Reizen (308)

 

Januari 1984

 

De Sudanfactor


De Sudanfactor. Het bestaat echt. In januari 1984 willen we van Aswan in het zuiden van Egypte naar Khartoum, de hoofdstad van Sudan. Dat is vrij lastig. Er ligt een groot stuwmeer ten zuiden van de Aswandam en als je dat gehad hebt moet je door de Nubische woestijn.
      De eerste etappe kan per boot. Naar Wadi Halfa in het uiterste noorden van Sudan. Het tweede deel naar Khartoum met de trein. Maar er valt hier niets te plannen. Ter plekke moet alles geregeld worden en ben je afhankelijk van mensen, die op allerlei manieren aan je willen verdienen.
      En dan is er die Sudanfactor. Er is veel kapot, alles duurt langer, over alles moet onderhandeld worden en als je denkt dat alles geregeld is, blijkt bijna alles toch weer anders.

 
De Ferry

   

Er ligt een wat gammele boot bij de grote Aswandam. Dat wil zeggen: Een boot met twee bijboten. De hoofdboot vervoert passagiers eerste klas, rechts is de tweede klas en links de derde. Veel verschil is er overigens niet. Hier en daar is een hut, maar daarin zijn spullen opgeslagen. En ook op het dek en in de gangen liggen spullen. Zakken en dozen. Teilen, tapijten, doeken, meubilair, kleren, kooien met beesten erin etc.

  

Op die zakken en dozen zitten, hangen en liggen mensen. En hoewel dat verboden is, heeft een enkeling een soort brandertje bij zich om eten warm te maken. Officials die dit verbieden zijn er niet, maar er is sociale controle. Andere passagiers maken duidelijk, dat vuurtjes maken hier levensgevaarlijk is. In het verleden is het al meermalen gebeurd, dat er brand uitbrak waarbij tientallen slachtoffers vielen.
      Hoewel het januari is, is het warm. Natuurlijk is nergens een airco. De mensen zijn geïnstalleerd, het water ziet er kalm uit en het uitzicht op de dam is rustgevend. Maar niemand weet wanneer de boot vertrekt. Niemand lijkt zich daar ook over op te winden. Dat is de Sudanfactor. De boot vertrekt als dat zo uitkomt. Vandaag is dat zo’n tien uur na het officiële vertrekuur. Mensen die vaker deze boot nemen vinden dat een zeer acceptabele vertraging. “Hoewel’’, zeggen ze dan,’’ hoewel je nooit weet hoe de tocht verder verloopt’’.
      Als alles normaal gaat moeten we over twee dagen in Wadi Halfa aankomen. Een stad, die verlegd werd toen het Nasser-meer werd aangelegd. Maar natuurlijk gaat het niet normaal. Na een paar uur varen, wordt de boot ergens aangemeerd. Waarom? Niemand weet het. Vragen aan bemanningsleden blijven schouderophalend onbeantwoord. Mensen slapen op zakken en dozen. De nacht gaat voorbij. En pas als het licht wordt, gaan we verder. Mensen kruipen nu over zakken en dozen. Drinken iets en eten wat. Handelaars doen goede zaken, want niet iedereen heeft proviand bij zich. De sfeer is eigenlijk wel goed. Hier en daar klinkt muziek. De oevers aan beide kanten van het meer zijn zichtbaar. Alles is kaal, alles is leeg. Nergens begroeiing. Maar daar in de verte ligt ineens de tempel van Abu Simbel.

Wadi Halfa

En dan is daar eindelijk Wadi Halfa. Het is elf uur in de ochtend. Volgens een schema vertrekt er een trein om vier uur diezelfde middag. Tijd dus om wat zaken te regelen, iets te eten, ergens een douche te nemen en geld te wisselen. Wadi Halfa blijkt niets meer dan een droge vlakte met voornamelijk lemen hutten. Er is een marktje met een paar stalletjes, waar blikjes met voedsel te koop zijn.
      En dan is er de Bank. In Egypte hebben we geleerd dat je voor bepaalde transacties een bewijs moet tonen, dat je officieel geld gewisseld hebt. Op de zwarte markt kreeg je namelijk tienmaal zo veel. In Sudan zou dat ook zo zijn. Maar dan treedt de Sudanfactor weer in werking, want als ik daar naar vraag zegt de bankbediende:” Ga maar even mee’’. Hij gaat naar een andere balie en zegt dat er drie mogelijkheden zijn.

1. Officieel wisselen. ‘’Maar dat zou ik u niet aanraden Sir!’’.

2. Zwart wisselen met een bewijs, dat ik officieel gewisseld heb. Maar voor dat bewijs moet dan extra betaald worden.
3. ‘’Gewoon’’ zwart wisselen. ‘’En dat zou ik doen Sir. Maar omdat u op de bank wisselt, komen er wel wat kosten bij’’.

Het station Wadi Halfa Centraal ligt een paar kilometer buiten het stadje. Slaapwagens zijn uitverkocht net als de eerste klas. En aangezien er maar eenmaal per week een trein gaat, nemen we genoegen met kaartjes tweede klas. Het is dringen om de trein in te komen. Sommige mensen proberen door de ramen naar binnen te klimmen.

Zandstorm

In de coupé is het stoffig. We zitten op elkaar gepakt. Stoelen waaruit de veren spiraalsgewijs omhoogsteken. Hoe moet hier geslapen worden?
      De trein komt ’s avonds laat op gang. We proberen wat te slapen, maar na een aantal uur als het alweer licht wordt, begint het. De Haboob. Een zandstorm. Gebulder buiten de trein. We sukkelen door; buiten is geen meter zicht. Zand komt door alle kieren en gaten. Binnen een minuut of tien ligt er overal zo’n twee millimeter zand. Neus- en oorgaten lopen vol. Gesprekken zijn niet meer mogelijk. Ook fluisteren niet, want dan kolkt het zand naar binnen. Na een uur wordt het minder en na twee uur is de storm uitgeraasd en wordt ’t windstil. Uitzicht op oneindige zandvlaktes en -heuvels. Af en toe een nederzetting met hutjes. Het is zeven uur in de ochtend.

  

En dan mindert de trein ineens vaart en komt tot stilstand. Tot nu toe was het enkelspoor, maar hier vlakbij een dorpje is het dubbelspoor. Een stationnetje zeker, denk je. Er is zelfs een boom.
      Het oponthoud duurt lang. Een uur, twee uur. Mensen uit het dorpje komen langs met drinken en etenswaren. Passagiers stappen uit. Speculaties wat er aan de hand kan zijn. En dan wordt het bekend. Een machinist heeft het verteld. De diesellocomotief is dermate door het zand aangetast dat hij niet verder kan. De Sudanfactor heeft opnieuw toegeslagen.

  

Er moet een nieuwe locomotief komen. Uit Khartoum. Dat zal een uur of zes duren, wordt geschat. De drukte rond de trein wordt groter. Passagiers gaan een partijtje voetballen tegen de jeugd uit het dorp. De prijs van water en spijzen gaat omhoog. En dan zien we in de verte een felle lamp. Daar komt de locomotief. Maar hoe kan die locomotief aangekoppeld worden? Niet dus. De reserve-locomotief moet door naar Wadi Halfa en daar keren. Een reis van zo’n zes uur. En dan terug naar ons dorp. Nog eens zes uur. En dan via het tweede spoor naar het eerste spoor en dan achteruit terug om voor de kapotte locomotief te komen.

Berusting slaat toe. Zeker nog twaalf uur wachten. Mensen leggen buiten slaapzakken op de grond en proberen wat te slapen. Hier en daar worden spelletjes gedaan. Weddenschappen worden afgesloten hoe lang dit allemaal nog gaat duren. Doemdenkers voorspellen dat de Haboob weer zal opsteken. Mensen vertellen elkaar verhalen over andere ellende die ze al meegemaakt hebben. De crisis brengt ook verbroedering. Samen gaan we dit overwinnen. Zoiets.

En dan is daar de locomotief. Het is alweer donker. Zonder noemenswaardige problemen rijden we naar Khartoum, waar we ’s nachts om half drie aankomen. We gaan naar hotel Acropole. Eerst onder de douche om al het zand weg te spoelen. Maar… er komt geen water uit de kraan.
Sudanfactor weet je wel.

 

 

Voorjaar 2003

Hooligans & Gentlemen uit Samoa (een drieluik 3)

Er is een gevleugeld gezegde over Rugby: De spelers zien eruit als hooligans maar spelen als gentlemen.

 

In maart 2003 zat ik in het vliegtuig op weg van Wellington in Nieuw Zeeland naar Hong Kong in China. We maakten een tussenlanding in Auckland en daar stapte een zeer donker gezelschap keurig uniform geklede mannen in. Ze waren bijna allemaal heel groot en stevig gebouwd.
      Er ging er één naast me zitten. Een prachtig atleet. Mooie man. Gebeeldhouwd gezicht. Gentleman en absoluut geen hooligan. De stewardess van New Zealand Airlines kende hem. Zij gaf hem een knipoog en een glaasje Jus d’Orange, dat hij in heel kleine teugjes op dronk.

      ‘Joe’, zei hij. ‘Ik ben Joe’.
      Wie zij waren, vroeg ik maar eens.

Zij waren het nationale Rugbyteam van Samoa, een eilandje in de Stille Zuidzee, zo‘n 3.000 kilometer boven Nieuw Zeeland. Zij gingen via Hong Kong naar Engeland, waar ze een paar oefenwedstrijden zouden spelen ter voorbereiding op het wereldkampioenschap dat een paar maanden later in Australië zou worden gehouden.

‘SAMOA!’.
      Wat wist ik van Samoa?
Eerlijk gezegd wist ik heel weinig van Samoa. Jawel een eiland in de Stille Zuidzee. En ooit had ik een recept uit Samoa gevonden voor geflambeerde vleermuizen, die ik uit Singapore mee naar huis had genomen, omdat ik dacht dat het om paddenstoelen ging. (Reizen 103)

Het leek me niet zo gepast om direct over die vleermuizen te beginnen, dus suggereerde ik dat Samoa wel een oude Engelse kolonie zou zijn, omdat zij kennelijk heel goed waren in rugby.
      Joe moest daar een beetje om lachen.
      ‘Nee’ zei hij. ’Wij zijn in een ver verleden Duits geweest’.

      ‘Waarom is rugby dan zo populair?'
      ‘Heel eenvoudig’, zei Joe. ‘Na de eerste wereldoorlog zijn wij een tijd bezet geweest door Nieuw-Zeeland. Zij hebben die sport bij ons geïntroduceerd. En wij bleken er goed in. Zelf ging ik bijvoorbeeld al in Nieuw-Zeeland spelen toen ik twaalf jaar was. Die competitie daar is erg sterk. Maar de competitie in Engeland is nog sterker. En daar speel ik al drie jaar. Het bevalt me goed. Ik heb nu een Engelse vrouw en een dochtertje. Ook het leven in Engeland -vooral Londen- is goed en afwisselend. Ik bedoel… Nieuw-Zeeland is eh… niet zo spannend‘. Hij keek naar de stewardess, die alweer vroeg of hij iets nodig had.

Of ze een kans zouden maken daar op dat kampioenschap in Australië?
      ‘Nee’, zei Joe.
      ‘Nieuw-Zeeland gaat waarschijnlijk winnen. En weet je waarom? Er doen diverse spelers uit Samoa mee. Die hebben zich laten naturaliseren. Mij hebben ze dat ook gevraagd, maar ik heb het geweigerd. ’Andersom spelen er bij ons een paar Nieuw-Zeelanders mee, maar ja dat zijn niet de besten.’

In het vliegtuig zaten zo’n twintig passagiers met mondkapjes voor. Ruim een week eerder was de SARS-epidemie in Hong Kong uitgebroken en op dat moment was nog absoluut niet duidelijk hoe erg het zou worden. Een uur voordat we zouden landen kregen ook alle spelers en begeleiders van het rugbyteam een mondkapje uitgereikt.

      ‘Sorry’, zei Joe glimlachend.
      ‘Succes’, zei ik.
Over vleermuizen hebben we het niet meer gehad.


P.S.

Samoa eindigde in 2003 op het wereldkampioenschap als derde in zijn poule en werd daarmee in de eerste ronde uitgeschakeld. Het verloor toen van Engeland en Zuid- Afrika en won van Uruquay en Georgië .
      Nieuw-Zeeland werd derde en Engeland wereldkampioen.


Niet welkom

En ik was een week lang niet welkom bij mijn werkgever VPRO, omdat men bang was dat ik 't SARS-VIRUS zou kunnen verspreiden.
Zelden zoveel panische mensen om mij heen gezien als ik ergens verscheen in die tijd. Zelfs weken later!

 

 

 

Zomer 1986.

Geflambeerde vleermuis (een drieluik 2)

We zijn op de weg terug van Indonesië naar Nederland en hebben besloten een dagje in Singapore te blijven. Dat is een drukke keurig aangeharkte stad, waar je geweldig boodschappen kunt doen. Dan moet je naar Orchard Road. Veel kleine winkeltjes waar je interessante dingen kunt kopen als scharen voor linkshandigen, kunstogen, condooms met voelsprieten, looprobotjes en boekjes over de techniek van het touwtrekken.
      Maar er zijn aan die weg ook gigantische warenhuizen.
      We kopen een grote zak gedroogde paddestoelen.
Een week later laat ik thuis de paddestoelen wellen en wat blijkt: de dingen die daar in de pan alsmaar groter worden, lijken verdacht veel op vleermuizen.

  

Hoe bereidt men vleermuizen?

In China, Maleisië en Indonesië staat het regelmatig op het menu en wordt het op diverse manieren bereid. Zo ook op een aantal eilanden in de Stille Zuidzee.
      Het volgende recept komt uit Samoa.
      De vleermuizen worden geflambeerd zodat de haren geschroeid worden. De ingewanden eruit halen en de beestjes in stukjes snijden.
      Olijfolie en een scheutje walnotenolie in een wok verhitten en daarin uitjes, knoflook en gemberwortel fruiten.
      De stukjes vleermuis in de wok aan alle kanten dichtschroeien, nog wat vocht erbij, geplette korianderzaadjes, zwarte peper en een paar kruidnageltjes. Dit alles nog even laten sudderen en de vleermuis Samoa is klaar.

Volgens culinair deskundige Johannes van Dam die ik daar toen voor de radio over raadpleegde, zijn vooral de zogeheten fruitbats -de vruchtenetende vleermuizen dus- een delicatesse.

 


Een onverwacht feestje  


Onbekende helden  

En toen wij in de aankomsthal kwamen begon ook daar iedereen te klappen en te juichen alsof wij -simpele passagiers- een soort Wereldcup gewonnen hadden.
      We werden uitgenodigd om naar een speciale ruimte in de terminal te gaan om een drankje te gebruiken en een snack te eten.

Het was duidelijk.
      Ik had iets gemist, maar had geen idee wat eigenlijk.
Pas toen ik bij mijn tweede glas whisky en een paar uitstekende dim-summetjes een informatiepakket ontving, begreep ik dat stomtoevallig op 1 juli  het nieuwe vliegveld van Singapore officieel was geopend: Changi Airport. Wij zaten in de eerste lijnvlucht, die daar landde.

De informatie leerde ondermeer dat de bouw 1.5 miljard Singaporese dollars had gekost -toen ongeveer 1 miljard US$-.
      Voorts dat er voor het vliegveld 200 ha. zeemoeras was opgeofferd en dat de luchthaven was dichtgegooid met 12 miljoen kubieke meter zand en gesteente, dat was verwijderd van de nabij gelegen heuvels.
       En er zat deze foto bij van de opening.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maart 1994

Een inferno boven een grot

Op de Palestijnse Westbank heerst grote onrust. Dat is niet helemaal nieuw. Ik ben er in het verleden vier keer geweest en altijd was er onrust.
      Kijk eens naar deze foto, die ik in maart 1994 maakte in het centrum van Hebron.

  


Machpéla

De man met het keppeltje heeft een geweer bij zich. Hij is op weg naar de Joodse Synagoge, die zich bevindt in de grot van Machpéla, ook wel de grot der Patriarchen.
      De twee Israëlische soldaten hebben hem doorgelaten. Ze waren niet zo blij, dat ik daar foto’s maakte.
     

     Op de achtergrond spelen kindertjes het spelletje dat ze overal op de Westbank spelen: Joodje & Palestijntje. Eén kind was de Jood; één kind de Palestijn en het derde kind (links naast het bord) was de verslaggever die het allemaal moest filmen.

      In zekere zin was het nog een rustig tafereel. Hebron stond die dagen letterlijk en figuurlijk in brand.
       Op 25 februari had de Israëlische arts Baruch Goldstein een bloedbad aangericht in de Ibrahimi moskee, die zich ook in de grot bevindt. Hij schoot 29 biddende moslims dood en verwondde nog eens 150 anderen. Goldstein werd daarna ook gedood en er verspreidde zich grote onrust in de stad. Maar ook in Oost-Jeruzalem en in andere plaatsen op de Westoever.

 Brandende autobanden

     Stan van Houcke en ik gingen er heen voor de VPRO-Radio. Met een satelliettelefoon van honderd kilo om rechtstreekse uitzendingen te kunnen verzorgen. Wij belandden in hevige gevechten te Oost-Jeruzalem, maar wilden natuurlijk naar Hebron. Dat was niet simpel. Wij werden bij controles door het leger diverse malen tegengehouden en teruggestuurd.
     
Tot wij een taxichauffeur vonden, die niet alleen heel goed de weg wist, maar ook al beschikte (1994!) over een mobiele telefoon, waarmee hij in verbinding stond met collega’s. Zo kon hij patrouilles en controles vermijden en geraakten wij via allerlei landweggetjes in Hebron.
      In het centrum van die stad woonden zo’n 400 extreem orthodoxe Joden. Een aantal van hen had de daad van Goldstein bewierookt. Met name tegen hen richtte de Palestijnse volkswoede zich. Er werd geschoten, met stenen gegooid en overal werden barriėres opgeworpen met autobanden die in brand waren gestoken. Het centrum van Hebron was verworden tot een waar inferno.

       

Op de Palestijnse Westbank heerst anno 2015 onrust. Dat is niet helemaal nieuw.

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh