Reizen

 

 

In Osh Kirgizië zijn gisteren minstens 77 doden gevallen. Er zijn meer dan 1.000 gewonden. Tienduizenden mensen zijn op de vlucht.
De interim-regering in de hoofdstad Bisjkek heeft Rusland om militaire hulp gevraagd.


Op 11 april 2008 schreef ik het volgende:


HEVIGE RELLEN


Zij verlaten het land dan ook en masse.


Het verhaal:

Voorjaar 1998

Het achterland van God's wraak


GRENSOVERGANG

De waarschuwingen zijn voor niets geweest. Bij de grensovergang tussen Andizjan in de Ferganavallei van Oezbekistan en het stadje Osh in Kirgizië is niets aan de hand. Een slagboom die open staat en een man in een oude autobus, die gebaart dat we toch vooral moeten doorrijden.
Ik zit in een auto met Janny Doornbusch, een vrouw van middelbare leeftijd met lang vuurrood henna-haar. Ze valt op hier Janny. Maar dat vindt ze niet erg.

Zij woont in een buitenwijk van Osh met haar man Kasper. Hij is een Nederlandse politiecommissaris die een anti-drugs project van de Verenigde Naties leidt.
Osh is namelijk het verzamelpunt van grote hoeveelheden opium en heroïne, die vanuit Afghanistan via het Pamirgebergte in Tadjikistan naar Kirgizië worden gesmokkeld. De drugs gaan van hieruit naar Europa, de Verenigde Staten en het verre Oosten.

 

OUDER DAN ROME

Osh is oud. Ruim 3.000 jaar. ’Ouder dan Rome’, staat er op borden in en rond de stad. Van die ouderdom is in de stad overigens niets te merken. Het is zeer armoedig en architectonisch niet interessant. Oude monumentale gebouwen, bijzondere pleinen, mooie beeldhouwwerken of anderszins interessante objecten zijn er niet of ze zijn verdwenen.
Ranzige nonchalance onder de Sovjet-periode heeft ervoor gezorgd, dat deze stad die ooit een belangrijke pleisterplaats op de Zijderoute was, verloederd en uitgewoond is.

Aan de rand van de stad ligt een ruggengraat van drie bergen, die de vorm van een zwangere vrouw heeft. Zij heet de troon van Salomo. Op de top ligt een naar Mekka gerichte kapel, waarin zich het graf van Salomo bevindt.
De bergrug is een bedevaartsplek voor vrouwen , die maar niet zwanger willen worden. Als wij de berg bestijgen komen we dan ook veel vrouwen tegen. ‘Eén keer de Salomo beklimmen en het komt wel goed‘. Zeggen ze in Osh.

 

LENINPIEK & PIEK KOMMUNIZMA

 

ONEINDIGE ONAARDSE ONHEILSPELLENDE SCHOONHEID!

 

ALCOHOLISCHE PAARDENMELK

De familie spreekt een beetje Russisch; Janny & Kasper ook en zo leren wij, dat deze mensen tot oktober hier blijven wonen.
Ze hebben een paar paarden. Die worden niet alleen als vervoermiddel gebruikt maar de merries worden gemolken en daarvan worden diverse producten gemaakt.


DRIELANDENWERELD

Wij zetten de tocht voort en komen in de drielandenwereld Kirgizië -Tadjikistan-China.

Bij de grensovergang worden de vrachtauto’s door medewerkers van Kasper tegengehouden. De chauffeurs moeten alles uitladen. Daarna moeten ze hun wielen één voor één verwijderen. De banden moeten van de velgen, koplampen moeten gedemonteerd worden; kortom alles wordt eraan gedaan om het de chauffeurs zo moeilijk mogelijk te maken.
Zo’n controle duurt al gauw tien tot twaalf uur. En dan lopen ze de kans dat ze het verderop nog een keer moeten overdoen.

Het gevolg is dat de smokkelauto's de route door het Pamirgebergte steeds meer mijden. Maar daarmee is het probleem niet opgelost. De grens is groot en ontoegankelijk voor de mensen van de V.N. omdat hun mandaat niet zo ver reikt. Mensen op paarden en ezels of zelfs te voet gaan hier de grens over met grote hoeveelheden drugs. Het duurt allemaal wat langer dan met de vrachtauto’s maar het is wel zo effectief.

TERUG IN OSH

Terug in Osh valt me nu pas goed op, dat de Kirgiezen en Oezbeken in aparte wijken wonen, maar wel met elkaar de enorme grote markt bevolken.
De Kirgiezen hebben gevorkte baarden, Chinese trekken en Kirgiezenogen zoals die beschreven worden in De Toverberg van Thomas Mann. Ze hebben hoge witvilten hoeden op het hoofd. De vrouwen hullen zich in traditionele kledij met uiterst felle kleuren.
De Oezbeken hebben een meer Mongools uiterlijk. Vrouwen alweer vaak in rood, roze, paars en gifgroen. Mannen met wijde broeken en zwart-witte platte hoedjes. Veel mensen hebben gouden tanden.


HEVIGE RELLEN


Zij verlaten het land dan ook en masse.

Voorjaar 2010 

 

Een mooie rotweg



Permanente file

 De Via Aurelia (rood) is een mooie rotweg. Hij slingert langs de Italiaanse kust. Meestal smal (tweebaans), bochtig en verschrikkelijk druk.
      De uitzichten zijn fantastisch mooi, maar je doet er goed aan daar niet te veel naar te kijken als je achter het stuur zit. Tenzij al het verkeer stil staat en dat gebeurt nogal vaak.
Vooral in het vakantieseizoen staat er op de Via Aurelia een soort permanente file.
      Alleen de scootertjes scheuren dan langs je heen.

 

 

Laiglueglia: Boulevard


Als je bij de grens met Frankrijk begint rijd je soms langs mooie stadjes en dorpjes , maar je moet er ook vaak dwars doorheen. En steeds staat er op de borden hoe ver het nog naar Rome is.
      Je komt door grotere plaatsen als San Remo, Imperia, Genua, La Specia, Viareggio, Livorno, Grosseto en Civitavecchia.
      Maar natuurlijk vooral door mooie kustdorpjes. Badplaatsen, vissersplaatsen, havenplaatsen. Soms mondain, soms rommelig.
Met brede zandstranden, smalle kiezelstranden of helemaal geen stranden.
      Met kusten die steil omhoog gaan, met boulevards, binnenstraatjes, winkeltjes, restaurants en terrasjes, markten, pleinen en kerken.


 

Albenga: Piazza San Michele


 Bussana (San Remo): strand

 

Albenga: Hoofdstraat

 

Laiglueglia

 

Albenga: Zijstraat


Laiglueglia: Kerk San Matteo

 

Bussana: strand

 

Laiglueglia: Terras

  

Tikrit Irak juni 1981

 

 


RAED SAADEH


‘Heb je even tijd?’
      Ik kijk de man aan. Hij is fors. Brede neus, zware zwarte snor, dikke lippen. Grote handen waarmee hij een amberen ketting ronddraait. ’s Middags ontmoette ik hem op een feestje van de olieminister van Koeweit. Decor: de 26ste verdieping in de grootste van de drie Kuwait Towers. Een langzaam ronddraaiend prestigieus restaurant, dat uitzicht biedt op de diepblauwe Perzische Golf en de gelig lege verschroeide aarde van Koeweit, Saudi Arabië, Irak en Iran. Ik was daar met een Nederlandse diplomaat, die mij op last van de ambassade in de watten moest leggen vanwege mijn ‘hoogst onaangename’ avonturen in Irak. 

Alles was er. Alles en nog iets meer. Iraanse kaviaar uit de Kaspische Zee.Truffels, ganzenlever, salades met gerookte zalm, langoustines, inktvis, krabben en kreeften. Gevulde snoeken. Geroosterde zuiglammetjes met een mandarijntje in hun bek, vele variëteiten hummus. Exotisch fruit. Ook drank. Verse sappen, kokosmelk, Scandinavisch water. Geen alcohol.

De Nederlandse diplomaat was een vervelende man. Hij maakte grapjes over ‘die Marxistische gek ’Allende, want hij had ook in Chili ‘gediend’. Ik schudde hem zo snel mogelijk af en raakte in gesprek met de plaatselijke directeur van Gulf Air. Een Palestijn uit Ramallah op de Westbank.
      Nadat ik verteld had, dat ik diverse malen journalistiek werk in Ramallah had gedaan en dat leden van de Joodse Defensieliga in 1979 onze studio in Hilversum hadden bezet wegens `pro-Palestijnse uitzendingen’ nodigde hij mij na afloop van het partijtje uit om mee te gaan naar zijn kantoor in een andere Kuwait Tower. ‘Dan praten we nog wat and then’, zei hij met een vette knipoog: ‘we take off our shoes and have a ball’.
     
Onderweg naar zijn kantoor probeer ik mij voor te stellen wat hij bedoelt. Gaan wij de bloemetjes buiten zetten? En hoe zou dat toch in dat saaie Koeweit moeten? Want al na een week was mij duidelijk dat de puissante rijkdom in dit landje voor niet veel meer dan verveling en lamlendigheid zorgt.
      Ook het partijtje de avond tevoren was een stuitend decadente vertoning. Het speelt zich af in het Marriott Hotel, dat een aan wal gesleept vrachtschip blijkt te zijn. De Amerikaanse directeur, zijn stafleden en de dames dansen daar wat op belegen popmuziek. Zij raken vrijwel allen onder invloed, nadat de illegale drankflessen tevoorschijn komen.

      ‘Driehonderd vijftig dollar op de zwarte markt’, zegt de directeur trots en wijst naar een fles Glenfarclas single malt whisky van 15 jaar oud. Zijn verveelde echtgenote kijkt hem meewarig aan en neemt mij op.
      ‘We gaan dansen’. Zij trekt mij mee, valt over een snoertje en blijft op de grond liggen. 
       ‘Kom’, stamelt ze, ‘Kom’.

Of ik tijd had? Natuurlijk! 
      ‘Zeshonderdduizend Palestijnen wonen hier in Koeweit’, zegt de zware man, die zich voorstelt als Raed Saadeh.’Zij zorgen ervoor dat familieleden op de Westbank een beetje behoorlijk in leven blijven’.
      ‘Heb je trek in een borrel?’
      ‘Ja, ja. Raed. Natuurlijk wil ik een borrel’.
      'U hebt het zwaar gehad hè. In Irak bedoel ik’
     
      ‘OH NEE. NIET WEER!

Ik heb het al een paar maal verteld. Tot in alle smerige details. Al tien dagen lang maalt het door mijn kop. Een steeds terugkerende film. Ik was al een paar maal schreeuwend en badend in het zweet wakker geworden.
      ‘Ach’, zeg ik.’Het viel wel mee. Maar hoe weet u dat eigenlijk?’
      ‘Dat vertelde meneer Van Duynstee van uw ambassade. De man door wie je vergezeld werd. Hij vertelde het aan iedereen. De echtgenote van de Britse ambassadeur was enorm onder de indruk. Heb je dat niet gemerkt? Ze wilde contact zoeken, maar ik geloof dat haar man dat niet goed vond.
      Het gonsde rond hoor. Jouw aanwezigheid, je ongepaste kleding, die basketball schoenen, wilde haren, dat litteken op je voorhoofd; alles trok aandacht in dit belegen gezelschap van zich vervelende dames en heren’.

‘Dus je hebt tijd en je hebt trek in een borrel’, constateert Raed met voldoening.
Hij pakt de telefoon, geeft een commando en vertelt dat hij gestudeerd heeft op de Bir Zeit universiteit op de Westbank. Even later wordt hij teruggebeld.
      ‘De auto is er. Ga je mee?’ Raed staat op en gaat mij voor. Beneden bij de ingang van Kuwait Tower staat een grijze limousine. Een echte.
      ‘Tien meter en 61 centimeter lang’, zegt Raed lachend. ‘Eight business seats’.
Wij stappen in en glijden weg. We gaan immers een borrel drinken.
      ‘Waar gaan we heen Raed ?’
      ‘Ach je zult wel zien’.

 

Mosul; Noord-Irak

Mijn gedachten dwalen af. Ik zie Willem weer voor me daar in Istanbul. Een Nederlandse vrachtwagenchauffeur. Hij vervoert 36 ton elektronische apparatuur voor een bedrijf in Mosul in het noorden van Irak.
      ‘Ga mee’, zegt hij, ‘ga gerust mee’.
Willem heeft blikjes Nederlands voedsel bij zich en draait onafgebroken het Nederlandse levenslied. We slapen in de auto en doen in Ankara onze ambassade aan, waar de ambassadeur persoonlijk in één dag een visum voor Irak regelt.
      ‘Ik heb ze laatst nog enorm uit de brand geholpen’, zegt hij in keurig diplomatenjargon. ‘Kwestie met een paar Koerdische boys. Hoogste tijd dat ze iets terugdoen. Hoogste tijd’.
Op het lege platteland van Anatolië zingen we liederen.’Met de vlam in de pijp’. En: ‘hou je echt nog van mij Rocking Billy?’ Voor de grens Turkije-Irak staat een rij vrachtauto’s van ongeveer twee kilometer.
      ‘Wacht maar’, zegt Willem; ‘ik regel dit wel even’.

Wij lopen langs de rij. Hij stapt op een douanier af en we verdwijnen in een hokje. Hij geeft hem een fles whisky, een slof sigaretten en een stapel pornoboekjes.
      ‘Harde porno willen ze tegenwoordig hebben. In kleur’.
Wij lopen terug en kunnen de rij met voornamelijk vrachtauto’s uit het Oostblok ongehinderd passeren. In Mosul levert Willem zijn spullen af en stapt op een Roemeense vrachtwagenchauffeur af.
      ‘Hé colleague. How are you man? You want a drink?’
Hij reikt hem een fles water aan, waarin hij citroensap spuit.
      ‘Ga je naar Bagdad? Wil je mijn vriend naar Bagdad brengen’?


Bloedhitte aan de Tigris


Het heet Tikrit. Geboorteplek van Saddam Hoessein, die zich graag vergeleek met Saladin, de moslim-leider die Jeruzalem veroverde op de kruisvaarders en er ook vandaan kwam. Een stadje aan de lieflijke licht groene Tigris. Het trilt en schittert in de bloedhitte. Twee mannen in uniform gewapend met machinegeweren stormen de weg op en dwingen de Roemeen te stoppen. Ze zijn opgewonden. Sleuren mij die auto uit en schreeuwen in het Frans.
      ‘Jij! Mee! Paspoort hier’.
Zij duwen mij hardhandig een gebouwtje in. Ik krijg handboeien om en word tegen een muur gekwakt.
      ‘Wat is dit in Jezusnaam’, roep ik in het Nederlands.
Hij stompt mij in het gezicht en schreeuwt:
      ‘Bek houden. Ta gueule’.

De grijze limousine is op weg naar het vliegveld. Ik herken de weg.
      ‘Ze zullen daar op dat vliegveld wel een illegale bar hebben’, denk ik.
Raed ziet dat ik ondanks de uitstekend werkende airco enorm zweet. Dat ik het Spaans benauwd heb. Nauwelijks kan ademen. Ik onderga het weer. De soldaten in het gebouwtje daar in Tikrit krijgen gezelschap van een superieur. Hij heeft een pistool bij zich en richt dat op mij.
      ‘Ben jij een Jood?’
      ‘Hoezo?’
      ‘Geen vragen’, schreeuwt hij en ramt zijn vuist in mijn gezicht. En dan nog een keer.
      ‘Ben jij Jood?’
      ‘Non. Geen Jood’. Hij komt naar me toe en zet het pistool op mijn slaap.
      ‘Geef toe schoft’, roept hij. ‘Jij bent Jood’.
      ‘Non monsieur, non’, roep ik onderdanig en misselijk van angst. Hij drukt mij op een stoel, haalt mijn tas leeg, trekt een rolletje uit mijn fototoestel en vernielt dat demonstratief. Hij vindt cassettebandjes en breekt die door midden. Dan stuurt hij de twee soldaten weg.
      ‘Nu wij’, zegt hij en kijkt mij aan met ogen vol haat. Hij steekt zijn pistool omhoog, ontgrendelt het. Hij ziet mijn angst; ruikt mijn zweet. Hij wacht, kijkt me aan en grijnst. Drukt mij met mijn knieen in het stof. Zet een laars op mijn schouder en drukt de loop in mijn nek.

DAN HAALT HIJ DE TREKKER OVER.

 

‘Gaat het wel’, zegt Raed. ‘Wil je een beetje water’. Hij doet het ijskastje open en pakt een flesje. Ik kan weer een beetje adem halen. De limousine rolt het vliegveld op. Niemand legt ons een strobreed in de weg. De chauffeur parkeert pal naast een Boeing. Ik begrijp dat we in dat enorme toestel een borrel gaan drinken. Raed is inmiddels familiaar geworden.
      ‘Come on Ronnie.We gaan aan boord’.
Hij gaat me voor en kijkt vergenoegd om zich heen als hij constateert dat de economy class vrijwel vol zit. We gaan helemaal naar boven. Eerste klas. Daar zitten zes mannen die hun eerste borrels al op hebben. We worden bediend door een stewardess in een onwaarschijnlijk kort oranje rokje.
      ‘Is dit Koeweit? Is dit Islam?’

 

Schokken & Kokhalzen

ER ZAT GEEN KOGEL IN DAT PISTOOL.
      Ik ben van de stoel gevallen en lig met mijn handen nog in de boeien. Ik lig te schokken en te kokhalzen. Kots en slijm loopt over mijn kleren. Ik ben drijfnat tot in mijn kruis. De ploert gaat weg en die andere soldaten komen terug. Ook zij hebben zo’n grijns op hun gezicht.

      ‘Waarom vermoeden ze dat ik een Jood ben’, denk ik als ik weer enigszins bij zinnen ben. 'Waarom is dat zo belangrijk?’
Drie uur zat ik inmiddels vast. De officier komt terug en lacht.
      ‘Hier is uw paspoort. U kunt gaan’.
Hij gaat met me mee, begeleidt me naar de hoofdweg en houdt een personenauto aan.
      ‘Breng deze man naar Bagdad’, beveelt hij.

In de auto zitten twee Fransen die voor Total werken.
      ‘Heeft u het al gehoord?’
     
      ‘Nee!
      'Wat zou ik gehoord moeten hebben?’
     
      ‘Israël heeft die kernreactor bij Bagdad gebombardeerd!’
     
      ‘Israel?’ zeg ik.
      ‘Iran zult u bedoelen’. Want Irak is op dat moment in oorlog met Iran.
     
      ‘Non. Les Juifs.
      'Israël is met straaljagers binnengekomen en heeft bommen gegooid’.


Chaos in Bagdad


Een paar uur later bereiken we Bagdad. Alom controles. Schreeuwende mensen. Chaos. Het is pikdonker. Geen elektriciteit. Overal in de lucht hangen ballonnen. Dat is -verzekert men mij- tegen een nieuwe aanval.
      De volgende ochtend word ik gebeld door een collega van mijn omroep. Ze zijn door de ambassade op de hoogte gesteld. Hij is geïnteresseerd in mijn Tikritverhaal, probeert me wat op te beuren, maar vindt ook dat ik zo snel mogelijk voor ‘onze radio’ het verhaal van die gebombardeerde kernreactor moet vertellen,
      ‘Je bent waarschijnlijk de enige buitenlandse journalist in Bagdad. Iedereen wil je in de uitzending. De televisie ook. BRT, BBC noem maar op. Ze hebben daar niemand’. 
      ‘Tja! Ik ben hier net. Die reactor ligt hier zestig kilometer vandaan. Overal zijn versperringen. Ik kan daar nooit in de buurt komen. Jullie weten waarschijnlijk meer dan ik’.
      ‘Dat geeft niet. Jij bent daar. Jij kunt een ooggetuigenverslag geven. Beschrijf gewoon de sfeer’.
      ‘Oké. Ik zal een ooggetuigenverslag geven’.

Tien minuten later al komt het onvermijdelijke cliché:
      ‘Hoe is daar in Bagdad op gereageerd?’

Ik hoor mezelf weer in staccato praten.
      Dat de situatie in Bagdad gespannen is.
      Dat er chaos heerst.
      Dat men roept om wraak.
      Dat de officiële lezing is, dat het niet ging om een kernreactor maar een speelgoedfabriek.
      Dat die ochtend in een krant een foto staat van gewonde kindertjes.
     
Voor de gebeurtenissen in Tikrit is natuurlijk geen tijd.

 

Bahrein

De motoren van de Boeing razen. We taxiën over het veld en stijgen op.
      ‘Waar gaan we heen Raed? Ik bedoel: je vroeg of ik tijd had. Maar dit had je misschien even kunnen vertellen’.
      ‘Wel nee. We gaan naar Bahrein. Dat is een uurtje vliegen. En weet je wat het voordeel is van Bahrein?
      Ze schenken daar in iedere bar sterke drank’.

Even later staat in Bahrein opnieuw een limousine te wachten. Van bescheiden omvang dit keer. We rijden naar Manama en komen terecht in de Clipper Room van het Intercontinental hotel.
      ‘Vertel nog eens over de Nederlandse omroep, vraagt Raed na een borrel of zes. Hij is inmiddels behoorlijk aangeschoten.`Meneer Van Duynstee zei dat je daar leuk over kunt vertellen’.
      ‘Dat wordt echte borrelpraat’, denk ik.
      ‘Mag het ook een andere keer Raed?’

Volkomen irrationeel denk ik ineens dat Arabieren niet tegen drank kunnen
      Want hoe kan ik op dat moment vertellen over het Nederlands omroepbestel. Over een christelijke omroep, een katholieke, een algemene, een populaire, een sociaal-democratische, een vrijzinnige, een humanistische, een interkerkelijke, een evangelische, een allesoverkoepelende, dan wel een ongetwijfeld in de toekomst nog op te richten, Islamitische, Boeddhistische, Joodse, jongeren- of ouderen-omroep.
      Over plannen voor commerciële omroepen. Over piratenzenders, regionalen en lokalen. Over organisaties die leden moeten hebben en omroepen die het zonder mogen stellen. Over A-, B-, C- dan wel aspirant-omroepen, die de uren mogen vullen volgens de verdeelsleutel 5, 3, 1, 0,2.
       Als niemand in Nederland dat begrijpt, hoe kan ik 't dan een dronken Palestijn in een Bahreinse bar uitleggen?

Als we nog een paar drankjes verder in Hunter’s lodge bar zijn kijkt Raed lodderig op zijn grote klokje.
      ‘Het wordt tijd om terug te gaan. En doe me een plezier. Kruis je middelvingers even. Dan weten ze hier dat we iets moois hebben samen'.

      'Something very special’.

Terug in Koeweit vraagt Raed of hij nog iets voor me kan doen.
      ‘Ik wil naar Ras al Khaimah. De Emiraten. Daar vliegen jullie toch ook op’.
      ‘Komt in orde’ zegt Raed .`Ga maar naar het Bin Majid Hotel. Noem mijn naam en je krijgt zelfs daar een borrel’. Hij belt midden in de nacht iemand op. Ik hoor hem opnieuw bevelen geven.
      ‘Okay’ zegt hij. `Take his name please. Victor alpha nancy, delta echo nancy, capital bravo obo obo godfrey alpha alpha roger delta. Initial is R’.

En weer met die knipoog.

      ‘For Ronnie’.

 

(Eerder gepubliceerd in het najaar van 2007)



Herfst 2009

Culturele hoofdstad van Europa



Palatinus 



Brug tussen Oost en West 



Winkelstraat



Nationaal theater



Modern café



Modern winkelcentrum 


 
Synagoge

 

 

 

 

Ga voor dit stukje naar:  Eten & drinken 36; Palestijnse humus