Josefien

 

Spiritueel niemandsland

ARME-IK-SYNDROOM

Het duizelt haar. Josefien. Haar beste vriendin Daphne heeft haar de les gelezen. Josefien moet aan zichzelf werken. Zij moet meer zelfvertrouwen krijgen.
Daar heeft ze behoorlijk van wakker gelegen, want:
      ‘Hoe doe je dat?’

Josefien heeft urenlang gegoogeld. Zij las over minderwaardigheidsgevoelens; gevoelens van eenzaamheid. Over angst en onzekerheid en over het ‘arme-ik-syndroom’.
      Dat laatste vindt ze wel herkenbaar.
‘Als je in een spiritueel niemandsland leeft is dat bijna te vergelijken met zelfmoord’, leest Josefien tot haar grote schrik.

LIEFDE & RODDEL  

Neem nou haar chef Joost Cornet, hoofd van de afdeling Financiën van het kantoor van de papierfabriek aan de Prinsengracht in Amsterdam. Die zat er altijd zo rustig en zelfverzekerd bij. Hield natuurlijk heel veel van zichzelf.
      Maar Joost wist niet, dat de collega’s erg over hem roddelden. Dat ‘ie helemaal niet zo populair was als hij dacht. Vooral bij de vrouwen.
      Josefien vond Joost daarentegen wel leuk. Aantrekkelijk zelfs. Maar ja. Liefde op het werk. Dat gaf alleen maar problemen. Bovendien geloofde ze absoluut niet dat ‘vlotte Joost’ zoals ze hem in stilte noemde iets in haar zag. Hij keek bijvoorbeeld nogal vaak naar Rietje Meinders en gaf háár alleen een complimentje als ze de planten water gaf.

Zij leest in een oud psychologieboek van haar moeder, dat zij vertrouwen in zichzelf kan krijgen door dagelijks een paar maal hardop het volgende zinnetje te zeggen:
      ‘Ik ben voor succes geboren’.

MOOIE BUURVROUW  

Zij gaat naar de badkamer waar haar buurvrouw Laila Hensen een nieuwe spiegel heeft opgehangen. Daar is ze goed in, Laila. En niet alleen daarin.
      Een mooie vrouw. Bereisd en belezen. Zij is net zo oud als Josefien, maar ziet er veel jonger uit.
      Prachtig strak figuur met een slanke taille. Donker krullend haar, volle lippen. Mooie broekpakken en korte jurkjes. Hakken.

Ze heeft een veel jongere vriend, die regelmatig blijft slapen. Dat heeft Josefien ‘heus wel’ in de gaten. Maar ze heeft er nooit iets over durven zeggen. Peter, heette hij. Peter Daamen.
      Hou oud zou hij trouwens zijn? Niet veel ouder dan 35. Schat Josefien.
Ze denkt dat Laila haar maar een tutje vindt. En dat was natuurlijk ook wel terecht.
      En dan schrikt ze. Zo’n gedachte was nu precies waar het om ging. Ze moest dergelijke gedachtes verwerpen.
Ze kijkt in de spiegel , haalt diep adem en repeteert:

 

 

 

 

 

De Molen

 

MOOIE NEL  


Josefien kijkt vanuit haar huisje aan de Vondelweg in Haarlem naar de mooie molen, die in Spaarndam aan het Spaarne ligt. Mooie Nel heet het daar. Sommige mensen noemen het Mooie Hel, maar dat vindt Josefien niets.
      Ze woont nog altijd bij haar moeder, die inmiddels tegen de tachtig loopt. Josefien vindt het altijd prettig als de molen draait, want dan wordt het minder druk in haar hoofd. Haar moeder heeft dat ook.

De molen heet Slokop. Rare naam voor een molen, vindt Josefien. Ooit had haar beste vriendin Daphne molenaar Jurriën van Run gevraagd om de wieken te laten draaien. Op de verjaardag van haar moeder.
      Een cadeautje, waaraan meneer van Run graag had meegewerkt. Josefien was haar vriendin toen heel dankbaar geweest, want zelf zou ze zoiets nooit durven vragen.
Haar moeder zei nog:
      ‘Wie heeft dit geregeld. Jij toch niet zeker?’

Maar vanochtend komt ze niet tot rust. Josefien. Ze heeft ook slecht geslapen. Gisteren had zij bij Brinkmann op de Grote Markt een afspraak met Daphne. Die wilde eens serieus met haar praten. Josefien had zich daar nogal druk over gemaakt. Wat zou Daphne daar nou toch in ’s hemelsnaam mee bedoelen?

Maar ze was Harry Daudeij tegengekomen. Hij ging met haar mee bij Brinkmann naar binnen en toen had Daphne alleen maar oog voor Harry gehad. Josefien was een beetje jaloers geworden en had gezegd dat ze even naar het toilet moest. Toen was ze de deur uitgelopen en met bus 5 naar huis gegaan.
Ze had haar vriendin gewoon laten zitten.
      Zou ze Daphne bellen? Maar wat moest ze dan zeggen?


RONDJE SPAARNE  

Ze besluit tot ‘een rondje Spaarne’. Op de fiets de Vondelweg uit, over de Slaperdijk naar Spaarndam, langs het beeldje van Hansje Brinker, voorbij de molen en via Haarlemmerliede weer terug. Dat doet ze vaker. Josefien. Het is een kilometer of twintig. Soms gaat ze langs het Spaarne lopen en neemt ze haar moeder in een rolstoel mee, maar daar heeft ze vandaag geen zin in.

Even vergeet ze haar zorgen. Maar bij ijsclub Nova Zembla ringelt haar mobieltje. Op het schermpje verschijnt de naam: Daphne. Ze schrikt. Josefien. Dan besluit ze te antwoorden.
      ‘Waar bleef je nou?’, vraagt Daphne.
      ‘Ik eh.. Nou ja, eh. Je zat zo met die Harry te praten en toen dacht ik eh. ‘.
     
      ‘Wat dacht je dan?’, onderbreekt Daphne.
      ‘Jij neemt hem mee en laat mij zitten. Jij scheept mij met hem op. Uitgerekend zo’n eikel. Met zijn rare grijze baardje‘.

Josefien schrikt en stamelt:
      ’Ik dacht dat je hem leuk vond’.

      ‘Leuk, Leuk!’, onderbreekt Daphne.
      ‘Niks leuk. Helemaal niet leuk. Ik moest nog voor hem betalen ook‘.
En dan:
      ‘Dat is nou precies jouw probleem. Jij doet iets stoms en dan raak je in paniek. Altijd. En anderen worden daar slachtoffer van. Maar dat moet veranderen. Je gaat maar eens aan jezelf werken. Je moet meer zelfvertrouwen krijgen‘.

Daphne verbreekt de verbinding en Josefien staat stijf van schrik.
      ‘Meer zelfvertrouwen?
      Zij?’

 

 

 

 

 

 

Het standbeeld

 

BUS 5  


Ze heeft de bus genomen. Josefien. Bus 5 van de Vondelweg naar de Grote Markt in Haarlem. Haar linkerhand zit in het verband en ook haar rechtervoet. Snijwonden omdat haar badkamerspiegel in duizend stukken is gevallen. Haar schoenen passen niet meer en daarom heeft ze sloffen aan.
      Een meneer wil haar de bus uithelpen, maar dat weigert ze. ‘Aan mijn lijf geen polonaise’, is immers haar motto.

Ze heeft een afspraak met haar beste vriendin Daphne. Al een week vraagt ze zich bezorgd af waarom ze hebben afgesproken bij Grand Café Brinkmann en niet gewoon bij haar thuis. Daphne wil ‘eens serieus met haar praten’, zoals ze dat had uitgedrukt.
      ’Waar zou dat nou toch over gaan?’

De afspraak is om half vijf. Josefien is veel te vroeg. Ze durft niet in haar eentje bij Brinkmann naar binnen te gaan.
      Daarom loopt ze maar wat over de Grote Markt. Bij het standbeeld van Loutje Coster blijft ze staan. Uitvinder van de boekdrukkunst. Haarlemmer. Boze tongen beweren dat de Duitser Gutenberg de echte uitvinder is, maar dat gelooft Josefien niet.

      ‘Hallo!’.

Ze kijkt om.
      Harry Daudeij. Uitgerekend Harry Daudeij.  Die kent ze nog van de computercursus, die ze een tijdje geleden gevolgd heeft. Een vlotte man . Goed gebekt. Lang grijs haar met een baardje. Josefien was in stilte een beetje verliefd op hem geweest.

      ‘Alleen op stap?’, vraagt Harry.
      ‘Zullen we even wat drinken. Daar’.

Hij wijst naar Brinkmann. Josefien weet niet goed wat ze moet doen.
      Ze kijkt op de klok van het stadhuis en ziet dat het bijna tijd is.

      ‘Eh… ik heb al een afspraak’, stamelt ze en krijgt een kleur.
Harry kijkt naar haar sloffen en haar verbonden hand en zegt:
      ‘Kom. Ik begeleid je even naar binnen’.

Hij pakt haar arm; ze gaan naar binnen en daar zit Daphne al aan een tafeltje bij het raam. Ze gaan bij haar zitten en Harry wenkt vlot een ober.
      Josefien ziet direct dat Daphne gecharmeerd is van die gesoigneerde rijzige man.
     
      ‘Wat zal het zijn dames? Ik neem een roséétje’.
Daphne kijkt hem aan en zegt:
      ‘Vooruit. Ik ook maar’.

Josefien valt stil. Eigenlijk drinkt ze nooit alcohol.
      Ze wil met Daphne praten.
      Begrijpen wat ze bedoelt.
      Weten wat er aan de hand is.

Maar Daphne heeft alleen maar oog voor Harry. Ze lachen om iets wat ze in haar verwarring niet verstaat. Daphne legt zelfs even haar hand op zijn arm.
      Josefien voelt een schok van jaloezie.

      ‘Sorry ‘, zegt ze.
      ‘Ik moet even naar het toilet‘.

Ze staat op en snelt naar buiten.

 

 

 

 

 

De badkamerspiegel



EEN BEETJE ZENUWACHTIG


Ze is een beetje zenuwachtig. Josefien. Haar beste vriendin Daphne wil eens ‘serieus’met haar praten. Wat zou ze daar nou toch mee bedoelen? En waarom komt ze niet gewoon naar haar toe aan de Vondelweg in Haarlem, maar is er afgesproken bij restaurant Brinkmann op de Grote Markt?

‘Zou Daphne problemen hebben?’
      ‘Of heeft het iets met haar te maken?

De afspraak is gemaakt nadat ze die ‘rot kast’ helemaal in het Groningse Thesinge hadden opgehaald.
       Daphne en zij waren op de terugweg nogal stil geweest.

Ze zou hun vriendschap toch niet willen beëindigen?’, dacht Josefien ineens geschrokken.
      Daphne was ooit getrouwd. Haar man Frits Augustin was er met zo’n jong ding vandoor gegaan.
      Ria heette ze. Ria Huijbens.

Gelukkig had Daphne geen kinderen. Dus dat kon het niet zijn.
      ‘Zou ze misschien een nieuwe man hebben? En geen tijd meer voor haar vriendin?'

WOMANISER  


Het is zaterdag en de afspraak was pas de volgende week vrijdag. 
      ‘Waarom moest ze zo lang wachten?’
‘Zou ze er met Joost Cornet over praten? Haar chef op de afdeling Financiën van het kantoor van de papierfabriek aan de Prinsengracht in Amsterdam?’
      ‘Als er wat is, kun je altijd bij me aankloppen‘, had Joost eens gezegd.
      ‘Ook als het privé is. Ik zal er voor je zijn’.

Josefien was daar toen nogal van geschrokken. Joost stond een beetje bekend als womaniser.
      ‘Hij wilde haar toch niet versieren’, had Josefien toen gedacht.

      ‘Zou Joost?
      Nee!’
En toen hevig geschrokken:
      ‘Daphne zou toch niet…..?’


Josefien schokt. En slaat de hand voor haar mond.
      Huilt zacht. 
     

 Bloed verspreidt zich over de witte tegels van de badkamer.

 

De slaapkamerkast

Van Haarlem naar Thesinge

Josefien heeft via Marktplaats een antieke slaapkamerkast gekocht. Ze moet van haar woning aan de Vondelweg in Haarlem naar de heer en mevrouw Wout van Dam en Josje van Dijk, die in het Groningse plaatsje Thesinge aan de G.N. Schutterlaan wonen.
      ‘Door de polders langs Almere naar Groningen; de N 360 richting Delfzijl en dan de afslag Thesinge nemen’, had meneer van Dam gemaild.

Josefien is een beetje zenuwachtig. Ze rijdt eigenlijk nooit zulke grote afstanden. Bovendien is het de eerste keer dat ze met een boedelbak achter haar Volkswagen Golf moet rijden.
      Ze heeft haar vriendin Daphne gevraagd om mee te gaan. Dat is niet alleen gezellig, maar Daphne heeft een TomTom en weet ook nog hoe je die moet instellen. Bovendien kunnen ze de kast dan met z’n tweeën inladen en vastmaken.

De heenweg verloopt voorspoedig. Als Josefien de kast ziet valt het ding haar tegen. De kast is kleiner dan ze gedacht had en ziet er een beetje te nieuw uit. Maar ze durft daar niets van te zeggen ook al omdat Daphne in een kamer vol met cactussen, heel enthousiast met Josje van Dijk over kleer- en ladekasten praat.
Zo te horen heeft Josje er veel verstand van.
      ‘En dat voor maar 895 Euro’, hoort ze haar vriendin zeggen.

De kast wordt met dikke touwen in de boedelbak bevestigd, waarna Josefien en Daphne weer richting huis gaan. Ze rijdt de Schutterlaan uit richting Molenweg tot de donkere stem van de TomTom klinkt.

      ‘KEER OM. KEER OM’. Luid en duidelijk.

Josefien stopt bij een boerderij en gaat op de Molenweg keren.
      Ze heeft dat nog nooit met een aanhanger gedaan en begrijpt niet dat ze moet tegensturen.
      ‘Stop’, roept Daphne. ‘Stop. Je moet de andere kant opsturen’.

Josefien gaat op haar rem staan en ziet dat de boedelbak haaks achter haar auto hangt.
      ‘Langzaam weer optrekken’, zegt Daphne.

Josefien is echter in paniek. Van rechts komt een auto die er niet door kan. De boer en boerin zijn naar buiten gegaan en kijken het allemaal aan.
      Ze doet haar linkerportier omlaag, steekt haar hoofd uit het raam en laat haar koppeling zó snel opkomen dat de motor afslaat.
      Ze probeert opnieuw te starten maar is inmiddels zo in de war en opgefokt, dat ze per ongeluk het knopje van de elektrische vergrendeling indrukt. Terwijl haar hoofd nog buiten het portier is, komt het raam langzaam omhoog.

En daar zit ze: Josefien. Geschaard op een weg in Thesinge Groningen. Beklemd met een raam in haar kin. Een raam bovendien dat drukt en nog hoger op wil.

Daphne blijft rustig en drukt het knopje weer in.
      Josefien schokt en huilt.

      ‘Laat mij het maar doen’, zegt Daphne.