Het standbeeld

 

BUS 5  


Ze heeft de bus genomen. Josefien. Bus 5 van de Vondelweg naar de Grote Markt in Haarlem. Haar linkerhand zit in het verband en ook haar rechtervoet. Snijwonden omdat haar badkamerspiegel in duizend stukken is gevallen. Haar schoenen passen niet meer en daarom heeft ze sloffen aan.
      Een meneer wil haar de bus uithelpen, maar dat weigert ze. ‘Aan mijn lijf geen polonaise’, is immers haar motto.

Ze heeft een afspraak met haar beste vriendin Daphne. Al een week vraagt ze zich bezorgd af waarom ze hebben afgesproken bij Grand Café Brinkmann en niet gewoon bij haar thuis. Daphne wil ‘eens serieus met haar praten’, zoals ze dat had uitgedrukt.
      ’Waar zou dat nou toch over gaan?’

De afspraak is om half vijf. Josefien is veel te vroeg. Ze durft niet in haar eentje bij Brinkmann naar binnen te gaan.
      Daarom loopt ze maar wat over de Grote Markt. Bij het standbeeld van Loutje Coster blijft ze staan. Uitvinder van de boekdrukkunst. Haarlemmer. Boze tongen beweren dat de Duitser Gutenberg de echte uitvinder is, maar dat gelooft Josefien niet.

      ‘Hallo!’.

Ze kijkt om.
      Harry Daudeij. Uitgerekend Harry Daudeij.  Die kent ze nog van de computercursus, die ze een tijdje geleden gevolgd heeft. Een vlotte man . Goed gebekt. Lang grijs haar met een baardje. Josefien was in stilte een beetje verliefd op hem geweest.

      ‘Alleen op stap?’, vraagt Harry.
      ‘Zullen we even wat drinken. Daar’.

Hij wijst naar Brinkmann. Josefien weet niet goed wat ze moet doen.
      Ze kijkt op de klok van het stadhuis en ziet dat het bijna tijd is.

      ‘Eh… ik heb al een afspraak’, stamelt ze en krijgt een kleur.
Harry kijkt naar haar sloffen en haar verbonden hand en zegt:
      ‘Kom. Ik begeleid je even naar binnen’.

Hij pakt haar arm; ze gaan naar binnen en daar zit Daphne al aan een tafeltje bij het raam. Ze gaan bij haar zitten en Harry wenkt vlot een ober.
      Josefien ziet direct dat Daphne gecharmeerd is van die gesoigneerde rijzige man.
     
      ‘Wat zal het zijn dames? Ik neem een roséétje’.
Daphne kijkt hem aan en zegt:
      ‘Vooruit. Ik ook maar’.

Josefien valt stil. Eigenlijk drinkt ze nooit alcohol.
      Ze wil met Daphne praten.
      Begrijpen wat ze bedoelt.
      Weten wat er aan de hand is.

Maar Daphne heeft alleen maar oog voor Harry. Ze lachen om iets wat ze in haar verwarring niet verstaat. Daphne legt zelfs even haar hand op zijn arm.
      Josefien voelt een schok van jaloezie.

      ‘Sorry ‘, zegt ze.
      ‘Ik moet even naar het toilet‘.

Ze staat op en snelt naar buiten.