De avonturen van Mus, Yske & Tyst

In 2003 ging ik voor het radioprogramma Wereldnet naar Nieuw-Zeeland om een portret te maken van medewerker Frans Hertoghs.
      Hij was ‘een leven lang’ in Nederland leraar Nederlands. Maar in 1995 -toen hij al drie grote kinderen had- gaf hij een opmerkelijke draai aan zijn leven.

       Met zijn nieuwe veel jongere vrouw Maud vertrok hij naar Nieuw-Zeeland en vestigde zich op een wonderbaarlijk mooie plek in de Marlborough Sounds aan de noordzijde van het Zuidereiland. Daar werden nog eens drie kinderen geboren: Mus, Yske en Tyst, die toen resp. 6, 5 en 3 jaar waren.
Ik zou er een week in een ‘eigen’ huisje verblijven. De kinderen vonden dat prachtig en kwamen dagelijks een paar maal langs om wat te kletsen en te ravotten. Zij waren tweetalig.
      Frans Hertoghs schreef naar aanleiding van mijn bezoek dit leuke essay en stuurde het mij twaalf jaar later op. Het is opgenomen in zijn kinderboek "Kinderen van LandHaven".

Het mannetje van de radio

“Wanneer komt die man van Wereldnet nou precies?” vraagt mama als ze klaar zijn met eten. Ze zitten op het dek van LandHaven, de drie kinderen, papa en mama. Boven hun hoofd is de grote blauwe parasol gespannen. Maar die houdt de schuin vallende stralen van de avondzon niet tegen. Hij is er eigenlijk alleen nog voor de gezelligheid.
      “Binnenkort,” zegt papa, “ik weet het niet zo precies. Ik zal het vanavond even nakijken.”
      “Wie is dat Wereldnet, papa?” vraagt Yske. Mus weet het.
      “Dat is niet iemand, maar dat is een radioprogramma in Nederland. En daar werkt papa ook aan mee.”
      “O ja,” weet Yske ineens weer, “dan moet jij ‘s avonds laat nog wel eens een verhaaltje vertellen voor de mensen die luisteren, he?”
      “Precies,” zegt papa, “jij snapt het.”
      “Wat komt die man doen papa,” vraagt MUS.
      “Die komt een gesproken portret van papa maken,” zegt mama. “Dan mag papa van alles vertellen wie hij is en wat hij hier doet en zo.      
       Misschien mogen jullie ook nog wel op de radio.”

Dat vinden ze raar. Wat zouden zij nou te vertellen hebben?
      “Vroeger hadden we een heel raar rijmpje,” zegt papa. “Dan zeiden we: Hallo hallo, wie stinkt daar zo, het mannetje van de radio.”
      Daar moet Tyst verschrikkelijk om lachen, en ook de andere kinderen vinden het ontzettend grappig.
               “Hallo hallo!” roepen ze door elkaar, “wie stinkt daar zo, het mannetje van de radio!”
Ze komen haast niet meer bij.                                                                                                                           
      “Als je maar oplet dat je dat niet zegt als die meneer erbij is,” waarschuwt papa, “dat vindt hij vast niet zo leuk als jullie.”
      “Eigen schuld,” hikt Mus, “dan had hij maar niet bij de radio moeten gaan,”.
      “Maar ik werk toch ook bij de radio?” probeert papa nog.
      “Nou dan stink jij ook!” brullen ze en ze rollen zowat van hun stoel.

Opnames

De meneer van de radio heet Ronald en hij is erg aardig. In elk geval heeft hij voor alle kinderen iets leuks meegebracht, en dat kunnen ze wel waarderen. Hij blijft een paar dagen logeren. “Normaal ga ik in een hotel,” zegt hij. “Maar dat is hier wel een beetje moeilijk.”
      Hij vindt het heerlijk in het gastenhuisje. Af en toe gaan de kinderen er naar toe en dan doen ze spelletjes. Soms gaan papa en Ronald naar de studio en dan hebben ze daar een opname. En dus glijden ze op de glijbaan en klimmen ze bij het speelhuisje. “Hallo hallo,” brullen ze, “wie stinkt daar zo?” En ze vergeten dat papa en Ronald alles kunnen horen.

Ronald gaat naar buiten. De kinderen schrikken. Zou hij boos zijn?
      Maar Ronald moet lachen.
      “Ik hoor dat in Nederland heel vaak,” lacht hij. “Maar ik had nooit gedacht dat ik dat aan de andere kant van de wereld ook nog zou horen.”
De kinderen kijken een beetje beteuterd. Ze hadden nog zo hun best gedaan om het niet te roepen als Ronald in de buurt was.

Een eiland vol luisteraars

  Na een paar dagen zijn de opnames af. De kinderen hebben ook iets mogen zeggen.
      “Dan komen jullie ook op de radio,” belooft Ronald.
      “Luisteren er veel mensen naar jouw radio?” vraagt Yske.
  Ronald weet dat heel precies.
      “Zevenhonderdvijftigduizend,” zegt hij.
  De kinderen kunnen lang niet zover tellen, maar het lijkt ze ongelooflijk veel.
      “Dat is net zoveel als alle mensen van het hele zuidereiland bij elkaar!” roept Mus.
  “Met Nelson en Christchurch en Blenheim erbij!”
  Yske kan het bijna niet geloven.
      “En horen die dan allemaal wat wij zeggen?”
      “Allemaal,” belooft Ronald.
      “Kunnen wij dat dan ook horen?”
      TYST & YSKE
       “Als het uitgezonden wordt, natuurlijk wel,” zegt Ronald. “Maar eerst moet ik het nog klaarmaken. En dat duurt nog wel eventjes.”


Een leuk plannetje

      “Wat vind je ervan om morgen als afsluiting van het bezoek naar Titirangi Bay te gaan?” vraagt papa aan mama.
      “Leuk,” zegt die. Maar dat is niet te horen door het opgewonden lawaai dat de kinderen alle drie tegelijk aanheffen. Jaaah, leuk! en of er weer harde eieren mee mogen, en chocolademelk en of ze de grote strandbal mee mogen nemen en de opblaasboot en de emmertjes en nog veel meer dingen.
      “Wat is dat voor een baai?” vraagt Ronald. En papa vertelt, dat het een prachtig groot zandstrand is, op een uurtje rijden, helemaal aan het eind van de Sounds. Alleen al de weg ernaartoe is prachtig. En het is er niet druk. In feite is er niets anders dan een onbemande camping met vers water, een koude douche en keurige toiletten. Met papier.
      “Nieuw-Zeeland op z’n best,” zegt papa. Een van de mooiste stranden die ik ooit gezien heb. En geen kip te bekennen.”
Dat lijkt Ronald ook wel leuk.
      En meteen beginnen ze met de voorbereidingen. Mama kookt de eieren en papa maakt zalmsalade. De veranda komt vol te staan met koelboxen, strandtenten, een grote parasol, picknickmanden en badlakens, klapstoeltjes en zonnebrandspul.
      Die avond duurt het lang voor de kinderen ingeslapen zijn. En allemaal dromen ze van het strand.

Een bergrit

De volgende dag is het stralend weer, echt strandweer. De kinderen zijn al om zeven uur op en sjouwen met speelgoed dat ze mee willen nemen. Na het ontbijt wordt de auto geladen. Helemaal achterin wordt een stoeltje uitgeklapt. Daar mag Mus zitten, op de derde rij. Die wordt toch nooit wagenziek. Door dat stoeltje is er maar net genoeg plaats voor alle bagage. Maar ze krijgen het er toch allemaal in. Ronald mag voorin en mama gaat tussen Yske en Tyst zitten. En dan gaan ze op weg. Ze rijden naar het eind van de Kenepuru Road, waar de Kenepuru Sounds begint.
      “Nee, eindigt,” zegt Mus. “Kijk maar, tot zover kun je maar varen.” Dat is ook weer waar. Het is maar hoe je het bekijkt.
De weg gaat over in een rotsig zandpad, dat langzaam de bergen in klimt. En dan rijden ze ineens in een schaduwrijk oerbos, een paar honderd meter boven de zee. Hier en daar kunnen ze het water zien met duizenden inhammen, eilandjes en stranden. Er is geen huis te bekennen. Ronald heeft zoiets nog nooit gezien en hij maakt wel honderd foto’s.
      “Hoe hoog zouden we nou zitten?” vraagt hij.
Papa weet het precies, dat staat op het hoogtemetertje van de auto.
      “Rond de zevenhonderd meter hoog,” zegt hij. “Meer dan twee Eiffeltorens.”
En dan, na een uurtje rijden, komen ze op de rand van een steile helling, die bijna naar beneden valt. Ze zien het pad naar beneden slingeren als een slordig weggegooid touw. De strakblauwe baai is aan drie kanten omsloten door groene heuvels. Er is maar één eenzame boerderij te zien, half verscholen op de helling.
      “Net armen, die de baai vasthouden,” zegt papa.

Camping aan zee

Als ze beneden zijn, staat er ineens een groot hek over het pad.
      “Camping” leest Mus, “vier dollar per nacht.” Hij kijkt even rond.
      “Die moet je in dat doosje doen, daar.”
      “Moeten wij niet betalen?” vraagt Ronald.
      “Alleen als we willen overnachten,” zegt papa. “Het strand is hier van iedereen.”
Ronald duwt het hek open. En dan rijden ze een hobbelig veld op. Er staan een paar grote bomen met lekkere schaduw. En er lopen tientallen weka’s rond, grote loopvogels die veel op kiwi’s lijken, en blauwe moerashennen. Een eindje verderop zien ze een witgeverfd toiletgebouwtje met wasbakken. Daarachter is een echt duinenrijtje.
      “Gaan jullie hier wel eens kamperen?” vraagt Ronald.
      “Tot nu toe nog niet,” zegt papa, “maar dat wilden we dit jaar zeker nog doen.”
      “Wat is het hier ongelooflijk mooi,” zegt Ronald. Hij kijkt naar de hoge bergwand waar ze net van afgereden zijn. Behalve een stukje van de boerderij en een grote schuur is er geen huis te zien. Op de helling zijn een paar stukken met gras waar een paar schapen grazen. Voor de rest zijn er alleen maar bomen en rotsen.
      Papa parkeert de auto vlak bij een overstapje over het pikkeldraad en al gauw lopen ze allemaal zwaar beladen naar het strand. Hun voeten zakken diep weg in het rulle zand. Als ze boven op het lage duin staan zien ze het eerst de hemelsblauwe zee en de groene heuvels er omheen. Voorbij de baai liggen drie kleine rotspunt-eilandjes. Daarachter is de Tasman Zee. En daarachter weer Australië. Maar dat kun je natuurlijk niet zien. Aan hun voeten ligt het witte strand. Het is heel breed, wel drie kilometer. Er is helemaal niemand.
      “Het best bewaarde geheim van Nieuw-Zeeland,” zegt papa. “Hier komen geen toeristen.”
      “Hier komt zo te zien helemaal niemand,” zegt Ronald. “Echt ongelooflijk!”

  

Strand

Het is heet in de zon, maar gelukkig staat er een lekker briesje. Er wordt gezwommen en gespeeld met strandballen en speelgoedbootjes, er worden zandkastelen gemaakt. Mus zoekt grote schelpen en fossielen. Yske heeft een aantal heremietkrabben in een plastic emmer verzameld. En Tyst zoekt allerlei kleuren stenen.
      Dan gaan de picknickmand en de koelbox open. Die zitten vol heerlijke dingen. Hardgekookte eieren, zalmsalade, koek en krentenbrood, fruit en limonade. Zelfs een echt ijsje! Ze eten en drinken er een flinke bres in.
      Ze gaan mosselen rapen. Ze trekken sandalen aan en pakken een paar plastic zakken. Ze moeten over een grote rots klauteren die het rechter eind van het strand vormt. En aan de andere kant liggen de grote mossel- en oesterbanken, waar je op blote voeten niet graag overheen wil lopen. In een mum van tijd hebben ze drie grote zakken mosselen geraapt en ook nog een kleinere zak oesters.
      Als ze weer terug zijn en lekker liggen uit te rusten in de schaduw van een grote parasol, zien ze dat Tyst er niet is. Mama is ongerust, maar Mus ziet hem helemaal aan het eind van het strand over de rotsen klauteren. Op zijn dooie akkertje. Hij is al best hoog.
      “Zou hij er niet af vallen?” vraagt mama bezorgd, “moeten we er niet naar toe?”
      “Welnee,” zegt papa, “het is niet voor niets een echte kiwi.”
Maar mama is toch een beetje ongerust.
      “Ik ga hem wel halen,” zegt Yske en ze holt er al heen.

Hallo hallo

En dan is de lange middag ten einde. De zon zakt achter de heuvels. Ineens wordt het frisjes. Ze sjouwen alle spulletjes weer over het duin. Het kan bijna niet in de auto. Een heleboel spullen gaan op de vloer, waardoor de knieën van de oudste kinderen bijna tegen hun kin komen.
      “Moet kunnen,” zegt mama, “het is maar een uurtje.”
      “Wat raar dat het nou ineens zo vol is,” zegt Yske, “en we hebben nog wel zoveel opgegeten!”
      “Dat komt van al die kilo’s zand die overal in zitten,” zegt mama, “maar dat is niet erg, want dat is goed voor de groentetuin.”
      “Vergeet de mosselen niet,” zegt papa. “En de fossielen, de schelpen en de stenen!”
Op de terugweg wordt het al behoorlijk donker. Iedereen is moe van de zon, het zand en de zuurstof. Ronald en Tyst vallen in slaap. De auto bromt tevreden.
En als ze bijna thuis zijn hoort papa van helemaal achter in de auto een zacht stemmetje: “Hallo hallo!”
      En Yske antwoordt ook heel zachtjes: “Wie stinkt daar zo?”
En ze stikken bijna van het lachen als ze samen roepen: “De papa van de radio!”