Reizen (325)

 

 

Een louche handeltje in een Siciliaans toilet

(Door Rolf Weijburg) 

In de lijst van kleinste onafhankelijke landen ter wereld staat Malta met zijn 316 km2 landoppervlak op de tiende plaats. Iets groter dan de Malediven, drie kwart het oppervlak van Andorra. De Republiek Malta bestaat uit de drie bewoonde eilanden Malta, Gozo (of Ghawdex) en Comino (of Chemmuna/Kemmuna) en een aantal onbewoonde rotsen en eilandjes.

Misschien kwam de naam Malta van het Phoenicische woord voor schuilhaven, Malat, of het Griekse Meli voor honing. Zeker is dat de oorsprong moet liggen bij één van de vele bezetters van de eilandengroep. Niet alleen Phoeniciërs en Grieken, maar ook Romeinen (die Malta Melita noemden), Arabieren, Sicilianen, Noormannen, Spanjaarden, de Johannieter Ridders die later de Maltezer Ridders zullen worden, Fransen en ten slotte de Engelsen waren ooit heer en meester over de kleine archipel in de Middellandse Zee.
      In 1964 vertrokken de Engelsen en bleef Malta als een onafhankelijke staat alleen achter. In 2004 werd Malta lid van de Europese Unie en in 2008 verdwenen de mooie Maltezer pondbiljetten en trad het land toe tot de Eurozone. Op de kaart die alle Eurobiljetten sierde stond Malta vreemd genoeg niet afgebeeld. Het was weliswaar geen lid van de EU toen die biljetten in 2002 verschenen, maar ja, het wás er natuurlijk wel.

  

Pas bij de uitgifte van de tweede serie Eurobiljetten in 2013, hebben de makers een klein puntje aan de kaarten toegevoegd.

            

Malta is een zeer devote katholieke natie. Kerken zijn er moeilijk buiten de cameralens te houden en nog nooit zag ik zoveel versteende heiligen. Het lijkt wel of er iedere dag een katholiek feest wordt gevierd met processies, missen en vuurwerk, veel vuurwerk. Maar de van het lokaal gewonnen goudgelige zandsteen gebouwde huizen met hun talloze katholieke beelden zijn behangen met Arabische erkers en hoewel Engels de officiële taal is spreekt men op Malta een vreemde mengeling van Siciliaans en Arabisch met een licht Engels sausje: het Maltees.

Malta leek een harmonieuze som van al zijn verledens.

Het land fascineerde me en ik wilde er dolgraag eens een kijkje nemen. In 1976 had ik voldoende geld gespaard om op weg te gaan. Vliegen was duur in die tijd, lowcost vliegtuigmaatschappijen waren er nog niet, en een Transalpino treinkaartje met studentenkorting was de goedkoopste optie om naar Malta af te kunnen reizen. Dan moest je wel flink wat tijd hebben, want een hele zit was het wel, zo’n treinritje.
      Via Luik en Basel naar Milaan. Overstappen en door het zachte Toscaanse land naar Rome. Weer overstappen. In de trein naar Palermo, die midden in de nacht met veel kabaal in Reggio Calabria de boot op reed voor de oversteek naar Sicilië. In Messina maakte ik de laatste overstap en reed onder de Etna langs naar Catania. Eindpunt van de treinreis.

Na twee dagen treinen was ik klaar voor de boottocht naar Malta.

Piazza Catania


Taormina

“Vakantie ?” De man naast me heeft z’n zonnebril afgezet en kijkt me vriendelijk aan. We zitten op een terras aan de Piazza dei Martiri in Catania.
      “U zit er zo voldaan bij, ik dacht dat is nou een man op vakantie!”
Ik ben blij dat ik er ben. Ik heb een ticket voor Malta op zak, en overmorgen vertrekt de boot. Mij gebeurt niks meer.

“Ik ben nooit op Malta geweest, moet een fraai eiland zijn. Ga je op bezoek bij kennissen daar, of zo maar wat rondkijken?”

En zo babbelen we verder. We spreken Duits. Hij heeft tien jaar in Duitsland gewerkt en is nu onderwijzer op een lagere school in Taormina, zijn geboortedorp hier 40 kilometer vandaan. Hij is met de trein naar Catania gekomen voor een afspraak met zijn tandarts. Hij is een uur te vroeg en zit hier te wachten.

“Wil je nog een koffie?” Hij roept de ober en bestelt nog twee koffie.
      “Luister, waarom kom je morgen niet naar Taormina? Je moet toch nog een dag op de boot wachten en ik heb morgen vrij. Neem je de trein, da’s heel goedkoop en maar een half uurtje rijden. Kunnen we ergens samen lunchen, en dan zal ik je wat van de stad laten zien. Prachtige stad hoor, Taormina, neem dat maar van mij aan. Dan ga je aan ‘t eind van de middag gewoon weer met de trein terug naar Catania.” De twee koffie worden voor ons neergezet en hij betaalt.“Wat dacht je ervan? Goed idee?”

Ja, goed idee lijkt me. Hij schrijft zijn adres op, heeft helaas nog geen telefoon, maar zijn huis ligt niet ver van het station, als ik in de loop van de ochtend kom is hij gewoon thuis.

“Kijk, ik teken er een plattegrondje bij, dan hoef je niet te zoeken of te vragen. Zie je, ‘t is heel makkelijk te vinden.”
      We zitten nog wat verder te praten over de geneugten van het leven hier op Sicilië, als een wat louche uitziende man, geruite winterjas aan, kraag op, en stoppels op de kin, zich in onze richting tussen de tafels en stoelen door wringt. Hij kijkt schichtig om zich heen en zeult een bruin koffertje met zich mee. Hij zweet.

“Do you speak English?”, vraagt hij aan ons. No, zegt Gianni met een duidelijk misprijzen in zijn stem. Yes, zeg ik.

Maltezer zeeman

De man heeft een probleem. Hij is een Maltezer zeeman. Ze liggen met hun schip hier in de haven van Catania, maar vertrekken over een uurtje naar Malta. In Schotland had hij tientallen meters Schotse stof gekocht, waarvan hij dacht ze elders in Europa wel te kunnen verkopen, maar door een verandering van vaarplan zijn ze direct naar Sicilië gekoerst.
      Hij heeft de stof nu nog steeds en is bang dat straks op Malta de hele boel door de douane zal worden geconfisqueerd, of dat hij een enorm bedrag aan invoerrecht moet gaan betalen.
      “You know we sailors are always subject to very thorough searches once we arrive back home!” De Maltezer kijkt ons smekend aan. Willen wij dan zijn Schotse stof niet kopen? Absolute bodemprijs.

Gianni heeft de man al die tijd wat ongeïnteresseerd vanuit zijn ooghoeken gadegeslagen en vraagt me nu om het verhaal voor hem in het Duits te vertalen.
      “Waar heeft-ie die stof dan?” Ik vertaal. De Maltezer tikt tegen zijn koffer.
      “Wil ik wel eens zien”, zegt Gianni. “Mijn broer is namelijk kleermaker, en ik weet ook wel iets van stof af. Als het wat is, voor een goede prijs, wil ik het misschien wel kopen. Vraag hem maar om die koffer open te maken.”

Maar de Maltezer wil dat hier niet doen. Nee we moeten naar een beschut plekje, en we wandelen achter hem aan, het plein over een openbaar urinoir binnen. Daar gaat de koffer open en terwijl de Maltezer bij de ingang de wacht houdt, inspecteert Gianni de stof.
      Hij fluit zachtjes tussen zijn tanden. “Echte Shetland wol! Dit is eerste kwaliteit. Prachtig spul. Vraag eens wat hij ervoor moet hebben?”
Dan volgt een over en weer gehandel in het galmende interieur van dit Siciliaanse urinoir, waarbij ik als tolk de Engelse bedragen met Duitse afding. De Maltezer zenuwachtig en gehaast, Gianni rustig en bij ieder bod met mij overleggend. We komen tot een prijs van rond de vijfhonderd gulden, maar Gianni heeft maar tweehonderd bij zich.

“Rolf, kan jij die driehonderd niet voorschieten. Dit is echt een buitenkans! Je zou toch morgen bij me op bezoek komen. Dan hou je de stof vandaag bij je, neem je het morgen mee naar Taormina en dan geef ik je morgen het geld terug.” De Maltezer wil weten wat er gebeurt.
      “Schiet op, ik moet er vandoor, straks mis ik m’n boot en dan zit ik helemaal in de penarie. Wat doet die man nou, koopt-ie of koopt-ie niet.” Ik vertaal.
      “Hangt van jou af, Rolf. Als jij het geld wilt voorschieten wil ik kopen. Wat kan je nou gebeuren? Je hebt m’n naam en adres en bovendien krijg je de stof als onderpand.”

Stom! Stom! Stom!

Ik twijfel. En ik betaal. Ik overhandig de Maltezer het equivalent in Dollars, de helft van mijn budget voor deze reis. Gianni geeft hem de rest in Lire. De Maltezer, de eerste Maltezer die ik ooit ontmoette, telt het vluchtig na en verdwijnt richting haven. Gianni kijkt op zijn horloge.
      “Verdorie, ik moet opschieten, ik ben bijna te laat voor mijn tandartsafspraak. Hé, Grazie Mille. Duizend maal dank voor je hulp. We gaan er een fijne dag van maken morgen. Vergeet de stof niet! Ci vediamo domani. Ciao!”

Daar sta ik dan. Voor een urinoir op een plein in Catania. Mijn portemonnee voor de helft geleegd en een Bruin Koffertje vol Schotse stof in de hand. Aan de overkant van het plein zie ik Gianni in een taxi stappen. Ik geloof dat hij nog even zwaaide, maar het kan ook een ander gebaar zijn geweest. Voor roepen of rennen is het te laat. Alleen vloeken kan nog.
      Ook de volgende dag, toen ik in de hitte zonder hoop maar mét Bruin Koffertje, over de eindeloze weg strompelde die vanaf het station de berg op naar Taormina zigzagde, was er alle ruimte voor vloeken.

Hoe kon ik toch zo stom zijn geweest!

En wat ik vermoedde bleek waarheid: het getekende plattegrondje bleek een verzinsel van lukraak neergezette lijnen zonder enige overeenkomst met de realiteit. Ik vroeg de weg aan allerlei mensen, het papiertje werd in alle richtingen gedraaid, maar niemand kon er wijs uit. Het adres bestond niet.
      Even heb ik overwogen om dat lullige Bruine Koffertje met die waardeloze stof vanaf de rotsen naar beneden te donderen, maar ik besloot om het ding  in mijn pensionnetje in Catania achter te laten en gewoon als gepland naar Malta te varen.

Terug uit Malta zou ik het Koffertje weer ophalen en dan zouden we wel weer verder zien.

Wordt vervolgd …

 

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

 

Voorjaar 1998

Corrupte agenten & giftige slagtanden

Locatie: De 8-ste verdieping van hotel Uzbekistan in Tasjkent de hoofdstad van Oezbekistan in Centraal Azië .

‘Zullen we het eens op z’n Russisch doen’, zegt Boris. Hij pakt de fles single malt whisky en vult twee limonadeglaasjes. Dan leegt hij in één teug zijn glas. 
      ‘Lekker’, zegt hij. En hij herhaalt nog eens dat dit de eerste keer in zijn leven is, dat hij whisky drinkt. 
      ‘Nu jij Ronald. Op z‘n Russisch!’

Boris wordt vertrouwelijk. Hij is geen Oezbeek, maar komt uit Novosibirsk in Siberië. Maar hij woonde al in Tasjkent, toen dat nog bij de Sovjet Unie hoorde. 
      ‘Het wordt hier wel steeds moeilijker voor ons. Die Oezbeken schuiven elkaar alle klussen toe. Ze krijgen voorrang als er een baantje is en worden voorgetrokken als er huizen worden toegewezen'. 
Hij werkt bij een agentschap, dat er ondermeer voor zorgt om journalisten als ik te helpen. 
      ’Als er problemen zijn, moet je me onmiddellijk bellen’.

Twee uur later is de fles leeg en Boris stomdronken. 
      ’Ik ga even naar beneden’, stamelt hij. ’Daar hebben ze nog wel wodka’. 
Op de gang valt hij over een stoel, blijft liggen en wordt benaderd door een paar hoeren. Ik sluit mijn kamer goed af en val onmiddellijk in slaap. 
      

LELIJKE STAD
Image
De volgende dag slenter ik maar wat door de lelijke stad, die in 1966 vrijwel volledig verwoest werd door een aardbeving. Geheel volgens de Sovjet-tradities werd de stad op ranzige wijze herbouwd met brede straten, grote pleinen en sombere hoge flatgebouwen, gespeend van ook maar het geringste spoortje creatieve architectuur. Als ik ergens een paar foto’s maak, word ik aangehouden door twee agenten. 
      Ze vragen mijn papieren, zien dat ik geen Rus ben en gebaren dat ik mee moet naar het politiebureau. Hoewel ze alleen maar in het Russisch tegen mij praten, wordt duidelijk, dat er ‘iets’ niet in orde is met mijn visum. Ze wijzen ernaar.

In een klein gesloten kamertje op het bureau probeer ik duidelijk te maken, dat ik wil bellen. Met Boris natuurlijk. Die moet me hier maar uit krijgen.
Maar de agenten staan dat niet toe. Ik moet betalen om ‘het probleem’ op te lossen. Zevenduizend Som -ongeveer 75 US$-. Dat is heel veel geld in dit land, waar het gemiddeld maandinkomen niet meer dan vijfduizend Som is.

Er zijn types, die beweren dat je in zo’n geval niet moet betalen. Dat je gewoon moet afwachten, wat er gebeurt. Ik wantrouw die verhalen. Volgens mij zijn dat mensen, die nooit zelf in zo'n situatie hebben verkeerd.   
      In ieder geval ben ik niet zo’n held. 
Ik stribbel wel wat tegen, gooi er hier en daar een vloek in het Nederlands tegenaan, maar betaal.

   

Het bureau ligt aan het voormalige Karl Marxplein. Even verderop was het Leninplein. Het beeld van Lenin is van zijn sokkel gehaald. Nu staat er een pompeus standbeeld met een goudkleurige wereldbol. Daarop is maar één land aangebracht: Oezbekistan. Naar verhouding veel te groot. Image
      Als je er goed naar kijkt, zie je dat de omtrek van dit land op een hond lijkt. Gevolg van de bizarre wijze, waarop Stalin ooit de grenzen van zijn immense rijk trok.

Het Karl Marxplein heet nu Amir Temurplein naar de nieuwe held van Oezbekistan. Amir Temur, ook wel Tamerlan de Aardschudder of Timur Lenk dan wel Timur de Kreupele. Dat was een enorme schoft. Hij leefde in de veertiende eeuw en was één van de laatste wereldveroveraars.

HET VERLOREN HART

Ik ga op een terrasje zitten. Recht tegenover het enorme standbeeld, waarbij Amir Temur op een paard zit. Ik sla ’Het verloren hart van Azie’ van Colin Thubron open. En lees over ‘De Aardschudder’.

AFKOOPSOM  

Ik leg het boek weg en bel Boris. Een half uur later is hij er. Hij is absoluut niet verbaasd dat ik op het politiebureau een afkoopsom heb moeten betalen. 
      ’Dat doen ze altijd. De volgende keer, ga ik wel met je mee‘. 
En dan:
      ‘Overigens krijg ik nog geld van je, want ik heb gisteren op het vliegveld moeten betalen om jou snel door de douane te krijgen. Dat heb je toch wel gemerkt?’

Hij heeft gelijk. In het vliegtuig zaten twaalf niet-Oezbeken, die er een paar uur over deden om ter plekke een visum te bemachtigen. Op zeker ogenblik verscheen Boris, die mij als eerste mee naar buiten nam.

      ‘Hoeveel krijg je dan van me?’
      ‘Zevenduizend Som’, zegt hij.


(Eerder geplaatst 19-01-'08)
 


Ontmoetingen in de lucht:
 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër



 

 


De onttakeling van het Paradijs

(Door Rolf Weijburg)

Op veel van de Outlying Islands, de Zil Eloigne Sesel,  in het uitgestrekte zuidwesten van de Seychellen dat de Lost Corner wordt genoemd, werd vroeger guano (natuurlijke meststof) gewonnen, zeeschildpadden en haaien gevangen en kopra geproduceerd. De seizoenarbeid op de eilanden trok avonturiers en gelukszoekers aan, maar ook avontuurlijke ondernemers bezochten de uithoek.

In één van de voorgaande afleveringen van deze blog, kwamen we al  kunstenares Wendy Day Veevers-Carter tegen die samen met haar man Mark een plantage runde op het eilandje Remire in de Amirantes archipel. Het echtpaar verkocht de goed lopende plantage in 1968 en verhuisde naar een zo mogelijk nóg grotere eenzaamheid: naar het verre onbewoonde Astove atol, net boven de noordelijke punt van Madagaskar.
      Ze bouwden er een huis met 14 kamers, een gebouwtje voor de kopra-verwerking, een kapel, een winkeltje en huisjes voor de Seychelse arbeiders die gingen werken op de kokosplantage. Kopra was waar het om draaide, maar er werd ook tabak verbouwt.
      Alles verliep min of meer voortvarend totdat Mark enorme tandpijn kreeg en absoluut naar een tandarts of tandchirurg moest. De dichtstbijzijnde bevond zich in Kenya en na veel wachten kon hij eindelijk door een schip dat naar Mombasa op weg was worden opgepikt.
      Mark overleefde de verdoving die hem werd toegediend echter niet. Hij stierf in de tandartsstoel …
Tot eind 1970 probeerde Wendy de plantage op Astove alleen te runnen, maar ze gaf het op en vertrok samen met haar kinderen terug naar de VS en de plantage verwilderde.

 ASTOVE

Er is nu een airstrip op Astove waar soms kleine gezelschappen landen die voor iets meer dan 10.000 US dollar een weekje komen vissen en in de kleine lodge verblijven.  
      Dat kun je ook op allerlei andere eilanden, zoals bijvoorbeeld op Alphonse of op het zuidelijkst gelegen eiland Farquhar.

      Het kost wel wat, maar dan kan je toch maar mooi onder niet alledaagse omstandigheden een hengeltje uitgooien.

  De Outlying Islands worden gerund en ontwikkeld door de Islands Development Company (IDC) die over hun economische levensvatbaarheid waakt. 

Het prestigieuze “One Island One Hotel”, een plan om het gebied toeristisch te ontsluiten dat door het ministerie van toerisme in 2008 werd gelanceerd en moest worden uitgevoerd door de IDC, is echter bij lange na niet gehaald.
      De economische crisis was daar deels debet aan maar ook de lastige infrastructuur. Veel van de eilanden zijn per boot erg moeilijk bereikbaar of liggen gewoon te ver weg terwijl sommige airstrips te vaak met grote vogelkolonies kampen, die het landen en opstijgen van de vliegtuigjes van de IDC en Air Seychelles bemoeilijken. Een aantal hotels heeft daardoor, na initieel optimisme, de deuren voortijdig moeten sluiten.

                                                                       Privé eiland

Om er toch nog wat van te maken worden er naast plantage of hotel ook andere bestemmingen voor de eilanden bedacht. Privé eiland bijvoorbeeld.
      D’Arros Island in de Amiranten Archipel was al sinds de zeventiger jaren in bezit van de Iraanse Prins Shahram Pahlavi Nia en werd later verkocht aan de schatrijke Française Liliane Bettencourt, dochter van de oprichter en grootaandeelhouder van cosmeticagigant L’Oreal. 

      In 2012 verkocht Liliane het eilandje voor 60 miljoen dollar (ruim drie keer de aanschafprijs …!) aan de Save Our Seas Foundation, een organisatie die zich inzet voor de bescherming van de oceanen en van D’Arros Island een Natuur Reservaat maakte.  

Minder geruststellend zijn de ontwikkelingen op Assumption Island, nota bene op slechts 50 kilometer ten oosten van het UNESCO Wereld Erfgoed atol Aldabra.
      Op Assumption wordt sinds 2016 gebouwd aan een Indiase Basis. India, dat altijd al veel belangen in de Seychellen heeft gehad en onder andere het Seychelse leger adviseert, leasede het eiland van de Seychellen. De zeven inwoners werden onder “lichte dwang” geherhuisvest op Astove Island  en wonen er nu in twee door India gebouwde huisjes.

India bouwt intussen flink door aan de basis die zowel een marine- als een luchtmachtbasis zal worden en eind 2018 operationeel moet zijn. De basis moet, in combinatie met een uitgebreid ook in de Seychellen ontwikkeld Indiaas radarsysteem, India grotere invloed en controle geven over de westelijke Indische Oceaan. Niet onbelangrijk daarbij is dat China, toch al niet India’s beste vriend, sinds 2015 een marinebasis heeft in de buurt van Obock in het Oost Afrikaanse Djibouti.
      Op twee eilanden in de Seychelles Outlying Islands werd de afgelopen jaren een gevangenis gebouwd: op Marie-Louise in de Amirantes en, helemaal aan de oostelijke kant van de Outlying Islands, op Coëtivy Island.
      Op Marie-Louise worden hoofdzakelijk verdachten vastgehouden die op hun berechting wachten. Ze worden bewaakt door een paar Seychelse agenten en een dertigtal uit Nepal afkomstige ghurka’s … vraag me niet hoe díe daar terecht zijn gekomen.


Garnalenfarm

Coëtivy had vroeger een belangrijke garnalenfarm waar bijna 200 arbeiders werkzaam waren.  De farm sloot in 2008 – op Google Earth zijn de deels overwoekerde bassins nog goed te zien –  en de arbeiders keerden werkloos terug naar Mahé. Enige jaren terug werd het eiland uitverkoren als locatie voor de bouw van een nieuwe gevangenis en in de gloednieuwe gebouwen vinden we nu drugdealers, drugsrunners en zwaardere criminelen. Bewakers zijn er nauwelijks nodig: het eiland ligt zó geïsoleerd dat ontsnappen nagenoeg onmogelijk is.

Maar, wacht even, ook op Mahé is een grote gevangenis, de Montagne Posée Prison. Dat maakt dus drie gevangenissen op een bevolking van nog geen 100.000 zielen. Er zijn de laatste jaren weliswaar veel Somalische piraten opgepakt en gevangen genomen, maar toch.
      Ik ben eens wat gaan zoeken en kwam er achter dat er in 2014 66 Somalische piraten in een Seychelse cel zaten, een aantal dat in 2016 was gedaald naar 22. Verder zoekend las ik dat er in totaal in september 2014 735 mensen vast zaten in de Seychellen.
      Afgezet op de wereldlijst van aantallen gevangenen per 100.000 inwoners bleek dat er relatief gezien nergens ter wereld zóveel mensen in de gevangenis zitten als op de Seychellen. Enkelen vanwege piraterij en een flink aantal vanwege druggerelateerde delicten, zo las ik.
      Maar verreweg de meesten wegens verkrachting.

Het lijkt er op dat het paradijs zo langzamerhand opgehouden is paradijs te zijn.

 

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

Voorjaar 2003

''Ik bedoel… Nieuw-Zeeland is eh… niet zo spannend‘.

Wellington-Auckland-HongKong

Het was september 2007. Op de radio was verslaggever Hans Brian, die zei dat rugbyers eruitzien als hooligans maar spelen als gentlemen. Hij zei dat naar aanleiding van het wereldkampioenschap rugby, dat toen in Frankrijk begonnen was. Het toernooi zou maar liefst zes weken duren. Nieuw-Zeeland was favoriet. Frankrijk, Engeland, Australië en Zuid Afrika maakten ook een kans.

Direct nadat ik dit gehoord had, zocht ik op of Samoa van de partij was. Het antwoord was: 
      Ja, Samoa doet mee.

Waarom ik daarin geïnteresseerd ben? Wel!

In maart 2003 zat ik in het vliegtuig op weg van Wellington in Nieuw Zeeland naar Hong Kong in China. We maakten een tussenlanding in Auckland en daar stapte een zeer donker gezelschap keurig uniform geklede mannen in. Ze waren bijna allemaal heel groot en stevig gebouwd. 
      Er ging er één naast me zitten. Een prachtig atleet. Mooie man. Gebeeldhouwd gezicht. Gentleman en absoluut geen hooligan. De stewardess van New Zealand Airlines kende hem. Zij gaf hem een knipoog en een glaasje Jus d’Orange, dat hij in heel kleine teugjes op dronk.

      ‘Joe’, zei hij. ‘Ik ben Joe’.
      ‘Wie zij waren’, vroeg ik maar eens.

Zij waren het nationale Rugbyteam van Samoa, een eilandje in de Stille Zuidzee, zo‘n 3.000 kilometer boven Nieuw Zeeland. Zij gingen via Hong Kong naar Engeland, waar ze een paar oefenwedstrijden zouden spelen ter voorbereiding op het wereldkampioenschap dat een paar maanden later in Australië zou worden gehouden.

‘SAMOA!’. 
      Wat wist ik van Samoa. 
Eerlijk gezegd wist ik heel weinig van Samoa, maar omdat zij kennelijk goed waren in rugby dacht ik dat het wel een voormalige Britse kolonie zou zijn.
      Joe moest daar een beetje om lachen. 
      ‘Nee’ zei hij. ’Wij zijn in een ver verleden Duits geweest’.

      ‘Waarom is rugby dan zo populair? 
      ‘Heel eenvoudig’, zei Joe. ‘Na de eerste wereldoorlog zijn wij een tijd bezet geweest door Nieuw-Zeeland. Zij hebben die sport bij ons geïntroduceerd. En wij bleken er goed in. Zelf ging ik bijvoorbeeld al in Nieuw-Zeeland spelen toen ik twaalf jaar was. Die competitie daar is erg sterk. Maar de competitie in Engeland is nog sterker. En daar speel ik nu al vier jaar. Het bevalt me goed. Ook het leven in Engeland. Ik bedoel… Nieuw-Zeeland is eh… niet zo spannend‘. Hij keek naar de stewardess, die alweer vroeg of hij iets nodig had.
      'Bovendien ben ik inmiddels getrouwd met een Engelse. We hebben een dochtertje van een half jaar en er komt nog een kind aan. Ik blijf waarschijnlijk voor goed in Engeland''.

Of ze een kans zouden maken daar op dat kampioenschap in Australië . 
      ‘Nee’, zei Joe.
      ‘Nieuw Zeeland gaat waarschijnlijk winnen. En weet je waarom? Er zitten spelers uit Samoa in. Die hebben zich voor veel geld laten naturaliseren. Mij hebben ze dat ook gevraagd, maar ik heb het geweigerd. ’Andersom spelen er bij ons een paar Nieuw-Zeelanders mee, maar ja dat zijn niet de besten.’

In het vliegtuig zaten zo’n twintig passagiers met mondkapjes voor. Ruim een week eerder was de Sars-epidemie in Hong Kong uitgebroken en op dat moment was nog absoluut niet duidelijk hoe erg het zou worden. Een uur voordat we zouden landen kregen ook alle spelers en begeleiders van het rugbyteam een mondkapje uitgereikt.

      ‘Sorry’, zei Joe glimlachend. 
      ‘Succes’, zei ik.


P.S. Samoa overleefde bij het W.K. in 2003 de eerste ronde niet. Het team won met grote cijfers van Uruguay en Georgië, maar verloor van Zuid-Afrika en de latere wereldkampioen Engeland. Ook in 2007 overleefde Samoa de voorronde niet. Er werd gewonnen van de V.S. maar er was verlies tegen Engeland, Tonga (nipt) en de latere kampioen Zuid-Afrika.

 (Eerder geplaatst 12-09-'07)


Ontmoetingen in de lucht:
 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana

 

 


Koraaleilanden & Reuzenschildpadden


(Door Rolf Weijburg)

Vroeger ontbeten we meestal in de Sahara, maar tegenwoordig nuttig ik mijn ontbijt in de Seychellen en zit Catherine meestal ergens in de Malediven.
      Een jaar of tien terug heb ik het tafelblad waarop ik een zeer gedetailleerde IGN kaart van de centrale Sahara had geplakt, vervangen door een nieuw tafelblad waarop ik een grote Admiralty zeekaart van de Indische Oceaan heb aangebracht.
      Als ik mijn bord niet te ver naar rechts schuif kan ik de hele Republiek Seychellen goed overzien.

Dit land mag dan wel het op 14 na kleinste land ter wereld zijn, het gebied waarover de Seychelse eilanden verspreid liggen is enorm uitgestrekt, valt mij iedere ochtend op. Minstens twaalfhonderd kilometer oost-west en iets minder noord-zuid.
      De meeste en bekendste eilanden liggen in de zogenaamde Seychelles Inner Group in het noord oosten van het gebied. Het zijn bergachtige dichtbegroeide granieteilanden, uniek in de wereld want nergens anders liggen granieteilanden zo ver van een continent verwijderd. Hier ligt op het eiland Mahé de hoofdstad Victoria en op deze Inner eilanden woont het overgrote deel van de bijna 100.000 zielen tellende Seychelse bevolking. Dit zijn de eilanden die over het algemeen bedoeld worden als men het over de Seychellen heeft.

Maar in het uitgestrekte zuidwestelijk deel van de republiek, in de zogenaamde Lost Corner, zie ik naast mijn ontbijtbordje nog meer eilanden en eilandgroepen met namen als Farquhar, Amirantes, Aldabra, Cosmoledo of Coëtivy. Anders dan de Inner Group eilanden zijn dit lage, met kokospalmen begroeide koraaleilanden.  Dit zijn de Seychelles Outlying Islands, dit zijn de Zil Eloigne Sesel, zeg maar de Verre Seychelse Eilanden .

Hoewel de meeste eilanden van de Zil Eloigne Sesel niet veel groter zijn dan enkele vierkante kilometer en er bij elkaar gemiddeld door het jaar genomen slechts 700 man wonen -over het algemeen seizoensarbeiders die op de kokosplantages werken -, is er in 1980 een aparte postadministratie voor dit uitgestrekte gebied in het leven geroepen.
      Niet één postkantoor was er ooit op de eilanden, maar een reizend postkantoor aan boord van een kleine schoener deed er af en toe de ronde. Het schip was al gauw een paar weken onderweg voordat het weer in Victoria kon aanleggen.

De Zil Eloigne Sesel zijn onderdeel van de Republiek der Seychellen en je kon er ook met gewone Seychelse postzegels post versturen. De uitgifte van speciale Zil Eloigne Sesel postzegels gebeurde dan ook hoofdzakelijk om een nieuw en exclusief filatelistisch verzamelgebied te creëren.

Maar de eerste uitgifte ging niet vlekkeloos.

        

        

In 1980 verscheen een eerste zegel waarop de diverse eilandgroepen van de Zil Eloigne Sesel op een kaart stonden aangegeven. Het was nog even wennen want binnen het donkerblauwe vlak dat het gebied markeert waren ook de Agalega Eilanden betrokken.
      Deze twee eilanden met een bevolking van 300 bewoners en een hoofdstadje dat Vingt Cinq heet (Vijfentwintig, naar het aantal zweepslagen dat rebelerende slaven kregen …) behoren nochtans tot Mauritius.
De postzegel  is een jaar later vervangen door een andere waarop de Agalega’s buiten het donkerblauwe vlak zijn getekend en ook Aldabra Island juister is gepositioneerd.

De uitgaven voor de Zil Eloigne Sesel gingen door tot 1992 en in die 12 jaar is de schrijfwijze van de landsnaam op de zegels, omdat het Seychelse Kreools in die tijd nog geen officiële spelling kende, drie keer veranderd.

De meest bijzondere plek in de Zil Eloigne Sesel is Aldabra, 1200 kilometer zuidwest van de Seychelse hoofdstad Victoria. Het is een atol, één van de grootste ter wereld, het grootste van de Seychellen, met vier grote en enkele kleinere eilanden rondom een enorme lagune, maar er wonen slechts een paar mensen.
 
       

Aldabra is moeilijk bereikbaar, geïsoleerd als het ligt ver buiten de gangbare scheepsroutes. Je hebt bovendien een vergunning nodig om er aan land te mogen, er gaat haast nooit een boot heen, er is ook geen haven, en als je er met een vliegtuigje heen wilt, moet je dat zelf charteren, landen op de airstrip op Assumption Eiland 50 kilometer naar het oosten en dan met een bootje zien over te varen.

   

Het atol is een UNESCO World Heritage Site en dat komt onder andere omdat de laatste kolonie Seychelse reuzenschildpadden op dit eiland leeft, meer dan 150.000 zijn het er. Wereldwijd komen alleen op de Ecuadoraanse Galapagos Eilanden nog wilde reuzenschildpadden voor.

Aldabra is een omhooggestuwd koraalrif, het is er heet, er groeien maar weinig bomen en het is hoofdzakelijk begroeid met doornig droog struikgewas.
      En alsof dat nog niet genoeg is, bestaat de grond er uit vlijmscherp koraal doorzeefd met tot wel zes meter diepe gaten, waardoor lopen levensgevaarlijk wordt. Ook de schildpadden hebben het er niet makkelijk.

 

Onherbergzaam is een goed woord voor Aldabra en dat is, naast de geïsoleerdheid, ook één van de redenen waarom het stropen van de schildpadden altijd beperkt is gebleven. Op Mauritius bijvoorbeeld, waar de reuzenschildpadden ooit ook voorkwam, zijn de beesten uitgeroeid.
      Er woont slechts een handjevol mensen op Aldabra, caretakers en een paar wetenschappers.
Eens in de zoveel tijd komt er een groepje toeristen langs die een peperdure tour hebben geboekt, maar voor de rest hebben de reuzenschildpadden (en de endemische Aldabra Rail, de enige overlevende loopvogel in de Indische Oceaan en ver verwant aan de Dodo en de Solitaire) het eiland min of meer voor zich alleen.

In 1997 nam ik een telefoonboek mee uit de Seychellen. Een dun boekwerkje waarin de abonnees op de drie Inner Group eilanden Mahé, Praslin en La Digue allemaal samen op een twintigtal pagina’s stonden vermeld, maar waar één pagina was gereserveerd voor de abonnees op álle andere 113 eilanden. 
      Het gros van deze abonnees woonde op de kleinere eilanden van de Inner Group, maar in de hele Zil Eloigne Sesel waren slechts drie eilanden waar je een telefoon kon vinden. Aldabra, het grootste eiland van de Seychellen, hoorde daar niet bij.

En Wilbur Smith op Cerf Island was één van de weinigen met een fax, maar hij is dan ook de bekende Zuid-Afrikaanse schrijver.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh