De Molen

 

MOOIE NEL  


Josefien kijkt vanuit haar huisje aan de Vondelweg in Haarlem naar de mooie molen, die in Spaarndam aan het Spaarne ligt. Mooie Nel heet het daar. Sommige mensen noemen het Mooie Hel, maar dat vindt Josefien niets.
      Ze woont nog altijd bij haar moeder, die inmiddels tegen de tachtig loopt. Josefien vindt het altijd prettig als de molen draait, want dan wordt het minder druk in haar hoofd. Haar moeder heeft dat ook.

De molen heet Slokop. Rare naam voor een molen, vindt Josefien. Ooit had haar beste vriendin Daphne molenaar Jurriën van Run gevraagd om de wieken te laten draaien. Op de verjaardag van haar moeder.
      Een cadeautje, waaraan meneer van Run graag had meegewerkt. Josefien was haar vriendin toen heel dankbaar geweest, want zelf zou ze zoiets nooit durven vragen.
Haar moeder zei nog:
      ‘Wie heeft dit geregeld. Jij toch niet zeker?’

Maar vanochtend komt ze niet tot rust. Josefien. Ze heeft ook slecht geslapen. Gisteren had zij bij Brinkmann op de Grote Markt een afspraak met Daphne. Die wilde eens serieus met haar praten. Josefien had zich daar nogal druk over gemaakt. Wat zou Daphne daar nou toch in ’s hemelsnaam mee bedoelen?

Maar ze was Harry Daudeij tegengekomen. Hij ging met haar mee bij Brinkmann naar binnen en toen had Daphne alleen maar oog voor Harry gehad. Josefien was een beetje jaloers geworden en had gezegd dat ze even naar het toilet moest. Toen was ze de deur uitgelopen en met bus 5 naar huis gegaan.
Ze had haar vriendin gewoon laten zitten.
      Zou ze Daphne bellen? Maar wat moest ze dan zeggen?


RONDJE SPAARNE  

Ze besluit tot ‘een rondje Spaarne’. Op de fiets de Vondelweg uit, over de Slaperdijk naar Spaarndam, langs het beeldje van Hansje Brinker, voorbij de molen en via Haarlemmerliede weer terug. Dat doet ze vaker. Josefien. Het is een kilometer of twintig. Soms gaat ze langs het Spaarne lopen en neemt ze haar moeder in een rolstoel mee, maar daar heeft ze vandaag geen zin in.

Even vergeet ze haar zorgen. Maar bij ijsclub Nova Zembla ringelt haar mobieltje. Op het schermpje verschijnt de naam: Daphne. Ze schrikt. Josefien. Dan besluit ze te antwoorden.
      ‘Waar bleef je nou?’, vraagt Daphne.
      ‘Ik eh.. Nou ja, eh. Je zat zo met die Harry te praten en toen dacht ik eh. ‘.
     
      ‘Wat dacht je dan?’, onderbreekt Daphne.
      ‘Jij neemt hem mee en laat mij zitten. Jij scheept mij met hem op. Uitgerekend zo’n eikel. Met zijn rare grijze baardje‘.

Josefien schrikt en stamelt:
      ’Ik dacht dat je hem leuk vond’.

      ‘Leuk, Leuk!’, onderbreekt Daphne.
      ‘Niks leuk. Helemaal niet leuk. Ik moest nog voor hem betalen ook‘.
En dan:
      ‘Dat is nou precies jouw probleem. Jij doet iets stoms en dan raak je in paniek. Altijd. En anderen worden daar slachtoffer van. Maar dat moet veranderen. Je gaat maar eens aan jezelf werken. Je moet meer zelfvertrouwen krijgen‘.

Daphne verbreekt de verbinding en Josefien staat stijf van schrik.
      ‘Meer zelfvertrouwen?
      Zij?’