Van Rotterdam naar Greystones

'Els Smit is ruim vijftig jaar werkzaam in de journalistiek. Debuteerde in 1970 bij het Dagblad De Stem in Breda, waar ik toen ook actief was. Later werkte zij ondermeer bij Het Vrije Volk, de NRC en het Algemeen Dagblad. 
Ze maakte daarnaast gedurende dertig jaar radioprogramma's en schreef een bundel reisverhalen, een boek over het Metropole Orkest en twee boeken over de kledingontwerpers en de juwelen van het Nederlandse koningshuis die beide bestselllers werden.

Bij het A.D. leerde zij Peter den Boer kennen met wie zij een innige band kreeg. Zo’n kleine tien jaar geleden werd bij hem fronto-temporale dementie geconstateerd.  Er volgde een jarenlang aftakelingsproces. Vorig jaar september is hij overleden.

Peter den Boer was een bewonderaar van het werk van Marten Toonder, de schepper van Tom Poes en Olivier B.Bommel. Els voerde een aantal lange telefonische gesprekken met Toonder en bezocht hem in het Ierse plaatsje Greystones. Een curieuze ontmoeting.

Hoe dat zo kwam en wat dat allemaal met haar leven te maken had vertelt zij in deze gelaagde en prachtige ode aan haar man, Peter den Boer. En voor een beter begrip moet u af en toe hardop 'Jllch zeggen.
 

Toonder, Peter and Me

Hoe kunnen drie levens zo met elkaar verweven raken? Toonder zou er ongetwijfeld een mening over hebben gehad. Mijn man, Peter den Boer, was op dit punt sowieso minder verbaasd dan ik: ‘Het leven bestaat uit tachtig mensen en die komen elkaar voortdurend tegen.’

Ik kende Marten al lang voordat ik Peter ontmoette. En ik moest aanvankelijk niets van hem hebben. Van Marten dan. Dat kwam door mijn moeder. Ik ben van 1950. Dus kinderen moesten het, in die naoorlogse jaren, beter krijgen dan hun ouders. Het parool was: lezen. Boeken als cadeau met Sinterklaas, de jeugdbibliotheek. Ook wie een prijs won (schoolquiz, declameren, een sportevenement) kreeg een boek. Strips waren taboe.
       Tekeningen met uitsluitend eenlettergrepige verbale uitingen van emoties en leed: het was allemaal zó primitief, jllch. Een gevaar voor de jeugd.

      In de NRC die begin jaren zestig bij ons thuis in Rotterdam de plaats innam van Het Vrije Volk stonden natuurlijk de Bommelverhalen. Met tekeningen. Drie plaatjes per keer. Mijn moeder las die strip als een soort snoepje-van-de-week na alle nederig makende high brow verslagen van de krant.
      ‘Dit moet je ook lezen,’ zei ze tegen me. ‘het zijn sprookjes. Je houdt toch zo van sprookjes.’
      ‘Maar het zijn strips,’
zei ik.
      ‘Ach, dit zijn geen strips’ zei ze.

Ik vond dat een rare opmerking en absoluut niet consequent. Maar ja, ik zou immers gauw gaan studeren en, in Utrecht, op kamers gaan wonen. Ik liet het maar zo.
      Echter, op die School voor de Journalistiek meldde zich al meteen in het eerste jaar Marten. De wereld heeft nu dr Jill Biden, maar wij hadden in 1967 dr Blok. Gepromoveerd neerlandicus, zo droog als gort, houterig in zijn bewegingen, immer de blik op oneindig, maar wezenloos van de Bommelstrips.
      Ik wist niet wat ik hoorde. We kregen zelfs Bommelstrips mee als huiswerk.

Want:
      ‘Kort schrijven is een voorwaarde van goede journalistiek: korte woorden, maar vooral korte zinnen. En niet zomaar korte zinnen, maar zinnen met inhoud.’ Dat is nog niet zo eenvoudig, dus ik begreep dr Blok wel.
      ‘The medium is the message’, leerde ik het college massacommunicatie.
Maar ook als huiswerk heb ik de strips toch links laten liggen. Vanwege een diepgeworteld jllch.

Aan de andere kant: dat kort formuleren in nieuwsberichten, in verhalen vond ik wel wat. Het werkte. Het dwingt jezelf om je fantastische gedachten in te dikken. En je stijl knapt er in de regel behoorlijk van op.    

Bommelfiguren

Intussen las mijn moeder thuis de Bommelverhalen onverdroten verder. En zoals dat met vrijwel alle Bommellezers gaat, raakte haar conversatie gaandeweg doorspekt met Bommel: Bommelfiguren, Bommeluitdrukkingen. Ze ontmoette eens een corpulente chef-nieuwsdienst van het dagblad De Stem in Breda waar ik in 1970 mijn debuut maakte, en hij werd onmiddellijk, met enig recht moet ik zeggen, geëtiketteerd als ‘Wammes Waggel’. Ook als ze volstrekt duidelijk was in wat ze van iets vond, onderstreepte ze haar betoog enigszins dreigend met: ‘Als je begrijpt wat ik bedoel.’

Veel later zei Toonder tegen me: ‘Die beer roept dat niet voor niets. Mensen zoeken altijd naar iemand die begrijpt wat ze bedoelen. Een goed huwelijk stoelt op begrippen, niet op woorden. Als het weten wat erachter de woorden schuilt er niet is, loopt het altijd vast. Dan gaan ze schreeuwen.’

      Na twee jaar in de provincie kreeg ik ernstige heimwee naar de Maas (de Nieuwe Maas). Rotterdam dus.
‘Steden met water, tja, ze blijven altijd trekken,’ zei mijn nieuwe collega Gerard Mulder. Hij zou een paar jaar later grondig gedocumenteerde boeken gaan schrijven over onder meer de val van het landelijke dagblad Het Vrije Volk en over prins Hendrik, de echtgenoot van koningin Wilhelmina. Vooralsnog waren we jonge maatjes bij Het Vrije Volk dat zich had teruggetrokken in Rotterdam.
      Alleen, tja, Gerard was een Bommellezer. Hoe aardig ik hem ook vond, dit was bepaald een punt in zijn nadeel. Bovendien begreep ik hierdoor de helft van wat hij zei (en dat was erg veel) niet.
      En toen zei hij tegen me: ‘Jij lijkt af en toe zo vreselijk op Tom Poes.’
I
k vatte het even niet.
     ‘’Nou, jij kan soms zo hartgrondig “Hm” zeggen.
     “Hm” ?’
vroeg ik.
En Gerard: ‘Ja, dat zegt Tom Poes altijd als Bommel een betoog houdt waarvan het waarheidsgehalte twijfelachtig is''
     ‘Hm’
, zei ik, maar dat deed ik expres.

Toch, er was een begin van zelftwijfel. Moest ik Strips gaan lezen? Maar nee, er waren grenzen.

 Algemeen Dagblad   

Gerard ging en de NRC-redactie kwam op mijn pad, de NRC ging en na wat omzwervingen trad ik in 1988, eindelijk eens goed betaald, in dienst van het Algemeen Dagblad.

En daar was Peter. Peter den Boer,1 meter 94, begenadigd adjunct-hoofdredacteur, erudiet, charmant en buitengemeen geestig. Ik wist niet wat ik zag.
      ‘Ik ook niet’, zei hij later.
Er was alleen één klein gebrek. Hij was een Bommelkenner. Geen Bommel-fan, daar was z’n karakter niet naar. Maar wel een bewonderaar van Toonders werk. Dus tussen die duizenden boeken van ons samen in dat prille tweepersoonshuishouden werden al meteen drie lijvige planken in beslag genomen door de verzameling Bezige Bij Bommelboeken. Ik keek er nooit in.
      ‘Gebrek aan je opvoeding, Smit,’ zei Peter en hij sloeg waarschijnlijk de spijker op z’n kop.
Niet merkbaar begaan met mijn manco en nimmer van zins om zichzelf te laten ondersneeuwen, doorspekte nu dus ook mijn echtgenoot zijn waarnemingen (en Peter zag heel veel: bij mensen, in dingen) met Bommel. En deze keer was er geen ontkomen aan.
      Dus was zijn reactie op mijn periodiek optredende lamentaties over onrecht mij aangedaan steevast: ‘Ik zie dat zo vaak in mijn praktijk.’ Eerst dacht ik dat hij het over zijn ervaring als adjunct had, maar hij citeerde, zo begreep ik al gauw, professor Sickbock. Natuurlijk wist Peter dat deze geit een sadistische niet te hebben, notoir onbetrouwbare zielknijper was, maar Peter was een mens van vele lagen. Achter ieder decor school een andere coulisse. Tot, dacht ik wel eens, in het oneindige. Niet om de pedaalemmerpsycholoog uit te hangen, maar God weet begreep Peter wat Toonder bedoelde.
      Op een gegeven moment heb ik daarom besloten om wat Peter op dit stuk ook citeerde op te vatten als lief en betrokken bij ons beider welzijn.
      Niettemin sprak Peter voor mij vaak in raadselen.

Tenerife
Zoals toen op Tenerife.
‘Overal waar het massatoerisme toeslaat, wordt steeds minder overgelaten aan de verbeelding’, schreef Matthieu Smedts, oud-hoofdredacteur van Vrij Nederland ooit.
En dat heb ík nou eens vaak in mijn praktijk gezien. Zo ook op de Canarische eilanden. Wie er gevoelig voor is, kan daar oerkrachten voelen: in de altijd zichtbare oceaan, in de passaat die over de bergketens kolkt en natuurlijk in de lava die bijvoorbeeld op het lieve eiland La Palma nog heet is, decennia na de laatste vulkaanuitbarsting.

      Beleving van mystiek vraagt stilte en daar is in de toeristenenclaves uiteraard weinig meer van te merken. Maar rijd een kwartier met je huurauto en kijk: je begrijpt opeens veel meer van de oorspronkelijke attractie van de eilanden.

      Na een cruise over de Middellandse Zee in 2000 met veel beklemmende, niet te vermijden massabijeenkomsten vol entertainment in bars, restaurants, casino’s, op alle dekken van het schip, hadden we een week verlenging geboekt op Tenerife. Om bij te komen. En Peter kon alvast zijn reisverhaal maken voor het Algemeen Dagblad. Maar we zochten uiteraard al snel de buitengewesten op.
      Ik heb niet vaak tranen in Peters ogen gezien, maar ik meen nog steeds: toen wel. Heuvels afgegraven. Landmeters druk in de weer. Het skelet van nieuwbouw al zichtbaar.
      ‘Alles platmaken,’ zei Peter.

Hij noemde net niet Deuteronomium, verse and chapter, maar het klonk bepaald bijbels. ‘Toonder,’ zei hij.
      ‘Maar waarom zulke lelijke gebouwen dan ook nog?’ vroeg ik.
      ‘Snelbouw,’ zei Peter, ‘Snelbouw met teruggebrachte bewapening.’

‘Je ziet het overal’, zei Toonder later dat jaar tegen me. ''Ze doen het hier in Ierland ook. Het geestelijke moet plaatsmaken voor de materie. Dat noemen ze de ‘Celtic Tiger’, De Vooruitgang, ha!’

 In gesprek met Toonder   

Ik was dus in gesprek geraakt met Toonder. En dat kwam zo: In de jaren negentig van de vorige eeuw begon de Hema in december een opmerkelijke traditie: Bommeldingen. Het waren exclusieve cadeauartikelen met afbeeldingen van Bommel en Tom Poes met hier en daar een Canteclaer. Zo waren er Bommelbekers, Bommelmokken en –glazen, Bommelsokken, een Bommelpyjama, een Bommelschort plus –ovenwant en een heuse Bommelschoenpoetsset en een Bommelparaplu.
      Ook als Peter niets met Bommel zou hebben gehad vond ik het een mooi initiatief, een artikel waardig: deze keer voor de GPD (een combinatie van regionale dagbladen in Nederland en België), waarvoor ik, inmiddels zelfstandig ondernemer, interviews en verhalen schreef.

      ‘Eigenlijk’, zei Peter, ‘zou je de oude meester in Ierland ook aan het woord moeten laten.’
Het lukte via een aardige oude en vertrouwde medewerkster van Toonder. En we spraken een datum af waarop ik hem kon bellen.

       ‘Weet je hoe lang je met Ierland aan de lijn hebt gehangen?’ vroeg Peter na afloop. Ik wist het: tweeënhalf uur.
En dat had alles te maken met dat geen captive fan van Toonder was. Ik kon emotioneel afstand houden en er gewoon een beetje erop los kletsen.

      Bijvoorbeeld over horoscopen, astrologie.

Op de één of andere manier kwam het gesprek op rationele verklaringen voor dingen die je voelt en dat je daar voorzichtig mee moet zijn. Ik herinnerde me opeens dat Martens broer Jan Gerhard ieder der jaar een voorspellende horoscoop voor Marten maakte. Nu maakte ik al sinds mijn vijftiende horoscopen en gaandeweg was ik erachter gekomen: astrologie is in wezen een intuïtieve aangelegenheid. Maar Jan Gerhard, die ook schrijver was, probeerde in zijn boek ‘A case for Astrology’ met veel statistieken te bewijzen dat astrologie als wetenschap toch echt deugde. Ik zei dat ik dat een beetje raar vond.

      ‘Dat heb ik ook altijd raar gevonden,’ zei Toonder.    

Er volgden meer gesprekken en op een gegeven moment zei Peter: ‘Als jullie het nou zo goed met elkaar kunnen vinden, waarom ga je dan niet naar hem toe?’
     
Ik voelde er geen sikkepit voor. Ik huldigde al decennia het inzicht van mijn favoriete hoofdredacteur Herman Wigbold van Het Vrije Volk: ‘Journalisten onderschatten wat ze per telefoon kunnen doen.’
      Bovendien: naar Ierland? En wat dan?

Achteraf gezien had ik mijn intuïtie moeten volgen. Telefoongesprekken, als je elkaar nooit hebt ontmoet, hebben net zoals radio maken iets magisch. Er is volop ruimte voor fantasie en projectie. En dan is er nog de uitstraling van de menselijke stem die niet afleidt van onbenullige details zoals een puist op de neus of een scheve voortand.

      Maar ik ben dus naar Ierland gegaan, het was mei 2000. Mede dankzij Peters contacten met het Iers Verkeersbureau zelfs business class en een veel te mooie huurauto. Op naar Toonders woonplaats Greystones op een steenworp afstand van Dublin.
      Een Ierse steenworp dan.

Natuurlijk raakte ik de weg kwijt. Lieve Ieren genoeg, dat wel. ‘Oh, yes lassie, you must turn back now, drive straight on and turn right where the bridge used to be.’
     
Dat hielp natuurlijk enorm. De volgende ochtend zat ik nog in de kreukels.
En de ontmoeting met Toonder was ook niet helemaal wat ik had verwacht.

Aan materiële gastvrijheid geen gebrek: heerlijke koekjes op een etagère, een mooi koffieservies, dankzij huishoudster Nora. Een paar maanden later zou ze overspannen raken en zo doende Toonder van weer een zekerheid beroven.
      Het was Nora die de deur opendeed, niet Marten. Die zetelde upselet aan het hoofd van de etagère, onberispelijk in het pak ‘met ‘Joh, Die Das’, zoals Peter vaak bij foto’s van Toonder had gegniffeld. Niet dat de kamer een onaangename sfeer ademde, integendeel. Maar er was iets met Toonder. Geen teken van herkenning, geen woord over onze gesprekken en dat we zo hadden gelachen. Ik voelde me de zoveelste interviewer en ik begreep niet waarom.

Uiteindelijk kwamen er nog wel wat interessante uitspraken, nou ja, beetje dan. Zoals: ‘Logisch denken is niets anders dan gescharrel van de hersenen.’ Want: ‘Hersens zijn ook materie. Shakespeare’s hersenen zijn al lang dood, maar zijn geest leeft nog steeds.’ Plus andere Toonderiaanse rimram die het altijd goed deden in krantenverhalen. En ik wou dat ik thuis was.

Horoscoop

In de prachtige parkachtige tuin (‘Dat heeft Phiny gedaan’) vroeg ik toch nog maar of ik een foto van hem mocht maken. ‘Ik ben al zo vaak gefotografeerd,’ protesteerde hij zwakjes, maar hij poseerde niettemin.

Dat was het dan en ik liep naar de veel te mooie huurauto. Maar toen zei hij opeens:
      ‘Zou u voortaan mijn horoscoop willen maken?’

Ik wist niet wat ik hoorde. Ik kon het ook niet rijmen met de voorafgaande anderhalf uur. En, zo flitste door m’n hoofd, ‘Jezus, hij wil weten wanneer hij dood gaat.’

      Nu ben ik zeer van de astrologie, maar niet van de voorspellende astrologie. Ik kan het wel en ik heb het ook een aantal keren gedaan, maar a. mensen hebben de neiging er naar te gaan leven en b. als dingen al zouden kloppen, vind ik het niet goed om mensen er vooraf van in kennis te stellen. Daar is het leven niet voor.

      Ik heb meteen gezegd dat ik dat niet wilde doen.

Op de luchthaven van Dublin heb ik de wachttijd voor de retourvlucht gedeeld met twee jeugdige bloody Irishmen die zo nodig op vakantie naar Thailand moesten en een beetje zenuwachtig waren. Voldoende excuus voor een respectabel aantal pints of Guiness. En ik was ook wel toe aan een paar bellen witte wijn. We hebben de consumpties afwisselend voor elkaar gehaald en intussen op elkaars bagage gepast. Als aandenken kreeg ik een lucky penny, een muntje voor geluk. Ik heb het nog steeds.

      Zoals beloofd heb ik een paar dagen later de tekst van het interview aan Toonder voorgelegd.
Geloof het of niet, maar we hebben weer als vanouds gelachen.

       Het werd ook een regelrechte Masterclass.

Zo heel veel had hij nu ook weer niet aan te merken. Maar bij een bepaalde alinea zei hij: ‘Daar moet je een zinnetje invoegen.’ ‘O jé,’ zei ik, ‘daar ben ik geloof ik zoals dat modern heet een beetje kort door de bocht gegaan.’
      ‘Daar moet je ontzettend mee uitkijken’
, zei Toonder, ‘op twee wielen.’

Het interview heeft alle 42 kranten van de GPD gehaald. En omdat het gesanctioneerd  (goedgekeurd) door Toonder was, heeft deze keer geen enkele eindredacteur het in zijn hoofd gehaald om naar eigen inzicht de geschiedenis te herschrijven.
      Alleen, Toonder meldde zich bij ons thuis niet meer. En ik durfde hem niet meer te bellen. Zapsgewijs zag ik nog wel eens een interview met hem. En dan moest ik toch af en toe weer als vanouds lachen. Geconfronteerd met opinies van bewonderende Bommelkenner-interviewers, was zijn antwoord steevast, des te effectiever vanwege zijn sonore stem: ‘Daar heeft u volkomen gelijk in, hoor.’

      Die uitspraak heb ik geadopteerd en hij werkt. Altijd. Ook in de supermarkt. Einde geouwehoer, einde vervolgvragen. Later las ik ook dat hij had gezegd: ‘Als je heel oud wordt, heb je geen zin meer om nieuwe vriendschappen te sluiten. Dat vind ik jammer.’

Marten had het moeilijk met zo oud worden als hij werd. ‘Ik kan het hebben over mijn lichaam dat veroudert en dat doet het zeker. Ik voel dat niet. Ik zie het alleen als ik in de spiegel kijk: dat karkas … .’

Maar er vielen zoals bij alle mensen die maar doorleven, steeds meer mensen weg, ook heel dichtbij.
      ‘Leuk hè, oud worden,’ zei Peter sardonisch als we het er over hadden.

‘Mijn hersens zijn nog goed,’ zei Toonder. Uiteindelijk stierf hij in zijn slaap op 27 juli 2005.

Dementie

Het zal een jaar of vier daarna zijn geweest dat Peter op internet een wat subversief verhaal uit Vrij Nederland over Toonder had gevonden. ‘Die Toonder,’ zei Peter.

      De volgende ochtend kwam hij stralend met hetzelfde verhaal aan.

‘Dat heb je gisteravond ook al laten zien,’ zei ik.
‘Is dat zo?’ zei Peter, ‘dat vind ik eng.’

Eerder had ik als ik weer eens iets kwijt was, grappenderwijs gezegd: ‘Ik voel dat ik geestelijk onmerkbaar achteruit ga.’

        Maar nu viel er opeens weinig meer te lachen.
Het oordeel was snoeihard: Peter had frontotemporale dementie.

Als je veel hersens hebt, kun je er echter lang over doen voordat je helemaal kapot gaat.

In één van de telefoongesprekken met Toonder trok hij tamelijk ongevraagd een vlijmscherpe parallel tussen Golgotha, het kollende meer Doo en de duivelsuitbanningen op de Arran-eilanden voor de Ierse westkust. Ik kon het niet laten om tegen hem te zeggen: ‘Wat ben je toch knap.’ Ik heb ook maar meteen gezegd dat ik dat met enige regelmaat, en terecht, tegen Peter zei. ‘Het is een toverformule,’ zei Toonder. ‘Als een vrouw dat tegen een man zegt, dan smelt hij.’

      Ik ben het tegen Peter blijven zeggen.

Op 1 september 2020 is Peter na negen jaar afdorren, gestorven. Ik heb acht jaar voor hem gezorgd. Toen moest hij naar een tehuis om laten we zeggen finaal naar de verturving te gaan.

      ‘Een heer moet alles alleen doen’, zei Bommel. ''Maar deze juffrouw Doddeltje moet dat nu ook''. Wie weet zou Peter, immer praktisch, op dit moment zeggen: ‘Je handen staan toch niet verkeerd?’

      Nee, maar m’n gedachten wel. ‘Het maakt dat je niet helemaal gelukkig bent,’ zei Marten destijds, zo alleen in dat mooie huis. Maar: ‘Toch zie je dat er een lijn in je leven zit. Je hebt het kwaad nodig voor het goed” .

Het is een ragfijn spel, maar ik denk dat ik soms begin te begrijpen wat Toonder bedoelde.



(Dit verhaal is geschreven voor het kwartaalblad van de MTVC, de vereniging van liefhebbers en verzamelaars van het werk van Marten Toonder).