Winnaar Cultuurprijs Hoeksche Waard

 

Geertje Wiersma (1965) is historica. Studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Zij werkt als publiciste en informatiespecialist bij Bibliotheek Hoeksche Waard. Geregeld schrijft ze over actuele en historische onderwerpen in diverse publieksbladen. Terugkerende onderwerpen zijn daarbij vrouwen en geld, geschiedenis en geld en personal finance.
      Daarnaast heeft ze een passie voor bibliotheken en archieven, een voorliefde die als een rode draad door haar boeken loopt. Bij uitgeverij PBO (Prometheus Bert Bakker Ooievaar) verschenen op dit terrein drie boeken en een bundel.
      Met dit liefdevolle verhaal won zij de Proza Cultuurprijs van de Hoeksche Waard, een Zuid-Hollands eiland onder Rotterdam.

 

Aan een zijden draad

Over onze eerste dag heb je veel verteld. Zo weet ik precies wat er gebeurd is. Je had de hele dag
langs de Binnenmaas gebanjerd. Op je mooie bruine laarsjes met zachte warme spekzolen. Je had
geen zin, je was koud en moe en alleen. Ik denk dat ik toen eigenlijk al bij je was. ’s Nachts was het
donker en warm. Je hijgde en zwoegde en het was niet gemakkelijk. Toen zagen we elkaar en het
was meteen goed.
      Vanaf die dag bleef ik in je buurt. Je was het mooiste wat mijn ogen zagen en zodra ik kon, volgde ik
je overal. Je kookte, je maakte de bedden op, je hing de was op en je deed boodschappen. Ik ging
mee en als het regende kroop ik weg onder je rokken. Een uur zonder jou, was een verloren uur.
Soms bracht je me weg en daarna haalde je me altijd weer op. Naar huis - samen op de fiets.
      Het liefst wilde ik je ontgroeien en overstijgen. Sprong ik dartel om je heen, dan klom ik daarna de
hoogte in. Huppelden we samen vrolijk rond, dan vloog ik snel vooruit. Maar echt winnen kon ik
nooit. Want jij bleef toch de grootste en de sterkste.
      Zoals die keer dat we verdwaalden in het bos bij Zuid-Beijerland. Steeds weer liepen we langs
dezelfde dikke boom. Gingen we links, links en nog eens links? We kwamen bij de dikke boom.
Gingen we rechts, rechts en nog eens rechts? Weer kwamen we bij de dikke boom. Tot ik huilde van
angst en jij ongeduldig werd. “Stil toch eens!” beet je me toe. “Stel je niet aan!” Natuurlijk had je
gelijk. Na verloop van tijd vonden we de weg.
      Geen onvertogen woord. Je was altijd lief. Nooit een giftige opmerking of boze bui. Behalve die ene
keer dat ik al mijn vriendjes en vriendinnetjes uit Strijensas mee naar huis bracht. Ik nam ze mee
naar jouw slaapkamer om op jouw bed te gaan dansen. Dat hebben we geweten! Iedereen kreeg
een flink pak slag. Dat was de enige keer dat ik je echt boos heb gezien.
Natuurlijk moesten we ons losmaken. Maar hoe? Je kon me niet zomaar laten gaan. Je wilde zeker
weten dat ik gelukkig was. Zo blij als je was, toen ik thuis kwam met een suikerhart. Je ogen gaven
licht en je klapte blij in je handen. Die blijdschap was voor mij: vreugde om mijn geluk. Je kon me
loslaten. Ik kon gaan.
      Soms kwam ik terug. Want het was ook moeilijk, elders in de grote stad ver van jou. Jij zei niet veel.
Je liet mij praten. Je luisterde. Veel commentaar gaf je niet. Het was mijn leven. Meedenken wilde je
wel. Als ik nou maar eens vroeg wat jij zou doen? Maar dat vroeg ik niet. Ik lag als een open wond op
de bank. Dus keek je en je luisterde.
      We hadden plezier. Jij gaf en ik nam. Lopen, praten, luisteren, lachen. We kregen geen genoeg. Tot
jij plotseling viel. Zomaar. Ik liep nog even door – pratend. Wat was dat? Viel je? Zomaar?
Onbestaanbaar. Je stond altijd stevig op de been. We hadden er geen verklaring voor. Misschien was
het wel niet echt gebeurd.
      Gewoon doorgaan: lopen, praten, luisteren, lachen. Maar nu waren we allebei alert. Goed opletten!
En daarom zag ik je ineens beter dan eerst. Je liep niet goed. Waarom? Je vond het zelf heel gewoon.
Je had jezelf een betere manier van stappen aangemeten en dat moest je extra oefenen. Vandaar. Ik
begreep het.
      Samen boodschappen doen. Net als anders wist je precies wat je wilde. Gezond en puur en verder
geen poespas. Je waarschuwde me: van eten uit de fabriek worden we uiteindelijk ziek. In je mandje
nam je alleen dingen die de natuur ons biedt. Dat snapte ik wel: daarom was je zelf zo gezond en
sterk. Maar voor het eerst was je niet zo vrolijk en ook niet zo snel. Je had een beetje hulp nodig.
      Waarschijnlijk kon ik je er bovenop helpen. Dat was een kwestie van leuke dingen doen. We gingen
naar de bibliotheek. Heerlijk boekjes uitzoeken, net als vroeger. Haasse, Roth, Allende. Maar je zag
geen mooie boeken. Hadden ze jouw genre niet? Je kon niets vinden. Misschien hield je toch niet zo
van lezen?
      We deden er een schepje bovenop. Je had gewoon last van een beetje eenzaamheid. Nog meer en
extra veel plezier maken – dat zou heus wel helpen. Lekker een visje eten op de kaai. Je nam een hap
en zei: “Nou! Dat is niet de beste kok.” En ik? Ik dacht serieus dat het aan dat vieze visje lag. Maar
het tweede visje smaakte ook niet.
      Samen piano spelen. Je sleepte me met je mee. We deinden op de mooiste melodieën hoog en laag
en op en neer. In je spel liet je jouw emoties de vrije loop. Zo mooi! We waren tot tranen toe
geroerd. Ondertussen hoorden we ook veel dissonanten in het stuk. Een beetje te modern
misschien?
      We kijken elkaar aan. Nog altijd is het goed. Je ogen! Ze sprankelen en twinkelen als je me ziet. Nu
lig je languit in totale overgave. Het is donker en warm. Je hijgt en zwoegt en het is niet makkelijk.
De nacht en de kou trekken over je gezicht. Maar ik denk dat je eigenlijk nog bij ons bent.
Ergens gaat heel even een poort open. In een flits zie ik duizenden generaties voor en na ons aan
een lange zijden draad. Daar gaan ze, moeders en dochters, net als wij. Een troostende ontroering
maakt zich van me meester. Geen begin en geen eind. Terwijl de poort weer sluit, grijp ik die zijden
draad – ik blijf nog even hangen.