Poëzie is de drempel van het gesticht
In 1969 verscheen de opmerkelijke bundel: Boerengedichten.
De poëet was: Habakuk II de Balker.
Wie was Habakuk II de Balker?
De kleine kring mensen in Nederland, die geïnteresseerd was in poëzie vroeg zich dit af.
Habakuk! Dat was een Oud-testamentische heilsprofeet of een boeteprofeet.
Maar wat had dit van doen met het boerenleven? En wie opende een dichtbundel met de opmerkelijke zin:
‘Ik loop liever door brandnetels dan dat ik poëzie lees/laat staan schrijf’’
Als dit persiflage was dan was het zeer goed geschreven persiflage.
Hugo Claus werd genoemd. Lucebert. Johnny van Doorn.
Twee jaar later maakte de auteur zichzelf bekend.
Het was H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt. Geboren in 1938 te Usseloo gemeente Enschede.
Een man, die al op 11-jarige leeftijd zijn eerste gedichten schreef.
Een man, die in de jaren daarna een groot aantal dichtbundels liet verschijnen.
Hij oogstte bewondering, kreeg grote waardering maar werd nauwelijks gelezen..
Ontving eerst de Herman Gorterprijs.
Daarna volgden de Henriëtte Roland Holstprijs en de Constantijn Huygensprijs.
In 2003 ontving hij de P.C.Hooftprijs en behoorde hij zonder dat ooit geambieerd te hebben tot het establishment.
De laatste jaren publiceert hij nauwelijks meer. Hij leeft tegenwoordig teruggetrokken in een woning te Nijmegen.
In 2003 heb ik hem een uur lang voor de VPRO-microfoon geïnterviewd.
Ter voorbereiding had ik ondermeer een paar typeringen opgeschreven:
Een knorrige, boerse, weerbarstige, opstandige, vrolijke dichter.
Een merkwaardige persoonlijkheid, belezen, maatschappelijk betrokken, een milieuprofeet, een oude bard, een volbloed poëet.
Over poëzie deed hij soms opmerkelijke, soms provocerende uitspraken.
Ik heb er een paar op een rijtje gezet:
--- Poëzie is een vlaggetje dat wappert boven de woede
--- Dichters zijn de fossielen van onze tijd
--- Geen douane aan de grenzen van de poëzie
--- Iedereen schrijft; niemand leest
--- Poëzie is de drempel van het gesticht
--- Poëzie is corned beef, gemalen hart-klop en fakkel van afval
Van H.H. ter Balkt
Poëzie
Poëzie is de drempel van het gesticht
is de wolf in het schaap, laat het fata
morgana zien, dompelt dan dodelijker,
dieper, je lijf in de helse woestijn.
Poëzie is een cent in Siberië
is een kraan zonder water, een hond op zee.
Niet? Achter de feiten komen de begrippen.
Achter de fielt kermt zijn stukgetrapt land.
Jaren nadat van plunderaars de stad kraakt
telt haar naam ofschoon ze dan niet langer
bestaat dan als naam. Denk aan Carthago,
denk aan jezelf en het sluimerend zout.
Poëzie is geen leeuw, is geen leeuw
Wallace Stevens, doodt geen man nee,
enkel fokt zij koudbloedig virussen
in haar heilig huis van ondermijning
van ondermijning, twijfel; zwak siersel,
verft het zout blauw op de bovenste plank
in het tochtiger wordende huis.
Je poëzie is een stuiver in Siberië , vlo
in de koningshals, goud in het pakijs.
Poëzie volgt de mens op de voet.
En poëzie is corned beef, gemalen hart-
klop en fakkel van afval, gevoelens
ingeblikt in de allesbehalve roestvrije vorm:
volksvoedsel voor het leger te velde
dat tegen abattoirs vecht als voor eeuwen
Don Quichotte tegen de windmolens.
Koud als kerstmis, doof als pasen wankelt
poëzie van slag- naar slagveld en bloedig
kruispunt, geweven leeuw in gerafelde
vlaggen, Wallace, bijna menselijk is zij; ja!
En verandert de ekster die een dief is, door
omschrijvingen, door foto’s van gedrag? Poëzie
nestelt en steelt, als de ekster, en haar
enige pretentie is: zijn je lepels
nog bij je? Is het koper of zilver wat er
schittert in je huis? Poëzie is een rover
is een uitgeschudde cent in Siberië , verft
het zout blauw in de stenen potten
is wreed en kwaadaardig lieve vriend/zoals jij.
Bij de zoute gong
Dof, inwisselbaar, bedaard, kil, onverkwikkelijk
vilein, twistziek, gekromd, mistig, grofbesnaard,
sleepte geklauwd, berekenend, boosaardig, listig,
eeuwenlang leven zich voort naast de zoute gong
Ingekeerd, angstig, stoomden ijzer en bronstijd
zeer op hun hoede, rauw, en somber, ongezouten
wetten in de ruwwandige kookpotten aan de zee…;
dommelend reden voerlui aan op slapende wegen;
mist, dichte regens, dempten de stemmen, dempten
de harten; moede, laagstaande zon bescheen zwak
rood, geluidswallen van riet en druppelend lover
Grauw de wielen van de wagens op de bodem van lege
wegen; ’koude kleren draagt ’t land’, zong ’t lied
van de zwepen; hier, bij de zoute gong van de zee
Je moet eigenlijk naar de dichter zelf luisteren
Dat kan!
Luister dan HIER naar het interview dat ik in 2003 met hem had.

Uw bloghouder (links) in gesprek met H.H. ter Balkt.

