten
langs etalages met gedichten
en pornografische romans.

 

 

 
    

 

Legal Trench Warfare

(Door Hugo Kijne te Hoboken USA)

According to staffers who traveled with him to Mar-a-Lago Trump had a wonderful Easter weekend and they had never seen him happier than after his ‘complete exoneration’ by Robert Mueller.  However, as is so often the case, the president got in the way of that messaging by hurling a series of tweets on the Internet that went from angry to furious, suggesting that the sender was having a temper tantrum gradually resulting in a meltdown.  Apparently the press coverage of Mueller’s findings had made it dawn on Trump that the report described plenty of collusion, although his campaign had been too clumsy to come to a formal agreement with the Russians that would have constituted a conspiracy, and that it detailed multiple instances of his obstructing justice, not only an impeachable offense but also something Trump can go to jail for after he leaves the Oval Office.  Mueller was no longer an honorable man, and the Special Counsel’s 13 to 18 angry Democrats (the number varies considerably in Trump’s tweets) were once again out to get the president with made up allegations Trump characterized as ‘bullshit.’

Although he boasted about the ‘total transparency’ with which the White House had responded to the Mueller probe – conveniently forgetting his own refusal to be interviewed by the Special Counsel – Trump must have cursed Ty Cobb and John Dowd, the lawyers who had convinced him that it was best to let his staffers answer Mueller’s questions without restrictions, so that the whole thing would blow over in a New York minute.  It led to White House Counsel McGahn’s telling Mueller about the two times Trump had tried to get rid of him, giving orders McGahn had refused to obey.  Totally bizarre was the president’s instruction to Corey Lewandowski, one of his former campaign managers who didn’t have a position in the administration, to fire Attorney General Jeff Sessions.  Even Lewandowski, who is never reluctant to follow the president into a sewer, realized that he would become the butt of jokes if he tried to comply with the order, and  told Mueller about it.  Trump  seems to be still in denial about these facts, considering his recent statement to the press pool that ‘nobody disobeys my orders.’

With the House investigations into Trump’s administration, his campaign and his business gearing up, the president has opted for a strategy of stonewalling.  The White House is claiming executive privilige to keep McGahn and other former and current staffers from testifying  – a position that is hard to maintain because the privilige was waived when they talked to Mueller – and Trump is sueing the Oversight Committee for having requested documents from his tax preparer, while the Treasury is breaking the law by refusing to  hand over the president’s tax returns to the Finance Committee.

This week the White House has embarked on a public relations campaign that tops every insanity it has produced so far.  Rudi Giuliani, who crawled out of his snake pit, declared on the Sunday morning shows that there is nothing wrong with getting and using information from the Russians, and Jared Kushner added his two cents by ignoring a large part of Mueller’s report and saying in an interview that the Russians had only bought a few Facebook adds, and that the Mueller probe had done far more damage to the nation.

The White House strategy has two objectives: preventing the Democrats from educating the public about Trump’s crimes and running out the clock until the 2020 elections.  The latter is a tactic the president has used all of his life when business dealings went wrong, and his victims could fill a stadium.  Meanwhile talking about Russian interference is not allowed in Trump’s presence, so for 2020 Putin has an open invitation to do it again.


Ga HIER naar toe voor alle afleveringen

 

 

 

Persoonlijk assistent van Mies Bouwman

(Door Theo Uittenbogaard)

Vijftig jaar geleden. Ergens in de vroege zomer van 1969, zei Tom Pauka, van wie ik, in de paar jaar daarvoor, bij de VARA-radio de fijne kneepjes van het vak 'documentaire-maken' had mogen afkijken, tegen mij:  "Mies Bouwman heeft jou nodig. De VARA-televisie wil vanaf september aanstaande elke maand een groot showprogramma op de zaterdagavond gaan uitzenden, en ze hebben nog geen idee. Misschien jij wel."  Dat leek mij wel wat. Na 'radio' glorieerde plotsklaps een carrière 'bij de televisie' aan de horizon , en dat wilde ik altijd al wel.

Ik moest me voor de breinstorm melden in Studio Concordia, een omgebouwd theater te Bussum, dat groot genoeg was voor live-tv-uitzendingen met publiek. In de kale, onttakelde ruimte trof ik VARA-baas Adri van Oorschot en het Hoofd Amusement Joop Koopman, benevens de beoogde televisie-regisseur Ben de Jong, en de coryfee Mies Bouwman. Zij was op zoek naar  een veilig heenkomen in de amusementssector,  nadat ze onder leiding van het dagblad De Telegraaf haar status van publiekslieveling had verloren vanwege haar medewerking aan het satirische VARA-tv-programma 'Zo Is Het Toevallig Ook Nog Es Een Keer", en het praatprogramma 'Mies en Scene', waardoor ze persoonlijk verantwoordelijk werd gehouden voor het aftreden van de Amsterdamse burgemeester Gijsbert van Hall.

Nadat mij was uitgelegd, dat men zocht naar de formule van een aantrekkelijk familie tv-programma op de zaterdagavond, met optredens van bekende artiesten met zang en dans en daartussendoor spelletjes, en dat gepresenteerd moest worden door Mies Bouwman, viel het min of meer stil. En er moest wel vandaag een plan op tafel komen, benadrukte de aanwezige VARA-leiding enigszins ongerust, want een paar maanden was zeer kort dag voor de productie van een groot showprogramma.

"Ja, en ik wil dat spelletje met die lopende band van Hans Joachim Kuhlenkampf" vulde Mies aan, en legde uit dat ze van dat fenomeen op de Duitse televisie had gehoord van een collega, waar  in een spelletje een deelnemer z'n geheugen werd getest, door een minuut lang allerlei artikelen op een lopende band aan zich voorbij te zien trekken, die hij dan moest zien te onthouden. 

"Dan zouden we hier in Concordia een grote show-trap kunnen laten bouwen," stelde regisseur De Jong zich alvast plastisch voor, "waar Mies onder de openingstune vanaf komt".

"En we moeten zorgen dat we VARA-leden buiten de Randstad bereiken. Meer dan bij die eerdere programma's met Mies", zei Van Oorschot. 

"Maar het moet wel inhoud hebben, niet alleen spelletjes en vermaak", zei Koopman half ernstig, half ironisch, "'Verheffing des Volks' is onze kerntaak, zogezegd."

"Waarom dan geen quiz, in plaats van losse spelletjes", stelde ik voor, "Dan gaat het inhoudelijk ergens over, je bouwt spanning op tijdens het programma, en je hebt een winnaar aan het eind". 

"Ja !", riep Mies enthousiast, "en die mag aan het eind al die spullen, die hij van de lopende band onthouden heeft, meenemen als prijs."

"Wacht even", zei ik, "hoeveel optredens van artiesten kunnen of willen jullie kwijt tijdens het programma?’’  

"Drie", dacht Van Oorschot, "meer kunnen we niet betalen".

"Dan moeten we even terugrekenen", stelde ik voor, "dat worden dus drie optredens van artiesten binnen het quiz-programma. Dat betekent dat er 4 quiz-rondes gespeeld moeten worden. Als we eindigen met één winnaar, moet de laatste, vierde en spannendste ronde gespeeld worden door de laatste twee overgebleven kandidaten. De derde quiz-ronde moet gespeeld worden tussen 4 kandidaten. De tweede ronde tussen 6. Dan moeten we dus beginnen met acht kandidaten."

"En één blijft over", herhaalde Mies haar bijdrage aan de discussie, "en die mag de spullen die hij van de lopende band heeft onthouden meenemen als prijs."

"Eén van de acht", zei de regisseur.

"Maar hoe selecteren we de quiz-kandidaten ?", vroeg het Amusementshoofd zich af, "zomaar uit het publiek lijkt me wat riskant." 

"We moeten ze vooraf selecteren. Uit het hele land", zei de VARA-baas,"waar onze leden zitten."

"Maar waaraan kunnen de kijkers zien, dat de kandidaten uit het hele land komen ?", vroeg Koopman zich af.

"We kiezen ze uit de lezers van regionale en lokale dagbladen", viel mij in, "daar zijn er heel veel van. Met een mooie spreiding: Dagblad van het Noorden. Tubantia. De Nieuwe Limburger, Zeeuwsche Courant. En, ze zijn daarmee verplicht enige kennis mee te brengen, want je kunt ze als krantenlezers vragen stellen over de actualiteit, of weetjes in het algemeen. Dus dan gaat het ook nog ergens over."

"Hoe zullen we het programma noemen ? ", vroeg Van Oorschot, die opstond omdat hij naar een andere vergadering moest.

"Eén van de Acht", zei Mies, alsof ze het zelf had bedacht.

Eén van de Acht krantenlezers in de laatste ronde : "Licht uit. Spot aan!"

Duitse T.V.

Op een zaterdag na de breinstorm reed Mies Bouwman met haar man Leen Timp, van Laren (NH) waar ze woonden, naar Enschede, omdat dat de dichtstbijzijnde plaats in Nederland was, waar Duitse televisie kon worden ontvangen, met het doel de spelletjesshow van Hans Joachim Kuhlenkampf nog eens goed te bekijken, en hoe hij dat toch deed met zijn lopende band.

*Studio Concordia bleek veel te klein voor de decors en de ambities van 'Eén van de Acht', en dus werd de grote zaal van het Kurhaus in Scheveningen, één zaterdag in de maand afgehuurd voor de live-uitzending.

In de zeer vroege ochtend werd begonnen met de bouw van het decor, het licht en de technische installatie. In de middag werd het programma gerepeteerd met Mies en stand-in kandidaten, de artiesten, en het orkest van Tony Nolte.

Vlak voor de eerste uitzending bleek, dat geen geluidsverbinding was aangelegd tussen de regiewagen voor de deur en de lichtmachinisten binnen in het Kurhaus. En die zouden precies op het juiste moment de 'cue' moeten horen, om het algemene licht op het decor te doven en tegelijkertijd een schijnwerper op de kandidaat voor de laatste vragen in te schakelen. Er was geen tijd om de verbinding alsnog aan te leggen. Het probleem werd door regisseur Ben de Jong briljant opgelost, door Mies op te dragen, die 'cue' zelf te geven tijdens de uitzending, door haar op precies het juiste moment te laten zeggen: "Licht uit. Spot aan."  Die vondst beviel, en werd elke uitzending erna herhaald. De cue "Licht uit. Spot aan" zou, in binnen- en buitenland de metafoor worden voor opgelopen spanning tegen het einde van een uitzending.

*Mij werd gevraagd de persoonlijk assistent van Mies Bouwman te worden, om haar te kalmeren voor de uitzending. Ik schreef haar introductie-teksten, en verzon vragen voor speciale gasten, en repeteerde die met haar. Als er maar geen moeilijke dingen instonden, zoals die keer in de omschrijving van een illustere gast in het programma, J.L.Heldring,  de hoofdredacteur van NRC-Handelsblad. "Wat ís dat...", vroeg Mies me, "een 'eminence-grise'?"

* 'Eén van de Acht' werd een megahit. Het programma liep altijd ver uit na de geplande eindtijd, en brak vanaf de eerste uitzending -nooit verbeterde- kijkcijferrecords. Wat natuurlijk niet zo moeilijk was in een land met slechts twee televisienetten en alleen uitzendingen in de avond. En Mies Bouwman werd in ieder geval weer warm omarmd als de publiekslieveling.

*Halverwege het tweede seizoen -1970-1971- had Mies geen behoefte meer aan mijn assistentie, zei ze, en ik kon gaan. Ben de Jong was al vervangen als regisseur van het programma, door Mies' echtgenoot Leen Timp. Achteraf bekeken, leek het erop dat het echtpaar Timp zich toen al het programma meer en meer begon toe te eigenen. Want later bleek dat Mies, -buiten medeweten van de VARA, op aanraden van, en in een één-tweetje met haar collega Rudi Carrell in Duitsland- in onderhandeling was met de Duitse publieke zender WDR. Tenslotte verkocht Mies het programma voor het toen onvoorstelbare bedrag van 10.000 DM per uitzending in Duitsland. Dat werd Rudi Carrell's nieuwe show, die ermee van 1974 tot 1979 triomfen zou vieren onder de titel 'Am Laufenden Band'.

*Mies Bouwman was de eerste in Nederland, die er in slaagde een programma-idee te verkopen aan een andere zender, door 'licentie-rechten' te claimen. Een geheel nieuw fenomeen in een tijd waar er nog geen commerciële televisie bestond, zendtijd niets kostte, breinstormen met collega's nog gezellig was, en een ideetje nog geen 'format' heette. Een ideetje dat exclusief geclaimd en wereldwijd verhandeld en te gelde bleek te kunnen worden gemaakt. Iets wat tegenwoordig in de miljoenen kan lopen.

Om 'Eén van de Acht' helemaal haar intellectueel eigendom te kunnen noemen, had Mies de formule iets veranderd, en de krantenlezers vervangen voor koppels familieleden, en heette het in de jaren erna, in de diverse internationale edities: 'The Generation Game'. Voor zover ik weet, ontving Hans Joachim Kuhlenkampf nooit een cent voor zijn bijdrage aan de succesformule. Ben en ik ook niet.

 

 

Subcategorieën