Reizen

 

Voorjaar 2003

Hooligans & Gentlemen uit Samoa

Op de radio was verslaggever Hans Brian, die zei dat rugbyers eruitzien als hooligans maar spelen als gentlemen. Hij zei dat naar aanleiding van het wereldkampioenschap rugby, dat vorige week vrijdag in Frankrijk begonnen is. Het toernooi duurt maar liefst zes weken. Nieuw-Zeeland is favoriet. Frankrijk, Engeland, Australië en Zuid Afrika maken ook een kans.

Direct nadat ik dit gehoord had, zocht ik op of Samoa van de partij was. Het antwoord is:
      Ja, Samoa doet mee.

Gisteren speelde het team tegen Zuid Afrika en verloor met 59-7. Daardoor zijn ze al vrijwel zeker uitgeschakeld, want ze moeten ook nog tegen het sterke Engeland. Van de Verenigde Staten en Tonga kunnen ze winnen, maar dat zal niet helpen.

Waarom ik daarin geïnteresseerd ben?

In maart 2003 zat ik in het vliegtuig op weg van Wellington in Nieuw Zeeland naar Hong Kong in China.We maakten een tussenlanding in Auckland en daar stapte een zeer donker gezelschap keurig uniform geklede mannen in. Ze waren bijna allemaal heel groot en stevig gebouwd.
      Er ging er één naast me zitten. Een prachtig atleet. Mooie man. Gebeeldhouwd gezicht. Gentleman en absoluut geen hooligan. De stewardess van New Zealand Airlines kende hem. Zij gaf hem een knipoog en een glaasje Jus d’Orange, dat hij in heel kleine teugjes op dronk.

      ‘Joe’, zei hij. ‘Ik ben Joe’.
      ‘Wie zij waren’, vroeg ik maar eens.

‘Zij’ waren het nationale Rugbyteam van Samoa, een eilandje in de Stille Zuidzee, zo‘n 3.000 kilometer boven Nieuw Zeeland. Zij gingen via Hong Kong naar Engeland, waar ze een paar oefenwedstrijden zouden spelen ter voorbereiding op het wereldkampioenschap dat een paar maanden later in Australië zou worden gehouden.

‘SAMOA!’.
      Wat wist ik van Samoa.
Eerlijk gezegd wist ik heel weinig van Samoa, maar omdat zij kennelijk goed waren in rugby dacht ik dat het wel een voormalige Britse kolonie zou zijn.
      Joe moest daar een beetje om lachen.
      ‘Nee’ zei hij. ’Wij zijn in een ver verleden Duits geweest’.

      ‘Waarom is rugby dan zo populair?
      ‘Heel eenvoudig’, zei Joe. ‘Na de eerste wereldoorlog zijn wij een tijd bezet geweest door Nieuw-Zeeland. Zij hebben die sport bij ons geïntroduceerd. En wij bleken er goed in. Zelf ging ik bijvoorbeeld al in Nieuw-Zeeland spelen toen ik twaalf jaar was. Die competitie daar is erg sterk. Maar de competitie in Engeland is nog sterker. En daar speel ik nu al drie jaar. Het bevalt me goed. Ook het leven in Engeland. Ik bedoel… Nieuw-Zeeland is eh… niet zo spannend‘. Hij keek naar de stewardess, die alweer vroeg of hij iets nodig had.

Of ze een kans zouden maken daar op dat kampioenschap in Australië .
      ‘Nee’, zei Joe.
      ‘Nieuw Zeeland gaat waarschijnlijk winnen. En weet je waarom? Er spelen veel spelers uit Samoa in. Die hebben zich voor veel geld laten naturaliseren. Mij hebben ze dat ook gevraagd, maar ik heb het geweigerd. ’Andersom spelen er bij ons een paar Nieuw-Zeelanders mee, maar ja dat zijn niet de besten.’

In het vliegtuig zaten zo’n twintig passagiers met mondkapjes voor. Ruim een week eerder was de Sars-epidemie in Hong Kong uitgebroken en op dat moment was nog absoluut niet duidelijk hoe erg het zou worden. Een uur voordat we zouden landen kregen ook alle spelers en begeleiders van het rugbyteam een mondkapje uitgereikt.

      ‘Sorry’, zei Joe glimlachend.
      ‘Succes’, zei ik.


P.S.

Samoa eindigde in 2003 op het wereldkampioenschap als derde in zijn poule en werd daarmee in de eerste ronde uitgeschakeld. Het verloor toen ook van Engeland en Zuid Afrika en won van Uruquay en Georgië .
      Nieuw Zeeland werd derde en Engeland wereldkampioen.

 

 

Voorjaar 2007

MANDEN, LAPPEN & VAGE KOOPWAAR

  
Gescheiden toiletten  

In zijn boek schetst Mak ook het toekomstbeeld van Vásárosbéc nadat Hongarije op 1 mei 2004 aansluiting krijgt bij de Europese Unie. Hij citeert zijn ‘wijze Nederlandse vriend‘, die ook mijn wijze vriend is.
      ‘Jullie zullen eerst door een diep dal van nog meer armoede gaan, voordat jullie echt deel uit gaan maken van dat rijke en machtige West-Europa. ’Bovendien gaan jullie dingen van grote waarde verliezen: vriendschap, het vermogen om van weinig geld te kunnen leven, om dingen die kapot gaan te kunnen repareren, de mogelijkheid om zelf varkens te houden en thuis te slachten, de vrijheid om zoveel mogelijk takken te verbranden als je wilt en nog zo wat’.

Anno 2007 wonen er nog zo’n 180 mensen in Vásárosbéc. Het is er inmiddels 1950 volgens mijn vriend. Meer dan een kwart van de bevolking bestaat uit zigeuners. Veel huizen zijn nog steeds vervallen. Het leven voor de inwoners is duurder geworden. De prijzen liggen op ongeveer 60% vergeleken met Nederland en dat is heel hoog voor mensen die nog steeds een uitkering van niet meer dan 60 Euro per maand hebben.
      Het vermogen om dingen die kapot gaan te repareren is er nog volop. Ze houden die varkers en slachten nog gewoon thuis. De vriendschap wordt al wat minder. Het postkantoor is gesloten. De lagere school ook en volgend seizoen gaat ook de kleuterschool dicht. Maar het café is open gebleven en heeft nu op last van de Europese Unie gescheiden toiletten gekregen. Van een rookverbod is vooralsnog absoluut geen sprake en de Palenka wordt al dan niet illegaal gestookt van peren of pruimen. De bakker komt iedere ochtend trouw langs, de waterman ook en de klokkenluider is iedere avond bij zonsondergang actief. Hij vertrekt dan altijd naar het café en wordt dan zo dronken dat hij niet meer weet of ‘ie de klok al geluid heeft. Soms gebeurt het dan ook drie keer op een avond.



Wilde Maria is dood  

De burgemeester is nog steeds actief. Mijn vriend moet van hem zijn stapel hout voor de winter van de weg verwijderen. Wilde Maria is dood, de vrouw die bij haar koe woonde is vertrokken. De tandeloze is tandeloos gebleven, het dronken lor is een voorbeeld van velen en de veteraan is overleden. Op een dag bleef hij iets te lang roerloos op de weg liggen.

 

Geen hand

De mannen geven volgens oude tradities vrouwen geen hand. Daar is ook niets in veranderd al worden er steeds meer ’Westerse’vrouwen in het dorp gesignaleerd. Achttien huizen zijn inmiddels het eigendom van Nederlanders. Vijf Nederlandse gezinnen wonen er permanent. ’De meesten passen zich niet of nauwelijks aan‘, zegt mijn vriend. ‘Ze proberen de taal niet te leren, zijn nauwelijks geïnteresseerd in de cultuur. Ze komen niet in het café, want dat vinden ze eng. En ze kopen niet in het enige winkeltje, want dat vinden ze te duur.’
      Toch zorgen de Nederlanders voor extra inkomsten. Veel dorpsbewoners worden  ingeschakeld bij verbouwingen, werken in de tuin of in de huishouding. En zelfs de merkwaardige Nederlandse eigenaar, die zijn houten hekje heeft laten vervangen door een afstotelijk stalen hek met schrikdraad heeft lokale mensen zo gek gekregen om dit voor een klein bedrag te laten doen.
      Voor de vrouwen is er een nieuwe werkgever bij. Een assemblagebedrijf in het stadje Pecs zoekt veel medewerkers. De vrouwen van Vásárosbéc worden met een busje van en naar het werk gebracht. Twee uur heen; twee uur terug. Dan moeten ze acht uur vrijwel onafgebroken werken. Loon voor twaalf uur per dag: 400 Euro per maand.
      Het dorp heeft er via een subsidiepot van de Europese Unie een cultureel centrum bij gekregen. Er vinden alleen geen uitingen van cultuur plaats. Wel staan er computers met een snelle Internet-verbinding. Het vergt overigens wel veel concentratie om hier aan het werk te zijn, want de plaatselijke jeugd heeft de computerspelletjes ontdekt. Met alle bijbehorende keiharde geluiden.