Reizen

 

Winter 1997

Het Winterpaleis van De Keizer

Ik ben terug in Massawa. Een mooi, aangenaam, enigszins dromerig havenstadje aan de Rode Zee in Eritrea Noord Oost Afrika. Een stadje met vooral Arabische, maar ook Ethiopische en Italiaanse invloeden. Vier jaar eerder tijdens het referendum, waarbij meer dan 99% van de Eritrese bevolking zich uitsprak voor onafhankelijkheid, lag vrijwel alles in Massawa in puin. Huizen, openbare gebouwen, parken, straten, havens, stranden.
      Gevolg van de onafhankelijkheidoorlog tegen Ethiopië, die tientallen jaren duurde. Het stadje werd gebombardeerd en vanuit zee beschoten. Het werd bestookt met napalm.
      Nu is het voor een belangrijk deel weer opgebouwd, gerestaureerd en gerenoveerd. Alleen het voormalige zogeheten winterpaleis van de laatst fungerende keizer Haile Selassie van Ethiopië ligt nog volledig in puin. De Eritreeërs laten dat bewust zo. Een ruïneuze stille getuige van een strijd die ze uiteindelijk gewonnen hebben en tevens een aanklacht tegen de krankzinnige luxe, die deze keizer zich meende te kunnen veroorloven.
     

Als je door de puinhopen van dit paleis loopt merk je dat het in staat van ontbinding verkeert. De muren zijn aangevreten, het kostbare marmer aangetast en de kroonluchters hangen er ontzield bij.

Vier en veertig jaar lang was Haile Selassie keizer van Ethiopië . Hij; de keizerlijke majesteit, de leeuw van Juda, koning der koningen, werd in 1974 afgezet. Hij had toen vijftien paleizen en 27 auto’s.
      
      De Poolse journalist Ryszard Kapuscinski , die in januari van dit jaar overleed, schreef een prachtig boek over Haile Selassie onder de titel: De keizer. Hij sprak tientallen mensen, die in dienst waren van de keizer en praatte met andere mensen, die de keizer op wat voor manier dan ook meemaakten.

Er verschijnt aan de hand van de verhalen van de onderhorigen een ontluisterend beeld van een enorme schoft.
      Ik heb eens opgeschreven hoe de keizer in dit boek achtereenvolgens betiteld wordt.
      Daar gaat ‘ie.

                                                   Zijne Majesteit

                                                   Zijne hoogvereerde M

                                                   Zijne verheven M

                                                   Zijne door God uitverkoren M

                                                   Zijne genadige M

                                                   Zijne eerbiedwaardige M

                                                   Zijne vereerde M

                                                   Zijne goedhartige M

                                                   Zijne uitzonderlijke M

                                                   Zijne voortreffelijke M

                                                   Zijne eerbiedige M

                                                   Zijne goedertieren M

                                                   Zijne onvermoeibare M

                                                   Zijne goedaardige M

                                                   Zijne keizerlijke M

                                                   Zijne geliefde M

                                                   Zijne allereerbiedwaardigste M

                                                   Zijne edelmoedige M

                                                   Zijne alleruitzonderlijkste M

                                                   Zijne allergenadigste M

                                                   Zijne dappere M

                                                   Zijne allerhoogste M

                                                   Zijne onovertreffelijke M

                                                   Zijne allervoortreffelijkste M

                                                   Zijne alomtegenwoordige M

                                                   Zijne almachtige M

                                                   Zijne soevereine M

                                                   Zijne gulhartige M

 

 

 

 

Ets: Rolf Weijburg

 

 

 

 

Winter 1997

Kots & koffie

Het zijn er zes. Ze staan een beetje te lummelen. Dan steekt er één zijn hand op. Ze willen mee.
      Locatie: de uitvalsweg naar het oosten in Asmara de hoofdstad van Eritrea in de hoorn van Afrika. Ik rij rond in een huurauto; een oude Fiat Mirafiori. De wagen is niet op berekend op zoveel mensen, maar iemand aan de kant van de weg laten staan in Eritrea is ‘not done’. Dat kan eenvoudig niet, want bijna vier jaar na de onafhankelijkheid is het vervoer nog erg schaars.
      Ze stappen in: twee rechts voorin, vier op de achterbank. Het zijn jonge gasten. Zestien, zeventien jaar. Ze zijn lang en mager en kunnen -denk ik- natuurlijk heel hard en heel lang rennen. Ze hebben een weekendje gestapt in die mooie hoofdstad Asmara. Met die brede boulevards, Italiaanse oud-koloniale gebouwen, terrasjes en koffietentjes. Met overal die prachtige oude bomen.
      Even gaat het door me heen, dat ik wel erg kwetsbaar ben. Er ligt dure opnameapparatuur achter in de auto. Ik heb een paspoort, rijbewijs, creditcard en cash geld. Maar ik ben hier eerder geweest en weet dat er nauwelijks criminaliteit is in dit land. Wat dat betreft is Eritrea een vreedzaam baken in Afrika. Er is ook weinig verkeer, men rijdt rustig, houdt keurig halt bij een stoplicht en niemand toetert.
      Ze spreken nauwelijks een woord Engels. Waar ze naartoe moeten? Het antwoord versta ik niet. Ik pak een kaart en vraag of ze het willen aanwijzen. Ze lachen wat. Begrijpen er niets van. Kunnen waarschijnlijk niet lezen. Eén wijst naar voren. Richting Massawa, de kustplaats aan de Rode Zee, zo’n 120 kilometer verderop.

 

ONAFHANKELIJK  

De weg is goed. En dat verrast me, want vier jaar eerder reed ik hier ook. Toen was de weg overal kapot. Er zaten enorme gaten in en soms was er helemaal geen sprake meer van een weg. Resultaat van bomaanslagen tijdens een lange, hevige en bloedige onafhankelijkheidsoorlog tegen Ethiopië . Ik zat toen in een taxi met drie andere journalisten. We deden er meer dan vijf uur over.
      Dat was in april 1993 toen het referendum werd gehouden, waarbij meer dan 99% van de bevolking ervoor koos om onafhankelijk te worden. Mijn God, wat een festijn was het toen in dat land. Veertien dagen lang vierden de mensen feest. ‘s Avonds trokken ze in dikke rijen dansend en zingend door de belangrijkste straat in Asmara, de Avenue van de Vrijheid. Arm in arm in ritmische harmonie. In waaiers van zeker twintig meter breed maakten ze een soort schaatsbeweging.
      Na een paar kilometer krijg ik een teken. Eén van die jongens voelt zich niet goed. Ik stop en hij stapt kotsend de auto uit. De anderen lachen maar wat. Drank altijd weer drank.
      Na ongeveer een uur bereiken we het plaatsje Ghinda. Daar moeten ze zijn. Ik zet ze af op een marktpleintje en dan maakt één van die jongens een gebaar. Ik moet meekomen. Hij heet Mulu. We komen bij een vrij klein huisje, waar zijn moeder in de tuin zit.
      Of ik een kopje koffie wil.
                 Tja.
      Als je in Eritrea een kopje koffie krijgt aangeboden, moet je toch zeker op een ’vertraging’ van twee en een half à drie uur rekenen. Er volgt dan een ritueel, dat de culturele waarden van Eritrea prachtig weergeeft. De gastvrouw gaat eerst een vuurtje maken in een oventje. De buren komen langs, want er is bezoek en dat moet verwelkomd worden. Een oudere man begint in het Italiaans. Hij wil me iets laten zien.
      Een man loopt daar met z’n kameel. Ik begrijp dat het beest ziek is. De man geeft het beest een tik op z’n kont. De kameel moet in z’n eentje de bergen in. En dan zijn er twee mogelijkheden. Hij geneest zichzelf door medicinale kruiden te zoeken of het beest sterft.
      De moeder van Mulu haalt verse koffiebonen uit een doosje. Ze selecteert er zorgvuldig de beste bonen uit. Die gaan in een pannetje en worden op een bijna rituele wijze gebrand. Na een minuut of twintig gaan die bonen in een houten kom en worden daarna met een stok geplet, aangestampt en fijn gemalen.
      Ondertussen komen steeds meer mensen langs. Men kijkt, schudt handen, men kust, keurt en lacht, maakt muziek en danst en de gast kijkt het allemaal met veel plezier aan.
      De gemalen koffie gaat in een potje met water aan de onderkant. En dan is het de kunst om het water op dat vuurtje zo warm te maken, dat het tegen de kook aan is. Na ruim twee uur is de koffie klaar en ontvangt de gast als eerste een klein kopje.
      Pas als drie van die kopjes geleegd zijn mag de gast weer vertrekken.
      Hij is dan gelouterd en weer van alles op de hoogte. 
Drie meisjes en twee jongens willen met me mee naar Massawa.

 

Winter 1992

Botsingen in TRANSSYLVANIË

 

Ergens tussen de achtste verdieping en de begane grond stokt de lift. Een klein stinkend ding in een gore Ceausescu-flat in een buitenwijk van het Roemeense stadje Tirgu Mures. Ik sta alleen in het donkere liftje en raak even behoorlijk in paniek.


Er zitten gelukkig kieren in die lift. Ik zie dat er in de flat geen lampen meer branden. De elektriciteit is uitgevallen. Ik hoor mensen lopen. Ze roepen. Er wordt op de liftschacht geklopt. Ik klop maar eens terug.

Tien? Vijftien? Twintig? minuten later gaat het licht weer aan. Ik druk op een knopje en het liftje zet zich steunend in beweging. Dan ga ik naar de garage waar de gehuurde Citroën BX wordt gerepareerd. Ik haal er een pakketje uit en ga terug naar het flatgebouw. Acht trappen omhoog, want die lift ga ik niet meer in.

                                                                                                         TRANSSYLVANIË

Dit is Transsylvanië, het noordwestelijk deel van Roemenië dat ooit onderdeel was van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Ik ben hier met Klaas Vos om een radioprogramma te maken over de twee en een half miljoen etnische Hongaren, die in dit gebied een gediscrimineerde minderheid vormen.
      Klaas Vos woonde twee jaar in de Transsylvaanse
’hoofdstad’ Cluj waar hij studeerde aan het Hongaarstalig Protestants Theologisch Instituut. Klaas spreekt bijvoorbeeld Hongaars, een Fins-Oegrische taal waar geen touw aan vast te knopen is.


Een dag voor het liftincident vertrokken wij uit Cluj (Hongaars: Kolozsvar). Er lag een dik pak sneeuw en het was 22 graden onder nul. In hotel Belvedere werd bij gebrek aan brandstof maar een paar uur per dag gestookt, zodat je bijvoorbeeld met een jas aan in bed moest liggen.
      De sneeuw werd niet geruimd, waardoor de wegen spekglad waren. Omdat wij tóch het land in wilden had Klaas een student van het Theologisch Instituut ingehuurd. Die kende immers beter de weg dan wij.

                                                                                                                          VADASD  

Al na een paar honderd meter had ik spijt van deze beslissing. László -zoals hij heette- kende dan wel de weg, maar hij was heel jong en had weinig rijervaring. Gelukkig reed hij langzaam en voorzichtig.
      Wij gleden door Turda en gingen na Tirgu Mures richting Brasov. En dan verderop linksaf richting Sovata langs het riviertje de Havad. Uiteindelijk bereikten we het puur Hongaarse dorpje Vadasd, waar een kennis van Klaas woonde: dominee Kiss Karoly.   Een man, die een klein beetje Nederlands sprak omdat hij Bijbels in alle mogelijke talen spaarde.
      Hij had de Nederlandse editie gelezen en zich op die manier een aantal woorden eigen gemaakt. Hij vertelde bijvoorbeeld over een beer, die de week tevoren in het dorpje een biggetje had gepakt:

De mensen in het dorpje woonden in vrij kleine huizen. Ze hadden hout genoeg om te stoken en werden vooral in leven gehouden door dominee Kiss, die regelmatig voedselpakketten uit Nederland ontving.
      In het plaatselijke winkeltje was vrijwel niets voorradig. Al maandenlang was de bus niet verschenen. Aan de rand van het dorpje woonden enkele zigeuner-gezinnen in gammele tochtige krotten.
      Genegeerd door de plaatselijke bevolking.

Op de terugweg bleek de ventilator van de auto kapotgevroren. De ruiten besloegen en wij moesten om de paar honderd meter stoppen om het ijs van de ramen te krabben.
      Het was vrijwel ondoenlijk en onze jonge chauffeur kreeg het steeds benauwder. Maar hij wist in Tirgu Mures een garage, waar ze klanten uit het westen natuurlijk direct konden helpen om ons daarna een financiële poot uit te kunnen draaien.

Kennissen van László woonden acht hoog in de Ceaucescu-flat in Tirgu Mures. Ook hier was de stadsverwarming maar een paar uur per dag actief. Wij zaten in onze jas en dronken een kopje thee tot ik het pakketje ging halen, dat nog in de auto lag.

                                                                                                                              LUNA  

Op de weg terug naar Cluj gebeurde het toch nog. Het was op de hoofdweg in het dorpje Luna (Hong: Aranyoslona). De auto slipte en onze chauffeur deed wat je juist niet moet doen: hij ging op zijn rem staan.
      Wij botsten langzaam maar vrij luidruchtig op een geparkeerd staande auto.
      Onmiddellijk kwamen er uit diverse huizen mensen aanstormen. Ze waren agressief en eisten dat wij mee naar het politiebureau gingen.
      Onze auto had een forse deuk aan de voorkant; de oude Lada van de luidruchtigste Roemeen had nauwelijks schade.

De politieman vulde wat formulieren in, maar het was duidelijk dat de Roemeense eigenaar geld wilde zien. (In sommige boekjes kan je dan lezen, dat je niet moet betalen, maar die dingen worden volgens mij opgeschreven door mensen, die zoiets zelf nog nooit hebben meegemaakt).
      Honderd Amerikaanse dollars moest de man hebben. Voor Roemeense begrippen in die tijd waanzinnig veel. (Ongeveer twee maandlonen). Klaas en ik keken elkaar aan. De situatie was gespannen en werd enigszins beangstigend toen deze Roemenen in de gaten hadden, dat onze chauffeur een Hongaar was.
      Ik deed toen maar een greep in mijn binnenzak en haalde er twee biljetten van vijftig dollar uit.

                                                                                             TWEE FLESJES PALINKA  

De man lachte; alle omstanders lachten en wij werden uitgenodigd om binnen te komen.
      Daar had een oude oma de fles Pálinka al tevoorschijn gehaald.
De fles was snel leeg; een tweede volgde en de stemming werd bepaald vrolijk.

László dronk niet en reed rustig met een rammelende voorbumper terug naar Cluj.
      De verwarming in het hotel was zowaar aan.

 

EEN KAARTJE VAN DOMINEE KISS

 

 

Zomer 1988

Allenby bridge: Intimidatie & vernedering

(En: Hoe neem je cash 38.172,43 US$ over die lastige grens mee?)


Het is juni 1988. De eerste Intifadah op de bezette Palestijnse gebieden Westbank en Gaza is een half jaar bezig.
      Bij de wachtpost voor de Allenby Bridge, de enige grensovergang tussen de Westoever en Jordanië is het waanzinnig druk.
Er staat aan de kant van de Westbank een rij van zeker een kilometer voor de poort, waar de Palestijnen doorheen moeten.
      Het was hier altijd gedoe met veel intimidatie en vernedering. Maar die Intifadah heeft het allemaal versterkt.
Later die dag zal de poort rücksichtslos gesloten worden.
      ‘Morgen terugkomen’, is het motto.
En dat voor mensen die vele uren lang in de bloedhitte hebben staan wachten.

 

 

Bezoek uit Amman

Radja Sj’hade schreef er al over in zijn boek De derde weg als hij bezoek krijgt van een neef uit Amman, de hoofdstad van Jordanië.
      Nog voordat de Intifadah was uitgebroken
‘De eerste twee dagen deed hij niets anders dan mij uitschelden en de schuld geven wat hem overkomen was toen hij vanuit Jordanië de Allenby Bridge overstak. Het gegil van kinderen die uitgekleed en gefouilleerd werden; een lijk dat, op weg naar het graf op de Westelijke Jordaanoever uit de kist gehaald werd om onderzocht te worden; de stank van de voeten van reizigers die al uren zaten te wachten tot hun schoenen van de röntgencontrole terug zouden komen; het hartverscheurende gejank van een moeder wier veertienjarige zoon voor verhoor was meegenomen en nog niet terug was ’.


Ik ben dus op alles voorbereid als ik met een taxi naar de controlepost word gebracht. Maar buitenlanders hebben een eigen doorgang.
      Een ‘gewone’ Israëlische controle wordt het voor mij.
En dat betekent dat je zorgvuldig en uitgebreid gefouilleerd wordt; dat alle spullen uit de tassen worden gehaald en dat je veel vragen moet beantwoorden.
      Waarom je naar Jordanië gaat, wat je er gaat doen, wie je gaat bezoeken en wanneer je weer terugkomt.
Binnen een uur ben ik er doorheen en neem plaats in een busje dat de brug zal oversteken.

Door al die activiteiten -het busje wordt in die paar kilometer nog twee keer tegengehouden voor allerlei controles- denk je dat de Allenby Bridge een grote brug is over een machtige rivier. Maar niets is minder waar.
      Een smal bruggetje is het over een rivier die ter plekke niet meer dan tien meter breed is. 
De controle daarna door de douane van de Jordaniërs stelt niets voor.

 

 

Machtiging

In mijn zak heb ik een machtiging van advocaat V., een vooraanstaand Palestijn die in Ramallah woont.
      Hij is op de achtergrond actief voor de PLO van Yasser Arafat , die in 1988 nog almachtig was.
Het hoofdkantoor is dan al verhuisd van
Beiroet in Libanon naar Tunis, waar de Israëlische geheime dienst in april PLO-leider Abu Jihad vermoordde. (Media 29: Wachten op Yasser Arafat)

Advocaat V. heeft tien jaar geleden in Amman gewerkt en daar geld verdiend dat op een plaatselijke bank staat.
      Hij weet niet hoeveel het is, maar vermoedt dat het enkele duizenden Amerikaanse dollars zijn.
Zelf kan hij het niet ophalen. Hij kan het land wel uit, maar weet zeker dat hij er dan niet meer inkomt.
     
Als ik een paar dagen in Amman ben, stap ik naar de bewuste bank. Dan word ik uitgenodigd om bij de directeur te komen.
Hij wil de machtiging nog eens zien, vraagt om mijn paspoort en naar mijn relatie met advocaat V.

      ‘Het is veel geld‘’, zegt hij. ‘Heel veel’.

En dan komt het: 38.172,43 US$.

Tja. Wat te doen?
       Ik moet weer terug naar Ramallah over die Allenby Bridge.

Bellen met V. gaat niet, want er is geen telefoonverkeer tussen de Westbank en Jordanië .
      Op mijn eigen rekening laten storten en dan overmaken gaat volgens mensen die ik in Amman raadpleeg ook niet.
Ik moet het geld contant opnemen. En dan maar zien hoe ik dat de grens overkrijg.
      En op de één of andere manier aantonen dat dit niet bestemd is voor de strijd van de PLO.

David Grossman , een Israëlische schrijver die in zijn prachtige boek uit 1987 ‘Over de grens’ de bewoners van de Westelijke Jordaanoever uitvoerig portretteert schreef ook over de Allenby Bridge.

‘De soldaat haalt je koffer op de toonbank leeg, raakt elk artikel aan, neemt alles waar tekst op staat in beslag, verbiedt het invoeren van elektrische apparaten, houten voorwerpen en cosmetica, kortom: elk artikel waar explosieven in verborgen zouden kunnen worden, omdat het al eerder gebruikt is om detonators in te smokkelen. Daarom hoor je hier en daar ook vaak het bittere gehuil van kleine kinderen. Na de bagagecontrole worden je schoenen voor röntgencontrole meegenomen en word je zelf naar een kleine cel verwezen, waar je gefouilleerd wordt. Vrouwen en kinderen worden door vrouwelijke soldaten gefouilleerd. Baby’s worden tot en met hun papieren luiers uitgekleed’’.

 

Een verlossende fax

Ik ben in Israël, Palestina en Jordanië om voor de VPRO een paar radioprogramma’s te maken en besluit om te bellen met Roelof Kiers, die toen de leiding had bij de VPRO-televisie.
      Als ik hem de situatie heb uitgelegd, gaat hij volmondig akkoord met het voorstel om mij een uitvoerige fax te sturen (1988!), waarin hij verklaart dat ik ondermeer op de Westbank ben om een productiebezoek te brengen voor een T.V.documentaire.
      Maar omdat de situatie bijzonder explosief is, verklaart hij dat ik cash geld bij me heb om -in noodgevallen- een plaatselijk T.V.-team in te huren om opnames te maken.

Als ik behoorlijk gespannen uiteindelijk weer bij de Israëlische grenspost kom, vindt men natuurlijk snel dat enorme bedrag.
      Maar de fax maakt indruk. Waar die film precies over gaat en waar gefilmd wordt en ''laat uw spullen nergens onbeheerd achter''.
Dat soort dingen.
     
‘Veel succes meneer’, krijg ik ook nog te horen.

 

 

Kamelendrijver

Terug in Ramallah organiseert advocaat V. spontaan een groot feest.
     
Van een medewerker krijg ik die avond deze door hemzelf handgesneden kamelendrijver op een ezeltje.

 

 

 

Karakteristieke bergdorpjes & Olijfgaarden

Het achterland van de Italiaanse Bloemenrivièra is in allerlei opzichten uitermate aantrekkelijk.
      Je bent hier in de uitlopers van de Maritieme Alpen, waar na iedere bocht van de smalle wegen een klein karakteristiek dorpje kan liggen.
Hier is het ‘t zelfs in het hoogseizoen rustig. Verstild.
      Dorpjes met kleurige huizen, smalle straatjes, trappetjes, poortgewelven, kerken, pleintjes, smalle winkelgalerijen, winkeltjes, restaurants en terrassen.
      Er zijn middeleeuwse burchten, Romeinse bruggen, monumentale kerken en kapelletjes,

 Er staan veel huizen leeg in die dorpen.
      Jonge mensen vertrekken naar drukke plaatsen aan de kust, waar geld te verdienen is: San Remo, Genua, Imperia, Finale Ligure.
Anderen vertrekken naar de grote stad om er te studeren en te werken: Milaan, Turijn.

In sommige bergdorpen zijn veel huizen gekocht en opgeknapt door buitenlanders.
      De plaatselijke bevolking is daar wel blij mee.
Het voorkomt niet alleen leegstand en verkrotting, maar zorgt ook voor kleinschalige economische impulsen.
      Bovendien: de kerk, het restaurant, de bank en het postkantoor blijven geopend.

In dit deel van Ligurië vind je miljoenen olijfbomen die tot op een paar honderd meter tegen de heuvels groeien.
      Soms gelaagd in terrassen.
Er komt hier verfijnde olijfolie vandaan.
      Bougainville is er. Vijgcactussen, citroenen, sinaasappels.

Valloria

Taggia

 

 Lecchiara

 

 Pantavisia

 

 Garessio

 

 Dolcedo

 

 Molini

 

 Triora

 

 Taggia

 

 Lecchiara

 

 Villatalla

 

 Vasia

 

 Triora

 

 Lucinasco

 

 Borgomaro

 

 Pantavisia

 

 Valloria

 

 Garessio

 

 Dolcedo

 

 Molini

 

 Borgomaro

 

 Vasia

 

 Villatalla

 

 Lucinasco