Zeezicht aan beide zijden

 

(Door Rolf Weijburg) 

We zijn nog steeds op Majuro, hoofdeiland van de Republic of the Marshall Islands, het op zes na kleinste land ter wereld dat altijd in de top vijf staat van minst-bezochte-landen-ter-wereld-lijstjes. Ons verblijf gaat hoogstwaarschijnlijk niet erg lang duren, want hoewel dit land in een verre noord-oostelijke uithoek van de Pacific ligt, heeft Corona het toch gevonden.
      Een bezoek aan het kantoor van United Airways, één van de twee luchtvaartmaatschappijen die deze republiek aandoen, bracht aan het licht dat er blijkbaar over wordt gedacht om in de strijd met corona de hele republiek van de buitenwereld af te sluiten. Niet zo moeilijk met vier of vijf buitenlandse vluchten per week.

      Wannéér dat zou gebeuren was onduidelijk, maar we zouden er op moeten rekenen dat dat best komende maandag al zou kunnen zijn. Zaterdag was de laatste uitgaande vlucht van de week.
      We hadden dus nog een paar dagen.



Countryside

We besloten om naar het westelijk deel van Majuro te gaan, het vijfendertig kilometer lange stuk eiland dat doorgaans als Countryside wordt aangeduid.
      Vanuit Joe’s huis sloegen we linksaf en liepen richting Japanese Peace Park.

De weg, de enige weg op het eiland, is een goede tweebaans asfaltweg die licht kronkelend de hele lengte van het eiland afgaat tot aan het eindpunt bij het stadje Laura. Of je nou links of rechts kijkt, de zee is altijd vlakbij, het eiland is hier nog geen dertig meter breed.

Aan de ene kant raast de Pacific Ocean, aan de andere kant kabbelt de lagune. Echte stranden zijn er niet, de randen van het eiland worden gevormd door koraalplateaus met hier en daar wat zanderige stukken.

 

Monument

Bij Peace Park is het wat breder. Hier hebben de Japanners een monument opgericht ter nagedachtenis aan de in de Tweede Wereldoorlog gesneuvelde Japanse soldaten. Een ingetogen monument in de schaduw van enkele grote bomen. Toch heeft, gezien de enorme slachtpartijen die de Pacific gekend hebben, de naam Peace Park wel iets wrangs.

 

Houten huizen

We liepen verder naar het westen. Het eiland wordt een paar meter breder en hier en daar staan kleurige houten huizen met golfplaten daken onder de palmen. Soms op palen, soms met veranda’s De mensen zeggen ietwat verbaasd maar vriendelijk gedag, de honden die op het warme asfalt liggen kijken nauwelijks op of om. Het is intens groen allemaal.

 

Stof
In een land waar zo weinig grond is, is grondbezit heel belangrijk. Er is in de Marshall Islands geen centimeter grond die niet aan iemand toebehoort. Altijd als er iemand is overleden worden alle stukken grond die de overledene nalaat getooid met stoffen guirlandes en bloemen. Iedere overledene zijn eigen kleur zodat de grond niet kon worden verward met de grond van een andere overledene en je bovendien goed kon zien hoe rijk de gestorvene wel niet was.

Soms hingen kilometerslange stukken land vol met dezelfde stof.


Dorpjes

Verder lopend bleek dat het allemaal hele kleine dorpjes waren waar we doorheen liepen. Ze hadden namen die op kleurrijke handgeschilderde bordjes stonden vermeld. Meestal stonden er op die bordjes ook dingen als “alcohol-tobacco-drugs free.” Alcohol is een groot probleem op de eilanden, drugs en sigaretten blijkbaar ook.


Kiosk

In ieder gehucht stond wel een winkeltje waar basics werden verkocht - ook sigaretten, maar geen alcohol -, of kleine kioskjes langs de kant van de weg waar je bananen, broodvrucht-chips of stukjes gedroogde kokos kon kopen en zelfs bloemenkransen voor in je haar. Als je geluk had kon je er ook voor de dorst een verse kokosnoot kopen, die ter plekke voor je werd onthoofd. Keurig nette witte mormonen kerkjes - bijna op het enge af zó schoon, netjes en strak in de lak –  op fanatiek kort gemaaid gras, contrasteerden met de toch wat slonzige en kleurrijke lokale huizen.


Een lift

Er stopte een auto. Dat gebeurt wel vaker hier: er stopt een auto en de chauffeur vraagt waar je heen wilt. “We willen naar Laura. “, het einde van het eiland, nog een kleine dertig kilometer verderop.
      “Stap maar in, ik rij jullie er wel heen.”
Een vrouw van in de vijftig zat achter het stuur van de pick-up, ze had een krans van bloemetjes in het haar. Haar vriendin zat naast haar. Er werden wat spullen van de achterbank in de laadbak gedumpt en we konden gaan zitten. We reden verder westwaarts, het landschap veranderde niet, palmbomen met zeezicht aan beide zijden, kleine dorpen, kinderen, honden, af en toe een flauwe bocht, maar hoofdzakelijk rechtdoor en dat alles met het lokale slakkengangetje van 30 kilometer per uur.
      “Ogenblikje, “ze draaide de auto de weg af en parkeerde naast een huis. “Even m’n nichtje ophalen, die wil vast wel mee.” Er werden wat boodschappen het huis in gedragen en even later kwam ze met een meisje terug dat bij de vriendin op schoot ging zitten.  “Hier, deze zijn voor jullie.” De vrouw rijkte een tros bananen aan - van die heerlijke kleine zoete banaantjes -, alsook twee flessen koud water. “Voor onderweg,” zei ze. Alsof we een flinke reis tegemoet gingen.
      Maar ja, met zo’n snelheid was het ook al gauw een uurtje rijden.


De Brum familie

Onderweg vertelde ze dat ze Nica heette en advocaat was. De meeste zaken die ze behandelde hadden met geschillen over landeigendom te maken.
Nica was een telg uit de de Brum familie, een beroemde familie in de Marshalls. Advocaten, rechters, maar ook plantagehouders en onlangs nog de minister van buitenlandse zaken was een de Brum. Allemaal afstammelingen van José Anton de Brum een Portugees uit Pico in de Azoren die zich eind negentiende eeuw in de Marshall Eilanden vestigde. Hij trouwde een Marshallese uit Maloelap Atol en kreeg veel kinderen die, vanwege het feit dat in de Marshalls afstamming via de matriarchale lijn verloopt als 100 procent Marshallees werden gezien.
      Mede daardoor kon de Brum later Likiep Atol kopen dat tot dan eigendom was van de Chief van Maloelap. Samen met de Duitse handelaar Adolph Capelle (de Marshall Eilanden waren toen nog Duits gebied) startte de Brum een handelsonderneming op Likiep gebaseerd op de verkoop van kopra die uitgroeide tot een van de meest succesvolle ondernemingen in de Marshalls. Er werden vele huizen gebouwd op het hoofdeiland van Likiep atol waarin ook tegenwoordig nog wordt gewoond en het grote plantage huis is gerestaureerd en uitgeroepen tot nationaal erfgoed van de Marshall Islands.

“Ik ga er af en toe nog heen, het is nog steeds familiebezit,“ zei Nica.
      Voor ons splitste de weg zich, iets wat we nog niet eerder hadden gezien. We waren in Laura – door Amerikaanse militairen in de tweede wereldoorlog als een soort codenaam vernoemd naar de actrice Lauren Bacall- aangekomen, het meest westelijke stukje Majuro dat misschien wel 500 meter breed was.
      “Hier moet je kiezen welke route je neemt,” zei Nica een beetje trots alsof het een plek was waar belangrijke beslissingen werden genomen. We hielden links aan en opeens was de zee nog maar aan één kant zichtbaar. Nog een kilometer verder en we hielden stil bij een houten hek waar in de schaduw van een enorme boom een oudere vrouw op een boomstam zat. Achter het hek lag Laura Beach, het enige echte strand op het 57 kilometer lange eiland.

“Je moet die mevrouw een dollar entree betalen, dan mag je naar het strand zo lang je wilt. Er zijn picknicktafels en toiletten en er is ook een klein winkeltje. Veel plezier!”
”Waar gaan jullie nu heen?” vroegen we.
“Oh, wij rijden weer terug. Ik woon niet zover van het Peace Park.”

  

 

 
Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen