Reizen (326)

          

De ultieme ‘’droom’’-bestemming

                      


TOBAGO CAYS

(Door Rolf Weijburg)

De Grenadine eilanden in de Caribische staat Saint Vincent & The Grenadines, het op elf na kleinste land ter wereld, hebben een enorme aantrekkingskracht op yachties, die met al dan niet lokaal gehuurde jachten de oostelijke Cariben langs zeilen. Veel Fransen die vanuit hun Caribische overzeese departementen Guadeloupe, Saint Barths of Martinique zee kiezen, maar ook Britten natuurlijk, Amerikanen en een keur aan andere nationaliteiten dobbert tijdens het seizoen langs de tot de verbeelding sprekende Caribische eilandparadijsjes.
      De Grenadines van Saint Vincent zijn voor velen een ultieme droombestemming: de eilanden liggen niet te ver uit elkaar, palmenstranden te over, een prachtige onderwaterwereld, goede ankerplekken en uitstekende voorzieningen.
      En bínnen die Grenadines zijn, zo vertelt menige gids, de Tobago Cays de absolute topbestemming.

Vanaf Mayreau stuurden we de catamaran oostwaarts naar de Tobago Cays, vijf onbewoonde eilandjes in een kraakheldere zee vol koraal en exotische vissen, veilig beschermd door twee enorme riffen, het Horseshoe Reef en het World’s End Reef.
      Langs wat verraderlijke ondieptes draaiden we tussen de eilandjes Petit Bateau en Jamesby door en ankerden tegenover Baradal eiland aan de rand van Horseshoe Reef.
      De eilanden waren weelderig begroeid en hadden allemaal idyllische strandjes. Omdat de Tobago Cays beschermd gebied is, woonde er niemand en was er geen bebouwing. Je zou er zo maar door een romantisch Robinson Crusoe gevoel overvallen kunnen worden.

Ware het niet dat er overal jachten lagen …

Werkelijk overal tussen de eilandjes en langs het grote rif lagen jachten. Het woord horizonvervuiling kwam bij me op. Het was een drukte van belang.
      Tussen de glimmende jachten scheurden boat boys heen en weer met hun boten die door de jaren heen steeds grotere buitenboordmotoren hadden gekregen.
      Het waren mannen uit Mayreau die goed verdienden aan de yachties door boodschappen voor ze te halen, vis aan ze te verkopen en verder alles te regelen wat er maar te wensen was.

De yachties zelf dobberden in hun dinghies tussen jacht en strand, of langs het rif om te gaan snorkelen. Dat deden wij ook natuurlijk. Ik zag het veelkleurige koraal en de scholen kleurige visjes, prachtige anemonen en lange naaldvissen die me met hun uitpuilende ogen verbaasd aankeken. Later klom ik naar het topje van Baradal eiland, waar ik een Duitser tegenkwam die er, clandestien, op een beschutte plek zijn tentje had opgezet.
      Voor veel mensen uit Mayreau was het zeiltoerisme weliswaar een welkome aanvulling op het schrale inkomen, maar de keerzijde van al die jachten is in de loop der jaren ook zichtbaar geworden: in de afgelopen tien jaar is de verontreiniging van het water en de kusten rondom de Tobago Cays enorm toegenomen. Maagdelijk zijn de eilandjes allang niet meer.


PALM & UNION

We lichtten het anker en voeren een paar kilometer naar het zuidwesten, naar Palm Island. Een klein eiland met drie heuveltoppen, een lang strand en een resort hotel.
      Het eiland werd ooit voor 99 jaar gehuurd door een rijke Texaan die het van Prune Island omdoopte tot Palm Island. Hij bouwde er een kleinschalig hotel dat hij tot zijn dood bleef runnen. Daarna werd het hotel overgenomen door een grote hotelketen, die er een luxe resort van maakte met comfortabele bungalows in de schaduw van een palmbomenplantage. We ankerden tegenover de steiger van het hotel. Erachter lag de receptie met een souvenirwinkel waar ik postzegels wilde kopen. Palm Island had ooit zijn eigen postzegels uitgegeven. Maar we waren te laat, de winkel was al gesloten.

Het is wat met die postzegels in Saint Vincent & The Grenadines. Het land gaf enorm veel postzegels uit, veel meer dan de 110.000 inwoners ooit voor frankering zouden gebruiken. Sterker nog, enige jaren terug was Saint Vincent & The Grenadines na Guinée en Guyana wereldkoploper als het ging om hoeveelheden uitgegeven postzegels. Allemaal voor de internationale filatelistische markt.
      Op het postkantoor in de hoofdstad Kingstown vond ik zegels waarop “Saint Vincent & The Grenadines” stond, maar er lagen ook zegels met alleen “Saint Vincent” en zegels waarop “Grenadines of Saint Vincent” stond vermeld. Bovendien hadden binnen de Grenadines de eilanden Mustique, Bequia, Union en Palm allemaal ooit hun eigen zegels uitgegeven.
      Ik wilde vanaf ieder van die eilanden een kaartje met de eigen postzegels versturen. Vanaf Saint Vincent en Mustique was dat gelukt, op Bequia hadden ze uitsluitend zegels van Saint Vincent & the Grenadines en toen we die avond op weg naar de Sunset Bar & Gril van het resort langs de receptie kwamen, kreeg ik te horen dat Palm Island, na die ene uitgifte, nooit meer zegels had uitgegeven. 

De ankerplaats werd bestookt door wind en golven waardoor de catamaran de hele nacht zwaar lag te rollen. Na een slechte nacht zetten we ’s ochtends vroeg koers naar het markante silhouet - waardoor het de bijnaam Tahiti of the Grenadines kreeg - van Union Island.

Union Island is met 2700 inwoners na Bequia het dichtstbevolkte Grenadine eiland. Het is het enige eiland in de Grenadines dat heeft geprobeerd zich af te scheiden van Saint Vincent. In de jaren zeventig was het er een poosje onrustig omdat opstandelingen op gewelddadige wijze aansluiting zochten tot Grenada.  De opstand werd onderdrukt door een speciaal uit Saint Vincent overgevlogen politiemacht.
      Er zijn twee dorpen op Union, Clifton en Ashton, die aan het begin van de vorige eeuw bijna geheel ontvolkt waren. Het bevolkingsaantal begon in de jaren zestig weer gestaag te groeien nadat een Fransman uit Martinique, André Beaufrand, bij Clifton een hotel, de Anchorage, bouwde en er een kleine airstrip bij liet aanleggen. Vliegveldje, beschutte ankerplaatsen voor jachten, een fijn hotel met uitstekend restaurant en de nabijheid van de parels van de Cariben, de Tobago Cays, bleken de juiste ingrediënten voor een succesvolle toeristische onderneming.

We ankerden in water van een ongelofelijke kleur en helderheid bij een groot rif in de baai van Clifton, het hoofdplaatsje van Union Island. Een eindje verderop stak de landingsbaan van het kleine vliegveld de zee in.
      We gingen aan land. De Anchorage was inmiddels een begrip geworden en het toerisme naar Union was enorm toegenomen. In het kielzog van al die toeristen had zich een heuse toeristenindustrie neergevleid in de smalle hoofdstraat van Clifton. Guesthouses, dive-clubs, excursiebureautjes, een bank, een tourist office, restaurantjes en barretjes stonden er zij aan zij.

Ook souvenirwinkels waren er natuurlijk en in één van deze winkels vond ik een aantal Philatelic Souvenir Sets, slordig in plastic verpakte kartonnetjes met niet alleen series kleurige Saint Vincent postzegels maar ook een aantal met zegels van Union Island én van Bequia.
      Navraag in het Clifton postkantoor in dezelfde hoofdstraat, leerde weliswaar dat het postkantoor geen Union Island zegels  verkocht, maar dat die zegels uit de souvenirwinkel wel gewoon voor post gebruikt konden worden.

En inderdaad, negentien dagen nadat ik een kaartje met Union zegels had beplakt en in de lokale brievenbus had achtergelaten, viel het op de deurmat van mijn huis in Utrecht.

We liepen het eiland rond. Naar Richmond Bay waar pelikanen indrukwekkende duikvluchten uitvoerden, tussen de bergtoppen Olympus en Parnassos door, waar geiten graasden op groene alpenweiden leek het wel. Naar het noorden toe waren er prachtige uitzichten over het ruige onbewoonde noordelijk deel van dit fraaie eiland.
      Ergens kwamen we een dame tegen die bloemetjes in de plooien van haar oogleden droeg. Echt waar. Probeer dat maar eens!

Toen liepen we Ashton in. Het stadje leek zich totaal van het toerisme te hebben afgekeerd. Geen restaurants of barretjes hier, geen souvenirwinkels, geen tourist office, geen toeristen. Slechts keurige huizen in lintbebouwing en aan de kust iets dat ooit als een groot project voor een marina moet zijn begonnen maar in de beginfase van de bouw al leek te zijn gestopt. Misschien wilden de Unionanen het wel zo houden: Clifton voor de toeristen, Ashton voor de Unionanen.
      Lopend langs de zuidkust terug naar Clifton zagen we beneden ons een aantal jongens cricket spelen. Vanaf het speelveld strekte een schitterend uitzicht zich uit tot aan het zuidelijkste eiland van Saint Vincent & The Grenadines, Petit Saint Vincent - in de volksmond Peesvee en ook al een resort - en het noordelijkste eiland van buurstaat Grenada, Petite Martinique.

We vertrokken. Noordwaarts zeilden we weer. Terug naar Saint Vincent en verder. Onderweg gooiden we bij Bequia het anker uit en kon ik met de dinghy aan wal om er een kaartje te posten met de op Union in een souvenirwinkel gekochte Bequiaanse postzegels die op Bequia niet te krijgen waren.

En inderdaad, het werkte: 21 dagen later lag het kaartje bij mij thuis.

  

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 



 

Winter 1984

Een impressie van Gerard Jacobs 


 
In Oorlog met een IKEA-pakketje

 Op zoek naar de bronnen van de Nijl arriveren wij na een slopende tocht door het onmetelijke Soedd moeras, in het dorp Yeï, een gehucht aan een onverharde weg in het grensgebied van Zuid-Sudan met Kenia, Oeganda en Zaïre.
      We hebben dagenlang tussen de Dinka’s verkeerd, een Afrikaans nomadenvolk, dat leeft van melk vermengd met bloed. We zijn uitgeput, vuil, hongerig en dorstig als we ons melden bij het kantoor van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen in Yeï, dat verantwoordelijk is voor de opvang van duizenden vluchtelingen in de regio.

Het hoofd van de UNHCR, een Spaanse aristocraat met een markiezenbaardje, bekijkt ons neerbuigend, haalt de neus op en stuurt ons weg – ondanks de aanbevelingsbrieven van de Nederlandse ambassade in Khartoem.
      Nijdig huren wij – veeleisende verslaggevers die al maanden onderweg zijn van Alexandrië naar het hart van Afrika- een kamer in het plaatselijke hotel, tevens bordeel, een verzameling rondavels met rieten dak. Eten is er niet, wel lauw bier, vertelt de uitbater, en de douche wordt door de dames gebruikt als werkruimte.
      Als de avond valt en de douche nog steeds bezet is, rijdt een 4-wheeldrive het terrein op. De UNHCR-vertegenwoordiger nodigt ons, op last van zijn vrouw, zo bekent hij chagrijnig, uit voor de avondmaaltijd.

       ‘Een karig maal,’ waarschuwt zij, een beeldschone Filippijnse, glimlachend. ‘Rijst met vis.’ Het is een arm dorp'.
Zij kookt bij kaarslicht, buiten op het erf, op een primus en inspireert mijn collega tot het schrijven van gedichten bij sterrenlicht.

We halen samen water in de rivier. Ze had, vertelt ze zuchtend als we met koud water in een plastic teiltje de afwas doen, meer van het leven verwacht toen hij, deze edelman uit Aragon, haar ten huwelijk vroeg op de Filippijnen.
      Een kasteel, suggereren wij. Niet deze hut van aangestampt leem. Wij kijken hem bestraffend aan. Hij drinkt mokkend whisky. Er is geen ijs.
Ze heeft een verzoek. Met de diplomatieke koerier is onlangs gearriveerd – per vliegtuig in de hoofdstad Khartoem, toen per boot over de Nijl naar Juba, en verder landinwaarts met de camion naar Yeï -, een slaapkamerklerenkast. De bruine IKEA-dozen liggen op het erf, halfgeopend.

      ‘Mijn man kan geen wijs uit de gebruiksaanwijzigingen,’ bekent ze.
Of wij, in ruil voor het met liefde bereide maar karige maal, de kast in elkaar willen zetten?

Wij doen galant ons best. Maar helaas, zo blijkt ook na lang zoeken met een kaars op het erf, er ontbreekt een plastic zakje met schroeven en bouten.
      ‘Geen probleem,’ verzekeren wij de Spaanse edelman bij het afscheid. ‘Volgens de instructie, kunt u de ontbrekende onderdelen ophalen bij de dichtstbijzijnde IKEA-vestiging.
      Waarschijnlijk in Genève.’


Dagboekje

Ik heb er mijn dagboekjes uit die roerige tijd even bijgehaald. Daar staan die ''gedichten bij sterrenlicht'' niet in.
      Maar wel wat beschouwingen over de situatie daar en hoe dat vorm gegeven moet worden in reportages.
Een klein stukje. En dan volgt de ''vertaling''.

 
 

Hier staat:

Wat hebben we tot nu toe?
Hoe moet dat in elkaar worden gestoken?
Verwarring lijkt groot. Bij mij. Bij Gerard.
Hoe combineer je kikkers in de plee met een
dreigende burgeroorlog, vluchtelingen, en zoiets 
als armoedebestrijding en ontwikkelingssamenwer-
king.

De chaos compleet! Zoiets.

Zaterdag 4 februari


Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan

 

 

Voorjaar 2010 

Zomaar een stadje in de heuvels

Zuid-Bohemen Tsjechië

Mladá Vožice is een stadje in Zuid-Bohemen Tsjechië
     
Nog geen 3.000 inwoners. Zo’n tachtig kilometer onder Praag.
Het is dromerig. Aangenaam. Verstild.
      Heuvels en bossen in de omgeving.
Vrijwel alles gebeurt op het centrale plein: Zižka Square.


Hotel

Een relatief groot hotel, een paar restaurants, terrasjes, een grote Coop, een kleine Coop en nog een paar winkeltjes.
      Een kerk met een mooie toren, een aantal karakteristieke huizen aan het centrale plein,  twee scholen, een standbeeld en een vervallen kasteel.


Plein

Alle wegen leiden naar het plein.

Entree

 In Mladá Vožice kom je niet per ongeluk, want het ligt bepaald niet aan een hoofdweg.

      Je kunt er eenvoudig een huis huren.
Met uitzicht op het dorp en uitzicht op heuvels en bossen. De mensen zijn aardig.
      Er komen vrijwel ieder weekend vrij veel mensen uit Praag , die hier een tweede huis hebben.
Men eet dan graag karper, die in de vijvers rond het dorp gekweekt wordt.

Vietnam-handel

Op zaterdag zijn de winkels dicht. Met uitzondering van de levensmiddelenzaak van de Vietnamees Van Lap Luong.
      Die is trouwens ook op zondag open.
En hoe laat hij op weekdagen open gaat, laat zich raden.
     
Vanaf januari 1950 kwamen er Vietnamezen van de toenmalige Democratische Republiek naar het communistische Tsjechoslowakije. De landen knoopten toen diplomatieke betrekkingen aan.
      De Vietnamezen kwamen om te werken en om te studeren. Ze openden ondermeer restaurants en winkeltjes. 
Zij zijn de op twee na grootste ethnische groepering -ca. 60.000- in het huidige Tsjechië.
      Na de Slowaken en de Ukrainers. 
Er zijn ook veel Roma in het land, maar die hebben veelal de Tsjechische nationaliteit.


Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 

 



Eiland van de superrijken


(Door Rolf Weijburg)

Vanaf Mustique varen we zuidwaarts langs Petit Mustique, Savan en Petit Canouan. Fregatvogels jagen achter keerkringvogels aan om ze hun prooi af te pikken. Een enorme school vissen kleurt het water zilver. In de verte ligt het markante silhouet van Canouan, met de puntige Mount Royal als een baken in het noorden van het eiland.
      We zeilen langs de dorre oostkust van het heuvelachtige eiland, prachtige stranden schitterden fel wit achter turquoise lagunes. Om de zuidpunt bij Glossy Hill en dan de fraaie, hoefijzervormige Charlestown Baai in, waar we voor anker gaan. Canouan is met een bevolking van 1200 na Bequia (5000) en Union Island (2500) het derde bewoonde eiland van de Grenadines van Saint Vincent.


Charlestown

Het hoofdplaatsje, Charlestown, ligt tegen de flanken van de heuvels achter Charlestownbaai. Het was een plaatsje met wat rommelig door elkaar geplaatste huisjes dat er uitzag alsof het niet echt als dorp gegroeid was, maar daar gewoon maar op een goeie dag in één keer was neergekwakt.
      Er waren een aantal kerkjes (Saint Michaëls Church, All Angels Church - het barst van de kerken in de Cariben -),en wat kleine winkeltjes die vaak ook tegelijkertijd als barretjes fungeerden. Het postkantoortje was gesloten omdat de postbeambte met spoed naar de kerk moest.


Queen Conch

De Queen Conch, de grote schelp van de roze vleugelhoornslak, is in het dorp alom tegenwoordig. Het vlees van de slakken, lambi, wordt hier veelvuldig gegeten. De enorme schelpen worden gebruikt als ornamenten of opgepoetst en verkocht aan toeristen, maar meestal gooit men ze nadat de slakken zijn verwijderd, gewoon weg. Op bepaalde strandjes liggen bergen oude schelpen.


Green Heron

Verder naar het zuidwesten lag een klein vliegveldje waar maar weinig gebeurde. Er stonden een paar nooit afgebouwde kapitale villa’s te verpieteren tegen de dorre heuvels. Nee, Canouan kon in 2004, ondanks zijn prachtige stranden, niet echt voldoen aan het paradijselijke imago dat men over het algemeen van een Caraïbisch eiland heeft.
      Bovendien vond ik bij een klein moeras de Green Heron, een vreemde, niet groene, kwakachtige vogel die ineengedoken en steels langs de waterkant sloop op jacht naar vis. De bewoners noemden het beest de Water Witch, wat ook al niet hielp.

      In de jaren zeventig verrees aan de mooie Glossy Bay in het uiterste zuidwesten een resorthotel dat, omdat er anders geen klanten zouden komen, ook maar een vliegveldje had laten aanleggen.
      Later opende ook het Tamarind Hotel op het strand van Charlestown Bay zijn deuren. Het eiland werd opengelegd, waren de veelbelovende kreten, maar in de praktijk veranderde er maar bar weinig voor de eilandbewoners die tot in de 21ste eeuw grotendeels verstoken bleven van bijvoorbeeld elektriciteit.

Antonio Saladino

Aan het begin van deze eeuw liet de Italiaans-Zwitserse ondernemer Antonio Saladino, die aanvankelijk land had gekocht op het noordelijker gelegen Mustique, zijn oog vallen op het noordelijk deel van Canouan. Het gebied van glooiende heuvels rondom Mount Royal - met 260 meter het hoogste punt van Canouan - dat ongeveer één derde van het hele eiland besloeg, omvatte een aantal fantastische beschutte stranden grenzend aan het Canouan Coral Reef National Park, waar in een door een rif beschermde lagune de bevoorrechte toerist naar hartenlust zou kunnen duiken en snorkelen tussen het veelkleurige koraal en de ontelbare tropische vissen.

Resort   
Hier bouwde de rijke Zwitser een super luxueus vijf sterren resorthotel, Pink Sands (meer dan 2000 dollar per kamer per nacht).
      Talloze investeerders wist Saladino aan te trekken om het resort uit te breiden.

Zo kwam er een zwembad van maar liefst 1200 vierkante meter en investeerde ene Donald Trump miljoenen in het exclusieve Casino Monte Carlo Villa en de ontwikkeling van een 18 holes golfbaan die steevast ieder jaar in de top tien van beste/mooiste golfbanen ter wereld zou gaan figureren.
      Later werd er een Spa aan het complex toegevoegd, kreeg het eiland een marina, vestigde de grootste jacht-verhuurder van de Cariben, The Moorings, er een verhuur basis en werd het vliegveldje dusdanig uitgebreid dat er nu 737’s kunnen landen.

Honderden miljoenen heeft het allemaal gekost. Canouan is van een onbekend backwater in luttele jaren opgestuwd tot een eiland voor de superrijken, of, zoals ik in een advertentie las:

      “The Island where billionaires go to escape millionaires”.

Saladino heeft inmiddels zijn resort verkocht en daarna is het weer doorverkocht, en nog eens. Trump is uitgekocht. Waarschijnlijk heeft iedereen veel winst gemaakt.
      Er is vast ook wel een aantal voordeeltjes geweest voor de lokale bevolking. Elektriciteit voor iedereen bijvoorbeeld, maar of iedereen nu wel zo blij is met dat exclusieve toerisme durf ik te betwijfelen.

Mayreau

We vertrokken en staken de 10 kilometer lange zeestraat over naar het volgende eiland: Mayreau.

(Nu ik dit zo opschrijf schiet het me te binnen dat ik ooit bevriend was met de Franse zangeres Isabelle Mayereau, zou zij iets met het eiland van doen hebben?)

Een fijne bries stuwde ons met grootzeil en fok vooruit en we ankerden in Saline Bay in het zuidwesten van dit kleine eiland dat met nog geen 300 inwoners het dunst bevolkt is van de Grenadines van Saint Vincent.
      Er was slechts één hotel op dit eiland, het redelijk low-profile Salt Whistle Bay Hotel aan de gelijknamige baai in het noorden.

Toen we bij het verlaten strand van Saline Bay aankwamen en de dinghy ver genoeg het zand hadden opgetrokken, zagen we tegen de struiken aan honderden tafels en stoelen liggen. Er stonden ook wat barbecue’s bij. Ook Mayreau ontving, ondanks de afwezigheid van grote hotels, blijkbaar grote groepen toeristen, waarschijnlijk van cruiseschepen.
      We liepen een lage heuvel over en kwamen bij een zoutmeer waar in vroeger tijden zout gewonnen werd en geëxporteerd naar andere eilanden. We liepen over een pad door het droge struikgewas en kwamen bij een lang, smal strand aan de oostkust dat bezaaid lag met waaierkoraal. Het pad liep omhoog naar het kleine dorp zonder naam maar met twee kerken. Aan alle kanten ontvouwden zich hier spectaculaire uitzichten over de Caribbean met Canouan in het noorden, de Tobago Cays in het oosten en het grillige silhouet van Union Island in het zuiden.

Langs een klein begraafplaatsje daalden we af tot aan Salt Whistle Bay dat vol begon te lopen met jachten.
      Het geluid van ratelende ankerkettingen kon je vanaf de heuvels al horen.

We dronken een biertje op het terras van het hotel terwijl een nieuwsgierig zwart vogeltje met fel gele kraaloogjes op het tafeltje tussen de bierflesjes heen en weer hipte. Toen het wegvloog draaide het zijn staart enkele malen een kwartslag van horizontaal naar verticaal en weer terug.
      Dat heb ik nog nooit een vogel zien doen.

's Avonds bezochten we de lawaaierige uitspanning van Robert Righteous and the Youths in het dorp zonder naam. Net als op de meeste andere Grenadines was drinkwater ook op Mayreau een probleem. Regenwater werd er opgevangen in een drietal waterbassins en als het onvoldoende had geregend sprong een tanker vanuit Saint Vincent (want daar regent het extreem veel) bij.

      Maar bij Robert Righteous was drinkwater helemaal niet nodig. Terwijl Robert uitbundig een aantal Fransen vermaakte op de dansvloer had iedereen aan bier en rum genoeg.


 

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 






The Billionaire’s Island


(Door Rolf Weijburg)

Saint Vincent en the Grenadines is het op elf na kleinste land ter wereld en hoewel de eilandketen The Grenadines slechts ongeveer een achtste van het 390 vierkante kilometer grote land bestrijken, zijn ze toeristisch verreweg het meest in trek. Voor “de gewone toerist” misschien een onbekende bestemming, maar onder zeilers genieten ze, vanwege hun schoonheid en ideale bevaarbaarheid, enorme populariteit.
      De paradijselijke baaien en baaitjes op de meeste eilanden liggen in het hoogseizoen dan ook vol met zeiljachten.
We voeren het drukke Admiralty Bay uit, om de westpunt van Bequia heen en draaiden de dubbele neus van de catamaran “Icaros” richting Mustique.

Onderweg probeerden we met de dinghy op het vlak bij Bequia gelegen Petit Nevis aan land te gaan, maar door de flinke golfslag lukte dat niet. Jammer, want op het eilandje zijn nog resten van een walvisstation te zien. Er liggen ook nog veel walvisbotten, hoewel het merendeel in de jaren zestig is weggehaald door de bewoners en bouwers van Moonhole, een kleine kluizenaarsgemeenschap op het uiterste zuidwestelijke puntje van Bequia.
      Daar had een uit New York afkomstig gepensioneerd echtpaar zich teruggetrokken om samen met enkele geloofsgenoten en lokale ambachtslieden met lokaal hout en keien, walvisbotten en allerlei aangespoeld materiaal enkele uiterst experimentele woningen te bouwen. Eerst onder een grote natuurlijke rotsboog, maar later ook tegen de hellingen erachter. De commune leefde er enkele jaren in afzondering, maar tegenwoordig is de kleine nederzetting een zogenaamd eco-resort.
      Het was vanaf zee goed te zien.

In een goed uur staken we over naar Mustique. Een klein bootje begeleidde ons naar een ankerbal in de prachtige Brittannia Bay, waar we aanlegden.
      Er lagen hier beduidend minder jachten voor anker dan we bij Bequia hadden gezien.
Voor ons trok een smal strand onder hoge palmen langs de kust. Iets naar het noorden zagen we het grote overdekte houten terras van het wereldberoemde Basil’s Bar & Restaurant dat de zachte branding overkapte.
      Dit was één van de drie bars en één van de twee restaurants die het eiland rijk was. Er waren twee zeer luxe hotels op het eiland (bij elkaar goed voor 25 kamers) en er was een piepklein dorpje, Lovell Village, dat slechts een paar honderd inwoners telde. Een eindje voorbij Basil’s stak een aanlegsteiger waar eens in de zoveel dagen de Inter-Island Ferry aanmeerde, het kraakheldere water in. Het eiland had ook een klein vliegveld waar een paar keer per dag vliegtuigjes uit Barbados en enkele andere eilanden landden.

Waarom zoveel voorzieningen voor een eiland met slechts een paar honderd inwoners?
      Wel, als ik u zeg dat het weelderig begroeide, met prachtige stranden omgeven Mustique als bijnaam “The Billionaire’s Island” heeft, dan voelt u de bui al hangen.
      Het ongeveer 5 bij 2,5 kilometer metende Mustique werd in 1958 gekocht (voor 45000 Pond) door de rijke Britse aristocraat en ondernemer Colin Tennant, later Lord Glenconner, die het eiland wilde ontwikkelen tot een exclusieve hideaway voor zijn rijke en adellijke vrienden. Hij plantte het eiland vol palm- en fruitbomen en bouwde een compleet nieuw en keurig dorp voor de oorspronkelijke bewoners. Toen het Koninklijk jacht Brittania in 1960 op zijn Caribische tour ter gelegenheid van het huwelijk van Prinses Margaret en Lord Snowdon Mustique aandeed, bood Tennant de prinses, met wie hij goed bevriend was, als huwelijksgeschenk een stuk land op het eiland aan, waarop zij haar eigen vakantievilla mocht bouwen.
      Dat huis, “Les Jolies Eaux”, staat er inmiddels sinds 1969 op een schiereiland aan de zuidkust. De prinses, die wel van een partijtje hield, kwam er vaak, hield er grote feesten, ontving en relaxte er. Na haar overlijden in 2002 bleef het enige tijd ongebruikt, maar nu kan je de villa voor zo’n 30.000 dollar per week huren.

Colin Tennant

Door de jaren heen vonden allerlei andere beroemdheden, adellijken en magnaten de weg naar Mustique en inmiddels staan er 110 villa’s verspreid over de heuvels en langs de kusten van het idyllische eiland. De één nog extravaganter dan de ander. Zo’n beetje iedere bouwstijl is er terug te vinden, variërend van Caribische gingerbreadhouses, Franse chateaux en Veneziaanse palazzi tot kapitale villa’s in Balinese, Marokkaanse of Japanse stijl. Het zijn follies waar je écht in kan wonen.
      Stuk voor stuk imposante bouwwerken die voor het overgrote deel van het jaar leeg staan of voor viernullenbedragen verhuurd worden (inclusief personeel uiteraard). De eigenaren, waaronder Mick Jagger, wijlen David Bowie, Tommy Hilfiger, Shania Twain en Bryan Adams, komen er slechts enkele weken per jaar.

      Om financiële redenen was Colin Tennant in 1976 min of meer gedwongen het eiland over te dragen aan de nieuw opgezette Mustique Company waarin alle villa-eigenaren zich hadden verenigd. Tennant verliet het eiland en stierf in 2010 op het naburige Saint Lucia.

      Zijn standbeeld blijft uitkijken over Mustique.

De Mustique Company regeert nu over het eiland. Alle huizen en gebouwen, anders dan de villa’s van de jetset, zijn eigendom van de Company. De oorspronkelijke bewoners die bij elkaar in het dorpje Lovell wonen betalen geen huur. Hun kinderen mogen gratis naar de basisschool, het enige onderwijs op Mustique. 

      Later is er gegarandeerd werk voor ze op het eiland. De Company onderhoudt voorts de wegen, stelt algemene regels op, zorgt voor security, harkt de stranden aan, exploiteert de ankerballen in Brittania Bay , etc. etc. Mustique geeft zelfs, zij het zeer sporadisch, zijn eigen postzegels uit.

 

 Kaartje


Mules

Het eiland is als een apart landje uitsluitend voor de Rich & Famous, een afgeschermde speeltuin met hoog Disneylandgehalte waar The Company over waakt.     
        Het eerste dat opviel toen ik er aan land stapte was het verkeer. Dat was er haast niet, maar als er dan iets gemotoriseerds over de keurige asfaltweggetjes langstrok, waren het van die elektrische golfkarretjes, van het merk Mule.
      Afgezien van een enkele vrachtwagen of bestelbus van The Company, waren dit de enige auto’s op het eiland, andere waren verboden. Er waren geen stoplichten of verkeersborden.

Ik liep Basil’s Bar binnen en bestelde op het terras een cappuccino. Voor een zo gerenommeerde en wereldberoemde tent als dit vond ik het er eigenlijk niet zo bijzonder, een beetje sleets zelfs, uitzien. Maar je zat er heerlijk, dat moet gezegd.
      Een eindje verderop stonden tussen uitbundig bloeiende frangipani’s en bougainvillea twee gingerbread huisjes die zó uit Disneyland hadden kunnen komen. De een was een bakkerij, de ander een souvenirwinkeltje.

Door lopend langs de kust een kleine heuvel op kwam ik bij het dorpje Lovell, de enige nederzetting op het eiland, een aantal kleine, goed onderhouden huisjes rondom een lus aan het einde van de weg.
      Ik slenterde verder het eiland over. De weggetjes kronkelden netjes tussen de heuvels door langs keurig bijgesnoeid bos, aangeharkte perkjes en strak gemaaid gras. Vogeltjes kwetterden precies zoals het hoorde en qua wildlife was er nog de roodpotige landschildpad, een beschermde diersoort en troeteldier van het eiland - ergens staat zelfs een klein standbeeld van twee copulerende schildpadden - dat voorrang heeft als het de weg oversteekt.

Hier en daar doemden uitspattingen van overdreven architectonisch optimisme op achter pompeus bewerkt hekwerk, lange muren of hoge heggen. Af en toe schitterde het blauw van een zwembad tussen de palmbomen door.
      Ik kwam bij het kleine vliegveldje. Hoewel de huiseigenaren van Mustique waarschijnlijk allemaal wel een eigen privé jet hadden, konden en mochten ze die hier vanwege ruimtegebrek niet parkeren (overigens is er ook geen plek waar je je megajacht kwijt kunt). Er stond één klein vliegtuigje van Grenadine Air dat net was aangekomen. In het postkantoortje dat tegenover de terminal stond kocht ik een aantal Mustique postzegels.
      Later liep ik langs een klein binnenmeer vol watervogels aan de westkust en kwam terecht op het strand van Lagoon Beach aan de zuidkust. In de schaduw van de wuivende palmen stonden talloze mooie houten bankjes keurig in gelid in het zand, maar er zat niemand op. Er was niemand op het strand, alleen drie mannen die met rookgeweren bezig waren muggen en zandvliegen te vernietigen.

Want Mustique moet schoon!

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh