Van Chris J. van Geel
Zomer
Snaren zijn langs het huis gespannen
Rode wingerdbladen liggen als de wangen
van wie hobo speelt -terwijl hij blies gebarsten.
Op zo’n hoge toon kan niemand leven. Vliegen
zoenen tegen glas. Nachtuilen wachten op de nacht.
Echte vlinders bezetten een breed blauw bed,
eten terwijl zij haar vleugels openen en sluiten;
vluchten, betrapt op langer leven dan een dag.
Voor hen zijn er bloemen die hen wegen.
De zee beweegt haast niet. De zon schijnt er op niets.
Liefste langs de pier, zij vist de allerkleinste zeester,
het oog groen groen als ze uit haar ooghoek kijkt-
er is een steentje van regen in verborgen, water van
hagel, haren van sneeuw, witte handen, witte honden,
plekken sneeuw,
witte nachtjapon van witte pauwen, nachtpauwogen,
bloesemend grint.
Het blijft niet, het wordt herfst, de lucht hangt vol bewegen,
molentjes van eikenblaren. Overal ligt het smeulend geel
uit het binnenste vuur van de aarde.
Goudvisjes die zich donkerder schamen
zijn de wingerdbladen.

