Poëzie

 

 

Van Bertus Aafjes

 

Achter de ruit (van Han G. Hoekstra)

 

O zorgeloos en prachtig Amsterdam

-De ruit is in een aquarel herboren-

En duiven vallen rond de Westertoren

Als dwarrelende bloesem rond de stam

 

Een beiaardier, die aan het klokzeel kwam-

‘Lief Vaderland, vaarwel’ klinkt me in de oren…

Dan jubelen de negen englenkoren

en storten schrijlings over Waag en Dam.

 

De ruit wordt door mijn adem grijs bezet;

Het water stijgt. De zilvren stad loopt onder;

Mensen noch duiven, niemand wordt gered.

 

Maar met de vinger teken ik een vlonder

En zie, een duif vliegt door het lichtspoor met

een tak olijf. De wereld is een wonder.

 

Van Han G. Hoekstra



Gasthuismolensteeg


Er springen liedjes uit de Westertoren.

Ik hoor ze in de Gasthuismolensteeg,

Er waren jaren dat de toren zweeg,

toen kon men andere geluiden horen.

 

Twee jongens werkten met een korte ruk

hun sleede brug op. De ene draagt een jekker

en commandeert, plat op zijn buik, de trekker.

Ik ken dat nog, die slede, dat geluk.

 

Een vrouwtje, als mijn moeder al zou oud,

steekt de straat over. Een man helpt haar even.

Ik doe niets. Ik kijk zo maar naar het leven

en denk hoe eindeloos ik ervan houd.

 

 

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao

 

ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita

 
ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen

 

ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

 ZoekPoëzie 5; Jan Engelman
En Rade

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker

Dendermonde 63 

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade

De liefde, natuurlijk

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin

Silver nights in Rochester

 

ZoekPoëzie 9; Simon de Geus

Jeugdherinnering

 

ZoekPoëzie 10: C.S. Adama van Scheltema

De Dijk

 

ZoekPoëzie 11: Wyslawa Szymborska

Een bewogen herbegrafenis 

 

ZoekPoëzie 12; Drs.P
Heen & Weer 

 

ZoekPoëzie 13: Tan-te Pol-lie
Voor de klei-ne-ren

 

Zoekpoëzie 14: Paul Rodenko

Bommen

 

Zoekpoëzie 15: Paul van Vliet
Meisjes van dertien

 

Zoekpoëzie 16: Joan Hambidge & Elisabeth Eybers

Bloedbanden

 

ZoekPoëzie 17: Marc Chagall & Blaise Cendrars

De dichter (Half vier)

 

ZoekPoëzie 18: Homero Aridjis

Droom in Tenochtitlán

 

ZoekPoëzie 19; Jan Hanlo

's Morgens

 

ZoekPoëzie 20; Slauerhoff versus Schotman 

Benard advies 

 

ZoekPoëzie 21; Pablo Neruda
Een witte bungalow op Capri

 

ZoekPoëzie 22: David Shapiro
Empathy for Dave Winfield

 

ZoekPoëzie 23: Maurice Gilliams
Winter te Schilde

  

ZoekPoëzie 24: Saul van Messel

Restaurant

 

ZoekPoëzie 25: Jacques van Tol

De olieman heeft een Fordje opgedaan

 

ZoekPoëzie 26: Lucebert

Hoop op Iwosyg

 

ZoekPoëzie 27: Sujata Bhatt

The stinking Rose

 

ZoekPoëzie 28: Bert Schierbeek

Remembrandt

 

ZoekPoëzie 29: Peter Paul Zahl

In naam van het volk

 

ZoekPoëzie 30; Marnix Gijsen & René de Clercq

Mijn moeder was een heilige vrouw 

 

ZoekPoëzie 31; Simon Vestdijk & Willem Elsschot
Slachtoffer Marinus van der Lubbe 

 

 

 

Slachtoffer: Marinus van der Lubbe

 

Marinus van der Lubbe werd -24 jaar pas- op 10 januari 1934 onthoofd.
      Hij werd schuldig bevonden aan brandstichting in de Rijksdag in Berlijn op 27 februari 1933; nog geen maand nadat Adolf Hitler op 30 januari van dat jaar Rijkskanselier was geworden.
      Over dat proces en over de gang van zaken rond die brandstichting is veel geschreven en gespeculeerd; er zijn films en documentaires van gemaakt, waarbij veel mensen veel meningen geven en zich ook voortdurend tegenspreken.
     
Maar dat Van der Lubbe het slachtoffer was van een verziekt politiek proces is duidelijk.

En verder is het duidelijk dat die brand de Nazi’s goed uitkwam, want hierna konden zij hun terreur uitbreiden.
      Van der Lubbe stond terecht met drie Communisten uit Bulgarije -waaronder Georgi Dimitroff- en met fractievoorzitter Ernst Torgler van de KPD, de Duitse communistische partij in die dagen.
      Van der Lubbe was de enige die schuldig bevonden werd. Veel later na de oorlog werd hij overigens door de Duitsers gerehabiliteerd.


Simon Vestdijk schreef in 1934 een mooi gedicht over Van der Lubbe.
     
Willem Elsschot was daar zo van onder de indruk, dat hij er ook een gedicht over schreef en dat opdroeg aan Simon Vestdijk.

Hier komen beide gedichten.

 

Van Simon Vestdijk


Grafschrift

Zijn kop was te Mongoolsch voor deze lage landen.

En voor het licht waren zijn oogen veel te dof.

Ook ongeboeid hield hij stijf uitgestrekt zijn handen,

En werd zelfs nog uitgevloekt door Dimitroff

Die anders toch zoo weerzinwekkend grof

Zijn geestverwanten niet poogt aan te randen

Dan was er nog een graaf die riep: ‘Je kop op schoft!’.

Hij deed het, -maar hij zweeg van Duitsche binnenbranden.

Trap op trap af door zalen, vlammend of gedoofd.

Kop op kop af: wij spreken van hoofd

Bij wie én vriend én vijand als een botterik verwenschen…

De schizophrenen en de simpelen van geest-

Bij oude Christenen, Hussieten, Albigenzen

Zijn voor het ideaal de beste mest geweest.

 

 

Van Willem Elsschot


Van der Lubbe

Aan Simon Vestdijk


Jongen., met je wankel hoofd

aan de beul vooruit beloofd,

toen je daar je lot verbeidde

stond ik wenend aan je zijde.

De operette duurde lang:

van het wraakhof naar ‘t gevang,

van ‘t gevang weer naar het hof,

in de boeien van de mof.

Veertig haarden dorst je ontsteken,

duizend haarden zou men wreken,

maar je beulen stonden paf

toen je zweeg tot in je graf.

Dokters, rechters, procureuren,

allen zijn je komen keuren,

allen vonden je perfect,

en toen heeft men je genekt.

‘t Had de Koningin behaagd

dat je gratie werd gevraagd,

maar voor zulk een vieze jongen

wordt meestal niet aangedrongen.

Lang heeft men geprakkezeerd

wat een mens het meest onteert,

hangen, branden vierendelen

of gewoon als varken kelen.

Toen heeft men het mes gekozen

om je toch eens te doen blozen,

want zo’n gala met wat bloed

Doet een hakenkruiser goed.

Jongenlief, zoals je ziet,

Leiden krijgt je resten niet.

Hitler laat zich niets ontrukken

want hij houdt van die twee stukken.

Holland vraagt nu onverdroten

of je niets werd ingespoten,

maar die vuige, laffe moord

vindt het minder ongehoord.

Laat het stikken in zijn centen,

in zijn kaas en in zijn krenten,

in zijn helden, als daar zijn:

Tromp, De Ruyter en Piet Hein.

Moog je geest in Leipzig spoken

tot de gruwel wordt gewroken,

tot je beulen, groot en klein,

door den Rus vernietigd zijn.

 

 

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao

 

ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita

 

ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen

 

ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

ZoekPoëzie 5; Jan Engelman
En Rade

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker

Dendermonde 63

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade

De liefde, natuurlijk

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin

Silver nights in Rochester

 

ZoekPoëzie 9; Simon de Geus

Jeugdherinnering

 

ZoekPoëzie 10: C.S. Adama van Scheltema

De Dijk

 

ZoekPoëzie 11: Wyslawa Szymborska

Een bewogen herbegrafenis

 

ZoekPoëzie 12; Drs.P
Heen & Weer

 

ZoekPoëzie 13: Tan-te Pol-lie
Voor de klei-ne-ren

 

Zoekpoëzie 14: Paul Rodenko

Bommen

 

Zoekpoëzie 15: Paul van Vliet
Meisjes van dertien

 

Zoekpoëzie 16: Joan Hambidge & Elisabeth Eybers

Bloedbanden

 

ZoekPoëzie 17: Marc Chagall & Blaise Cendrars

De dichter (Half vier)

 

ZoekPoëzie 18: Homero Aridjis

Droom in Tenochtitlán

 

ZoekPoëzie 19; Jan Hanlo

's Morgens

 

ZoekPoëzie 20; Slauerhoff versus Schotman

Benard advies

 

ZoekPoëzie 21; Pablo Neruda

Een witte bungalow op Capri

 

ZoekPoëzie 22: David Shapiro
Empathy for Dave Winfield

 

ZoekPoëzie 23: Maurice Gilliams
Winter te Schilde

 

ZoekPoëzie 24: Saul van Messel
Restaurant

 

ZoekPoëzie 25: Jacques van Tol
De olieman heeft een Fordje opgedaan

 

ZoekPoëzie 26: Lucebert

Hoop op Iwosyg

 

ZoekPoëzie 27: Sujata Bhatt
The stinking Rose

 

ZoekPoëzie 28: Bert Schierbeek

Remembrandt

 
ZoekPoëzie 29: Peter Paul Zahl

In naam van het volk

 

ZoekPoëzie 30; Marnix Gijsen & René de Clercq

Mijn moeder was een heilige vrouw

 

 

 

Van Johan van der Meulen

 

Rot yong

 

A terrible infant called Peter

sprinkled his bed with a gheter

His father got woost,

took hold of a cnoost

And gave him a pack on his meter.

 

Double Dutch

 

Johan van der Meulen (1915-2005) was niet alleen dichter maar ook leraar Engels. Hij schreef zijn gedichten door gebruik te maken van fouten van zijn leeerlingen.

      Zijn eerste dichtbundel was Lyrical Laria in Dutch and double Dutch, geschreven onder het pseudoniem John O'Mill.

 

Dat werd een groot succes.
      De eerste oplage van 5.000 exemplaren was snel uitverkocht en daarna volgden nog 15 herdrukken.   

 


Vader & Zoon

 
 

 

 

Van Marnix Gijsen (1899- 1984)

 

‘Mijn moeder was een heilige vrouw’ (René de Clercq)

 

Ik wil den lof van mijne dode moeder zingen.

Zij was geen heilge vrouw, zij was een vrouw,

met al haar deugden, zwakten en aarzelingen,

vaak onberekenbaar doch steeds zich zelf getrouw.

 

Een werkslaaf en een slavendrijver heel haar leven,

die nooit kon vragen -altijd bereid te geven-

hard voor zich zelf en die van anderen verwachtte

dat z’even taai en dapper zouden zijn in daden en gedachten.

 

Een vrouw vol donker vuur en kracht, vol vlugge, vinnge spot,

misprijzend voor de vrouwen, opkijkend naar den man,

Noch duldzaam noch gelaten, steeds meester van haar lot,

die dronk, van haar beperkt bestaan, het onderst’ uit de kan.

 

Trots op haar zonen maar te trots om toe te geven

dat zij haar naam glorie luister hadden bijgezet.

Dat hoorde zó , zij zou het nooit vergeven

hebben, ware het niet zo geweest, want d’ijzeren wet

 

van haar geweten was arbeid en ambitie. Bij dagen

was zij stug en bot, dan weer een ruisende fontein

van dartle woorden, scherp’herinneringen, bij vlagen

licht ontroerbaar, lijk een kind dat niet redelijk kan zijn.

 

Bijna een eeuw heeft het geduurd vooreer zij weigerig ontdekte

dat haar bros lichaam niet meer luisterde naar haar stalen wil,

tot zij doodmoe de wereld losliet en haar povere leden strekte.

 

Zó werd het grote vuur dat ze geweest was, op een gure winteravond,

eindlijk kil.

 

 

Van René de Clerq (1877- 1932)

 

Mijn moeder


Mijn moeder was een heilige vrouw.

O, daar ligt blijdschap in die rouw.

Mijn moeder was heilig rein en zoet.

Als de melk van haar borst, o mijn moeder was goed.

En schoon, schoon oud! Niet een groef in haar wang.

Haar ogen al ziel en haar woorden al zang.

Je hoorde, je zag haar en vroeg, mijn vriend,

Ach jongen waar heb je zo’n moeder verdiend?

En toch, je wist nog niet half wat zij deed

Uit verborgen zorgen; hoe hard zij streed

In de nederigheid van haar weduwsmart,

Met een roos op ‘t gelaat en een doorn in ’t hart

Haar kinderen schonk zij het brood uit haar mond

Tot het laatste bloed uit haar warme mond..

Mijn moeder… zoete gedachtenis,

Beheers wat er goeds in mijn leven is!

 

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao

 

ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita

 

ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen

 

ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

ZoekPoëzie 5; Jan Engelman
En Rade

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker

Dendermonde 63 

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade

De liefde, natuurlijk

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin

Silver nights in Rochester

 

ZoekPoëzie 9; Simon de Geus

Jeugdherinnering

 

ZoekPoëzie 10: C.S. Adama van Scheltema

De Dijk

 

ZoekPoëzie 11: Wyslawa Szymborska

Een bewogen herbegrafenis 

 

ZoekPoëzie 12; Drs.P
Heen & Weer

 

ZoekPoëzie 13: Tan-te Pol-lie
Voor de klei-ne-ren

 

Zoekpoëzie 14: Paul Rodenko

Bommen

 

Zoekpoëzie 15: Paul van Vliet
Meisjes van dertien

 

Zoekpoëzie 16: Joan Hambidge & Elisabeth Eybers

Bloedbanden

 

ZoekPoëzie 17: Marc Chagall & Blaise Cendrars

De dichter (Half vier)

 

ZoekPoëzie 18: Homero Aridjis

Droom in Tenochtitlán

 

ZoekPoëzie 19; Jan Hanlo

's Morgens

 

ZoekPoëzie 20; Slauerhoff versus Schotman 

Benard advies 

 

ZoekPoëzie 21; Pablo Neruda

Een witte bungalow op Capri

 

ZoekPoëzie 22: David Shapiro
Empathy for Dave Winfield

 

ZoekPoëzie 23: Maurice Gilliams
Winter te Schilde

 

ZoekPoëzie 24: Saul van Messel

Restaurant

 

ZoekPoëzie 25: Jacques van Tol

De olieman heeft een Fordje opgedaan

 

ZoekPoëzie 26: Lucebert

Hoop op Iwosyg

 

ZoekPoëzie 27: Sujata Bhatt

The stinking Rose

 

ZoekPoëzie 28: Bert Schierbeek

Remembrandt

 

ZoekPoëzie 29: Peter Paul Zahl

In naam van het volk

 

 

 

Van Frank Koenegracht


Vadertje zoetwatergids

1.

EERST, vadertje zoetwatervis, eerst,

stond je nog wel recht

in je boot met dubbeltjes

bij naoorlogs licht.

 

Je idiote broer krabde ‘s nachts

vergeefs aan het vernis

want niemand binnenin

mocht zich herinneren

 

hoe jij had kunnen zijn.

Nou ja hij leeft nog want

ik zag hem laatst.

Hij leeft.

 

Toen, vadertje zoetwatervis, toen

sloeg er in je maag

een gat zo

groot als een middag vissen,

 

maar je reed er doorheen

op je solex en je leefde.

De rest is broodpap,‘zondagen

van rundvlees en hun verzameld werk.

 

Nu, vadertje zoetwatervis,

nu heb je mij

maar ook weer niet. Ik ben

niet zo’n sterk visser

 

en ik sneeuw of stijg maar wat

en altijd zie ik alles klein.

Zo klein als jij het zag

door je kijkglas van jenever.

 

Kom, we gaan snoeken en wie

ons ziet staan zal denken:

die zoon vist niet ver

van zijn vader vandaan.

  

2

Mijn vader is van lieverlede nu

alles vergeten wat hij zojuist nog wist.

 

Zijn hersenen zijn vogels die voorbijvliegen.

Geen koeien die een afdruk maken in de grond.

 

Mijn vader hield van wolken,

maar wolken zijn vergeetachtige bergen

 

en maken geen afdruk in de lucht

en niemand zal de wolken dit verwijten.

 

Verwijten zal niet helpen trouwens want

wolken weten niet wat ze doen.

 

3.

HIJ SPRAK al zijn medewerkers en alle vogels

op dezelfde wijze aan .

Zo is de zachtheid van een man.

Spreeuwen, grote kippen, mussen,

het waren jongens.

Tegen een merel in de tuin zei hij:

Wat is er dan m’n jongen

maar hij had het tegen mij.

 

4.

DOOR DE lucht gingen bedaarde bergen.

Mijn vader hield wel van die dingen

en hun zonderlinge mededelingen

hangend boven de huizen, de bruggen en de heggen.

En boven de watervlakten waar de vis zat. Soms

moest je ervoor uitkijken,

net als voor directeuren.

 

5

IEMAND moet hem belasterd hebben

want anders stond hij niet zo vreemd in de kamer,

zo loodachtig.

 

De wet zei dat vissen met levend aas verboden was.

Mijn vader zei: ik ben altijd fatsoenlijk

omgegaan met witvis, jongen, nooit een haakje

in hun rug, altijd in hun bek.

 

Iemand moet hem belasterd hebben.

 

6

DUS DIT is mijn vader.

Traag genoeg en zorgeloos beveiligd

met een broek van achtenveertig gulden aan

die ter hoogte van zijn tieten onknoeibaar hoog

en ondragelijk licht is opgehesen.

 

7.

DICHTBIJ op driekwart meter zweeft

een vliegtuigje van 14 x 26 cm, blauwgrijs

Met rode randjes er om heen,

bestuurd door een weerloos vrouwtje

dat gemakkelijk samen te stellen is

uit wat over is van een bol wol, kousen

een kettinkje.

 

Hoewel iedereen slaapt en de wapens

heeft neergelegd is de sfeer te snijden.

 

Aan het raam plakt de vergeelde landslak.

 

8.

IK HEB vanzelf al nooit

een gedoemde dichter willen zijn, maar

mijn vader zou het met de allerzachtste vrolijkheid

beslist hebben verboden.

Hij was tegen het binnentuimelen

van het verkeerde huurhuis

maar vooral tegen miskendheid.

 

Hij zag in dat miskendheid

een manier van zich vergissen is.

  

9.

EN DE wind rustte uit

en de avond viel en de regen

kroop zachtjes over de velden.

 

Dat wordt een kalme schemering zeiden wij,

een porceleinen avond en moedertje nacht

 

komt straks ook nog met haar grote voeten

en haar kleine gezicht.

 

Vadertje zoetwatergids is opgenomen in de bundel ‘Alles valt’, die in 1999 verscheen bij DE Bezige Bij

 

 

Vader & Zoon