Poëzie

 

Van Katja Schuurman tor Catherine Keyl

 

Een kort gedicht is géén spreekwoord, géén tegeltjeswijsheid, géén gezegde, géén frase, géén spreuk.
     
Een kort gedicht consumeer je als opmaat tot pure poëzie.
Een kort gedicht verhoudt zich tot een spreuk als Katja Schuurman tot Catherine Keyl

 

 

Van Multatuli

 

Uit: Grafschriften op Thorbecke (1872)

 

Liberaal

Als ’n aal

 

 

Korte gedichten 

 

1. Hans Sleutelaar: Gedicht  

(Van Coquilles St. Jacques tot Fricandellen)

2. Joost van den Vondel: Grafschrift op zichzelf

(Van Lionel Messi tot Jan van Halst)

 

 

 

 

Van Lionel Messi tot Jan van Halst

 

Een kort gedicht is géén spreekwoord, géén tegeltjeswijsheid, géén gezegde, géén frase, géén spreuk.
Een kort gedicht consumeer je als opmaat tot pure poëzie.

Een kort gedicht verhoudt zich tot een spreuk als Lionel Messi tot Jan van Halst

 

2. Van Joost van den Vondel 


Grafschrift op zichzelf

 *

Hier leit Vondel, zonder rouw,

Hy is gestorven van de kouw

 

 

1. Van Hans Sleutelaar: Gedicht


 

 

Van Coquilles tot Frikandellen

Een kort gedicht is géén spreekwoord, géén tegeltjeswijsheid, géén gezegde, géén frase, géén spreuk.
     
Een kort gedicht consumeer je als opmaat tot pure poëzie.

Een kort gedicht verhoudt zich tot een spreuk als een coquille Saint Jacques tot een frikandel.

 

1. Van Hans Sleutelaar


Gedicht

Wollt Ihr die totale Poesie?

 

 

 

 

 

Zwart & wit & rood en groot

 

Er zat een specht in mijn tuin. Een grote bonte specht.
     
Dat weet ik, want de specht zit er wel vaker en ik heb het opgezocht. Zwart & wit & rood en groot. Groter -volgens mij- dan de middelste bonte specht en zeker groter -volgens mij- dan de kleine bonte specht. Het was -volgens mij- geen groene specht , geen zwarte specht en zeker geen draaihals.
      
Ineens herinnerde ik mij ooit een gedicht over een specht te hebben gelezen van C. Buddingh’. Maar over wat voor specht ging dat?
Op internet kon ik het gedicht niet zo snel vinden; ook al omdat C. Buddingh’ een bijna onwaarschijnlijk groot oeuvre bij elkaar heeft geschreven.  
      Maar hij was ook samensteller van diverse verzamelbundels. Zou het kunnen zijn, dat ik het bewuste gedicht in één van die bundels was tegengekomen?

Jawel!

In ’Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten; deel 2’ , mede verzameld door Eddy van Vliet, staat het gedicht onder het hoofdstukje Plant & Dier.
      Maar ja; mij wordt niet duidelijk om wat voor specht het hier gaat. Ik hou me aanbevolen als u het weet.

 


Van C. Buddingh’



De specht.


De timmerman van het bos; ook wel de tamboer
uit het vogelorkest met zijn beitelvormige snavel
roffelt hij meer dan honderd keer per minuut
     
op de schors van een boom, liefst een half vergane,
     
hakkend naar gangen vol malse larven,
      die hij opsmikkelt met zijn hengeltong


Je leest er vaak over, maar ziet hem slechts zelden: zo’n jaar
of vijftien terug, op een ochtend -ik stond me te scheren-
weerklonk in de tuin van het ziekenhuis eensklaps een fel
     
geratel, ik liep naar het raam, en daar
     
zat er zowaar één, als vastgekit
     
aan de stam van een gammele populier.


Het werd een vertrouwd, maar toch steeds weer verrassend geluid;
we stonden vaak: mijn moeder, mijn vrouw en ik,
naar hem te kijken; soms waren er twee zelfs of drie,
     
driftig bikkend en beukend, terwijl
     
nog geen twintig meter van hem vandaan
     
de auto’s over de klinkers gleden.


Waar ze nestelden hebben we nooit geweten; ze moeten
gezellig en hartelijk zijn in gevangenschap,
gauw korzelig alleen, wanneer ze hun zin niet krijgen;
     
maar toch: ’Een haast ideaal huisdier’, zei
     
een Amerikaan, ’als hij niet zoveel tijd
     
had besteed aan ’t versplinteren van onze meubels’.


Het is allemaal lang geleden; dit jaar gaat
mijn oudste zoon naar de middelbare school,
mijn vrouw is zwaar ziek geweest maar gelukkig weer helemaal
     
opgeknapt, mijn haar wordt wat grijs,
     
de bomen zijn weg, de spechten zijn weg,
     
maar ik zie en hoor ze nog dikwijls hameren.

 

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff (1)
Maneschijn te Tsingtao


ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita


ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen

 

ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

ZoekPoëzie 5; Jan Engelman
En Rade

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker
Dendermonde 63

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade
De liefde, natuurlijk

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin
Silver nights in Rochester

 

ZoekPoëzie 9; Simon de Geus
Jeugdherinnering

 

ZoekPoëzie 10: C.S. Adama van Scheltema
De Dijk


ZoekPoëzie 11: Wyslawa Szymborska
Een bewogen herbegrafenis

 

ZoekPoëzie 12; Drs.P
Heen & Weer

 

ZoekPoëzie 13: Tan-te Pol-lie
Voor de klei-ne-ren

 

Zoekpoëzie 14: Paul Rodenko
Bommen

 

Zoekpoëzie 15: Paul van Vliet
Meisjes van dertien

 

Zoekpoëzie 16: Joan Hambidge & Elisabeth Eybers
Bloedbanden

 

ZoekPoëzie 17: Marc Chagall & Blaise Cendrars
De dichter (Half vier)

 

ZoekPoëzie 18: Homero Aridjis
Droom in Tenochtitlán

 

ZoekPoëzie 19; Jan Hanlo
's Morgens

 

ZoekPoëzie 20; Slauerhoff (2) versus Schotman
Benard advies

 

ZoekPoëzie 21; Pablo Neruda
Een witte bungalow op Capri

 

ZoekPoëzie 22: David Shapiro
Empathy for Dave Winfield

 

ZoekPoëzie 23: Maurice Gilliams
Winter te Schilde

 

ZoekPoëzie 24: Saul van Messel
Restaurant

 

 ZoekPoëzie 25: Jacques van Tol
De olieman heeft een Fordje opgedaan

 

ZoekPoëzie 26: Lucebert
Hoop op Iwosyg

 

ZoekPoëzie 27: Sujata Bhatt
The stinking Rose

 

ZoekPoëzie 28: Bert Schierbeek
Remembrandt

 

 ZoekPoëzie 29: Peter Paul Zahl
In naam van het volk

 

ZoekPoëzie 30; Marnix Gijsen & René de Clercq
Mijn moeder was een heilige vrouw

 

ZoekPoëzie 31; Simon Vestdijk & Willem Elsschot
Slachtoffer Marinus van der Lubbe

 

ZoekPoëzie 32; Bertus Aafjes & Han G. Hoekstra
Achter de Ruit (Van Han G. Hoekstra)

 

ZoekPoëzie 33: K.Schippers & J.H.
The value of comma's

 

ZoekPoëzie 34: Denise Levertov
Misschien Geen Gedicht Maar Alles Wat Ik Zeggen Kan
En Ik Kan Niet Zwijgen

 

ZoekPoëzie 35: Ben Cami
Vier uitééngereten kinderen

 

ZoekPoëzie 36: Jan Kal & de kale berg
Mont Ventoux

 

ZoekPoëzie 37; Jac. van Hattum
Modern schilderij van een Fries dorp

 

ZoekPoëzie 38: Martinus Nijhoff & Simon Vestdijk
De ingenieur

 

ZoekPoëzie 39: Slauerhoff (3)
Paschen

 

ZoekPoëzie 40: Hans Andreus
Huizen op zwemvogelvoeten

 

Zoekpoëzie 41: Hans van de Waarsenburg
Berlin -1900- zoveel

 

ZoekPoëzie 42: Menno Wigman &  J.J.Slauerhoff (4)
Kaspar Hauser

 

 

 

 

 

 

 

 

Kaspar Hauser;

 

's werelds beroemdste vondeling

 

De kat van Menno Wigman, stadsdichter te Amsterdam, heet Kaspar.
     
Hij zei dat zondagavond aan het slot van een Slauerhoff-gala in Utrecht. En hij las daar ook zijn mooie ambachtelijke gedicht Kaspar Hauser voor. Geschreven omdat hij ondermeer geïnspireerd was door J.J. Slauerhoff, die ook een gedicht onder de titel Kaspar Hauser heeft geschreven. Net als trouwens Georg Trakl, Hans Arp en Paul Verlaine.

Kaspar Hauser was een fenomeen. De beroemdste vondeling uit de wereldgeschiedenis. Hij dook ineens op in Neurenberg op 26 mei 1828.
      Ongeveer zestien jaar oud, verwaarloosd en gehuld in lompen. Hij kon nauwelijks spreken en wist niet hoe hij moest lopen. Hij stamelde voortdurend het zinnetje: ’’Ik wil een ruiter zijn , zoals mijn vader’’.
     
Toen hij later een beetje leerde spreken, werd duidelijk dat hij al die jaren opgesloten was geweest in een donkere cel van twee meter bij 1.20 meter. Er was een bed van stro en een houten schommelpaard. Hij was grootgebracht door ‘een persoon’, die hem alleen water en brood gaf. In het celletje was een gat in de grond waar hij zijn behoeften deed.
     
Hij woonde in het plaatsje Ansbach. Een jaar nadat hij was opgedoken werd een moordaanslag op hem gepleegd. In 1833 werd hij in een park neergestoken. Hij overleed een dag later. 


Die mysterieuze omstandigheden en die twee moordaanslagen hebben geleid tot allerlei speculaties over zijn achtergrond. Niet alleen dichters hebben zich met hem beziggehouden, maar ook medici, filosofen en andere wetenschappers. Hij zou van adellijke afkomst zijn, hij zou het allemaal verzonnen hebben, hij zou niet vermoord zijn, maar zelfmoord gepleegd hebben.
     
Kortom: geweldig voer voor ’normale’ mensen.

  

                                                                       

                                                                                                         Van Menno Wigman

 

                                                          KASPAR HAUSER

 

Hier geen Natureingang.
Geen beek van zilver, gouden zonlicht, zeikgedicht.
Hij gaf niet om de zon.

Maar hoorde hij een klank, zag hij een vlam, dan greep
hij witheet met zijn hand.
Soms stond hij heilig met een schilderij te praten

of plantte hij bezorgd
een snijbloem in de aarde. Een kind van zeventien
met kelders in zijn ogen.

Afkomst verduisterd. Mensen die hem willen doden.
Zijn onbemande mond
die hulpeloos herhaalt wat hem was ingesproken:

`Ik wil een ruiter worden.'
Meer wist hij niet. En wij, wij leerden Kaspar kijken,
wilden zijn hoofd met Duits

verrijken, steenhard Duits dat al zijn schrik verdreef.
Maar het verklaarde niets.
En bastaardprins of niet, gelukkig werd hij nooit.

En nu is Kaspar dood.
En wij, wij leefden hem, beschreven hem in gloedvol
Duits dat niets doorzag.

- Breek alle pennen stuk. Tuig elke letter af.
Er is geen taal die troost,
geen woord dat bloost bij Kaspar en zijn hondendood.

 

 

 

Van J.J. Slauerhoff

 

Kaspar Hauser

 

In het halfdonker een kleine kluis
Bij den dood, daar ben ik thuis.

Daaruit ben ik weggenomen,
Hoe weet ik niet verdwaald gekomen,

Waar geen duistre stille wanden
Bestonden in ruimten en harde branden

Van beweging, geluid en lichten,
Waarin bewogen gedaanten, gezichten

Die alle kwamen om mij heen
Ik, eerst altijd alleen, alleen,

Wilde vluchten in den steen;
Door den muur kon ik niet heen.

Zij grepen, brachten mij ergens in,
Bij mannen met haren om hoofd en kin,

Bij vrouwen die zachte huiden dragen,
Mij met harden spot aanzagen.

Bij twee ben ik ingekeerd,
Heb het leven gejaagd geleerd.

Dag en nacht getallen, woorden,
Hoorde van geboorten en moorden.

Maar niets was van hen en mij samen,
Ik gaf het wel dezelfde namen,

Die kwamen enkel uit mijn mond;
Mijn hoofd waarin het niet bestond

Toen ik alleen in donker was
Zonder bloemen, zon en gras,

Was licht en droeg alleen mijn haar.
Nu is er vol angst een wereld zwaar.

Ik wil liever daar weer heen,
Zitten op den hollen steen,

Met het stille paardje spelen,
Met hem dood en duister delen.

Hij wil niet van water en brood,
Meer dan ik is hij toch dood.

Met hem dood en duister delen
En zijn stugge manen strelen.

In het halfdonker een kleine kluis
Bij den dood wil ik, naar huis

 

Van Paul Verlaine


Gaspar Hauser chante :

Je suis venu, calme orphelin
Riche de mes seuls yeux tranquilles,
Vers les hommes des grandes villes :
Ils ne m'ont pas trouvé malin.

A vingt ans un trouble nouveau,
Sous le nom d'amoureuses flammes,
M'a fait trouver belles les femmes :
Elles ne m'ont pas trouvé beau.

Bien que sans patrie et sans roi
Et très brave ne l'étant guère,
J'ai voulu mourir à la guerre :
La mort n'a pas voulu de moi.

Suis-je né trop tôt ou trop tard ?
Qu'est-ce que je fais en ce monde ?
Ô vous tous, ma peine est profonde :
Priez pour le pauvre Gaspard.

 

 

 

Van Georg Trakl

 

Kaspar Hauser Lied


Fuer Bessie Loos

 

Er wahrlich liebte die Sonne, die purpurn den Huegel hinabstieg,

Die Wege des Walds, den singenden Schwarzvogel

Und die Freude des Gruens.

Ernsthaft war sein Wohnen im Schatten des Baums

Und rein sein Antlitz.

Gott sprach eine sanfte Flamme (Verlaine) zu seinem Herzen:

O Mensch!

Stille fand sein Schritt die Stadt am Abend;

Die dunkle Klage seines Munds:

Ich will ein Reiter werden.

Ihm aber folgte Busch und Tier,

Haus und Daemmergarten weisser Menschen

Und sein Moerder suchte nach ihm.

Fruehling und Sommer und schoen der Herbst

Des Gerechten, sein leiser Schritt

An den dunklen Zimmern Traeumender hin.

Nachts blieb er mit seinem Stern allein;

Sah, dass Schnee fiel in kahles Gezweig

Und im daemmernden Hausflur den Schatten des Moerders.

Silbern sank des Ungebornen Haupt hin.

 

 

Van Hans Arp 

 

        kaspar ist tot

 

eh unser guter kaspar ist tot
wer trägt nun die brennende fahne im wolkenzopf verborgen täglich zum schwarzen schnippchen schlagen
wer dreht nun die kaffeemühle im urfass
wer lockt nun das idyllische reh aus der versteinerten tüte
wer verwirrt nun auf dem meere die schiffe mit der anrede parapluie und die winde mit dem zuruf bienenvater ozonspindel euer hochwohlgeboren
weh weh weh unser guter kaspar ist tot. heiliger bimbam kaspar ist tot.
die heufische klappern herzzerreissend vor leid in den glockenscheunen wenn man seinen vornamen ausspricht. darum seufze ich weiter seinen familiennamen kaspar kaspar kaspar.
warum hast du uns verlassen. in welche gestalt ist nun deine schöne grosse seele gewandert. bis du ein stern geworden oder eine kette aus wasser an einem heissen wirbelwind oder ein euter aus schwarzem licht oder ein durchsichtiger ziegel an der stöhnenden trommel des felsigen wesens.
jetzt vertrocknen unsere scheitel und sohlen und die feen liegen halbverkohlt auf dem scheiterhaufen.
jetzt donnert hinter der sonne die schwarze kegelbahn und keiner zieht mehr die kompasse und die räder der schiebkarren auf.
wer isst nun mit der phosphoreszierenden ratte am einsamen barfüssigen tisch.
wer verjagt nun den sirokkoko teufel wenn er die pferde verführen will.
wer erklärt uns die monogramme in den sternen
seine büste wird die kamine aller wahrhaft edlen menschen zieren doch das ist kein trost und schnupftabak für einen totenkopf.