Poëzie (274)

 

De anatomische les

Riekus Waskowski (1932-1977) was een curieuze man. In de jaren zestig/zeventig van de vorige eeuw kon je hem zomaar in Rotterdam tegenkomen. Op straat, maar eerder in een café. Hij was een dichter. Geen twijfel over. Maar om in zijn levensonderhoud te voorzien deed hij allerlei klusjes.
      Hij was erudiet, had een brede belangstelling en grote talenkennis. Maar hij was ook in de war, leed aan achtervolgingswanen, dronk buitensporig veel en werd diverse malen opgenomen in psychiatrische inrichtingen.
      Hij is een vrijwel vergeten dichter en werd maar 44 jaar.

Zijn eerste bundel kwam uit in 1966 en had de mooie titel Tant pis pour le clown.
      Maar de titel van zijn tweede bundel was veelzeggender: Slechts de namen der grote drinkers leven voort.

Ik herinnerde mij dat hij ooit een gedicht had gemaakt over de P.v.d.A. Niet zozeer een geëngageerd gedicht; eerder een satirisch.
      Na wat zoeken heb ik ’t gevonden:

Van Riekus Waskowsky

De anatomische les

Vanmorgen hebben wij in het Wilhelminagasthuis
ter gelegenheid van het jubileum van de VARA
een echte oude socialist ontleed.

Het was gek wat er allemaal tevoorschijn kwam:
halfvergane rode vlaggen, strijdliederen,
internationale broederschappen en solidariteit,
AJC een potje poepen en zes geschiedenisboeken
door P/Quack (antiquarisch).

In plaats van de hersenen vonden wij: ‘’Een ver-
ontrustend rapport over de afnemende belangstel-
ling van de jongere generatie voor het dem.soc”.

Volgens diverse bronnen heeft Waskowsky dit gedicht geschreven in 1966.
     
Ik houd het maar op eind 1965, want de VARA werd opgericht op 1 november 1925.

Het Amsterdamse Wilhelminagasthuis bestond in 1966 overigens 75 jaar.

Ruim vijftig jaar later met verkiezingen in zicht is dit gedicht nog zeer actueel.
     
De belangstelling voor politiek onder jongeren is gering en de belangstelling voor het democratisch-socialisme nog geringer.
Niets nieuws onder de zon dus.

Waskowsky schreef verhalende poëzie. Daarmee valt hij te vergelijken met Johnny de Selfkicker en C. Buddingh’.
      Van hem is ook:

Dichten is net als koken!
Je pleurt maar wat
in de pan
als je koken kan


Van C.Buddingh’

Denkend aan Riekus Waskowsky

De laatste keer dat we samen schaakten

(in 'De Lantaren' in Rotterdam)

won je warempel van me.


Je dood beroofde me van mijn revanche.

En wat had ik je graag nog een paar keer ingemaakt,

al was het alleen maar om klaarheid te scheppen:

juist achter het bord moet er een standsverschil zijn.


Maar wat zou ik nu iedere week

graag een paar keer van je verliezen.



Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

 

 

 

Spelletjes & liefdeslesjes


Dit is de Spaanse dichter Almudena Guzmán. (Madrid 1964).

      Zij kijkt op deze foto een beetje ondeugend. Tevreden ook.
Alsof ze het aftelspelletje in dit gedicht inderdaad naar haar hand heeft gezet.


Spelletje met de plavuizen

Als ik er drie haal loop ik langs zijn huis,
als dat niet lukt blijf ik in het mijne.

De laatste metro is al weg en ik ben snipverkouden,
maar ik doe de kast open om mijn mooiste trui te pakken.
Wie weet kom ik hem wel tegen
                               in het trapportaal wachtend op me……..

Spelletje met de plavuizen.
Omdat ik er geen drie gehaald heb maar vier,
speel ik vals.


Het gedicht komt uit de bundel Usted. (Jullie).
      In het Nederlands opgenomen in de bundel ‘’Ik heb tien benen’’ (De Geus). Vertaald door Dini Zanders,

Nog één:

 

Nu

nu de auto’s achter ons jaloers toeteren
omdat we niet ophouden elkaar te kussen op het kruispunt,
nu ben ik echt bang voor u
en ik vraag me af of het niet beter zou zijn
-je bent nog op tijd-
uit uw ogen te vluchten zoals je vlucht uit een verkeersopstopping
want u maakt me gek,
en we zullen vervallen in hetzelfde oude liedje,
en misschien wilde ik niet dat dit wat nu gebeurt
ooit zou zijn gebeurd.

 


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

God wat is dit land verlaten

Chris Engels (1907-1980) was een multitalent. Hij was arts, schilder en maakte gedichten onder het pseudoniem Luc Tournier.
      Het beviel hem niet in Nederland. Dat uitte zich ondermeer in dit gedicht, dat hij in 1933 schreef.

Kwatrijn

God wat is dit land verlaten.
Honden janken in de straten.
Konkelaars en middelmaten
heten staten-generaal.

Maar anders dan de boze medemens van nu, trok hij consequenties uit zijn gevoel.
     
Hij vertrok uit Nederland, nadat hij deze oneliner had gelanceerd:
‘’De koloniën lijden aan randangst, het moederland aan centrumwaan’’.

In 1936 vestigde hij zich in Curaçao, waar hij een artsenpraktijk opzette.
      Aan het begin van de tweede wereldoorlog begon hij het literaire blad De Stoep, waarin niet alleen plaats was voor Nederlandse schrijvers en dichters, maar ook voor auteurs uit het Caribisch gebied. Hij gaf dit blad uit in eigen beheer.
      Directe aanleiding was het -achteraf- valse bericht dat Ter Braak, Du Perron en Marsman waren gefusilleerd.

Om zijn ‘’gespletenheid'' te illustreren schreef hij bijvoorbeeld:

tussen het klooster

aan de maas

en de veranda in de tropen

- zij is dood -

zijn god en ik

cirkelend aan 't lopen.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie 

 

 

 

De Nieuwe Toren van Kampen

Het carillon van Ida Gerhardt is één van de bekendste gedichten uit de Tweede Wereldoorlog. Geschreven in ‘’Oorlogsjaar 1941’’.
      Voor het eerst gepubliceerd in De Gids en in 1945 opgenomen in de bundel Het Veerhuis.
Het speelt zich af in Kampen, waar Ida Gerhardt destijds lerares klassieke talen was op een plaatselijk lyceum.
      In de Nieuwe Toren hangt het carillon.
Er worden anno 2016 nog regelmatig concerten gegeven door beiaardiers uit de hele wereld.

Met Valerius bedoelt zij Adriaen Valerius (1575-1625), tekstdichter en componist; ondermeer van Oud-Nederlandsche liederen uit den Nederlantsche gedenck-clanck


Van Ida Gerhardt

Het carillon

Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht,-
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na ’t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius: -een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen
‘’Wij slaan het oog tot U omhoog”.

En één tussen de naamloos velen
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.

Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad-
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.

Oorlogsjaar 1941

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie


Een vermoeden van zelfmoord

In de winter van 1998 pleegde mijn vriend Hans zelfmoord. ‘’Eindelijk vrij!!’’.
      Hij had het goed voorbereid.

Een paar weken daarvoor hadden wij van hem een dichtbundel cadeau gekregen.

      ‘’Ik heb tien benen’’. (Uitgeverij De Geus).
     
Een verzameling gedichten van 34 vrouwelijke dichters uit 24 landen.

Hij las toen bij ons thuis dit gedicht voor, dat hem bijzonder had aangesproken.
      Ik heb dat op mijn beurt bij zijn begrafenis voorgelezen.  
     
Het gaat zo:

 

Van Birgitta Boucht
Wij bewegen ons niet in onbewoonde streken
En onbevolkte tijd

Wij trekken ons door de geschiedenis
die door mensen is gevuld.
Vandaar alle problemen.
Alle behoeften
aan liederen en sprookjes, sagen, gedichten,
Mythen, zeden, ritualen,
gemeenschappelijke woorden.
Weet je, mijn kind,
dat de geest in de fles
lang geleden
Uit zijn omhulling is gesprongen?
Hij is hier, in ons.

Vertaling:
Willem Sinninghe Damsté

Birgitta Boucht werd in 1940 geboren in Helsinki Finland. Of in haar geval wellicht beter Helsingfors.

      Zij behoort namelijk tot de Zweeds sprekende minderheid in Finland. 
Zij schrijft in een taal, die Finland-Zweeds wordt genoemd.   

 

 

Subcategories

 

Twee maal de helft en een geel strikje