Tante Mia en een vervelende man

In mei 1966 ging ik werken als leerling sportjournalist bij het Leidsch Dagblad.

      Ik was 21 jaar en had al anderhalf jaar in het leger gezeten. Ik wist wat ik het liefst wilde gaan doen. Maar ja: hoe moest dat?
      Toen ik een jaar of twaalf was wilde ik al ’bij de krant’’ werken en dat was eigenlijk nooit overgegaan. Dus ik schreef een open brief aan alle landelijke kranten. Ik kreeg natuurlijk overal nul op request, behalve van mener Stempels, hoofdredacteur van de NRC. In een keurig briefje zei hij dat ze geen jonge onervaren mensen aannamen, maar hij wilde best met mij praten. 

      Een week later werd ik ontvangen in Rotterdam. Het werd een plezierig gesprek. Waarom ik zonodig de journalistiek in wilde. En wat ik dan zou willen doen. En dat het toch een ongeregeld en ongewis bestaan was. Aan het eind van het gesprek adviseerde hij mij te beginnen bij een provinciale krant.
      Daarop schreef ik zo'n 25 brieven. Alle regio's van Nederland werden bereikt.
Opnieuw kreeg ik allemaal afwijzingen behalve van het Leidsch Dagblad. Zij zochten een leerling sportjournalist.   
      In mijn brief refereerde ik uiteraard aan mijn gesprek met meneer Stempels. Ik bleef met nog een kandidaat over.

      Wij moesten naar een kampioenswedstrijd van de voetbalclub UVS en een oefenstukje schrijven. Ik werd aangenomen.

Hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad was in die dagen meneer Brouwer. Een vriendelijke man, die mij altijd Ronny noemde. Hij hield van cricket en schreef daar soms stukjes over. Dat wist ik aanvankelijk niet. Tot ik een keer een paar wijzigingen in zijn stukje aanbracht en enorm op mijn flikker kreeg van hoofd sport meneer Vos. Die overigens weer een curieuze verhouding had met zijn echtgenote. Zij woonden samen en hadden een jong kind. Maar ze spraken vanwege een duister conflict al jarenlang niet meer met elkaar.  

      Je werd in die tijd leerling-journalist omdat er nog geen professionele opleiding bestond. De School voor de Journalistiek ging namelijk eind 1966 open.
      Er was wel een parttime opleiding aan het Instituut voor Perswetenschap aan de Keizersgracht in Amsterdam, een onderdeel van de Universiteit van Amsterdam. Meneer Brouwer vond dat ik daar naar toe moest. 
      Iedere zaterdag zaten we daar met zo’n 25 studenten. Nog meer jonge journalisten, die al bij een krant werkten, maar ook studenten communicatie en Nederlands. Het was wel gezellig daar. We kregen -om maar wat te noemen- persrecht, persethiek en persgeschiedenis van eerbiedwaardige mensen als prof. Maarten Rooy, Dr. Maarten Schneider en diezelfde Mr. A. Stempels

      Praktische journalistiek kregen we ook. Dat werd gegeven door Henri Knap. Hij had een dagelijkse rubriek in Het Parool, waarin hij onder de naam Dagboekanier Amsterdamse kwesties aan de orde stelde. Dat was een uitermate oubollige rubriek, die vaak handelde over weggelopen poesjes en hondenpoep op de straten.
       Wij kregen af en toe een opdracht. Hij gaf daar dan cijfers voor. Het resultaat droeg hij op een gedragen manier voor. Hij begon met het slechtste resultaat, noemde geen namen maar zorgde ervoor dat iedereen wel wist om wie het ging.
       ‘’Ik heb hier’’, zei hij dan ‘’een werkje van een meneer die bij een krant in het oosten des lands werkt. Deze eh… meneer wil kennelijk journalist worden. Ik geloof dat ik dat meneer beter af kan raden, want het resultaat van dit werkstuk -hij stak het dan met een vies gezicht omhoog- is allerbelabbertst. Ik heb hier een vier voor gegeven’’
       Dat ging nog even zo door tot hij bij de voldoendes kwam. Je voelde dan toch een soort opluchting als je nog niet aan de beurt was geweest.
       Knap kon zelf trouwens niet tegen kritiek. Hij was Vrijmetselaar en ging daar prat op. Maar als je vroeg waarom er bij hem in de Loge geen vrouwen werden toegelaten begon hij te steigeren. Wie je dan wel niet was om zo’n vraag te stellen. Vervelende man dus. Hij vond bijvoorbeeld dat journalisten ‘’er de laatste tijd teveel uitzien als glazenwassers dan wel zigeunerinnen’’. IJdeltuit ook, want hij vertelde tot vervelens toe dat hij de uitvinder was van het woord bromfiets.

      Om dat allemaal weg te spoelen, gingen we met een klein clubje jongens & meisjes na afloop vaak naar café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Daar kwamen veel journalisten en andere bekende Amsterdammers. Wij hoorden er dan ook een beetje bij. En daarna vertrokken we vaak naar Tante Mia aan de Oudezijds Achterburgwal, destijds één van de weinige Chinese restaurants in Amsterdam. Daar kon je goedkoop ‘’exotisch’’ eten en ook daar kwamen veel bekende Amsterdammers.

      Ik was het bijna allemaal vergeten tot ik gisteren dit gedicht van journalist/dichter Hans van Straten tegenkwam.

Amsterdam Blues

September de seizoenen keren
als trams bij het Centraal Station
de wolken krijgen witte veren
de wereld is een luchtballon
van Scheltema lopen wij via
de Kalverstraat naar tante Mia
en ’t najaar schuift weer puur en frans
langs onze snorren en gezichten
langs etalages met gedichten
en pornografische romans.