Reizen


Voorjaar 2009

Contrasterende dorpen in de Costa Blanca

 

Het dorpje ligt prachtig. Vanuit Dénia ga je naar Pego en dan verder over een bochtige weg met sublieme uitzichten. Bij helder weer -en dat is het daar zeer vaak- kan je de zee nog lang achter je zien.

GUADALEST 

MOOIE UITZICHTEN 

UITBUNDIG GROEN 

 

Zomer 1982

De beste akoestiek ter wereld

 

HET IS ECHT WAAR 

Mijn kinderen Babette en Rutger, die in 1982 resp. dertien en twaalf jaar oud zijn willen dat natuurlijk uitproberen. Rutger en ik sluiten ons op het toneel aan bij talrijke wachtenden, die ook een reisboek gelezen hebben. Er staat namelijk een enorme bak met afgebrande lucifers.
      Mijn vrouw Heleen en Babette gaan boven zitten.
      Als we eindelijk aan de beurt zijn en ook een lucifer hebben afgestreken, gaan boven de duimen omhoog. Het is echt waar. Ze hebben het gehoord. 

Een Engelsman, die ons geamuseerd aankijkt, begint een gesprekje. Leuk zo’n theater en leuk die akoestiek. Leuk ook voor al die toeristen, ‘maar, zegt hij ’iedereen laat zich hier in de maling nemen’.
      ‘Hoezo?’, roep ik een beetje verontwaardigd.
      ’Ze hebben het daar boven echt gehoord.
      Die akoestiek is fantastisch’.

      ‘Nep’, zegt de Engelsman.
      ‘Allemaal nep’.
      Kijk maar eens naar boven. Daar: achter die uitstulpingen bevinden zich allemaal  microfoons en luidsprekers.
      Zo wordt het geluid versterkt. Slim van die Grieken. Heel slim’.

Ik zeg het maar niet tegen mijn kinderen, maar vertel jarenlang -als het zo te pas komt- de smakelijke anekdote van het bedrog van het Epidaurus theater in Griekenland.

Tot ik een tijdje geleden onderstaande ingezonden brief in NRC-Handelsblad las.
      De Engelsman had mij misschien op zijn beurt weer in de maling genomen, want de akoestiek in het theater is wel degelijk zo goed.
      ‘De akoestische truc‘, schrijft meneer of mevrouw D.N.P. Brandsma uit Rijswijk ,‘van de bouwmeester van Epidaurus is even geniaal als simpel’.

Hieronder de toch niet zo simpele uitleg van meneer Brandsma. 
      (Ik denk dat het een man is! Maar ook hij kan in de boot genomen zijn.)

 

                                 

(Eerder geplaatst juni 2008; Aangepaste versie)

    

 

Hong Kong-Auckland

Voorjaar 2003

Een emigratie op de gok

De jonge vrouw naast me kijkt vertwijfeld. Haar man is in diepe slaap. De baby van drie maanden krijst en moet nodig een schone luier. Het kleine meisje van negentien maanden trekt aan haar moeder en huilt ook.
      ‘Geef maar hier’, zeg ik.
Ze neemt me op en drukt de baby in mijn armen.
      De man keert zich om. Hij snurkt licht.

We zitten naast elkaar in het middenstuk van een Boeing 747, die op weg is van Hong Kong naar Auckland in Nieuw-Zeeland. Zij heet Ilse en komt uit Tielt in West-Vlaanderen. Ik schat haar niet ouder dan 25.
      Zij haalt een luier en een paar doekjes uit haar bagage, neemt de baby weer over en probeert in de krappe ruimte de vereiste handelingen te verrichten. Dat lukt niet erg best. Ze gooit er een paar vloeken uit.
       Het kleine meisje kruipt bij mij op schoot. De man slaapt door.
Een minuut of tien later is alles in orde. De baby slaapt in haar armen; het kleine meisje bij mij.

Ze hebben in België vrijwel alles verkocht; hun overige spullen zitten in een container ergens aan boord van een schip. Ze gaan emigreren.

      ‘Hij wil het’, zegt ze en kijkt hem dierbaar aan.
      ‘Hij wil het dolgraag. Al een jaar of vijf.
      Drie jaar geleden zijn we hier voor ’t eerst geweest; vorig jaar nog een keer.
      Wij gaan ons ergens ten zuiden van Auckland vestigen.
      Daar is het zo mooi. Zo ontzettend mooi. En zo rustig. Zo heerlijk rustig’.

      ‘Hebben jullie dan al een huis?’, vraag ik maar eens.

      ‘Nee’, zegt ze.

      ‘Oh!’

      ‘We gaan eigenlijk op goed geluk. Hij is bouwvakker. Hij kan alles met z’n handen en wil in Nieuw-Zeeland alles aanpakken. En ik ben verpleegster. Die hebben ze ook hard nodig‘.

      ‘Jullie hebben dus ook geen emigratiepapieren?, vraag ik.
      ‘Dat lijkt me nogal een gok. Ik bedoel: met die kleine kinderen enzo’.

      ‘Wie niet gokt, wie niet waagt’, zegt ze.
      ‘Als je in Nieuw-Zeeland wilt slagen dan kùn je slagen.
      Dat hebben ze ons echt bevestigd’.

Ik kijk haar aan; zie hoe vredig haar man en kleine kindertjes liggen te slapen en denk:
      ’ Met zo’n mentaliteit zal het ze vast wel lukken’.

      ‘Weet je,’ zegt ze ‘we hebben natuurlijk een visum en een verblijfsvergunning aangevraagd.
      Je moet dan allerlei vragen beantwoorden en daar krijg je punten voor.
Opleiding, werkervaring; vragen over je gezondheid en oh. ja: je moet ook een soort bewijs van goed gedrag overleggen. En je moet natuurlijk Engels kunnen spreken en schrijven
      Als je dan honderd punten hebt kun je in aanmerking komen voor een zoals ze dat noemen Skilled Migrant visum.
We hebben dat allemaal gedaan, maar kwamen net niet aan honderd punten. Maar als je werkervaring in Nieuw-Zeeland hebt, krijg je punten extra.
      En zo gaan we het doen. We hebben nu een temporary visum'.

Vlak voor de landing in Auckland wordt de man wakker.

Hij wijst naar beneden en zegt: 
      ’Ilse. Ons beloofde land’.

 

Auckland-Hongkong

 Voorjaar 2003

Hooligans & Gentlemen uit Samoa

Op de radio was verslaggever Hans Brian, die zei dat rugbyers eruitzien als hooligans maar spelen als gentlemen. Hij zei dat naar aanleiding van het wereldkampioenschap rugby, dat vorige week vrijdag in Frankrijk begonnen is. Het toernooi duurt maar liefst zes weken. Nieuw-Zeeland is favoriet. Frankrijk, Engeland, Australië en Zuid Afrika maken ook een kans.
     
Direct nadat ik dit gehoord had, zocht ik op of Samoa van de partij was. Het antwoord is:
Ja, Samoa doet mee.
     
Gisteren speelde het team tegen Zuid Afrika en verloor met 59-7. Daardoor zijn ze al vrijwel zeker uitgeschakeld, want ze moeten ook nog tegen het sterke Engeland. Van de Verenigde Staten en Tonga kunnen ze winnen, maar dat zal niet helpen.
     
Waarom ik daarin geïnteresseerd ben?
In maart 2003 zat ik in het vliegtuig op weg van Wellington in Nieuw Zeeland naar Hong Kong in China.We maakten een tussenlanding in Auckland en daar stapte een zeer donker gezelschap keurig uniform geklede mannen in. Ze waren bijna allemaal heel groot en stevig gebouwd.
      Er ging er één naast me zitten. Een prachtig atleet. Mooie man. Gebeeldhouwd gezicht. Gentleman en absoluut geen hooligan. De stewardess van New Zealand Airlines kende hem. Zij gaf hem een knipoog en een glaasje Jus d’Orange, dat hij in heel kleine teugjes op dronk.

      ‘Joe’, zei hij. ‘Ik ben Joe’.
      ‘Wie zij waren’, vroeg ik maar eens.
‘Zij’ waren het nationale Rugbyteam van Samoa, een eilandje in de Stille Zuidzee, zo‘n 3.000 kilometer boven Nieuw Zeeland. Zij gingen via Hong Kong naar Engeland, waar ze een paar oefenwedstrijden zouden spelen ter voorbereiding op het wereldkampioenschap dat een paar maanden later in Australië zou worden gehouden.

      SAMOA!. 
Wat wist ik van Samoa.

      Eerlijk gezegd wist ik heel weinig van Samoa, maar omdat zij kennelijk goed waren in rugby dacht ik dat het wel een voormalige Britse kolonie zou zijn.
Joe moest daar een beetje om lachen.
      ‘Nee’ zei hij. ’Wij zijn in een ver verleden Duits geweest’.
     
‘Waarom is rugby dan zo populair?
      ‘Heel eenvoudig’, zei Joe. ‘Na de eerste wereldoorlog zijn wij een tijd bezet geweest door Nieuw-Zeeland. Zij hebben die sport bij ons geïntroduceerd. En wij bleken er goed in. Zelf ging ik bijvoorbeeld al in Nieuw-Zeeland spelen toen ik twaalf jaar was. Die competitie daar is erg sterk. Maar de competitie in Engeland is nog sterker. En daar speel ik nu al drie jaar. Het bevalt me goed. Ook het leven in Engeland. Ik bedoel… Nieuw-Zeeland is eh… niet zo spannend‘. Hij keek naar de stewardess, die alweer vroeg of hij iets nodig had.
     
Of ze een kans zouden maken daar op dat kampioenschap in Australië .
‘Nee’, zei Joe.
      ‘Nieuw Zeeland gaat waarschijnlijk winnen. En weet je waarom? Er spelen veel spelers uit Samoa in. Die hebben zich voor veel geld laten naturaliseren. Mij hebben ze dat ook gevraagd, maar ik heb het geweigerd.    
      ’Andersom spelen er bij ons een paar Nieuw-Zeelanders mee, maar ja dat zijn niet de besten.’
In het vliegtuig zaten zo’n twintig passagiers met mondkapjes voor. Ruim een week eerder was de Sars-epidemie in Hong Kong uitgebroken en op dat moment was nog absoluut niet duidelijk hoe erg het zou worden. Een uur voordat we zouden landen kregen ook alle spelers en begeleiders van het rugbyteam een mondkapje uitgereikt.
     
‘Sorry’, zei Joe glimlachend. 
      ‘Succes’, zei ik.


P.S.
Samoa eindigde in 2003 op het wereldkampioenschap als derde in zijn poule en werd daarmee in de eerste ronde uitgeschakeld. Het verloor toen ook van Engeland en Zuid Afrika en won van Uruquay en Georgië .
Nieuw Zeeland werd derde en Engeland wereldkampioen.

 

 

 

 

 


Een bizar sprookje

De primeur stond op 17 april 1999 prominent op de voorpagina van de Kuensel, de enige krant in Bhutan. Het bericht werd overgenomen door vrijwel alle media in de hele wereld. Het luidde:

BHUTAN KRIJGT TELEVISIE

Dertig jaar was erover gesproken, maar op 2 juni zou het zover zijn. De experimentele uitzending zou gaan in de nationale taal, het Dzongka, en voor een deel ook in het Engels.

Bhutan ligt hier ver vandaan als een soort arendsnest ingeklemd tussen India en China met in het noorden de hoge pieken van de Himalaya en in het zuiden een ontoegankelijke jungle.
      Vanuit Kathmandu, de hoofdstad van Nepal, moet je links in het vliegtuigje van de nationale Bhutaanse luchtvaartmaatschappij Druk Air gaan zitten. Dan maak je gegarandeerd de mooiste vlucht van je leven. Je vliegt boven de wolken, hebt een meer dan fantastisch uitzicht en kunt de toppen van de hoge bergen -inclusief de Mount Everest- bijna aanraken. 
      Tot 1974 was het land vrijwel geïsoleerd. Daarna werden er met mondjesmaat buitenlanders toegelaten.
      De datum 2 juni was niet zomaar gekozen. Op die dag was het namelijk precies 25 jaar geleden dat koning Jigme Singye Wangchuck werd gekroond. De koning zelf had toestemming gegeven voor die eerste televisie-uitzending, want zo gaat dat nu eenmaal in Bhutan.

                                                                                                 ALMACHTIG AUTOCRAAT

De koning is nog een pure autocraat. Hij is getrouwd met vier vrouwen –vier zusters- heeft vijf zonen en vijf dochters en zijn portret hangt in ieder winkeltje, in ieder restaurant, in ieder kantoor en in elk klooster. Hij is ondanks zijn almacht uitermate populair. Hij is niet alleen koning; hij is ook hoofd van de regering en –nog steeds bij gebrek aan een grondwet- hoofd van de rechterlijke macht.
      Een gevleugelde uitdrukking in Bhutan luidt dan ook: de uitspraken van de koning wegen zwaarder dan de bergen en zijn kostbaarder dan goud.

Ooit was er in de belangrijkste straat van de hoofdstad Thimphu een stoplicht. Dat was niet echt nodig, want er is niet zoveel verkeer in Thimphu. Hoofdredacteur Kinley Dorji van de Kuensel schreef er dan ook een vlammend hoofdartikel over.
      Toen de koning een paar dagen later voor het stoplicht moest wachten, gaf hij opdracht om het weer weg te halen. Nu staat er in Thimphu weer een prachtig aangeklede agent met witte handschoenen op een druk beschilderde carrousel met sierlijke gebaren het verkeer te regelen.

                                                                                                        VERBORGEN VALLEI

Bhutan is een sprookje. Geen twijfel mogelijk. Het is het Shangri La, dat zo mooi beschreven wordt in James Hilton’s Lost Horizon.
      Een verborgen vallei, waar mensen nog leven volgens hun eigen cultureel gebonden tradities, een verborgen vallei waar de invloeden van buiten worden tegen gehouden, een verborgen vallei waar negentig procent van de mensen nog geheel voor zichzelf zorgt door groenten en fruit te verbouwen, een verborgen vallei waar milieu en duurzaamheid geen loze kreten zijn, waar nog echt schone lucht is en waar men zich alleen maar zorgen maakt over de zich almaar uitbreidende bossen, omdat de wolven en beren dan ook steeds dichter bij de dorpen komen.
      Een land waar –en ook dat is een uitspraak van de koning- het bruto nationaal geluk belangrijker is dan het bruto nationaal product.

                                                                                                   STAATSGODSDIENST  

                                                                                                    DONDERDRAAK                  

De mensen in Thimphu kleden zich inderdaad uniform. Want als ze dat niet doen, kunnen ze hoge boetes krijgen of zelfs voor een week te werk worden gesteld in een kamp.


Het zijn vragen, die wat meewarig worden aangehoord.

      Ach: u komt uit Nederland. Dat is toch dat land met al die vervuiling, met al die files, met varkenspest, met de gekke koeienziekte, dat land waar de mensen hun ouders vaak ver van huis opbergen in tehuizen.

      Nee; onderdanig zijn de mensen hier niet en van een minderwaardigheidscomplex hebben ze ook geen last.
Bhutan of Druk Yul, het land van de donderdraak, is nooit gekoloniseerd geweest, denk ik dan. Dat zal het wel zijn.

  

                                                                                        
VERVOLGD & GEVANGEN

Maar toch. Het sprookje kan natuurlijk ook te mooi worden. In het zuiden van het land woont –en woonde- een Nepalese minderheid. Bhutanezen, die daar al vaak vier generaties lang woonden, maar nog steeds Nepalees spreken. Zij hebben weinig behoefte aan kledingvoorschiften, spreken het Dzongka niet en zijn vaak Hindoes in plaats van Boeddhisten.
      Zij moesten ten tijde van de nieuwe voorschriften aantonen, dat zij al voor 1959 in het land woonden. Natuurlijk konden velen dat bij gebrek aan een behoorlijke administratie niet. Gevolg: mensen werden vervolgd, gevangen gezet en gemarteld. En veel mensen sloegen op de vlucht. Nu zijn er in Oost Nepal nog steeds veel vluchtelingen, die in treurige kampen onder erbarmelijke omstandigheden wachten tot ze mogen terugkeren.
      Hoeveel het er zijn wordt me niet helemaal duidelijk, maar de schattingen lopen uiteen van 80.000 tot 120.000. En dat is nogal wat op een bevolking van 600.000.
      Over die vluchtelingen wordt in Thimpu niet zoveel gesproken.
In de Kuensel lees je er ook niets over, terwijl er in Nepal regelmatig betogingen en handtekeningenacties zijn van deze Bhutanese vluchtelingen.

                                                                                                                  SIMPEL ETEN  

                                                                                                           BIZAR SPROOKJE  

Bhutan is een opwindend maar bizar sprookje. Een land met 20.000 monniken en een leger van 6.000 man. Een land, dat zich bedreigd voelt en zijn tradities in ere houdt ondermeer om de sympathie van de wereld te verwerven. Want –en veel Bhutanezen wijzen je daarop – het land ligt tussen China en India.
      China heeft het aangrenzende Tibet bezet en India heeft van de voormalige koninkrijken en buurlanden Sikkim en Assam deelstaten gemaakt. In Thimphu hangen naast de portretten van de koning dan ook vaak portretten van de Dalai Lama en in het zuiden van het land zitten –met toestemming van de koning- guerilla’s uit Sikkim en Assam.

                                                                                                           LAMA TSULTRIM 

“Ik hoop, dat u een beetje begrip voor ons en voor onze cultuur heeft gekregen”.
      Dat zegt 
Lama Tsultrim tegen me op de laatste dag. Hij is 46 jaar oud en al vanaf zijn zesde jaar monnik. Hij heeft inmiddels zes jaar, zes maanden en zes dagen gemediteerd.
      Volkomen zwijgzaam en levend op wat fruit en zwarte thee.
Eerdaags wil hij weer drie jaar, drie maanden en drie dagen achter elkaar mediteren. Hij zoekt sponsors, want mediteren is duur. Er moet namelijk veel geofferd worden.

P.S.

De koning over wie in dit stukje wordt gesproken  is anno 2007 vervangen door zijn 27-jarige zoon Jigme Khesar Namgyel Wangchuck. Ook zijn er volgend jaar maart voor 't eerst verkiezingen, die op den duur ertoe moeten leiden dat het land een parlementaire democratie wordt.

Je zou het bijna jammer vinden! 

 

 

 

Winter 1998

De hond

 Het gebeurde op de E-19 in België vlak voor de afslag Sint-Job-in-’t-Goor. Onweer. Donder en bliksem. Stortregens. Het zicht was minimaal. Ineens was daar die grote hond. Remmen hielp niet meer. Wij hoorden een doffe harde bonk. 

      Ik stuurde de wagen naar de vluchtstrook vlak tegen de vangrail. Wij stapten uit en gingen op zoek naar de hond die wel dood zou zijn en ergens moest liggen. Het was donker en het verkeer raasde in dit noodweer pal langs ons heen.
      Geen spoor van de hond te vinden
Ook aan de andere kant van de vangrail zagen we niets. We besloten om weer weg te rijden, maar de auto blokkeerde.
      Ik stapte uit en daar lag de hond. Gekromd voor mijn linkerachterwiel. Hij leefde nog. Onder het bloed, drijfnat, trillend over zijn hele lijf. Waarschijnlijk in shock. Hij keek ons indringend aan. Vragend bijna.
      ‘Doe iets. Laat me hier niet achter’.

‘Dit is hopeloos’, zei ik maar eens tegen Heleen, mijn echtgenote.
      Ook wij waren inmiddels doorweekt en wisten in eerste instantie niet zo best wat we moesten doen. Het was zondagavond en we wilden het liefst zo snel mogelijk thuis zijn.
      Maar ja.
De blik in die ogen van die trillende hond schreeuwde om actie. 
      Ik reed de auto voorzichtig een stukje naar achteren en pakte daarna de hond op en legde hem in de achterbak. We reden naar het stadje Sint-Job-in-’t-Goor waar natuurlijk niemand op straat was. Onder een lantaarnpaal nam ik maar eens de schade op. Bumper verbogen, deuk in de motorkap, kapotte voorlamp links, losgeslagen accu. Opeens zagen we het politiebureau. We vertelden het verhaal aan een dienstdoende politieman, die daarna weinig inschikkelijk was. Hij vond dat we maar naar een dierenarts moesten gaan. 
      Zou hij dan misschien even met de dierenarts kunnen bellen?
Hij belde, maar kreeg geen gehoor en legde uit waar de dierenarts woonde. Toen zei hij:
       ‘Dan kan ik verder niets voor u doen’.

Bij de praktijk van de dierenarts hing een bordje voor het raam. Voor zondagsdienst moesten we bij een arts in Maria ter Heide zijn.  Een blik achter in de kofferbak leerde dat de hond nog steeds in een soort shock verkeerde.
      De regen was gestopt, maar het bleek met één werkende koplamp, een rammelende bumper, een zwervende accu en een doodzieke hond toch een heel eind van Sint-Job-in-‘t- Goor naar Maria ter Heide.

      'Die namen', dacht ik onderweg volkomen irrelevant. 
     
'Wie was Sint Job en wat deed hij in 't Goor?'
      'Wat is dat trouwens 't Goor?'
      'En wat had Maria daar op de heide uitgespookt?
’

Dokter Vandeweyer kwam zelf naar buiten, wierp een blik op de hond en vroeg:
      ‘Bijt ‘em?’
      ‘Nee dokter. Tenminste hij heeft ons niet gebeten. Dat beest is doodsbang‘.
Hij pakte de hond voorzichtig op, bracht hem naar zijn praktijk en legde hem op een tafel. Anderhalf uur bleef hij bezig. Rustig en vakkundig. Toen legde hij hem in een verwarmd hok.
      ’Ik kan u niet voorspellen hoe het afloopt, maar de eigenaar mag tevreden zijn dat u dierenliefhebbers bent’.
Hij bood ons een kopje koffie aan -’iets sterkers mag ook wel, maar u moet nog naar Holland rijden’- en noteerde wat gegevens.
      Tja, de rekening’, zei hij. ’Hopelijk vinden we de eigenaar, want ik zou het terug gênant vinden om u die te sturen’.
Hij gaf ons het advies om de affaire bij de politie te melden. Hij belde en zei even later: ’U wordt verwacht in Brasschaat’.

Het was inmiddels weer gaan regenen en het bleek van Maria ter Heide naar Brasschaat met één koplamp, een dolende accu en een rammelende bumper ook zonder doodzieke hond een behoorlijk eind.
      Bij de politie moesten we apart verhoord worden.
      ‘Dat vereist de wet Franchimont’, zei de inspecteur. ’Die is dit jaar aangenomen. Een strenge wet. Dat komt allemaal door Dutroux’.
Bij het verhoor leerden we wat die wet ondermeer inhoudt.
      Of de hond van links naar rechts liep, of andersom of misschien wel van voor naar achter of van achter naar voor. Bovendien vereiste de wet Franchimont, dat wij ieder een situatietekening moesten maken.
      Toen ik de tekening inleverde, waarop ik een vakje had getekend met daarop geschreven ‘hond’ schudde de inspecteur zuchtend zijn hoofd. Misschien kunt u proberen iets te tekenen wat echt op een hond lijkt. Dat vereist nu eenmaal de wet Franchimont’.

Op weg naar huis praatten we uiteraard over de hond. Een Mechelse herder, hadden we intussen geleerd.
      Stel dat het beest blijft leven en stel de eigenaar komt niet opdagen!
      Dan houden wij hem.
      En we noemen hem Rokus.

De volgende dag belde de dierenarts.
      De hond zou het overleven en de eigenaar had zich al gemeld.
      Tja.
      Geen Rokus.

      En wij hoorden niets van die eigenaar.
Belgen zijn soms net Nederlanders.