Reizen (307)


CARIBEN

      


Het Eiland van Te Veel Koningen


Linksonder: Redonda    

(Door Rolf Weijburg)

Enkele fregatvogels vlogen met ons mee terwijl het lage Barbuda rap achter de golven verdween. Antigua, het veel hogere hoofdeiland van het op 13 na kleinste land ter wereld Antigua & Barbuda, presenteerde zich al wat wazig aan de einder. De zee was rustig, de wind was goed, de catamaran was in zijn element. De dag zeilde voorbij.  Af en toe jaagde een roofvis een school vliegende vissen uit het water en vlogen tientallen zilveren vliegtuigjes over de golven  – de vissen doen me altijd denken aan die kleine plastic vliegtuigjes die je vroeger had, met twee opwindbare vleugeltjes – en soms kwamen ze op het dek terecht.

We naderden Antigua. In het zuidwesten zagen we de rokende kegel van Montserrat, een Brits Overzees Gebied dat al sinds 1995 leidt onder vernietigende vulkaanuitbarstingen. Maar iets ten noorden daarvan zagen we nóg een eiland. Veel kleiner dan de andere eilanden in de omgeving.


“Redonda”, kleurets van Rolf Weijburg

   

Daar lag Redonda.
      Hoewel het eiland vlak bij Montserrat ligt en dicht bij Nevis, werd Redonda in 1967 het derde eiland (als we de satellieteilandjes rondom Antigua niet meerekenen) van de staat Antigua & Barbuda. Onbewoond maar met “historie”.
      Het eiland meet amper twee kilometer bij vijfhonderd meter en reikt op het hoogste punt net onder de driehonderd meter. Er is weinig vegetatie. Er wonen niet zo veel vogels meer, er zijn ratten en een bijzondere hagedis. En er zijn geiten. Mensen zijn er niet. Het eiland is bijzonder steil en rotsig en er aan land gaan kan alleen met grote moeite en bij uiterst kalm weer.

   

 

King Felipe

Toch was Matthew Dowdy Shiell, een handelaar en prediker uit het naburige eiland Montserrat, er aan het einde van de 19e eeuw ooit eens aan land geweest en had zich bij die gelegenheid tot Koning van Redonda uitgeroepen. Het eiland werd in die tijd bewoond door maar liefst honderdtwintig arbeiders die er de stinkende guano, fosfaatrijke vogelpoep, zeg maar kunstmest, van de rotsen schraapten.
      Een onmogelijke plek om te wonen en werken gezien het feit dat er nauwelijks een stukje vlak land te vinden is. Er was een steiger aangelegd via welke de guano verscheept kon worden. De lucratieve guanowinning duurde voort tot aan het begin van de Eerste Wereld Oorlog. Toen werden de activiteiten gestaakt en vertrokken de arbeiders.

Daarna heeft eigenlijk niemand zich meer om Redonda bekommerd. Ook Matthew Phipps Shiell, na acht dochters de eerste en enige zoon van Matthew Dowdy, die op vijftienjarige leeftijd tot King Felipe, King of Redonda was gekroond, niet echt.
      Matthew Phipps Shiell verhuisde in 1885 naar Engeland en werd als M.P. Shiel (de tweede L verdween ergens onderweg) een bekend auteur van fantasy en science fiction boeken.

                       

 

King Juan I

Bij zijn dood in 1947 ging zijn literaire nalatenschap over naar zijn Londense uitgever, de dichter John Gawsworth die ook, als King Juan I, de titel Koning van Redonda erfde.
      De nieuwe koning was bijzonder verguld met zijn titel en vertelde iedereen die het maar horen wilde over zijn nieuwe positie. Hij zette Redonda’s hoogste punt als King Juan’s Peak op de kaart en op zijn schoorsteenmantel  bewaarde hij een koekjestrommel met wat as van M.P.Shiel  waarvan hij bij gewaardeerde gasten een klein schepje door de thee roerde.

Maar Koning Juan I was ook een fervent drinker, en dan heb ik het niet over thee. In zijn stampub “The Alms” in Londen sloeg hij menige pint achterover. Zoveel zelfs dat hij aan lager wal raakte en met titels begon te strooien: in ruil voor een avondje doordrinken in de Pub, kon je zodoende al gauw een Redondaanse adellijke of prinselijke titel van hem krijgen.
      Hij zette advertenties in de krant waarbij hij het hele Koninkrijk te koop aanbood, inclusief de titel Koning van Redonda  en zo kon het gebeuren dat er eind jaren negentig wel tien Koningen van Redonda waren (en een Koningin) die allemaal aanspraak maakten op de troon. King Juan II, King Bob the Bald, King Leo, Queen Maggie, King Xavier, om er maar een paar te noemen.  Op internet vind je nogal wat sites waar de diverse koningen elkaars titels betwisten. Bedriegers en charlatans zijn het!

King Bob the Bald

Sommigen bleven op de achtergrond, anderen waren actief en gedecideerd om het Koninkrijk op de wereldkaart te zetten. King Bob the Bald bezocht het eiland en plantte er de nieuwe Redondaanse vlag.

Bij die gelegenheid verklaarde hij:

“… Thus a new Kingdom, friendly to all, especially Cuba, Bhutan, and the islands of Antigua and Barbuda, has appeared in the Caribbean. We intend to be an easy-going, benevolent monarch, strict but fair. For a modest fee not even approaching princely prices We will be available to launch boats, nudist beach clubs, and bar mitzvahs...”

Daar is allemaal vooralsnog weinig van gekomen.

 

Consulaat

Koning Bob zette zich in 2007 samen met kroegbaas Robert Beech, die hij voor de gelegenheid tot consul had benoemd, in om zijn stamkroeg The Wellington Arms in Southampton tot Consulaat van Redonda om te dopen.
      Een prettige bijkomstigheid was dan dat een consulaat geen kroeg was en ook geen openbare gelegenheid, maar een plek met diplomatieke buitenlandse status die buiten de lokale wetten valt waardoor het nationale rookverbod in Engelse pubs en restaurants mooi omzeild zou kunnen worden.

Maar de verzoeken werden afgewezen. 

 

King Michael the Grey

Bij zijn dood in 2009, liet Koning Bob de koninklijke titel na aan King Michael the Grey, die zijn vlag plantte op Redonda en op Antigua werd gekroond, bij welke gelegenheid hij de Gouden Bol (een goud geverfde ananas) en de Scepter van Dienst (een goud geverfde suikerrietstengel) ontving.

Toch niet niks zou je zeggen, maar het geruzie over wie er nou écht de Koning van Redonda is, gaat gewoon door.

 

 

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 


Een kolonie Fregatvogels

   


(Door Rolf Weijburg)

Codrington is maar een klein plaatsje.
      Bijna de voltallige Barbudaanse bevolking woont er, zo’n 1600 mensen in 2005.

   

Zandstraatjes en lage huizen.
      Een postkantoor en een brandweerauto, een ziekenhuisje, een kerk en een kapper.

Kapper

   

Auto’s waren er natuurlijk ook, veel four wheel drives, maar nogal wat mensen verplaatsten zich per paard of ezel.

Boys & donkeys

   Afgezien van een klein guesthouse waren er geen hotels in Codrington in 2005. Het hele eiland telde slechts twee hotels, allebei in het zuiden en allebei sjiek en exclusief.
      De gasten werden er binnengevlogen via een privé airstripje en kwamen zelden of nooit verder dan het strand.
Toch biedt Barbuda meer dan zijn superbe stranden: het is de thuisbasis van de grootste fregatvogelkolonie op het westelijk halfrond.


Barbuda Stamps Fregatvogel

   

Fregatvogels zijn grote vogels. Meer dan een meter lang, een lange snavel met een vervaarlijke haak, gevorkte staart en lange, smalle puntige vleugels met een hoekige knik die een spanwijdte van ruim twee meter kunnen bereiken. In de vlucht doen ze wat denken aan de prehistorische pterodactylus.

Het zijn fantastische vliegers. De fregatvogels uit het Indische en Stille oceaangebied kunnen wekenlang in de lucht blijven, maar de soort die hier en op de Galápagos voorkomt, de Magnificent Frigate, keert over het algemeen ’s avonds weer terug naar land.
      In de tussentijd kunnen ze afstanden van ruim 300 kilometer afleggen speurend naar prooi, (vliegende) vissen en weekdieren, die ze van het wateroppervlak oppikken.
      Fregatvogels kunnen niet duiken of zwemmen omdat hun veren niet waterafstotend zijn, dus hebben ze zich ontwikkeld tot kleptoparasieten: liever dan zelf vis te vangen en het risico te lopen dat ze in zee terechtkomen en verdrinken, jatten ze vis van anderen. Vooral sterns, jagers en genten zijn de klos. De fregatvogels gaan er achteraan in spectaculaire achtervolgingen, net zo lang tot de slachtoffers uit pure wanhoop hun net gevangen vis laten vallen en de agressor in acrobatische duikvluchten de lekkernij handig opvangt voordat die in zee valt.

Mooi zijn ze, fascinerend en majestueus, maar met zijn kleptoparasietale karakter kan je je toch afvragen of het wel zo verstandig was om de vogel tot National Bird of Antigua & Barbuda te maken.


Aaron

   

Aaron liet zijn buitenboordmotor eens flink brullen en draaide zijn boot met veel bravoure richting Codrington Jetty om ons op te pikken.
      Hij was één van de jongens die ons op straat in Codrington aanklampten met het voorstel om ons naar de fregatvogelkolonie te varen.

Fregatvogel excursies waren handel op Barbuda.

De kolonie die uit meer dan vijfduizend vogels zou bestaan, bevond zich op de met mangrove begroeide oevers en eilandjes in het noorden van de grote lagune, in het Codrington Lagoon National Park, waar behalve de fregatvogels ook nog een grote hoeveelheid andere vogelsoorten leefde.
      We stoven noordwaarts over het brakke water van de grote lagune.

Magnificent Frigate Birds
   Het was niet moeilijk om de kolonie te vinden. Van veraf al werd boven de lage horizon van de noordelijke oevers van de lagune een enorme wolk vliegende vogels zichtbaar. Toen we dichterbij kwamen en de met mangrove begroeide oeverlijn openbrak in inhammen en eilandjes, konden we de kolonie ook ruiken: een soort gaslucht, een beetje zwavel met een volle vissige touch vulde de lucht, de lucht die vol was met vliegende, zwevende, cirkelende en duikende fregatvogels.
      Aaron schakelde de buitenboordmotor uit en het derde zintuig vulde zich met de kolonie. Gekras, geklepper en gepiep, anders kan ik het eigenlijk niet omschrijven. Het lawaai voegde zich bij de stank en het sierlijke schouwspel van de majestueuze vliegende vogels.


Magnificent Frigate

    

 

Frigate Colony

We peddelden dichterbij en nu werd ook het sedentaire deel van de kolonie goed zichtbaar:  werkelijk overal waar je keek scharrelden vogels tussen het groene loof. De jonge vogels met hun witte koppen nieuwsgierig uit het mangrovegebladerte koekeloerend, de vrouwtjes op hun hoede en een enkel mannetje dat, nu aan het eind van het seizoen nog, met zijn knalrode opgeblazen keelzak op de valreep een overvliegend vrouwtje probeerde te versieren.

“How many frigate birds are living here, Aaron?”

“Ah, many many more than Barbudans in Codrington, Sir.”  

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 


Omstreden zandwinning op arm eiland

   

 

(Door Rolf Weijburg)

Vanaf zee is Codrington, de “hoofdstad” en enige nederzetting van Barbuda, onderdeel van de Caribische natie Antigua & Barbuda, per boot eigenlijk niet te bereiken. Kijk maar op de kaart. Het plaatsje ligt aan de binnenkant van Barbuda’s grote lagune en de enige doorgang van die lagune naar open zee in het noorden, is een gevaarlijke route vol ondiepten, koraalbanken en mangrovewouden en wordt derhalve alleen gebruikt door Barbudanen met kleine motorbootjes, die de weg kennen.
      We lagen voor anker midden voor het prachtige bijna 20 kilometer lange Palm Beach en besloten de dinghy naar het strand te varen en het vaartuigje over het zand van de hier nog geen honderd meter brede landstrook te trekken en dan de lagune over te steken naar Codrington.

Dinghy

   

Het strand was maagdelijk onberoerd zover het oog reikte. Zo’n 10 kilometer naar het zuiden echter, buiten het zicht van dit kleine gezelschap met hun dinghy, was datzelfde strandzand al jarenlang onderwerp van ergernis, vijandigheid, ongerustheid, rechtszaken, politieke intriges en grove verrijking.


Zandafgravingen

   

Bij Palmetto Point is al sinds eind jaren zeventig van de vorige eeuw een grootscheepse zandafgraving aan de gang. Het is de grootste industrie op Barbuda en het zand wordt gebruikt voor allerlei bouwprojecten op Antigua, voor het ophogen en perfectioneren van zijn door toeristen zo gekoesterde stranden en voor de export naar andere Caribische eilanden. Er wordt enorm veel geld mee verdiend, dat in de zakken van Antiguaanse en Amerikaanse ministers, bedrijfsbonzen en bankiers verdwijnt.

Geen Barbudaan die er rijk van is geworden.

De Barbuda Council heeft bij diverse gelegenheden haar ongenoegen uitgesproken, resoluties opgesteld, protest aangetekend en geprocedeerd, maar het afgraven ging gewoon door. Een tien jaar durende rechtszaak zette uiteindelijk weliswaar een drietal grote jongens van het Amerikaans-Antiguaans zandwinningbedrijf achter de tralies, maar die kwamen na een maand weer vrij en het afgraven ging gewoon door.
      Barbuda ontving nauwelijks geld en het eiland bleef een onderontwikkeld backwater, zonder bijvoorbeeld verharde wegen terwijl er wél een asfaltweg werd aangelegd speciaal voor de vrachtwagens die het gewonnen zand vanaf Palmetto Point naar het haventje bij Martello Tower moesten vervoeren.
      Ondertussen hadden allerlei onderzoeken aan het licht gebracht dat de zandwinning na al die jaren nogal wat gevolgen had voor het ecologisch evenwicht in het gebied. Stromingen veranderden en het fragiele Barbuda, één van de laagste eilanden in de Oostelijke Cariben, kalft af op plekken en met een snelheid die vroeger ondenkbaar was. Voeg daar de klimaatverandering aan toe en allerlei worst case scenarios bieden zich aan. Toch blijft de zandwinning, ook vandaag nog, onverminderd doorgaan.

De macht van het geld, de wereld in een notendop.

   


De Oversteek

Ondertussen sleepten we met z’n vijven als Caribische Fitzcarraldo’s de dinghy in de schaduwloze hitte over het zand naar de top van het lage duin, tussen de dorre struiken door en weer naar beneden tot aan de rand van de lagune. Het was gelukt. We duwden het bootje het water in, gingen aan boord, startten de buitenboordmotor en zetten koers naar de jetty van Codrington, een kilometer of twee verderop aan de overkant van de lagune.

Er stond een flinke wind die de lagune vulde met korte steile golfjes die algauw over de randen van de laag in het water liggende dinghy begonnen te slaan. We moesten vaart minderen, maar tegelijkertijd begon het opeens nóg harder te waaien en stortte een plotselinge heftige regenbui zich precies over de lagune van Barbuda uit.
      De overkant was door de regen nog maar nauwelijks zichtbaar. Het bootje liep vol. We waren nu midden op de lagune en moesten uit alle macht hozen om te voorkomen dat het bootje zich geheel met regen- en lagunewater zou vullen en ten onder ging.
      Ik denk niet dat iemand ons gezien heeft, maar het moet er toch wel interessant hebben uitgezien: een dinghy met een vijftal heftig hozende figuren, die in de stromende regen midden op een soort meer in een eiland in de Caribische zee, langzaam en steeds dieper in het water voortvoer.


Arawak Indianen

   

Absolute amateurs, mietjes, waren we natuurlijk vergeleken met de Arawak indianen die rond het begin van onze jaartelling in hun kano’s helemaal vanuit Zuid-Amerika de Caribische eilanden koloniseerden en zich ook op Barbuda settelden. Ze werden rond 1200 verdreven door krijgslustige Carib indianen uit Dominica en Saint Kitts. Toen in 1666 de eerste Britse kolonisten een nederzetting stichtten op het eiland werden die dan ook regelmatig door Carib indianen aangevallen.
      Honderd jaar later waren de meeste indianen vermoord (tegenwoordig wonen er alleen op Dominica nog een paar duizend Caribs in armoede in een reservaat) en was Barbuda door een lease van de Britse Kroon een soort privé eigendom van de rijke van oorsprong Britse Codrington familie geworden. U begrijpt nu ook de naam van de ”hoofdstad”.


"Slavenkwekerij''

De Codringtons bezaten grote suikerrietplantages op Antigua en op Barbados. Barbuda werd gebruikt als bevoorradingsstation waar cassave en maïs verbouwd werd en vee gehouden, katoen geteeld en gereedschap gefabriceerd. Rond 1780 graasde er 400 stuks vee, waren er 8000 schapen, 2000 geiten, honderden paarden, ezels en muilezels en was er veertig hectare landbouwgrond. 
      Barbuda was een groot bedrijf waar alle arbeid werd verricht door een paar honderd slaven die de Codringtons uit West-Afrika importeerden. Of het slechts plannen waren of de macabere realiteit was, is niet helemaal duidelijk maar hardnekkige geruchten houden vol dat de familie er op Barbuda een soort “slavenkwekerij” op na hield waar slaven werden “gekweekt” voor de export naar Antigua en Barbados …

De Codringtons leasden het eiland tot 1870, ver na de afschaffing van de slavernij, waarna Barbuda een dependency van Antigua werd.


Gered

Het kleine gezelschap dat vanaf Palm Beach met de bijna zinkende dinghy de regen en golven van de lagune trotseerde, ploeterde al hozend tergend langzaam voort.
      Maar ze redden het.

Eenmaal bij Codrington jetty aangekomen, hield de regen abrupt op en was er niets anders dan strak blauwe lucht boven Barbuda alsof er nooit iets was gebeurd.
      Als verzopen katten klauterden we aan wal.

   

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 Cariben

         


Verraderlijke kusten & gevaarlijke koraalbanken

   


(Door Rolf Weijburg)

We voeren langs de westkust van Saint Kitts en zagen Brimstone Hill Fortress bovenop zijn eigen bergje te midden van de glooiende groene suikerrietvelden aan ons voorbij trekken.
      Victor had me met de legendarische woorden “Kom maar over, dan varen we naar wat kleine landjes” aan boord van zijn mooie catamaran “Icaros” uitgenodigd en zo kwam het dat we na een bezoek aan Saint Kitts & Nevis, het op zeven na kleinste land ter wereld, koers zetten naar Antigua & Barbuda, het op dertien na kleinste land ter wereld.
      We voeren niet direct maar met een omweg via Sint Eustatius en het Franse Saint Barts waar we mijn vrouw en twee dochters zouden ophalen. Daarvandaan zouden we dan op weg gaan naar Antigua & Barbuda.


Statia

   

De passaat woei stevig vanuit het zuidoosten zodat we de spinnaker konden bijzetten en met een flinke vaart voor de wind door de golven sneden.
      Sint Eustatius, of Statia zoals het eiland in het Engels wordt genoemd, lag vlakbij. In de verte zagen we Saba. We voeren in Nederlandse wateren en binnen een paar uurtjes ankerden we in Oranjestad Baai in Sint Eustatius.

Tegenwoordig is Sint Eustatius, net als Saba en Bonaire een Bijzondere Nederlandse Gemeente (samen zijn ze Caribisch Nederland), maar in 2005 was het eiland nog onderdeel van de Nederlandse Antillen, destijds een apart land binnen het Koninkrijk en ook Nederlandse paspoorten moesten er toen nog gestempeld worden.
      De ambtenaar van de havenpolitie in Gallow’s Bay zette een mooi stempeltje in onze paspoorten. Een uniek stempel wel, omdat het tegelijkertijd voor de inreis als de uitreis gold. We wilden slechts twee dagen op het eiland blijven en onder IN schreef hij de datum van vandaag en onder UIT kwam alvast de datum van overmorgen te staan.

    

Geen vragen verder, geen controles. Lekker makkelijk.
      Op de dag van vertrek werden we gewekt door tromgeroffel en trompetgeschal. Het was net zeven uur. De boot deinde zachtjes op het ritme van een ochtendbriesje. Uit het raampje zag ik vanuit mijn bed Fort Oranje bovenop de klif die direct achter wat witte administratiegebouwen langs het water omhoog liep. Tussen de palmbomen wapperden de Nederlandse en de Nederlands Antilliaanse vlag gebroederlijk naast elkaar.
      Dáár moesten de trom- en trompetklanken vandaan zijn gekomen. De wind waaide nu flarden muziek over de baai. Als stukjes van een muzikale legpuzzel vielen ze in elkaar: het was het Wilhelmus. Er zat daarboven een orkestje het Wilhelmus te spelen!

Toen drong het tot me door: het was Koninginnedag … 

Saint Barts

Twee dagen later stond ik op het kleine vliegveld van Saint Barts (Saint Barthélemy) Mijn Drie Dames op te wachten.
      Saint Barts is een klein Frans eiland, een zogenaamde Collectivité territoriale. Ooit was het eiland Zweeds, getuige de naam van de kleine hoofdstad: Gustavia. Het was de enige Zweedse kolonie in de Cariben. Tegenwoordig is Saint Barts een bestemming voor de jetset  en zou de hoeveelheid sjieke winkels in de smalle straatjes van Gustavia (zoals Vuitton, Chanel of Armani) per capita wel eens nergens ter wereld zo hoog kunnen zijn.
   
      

Het vliegveld van Saint Barts wordt vaak vermeld in lijstjes van spectaculaire of gevaarlijke vliegvelden in de wereld omdat de aanvliegroute vlak over een bergrug loopt en landende vliegtuigen letterlijk enkele meters boven het verkeer dat over de weg over die bergrug rijdt, scheren. De vrij korte landingsbaan eindigt ook nog eens abrupt in zee, zodat er na de landing heel flink geremd moet worden.
      Maar Mijn Drie Dames kwamen veilig aan en direct de volgende dag vroeg verlieten we dit verwende jetset paradijsje en gingen op weg naar Barbuda, het meest noordelijke eiland van de kleine staat Antigua & Barbuda. Dat is een flinke oversteek, ruim honderd kilometer, en het kostte bijna een hele dag varen voordat uiteindelijk de lage westkust van Barbuda in zicht kwam.

   

Barbuda is vlakker, droger, armer, ontoegankelijker en veel minder bevolkt dan zijn partner-in- statehood Antigua en de 2000 bewoners heten teruggetrokken en op zich zelf te zijn. Het is kortom een totaal ander eiland en wordt, in tegenstelling tot het populaire 50 kilometer zuidelijker gelegen Antigua, nauwelijks bezocht.
      Er is slechts een klein haventje bij River Point in het zuiden en de verbindingen met Antigua lopen hoofdzakelijk door de lucht via het kleine vliegveldje bij Codrington, Barbuda’s enige nederzetting. Lange tijd waren er geen reguliere bootverbindingen tussen de twee eilanden, maar sinds kort is er de Barbuda Express die een paar keer per week heen en weer vaart..
      Barbuda’s kusten zijn verraderlijk. Het lage eiland is moeilijk te zien vanaf zee en bovendien liggen er gevaarlijke koraalbanken tot ver buiten de kust. Vooral in de 18e en vroege 19e eeuw strandden er veel schepen, zoveel zelfs dat de Barbudanen in die tijd een mooie aanvulling op hun inkomen van de kusten konden wegslepen: geld, brandy, suiker,voedsel, bouwmaterialen. Het schijnt dat er zo’n 200 scheepswrakken in Barbuda’s wateren liggen: Spaanse galjoens, slavenschepen, vrachtboten en oorlogsschepen. Als je bedenkt dat het eiland in de loop der eeuwen altijd weinig door schepen werd aangedaan is dat een enorm aantal.

   

 

Palm Beach

We naderden het eiland vanuit het noordwesten. Een lange witte streep werd zichtbaar aan de horizon.
      Het was de smalle strook land die over meer dan twintig kilometer de westelijke rand van de lagune van Barbuda vormde. Een strand zonder einde waaierde weg tot aan beide horizons. Op de kaart zag ik dat de strook Palm Beach heette, een beetje optimistisch want alleen schuin voor ons zagen we een groepje palmen, verder was er over de hele lengte slechts hier en daar wat laag struikgewas te zien. Geen bebouwing, geen mensen, geen andere jachten. Alleen dat eindeloze witte of zelfs roze strand en die ongelofelijke turqoise kleur van het water.
      Langzaam naderden we de kust. De bodem leek hier helemaal gevrijwaard van koraal of rotsen en op veilige afstand van de kust wierpen we het anker uit.

   

Iedereen sprong vrijwel direct overboord het warme water in. We doken, we sprongen, we duwden elkaar koppie onder, we zwommen naar het strand en voelden ons schipbreukelingen op een onbewoond paradijselijk eiland. Toen de zon onder was en we in de zwoele avondlucht aan dek van onze sundowners genoten, viel me op dat mijn oudste dochter wat sip keek, nauwelijks iets zei en zich even later in haar hut terugtrok. Catherine ging met haar praten.
“Wat was er nou met Lisa?”vroeg ik, toen de kinderen naar bed waren.”Het is net of ze het hier niet leuk vindt.”
“Het komt door haar bikini”, zei mijn vrouw. “Die is net nieuw.”
“Nou en? Dat is toch fijn? Vindt ze hem niet mooi dan?”
“Jawel, heel erg zelfs. Maar er is hier helemaal niemand die hem kan bewonderen.”

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

Een best aardig stadje

    

D

Bankbiljetten

(Door Rolf Weijburg)

 Basseterre, de hoofdstad van de federale Caribische staat Saint Kitts & Nevis, het op zeven na kleinste land ter wereld, is eigenlijk best een aardig stadje.
      Gesticht door de Fransen in het begin van de zeventiende eeuw, is het één van de oudste plaatsen in de oostelijke Cariben. De havenstad aan de zuidwestkust van Saint Kitts, groot geworden door slavenhandel en suikerriet, is het belangrijkste economisch centrum van het land en van de regio.
      Zo heeft de Centrale Bank van de Eastern Caribbean er haar hoofdkwartier. Basseterre is daardoor het financiële centrum van de muntunie, die de Caribische staten Saint Kitts & Nevis, Antigua & Barbuda, Dominica, Saint Lucia, Saint Vincent & the Grenadines, Grenada (allemaal landen die behoren tot de 25 kleinste onafhankelijke landen ter wereld) plus de Britse gebieden Anguilla en Montserrat, met elkaar verbindt. In al deze landen is de East Caribbean Dollar betaalmiddel. Een soort Caribische Euro.

                     

Basseterre is ook de grootste stad van het land, het regeringscentrum en “the place where it all happens” in Saint Kitts & Nevis. 18.000 mensen wonen er.
      En kent u Joan Armatrading nog? Die is in Basseterre geboren.
De oudere huizen van Basseterre zijn naar goed Caribisch gebruik “aardbeving bestendig “ gebouwd: dat wil zeggen steen op de begane grond, hout op de verdieping, zodat het allemaal wat makkelijker te herbouwen is na een eventuele beving. Veel gingerbread  houtsnijwerk aan de veranda’s en langs de dakranden. In de lange laagbouwstraatjes speelt het familieleven zich op straat af en klinkt er permanent muziek uit de vele (rum) barretjes.
      In het centrum ligt Independence Square, een park met een gigantische baobab misschien als symbool van de slavenmarkt die hier vroeger was. Er zijn veel andere mooie bomen en uiteraard een fontein en bankjes en beelden. De grote Kathedraal van de Onbevlekte Ontvangenis overziet het allemaal vanaf de overkant van de straat.

The Circus

    

Niet zo ver ervandaan ligt The Circus, een rotonde eigenlijk, waar in het midden een oude typisch Britse clocktower de juiste tijd aangeeft. De plek wordt omringd door veelkleurige gebouwen en het was er permanent een drukte van belang. Verkeer rommelde er onophoudelijk (links)omheen, maar wat opviel was dat het er erg galant aan toe ging: als je ook maar een vage hint gaf dat je eventueel zou willen oversteken, werd er al voor je gestopt. En niet alleen voor de vele classy hooggehakte dames. Oók voor mij.

Aan de zeekant van de stad ligt Port Zante, een speciaal voor de vele cruiseschepen aangelegde haven, met shopping malls, kleine straatjes met souvenirwinkeltjes, restaurants en wuivende palmen. Heel fancy allemaal, zij het waarschijnlijk niet voor de gemiddelde Kittiaan.
      We reden de stad uit en belandden vrijwel direct tussen de suikerrietvelden. In de verte landden vliegtuigen midden in de zee van wuivende bladeren op Saint Kitt’s internationale luchthaven. Voor ons lag de laatste nog werkende suikerrietfabriek.
      Het was april 2005 en de oogst was net begonnen. Kleine locomotiefjes trokken enorme slierten wagonnetjes vol suikerriet over smalspoor door de plantages naar de fabriek. Het gefluit van de treinhoorn konden we in Basseterre al horen. De sporen liepen het hele eiland rond, maar ze zouden dit jaar voorlopig voor het laatst worden gebruikt.

           

 

Suikerriet

Suikerriet zorgde ervoor dat Saint Kitts jarenlang de rijkste Britse kolonie was. Iedere vierkante kilometer van het eiland was beplant met suikerriet, maar liefst 68 suikerrietplantages waren er aan het einde van de achttiende eeuw op het eiland en Saint Kitts was suikerrietwereldleider.
      Met de afschaffing van de slavernij begon de terugval. Het werd moeilijk en vooral duur om arbeidskrachten te vinden. De Europese suikerbiet werd ook nog eens een gedegen concurrent. De prijzen voor suikerriet op de internationale markten daalden. De marges werden steeds kleiner. Nevis stopte in 1958 met de suikerrietproductie, wonderbaarlijk eigenlijk dat Saint Kitts nog zolang door kon gaan.
      Maar toen de wereldprijs voor suikerriet al maar verder daalde en Saint Kitts de elders ingevoerde verregaande technologische innovaties in productie, verwerking en transport niet meer kon bijbenen was de productie meer gaan kosten dan het opleverde. Saint Kitts moest afhaken en de overheid had besloten dat dat dit jaar (2005) zou gaan gebeuren.

De arbeiders raakten werkloos, compensatieregelingen waren ontoereikend. De plantages verwilderden en de fabrieken werden ruïnes.

Toch werd een deel van het spoor enige jaren terug weer opgeknapt, een locomotief gereviseerd en doorgesmeerd en een aantal wagons omgetoverd tot passagierswagons met een open bovenverdieping. Het fenomeen The Saint Kitts Scenic Railway was geboren en de enige functionerende spoorweg in de oostelijke Cariben is daarmee een Kittiaans feit.

   Het was één van de initiatieven om Saint Kitts toeristisch aantrekkelijker te maken, maar niet genoeg om de suikerrietloze economie weer op de rails te krijgen. Saint Kitts en Nevis moest op zoek naar nieuwe inkomstenbronnen en de overheid stimuleert nu kleinschalige industrie en alternatieve agrarische initiatieven zoals rijst- en bananenplantages en blijft volop investeren in de toeristenindustrie getuige Port Zante in Basseterre.
      Daarnaast wil het land zich richten op offshore banking en levert de verkoop van paspoorten een flinke bijdrage aan de staatskas. Een onschuldig Kittiaans paspoort kan voor een internationaal reizend zakenman een handige uitkomst zijn: met het paspoort kun je ruim 120 landen visumloos bezoeken.


Grijsgroen

We reden het eiland rond. Alle dorpen en stadjes van Saint Kitts lagen vlak langs de kust om ieder bruikbaar stukje grond voor de suikerrietverbouw vrij te kunnen houden. Overal zagen we het mooie grijsgroen van het suikerriet dat na de oogst over een paar maanden aan zijn lot zou worden overgelaten.

     

Hier en daar staken nog de schoorstenen van de inmiddels gesloten suikerrietfabrieken uit het gebladerte. Lange hellingen van wuivend groen liepen tot aan de steile wanden van de vulkanische centrale bergrug (waarvan Mount Liamuiga met 1150 meter het hoogste punt van het hele land is), waar het groen van het suikerriet overging in het veel donkerder groen van de laatste stukken overgebleven jungle op het eiland.

   

De jungle verdween in de grijze wolken die vrijwel permanent rondom de vulkaantop hingen.

   

Aan de westzijde van het eiland ligt het schitterende Brimstone Hill Fortress, één van de meest indrukwekkende Britse versterkingen in het gebied en niet voor niets heeft de UNESCO het op de Wereld Erfgoedlijst gezet. Het fort is in de 17e eeuw strategisch gebouwd op een bizar soort pukkel midden tussen de glooiende hellingen, waardoor het de bijnaam Gilbraltar of the West Indies kreeg.

   

Vanachter de kanonnen zagen we de Nederlandse gemeenten Sint Eustatius en Saba aan de horizon.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh