Een uitje in Vlissingen

Koetjes & kalfjes


Ze heeft de trein genomen. Josefien. Met haar vriendin Daphne. Zomaar.
      Van Haarlem naar Vlissingen.
Ze is in haar nieuwe outfit. Zwarte klokrok, zwarte blouse, wijnrood vestje, wijnrode panties, zwarte enkellaarsjes, zwarte trenchcoat.
      Ze lopen over de Boulevard Bankert en zien tankers en containerschepen langstrekken. Af en toe gaat er een loodsbootje naar een schip en zien ze een loods aan boord stappen.

Voor hotel-restaurant De Leugenaar blijven ze staan.
      ’Zullen we even naar binnen gaan’, zegt Daphne.

      ’Iets drinken, hapje eten, even bijpraten.
       Ik wilde je toch nog iets vragen’.


Vrolijke mevrouw  

Ze gaan zitten aan een tafeltje bij het raam. Een vrolijke mevrouw komt naar hun toe. Rood schortje voor, frivole bril.
      ’Hallo, ik ben Sonja. Wat zal het zijn? Als je koffie neemt, heb ik er hele bijzondere bonbons bij.
      Of -en ze kijkt op haar horloge- zijn jullie al aan iets stevigers toe?
Ik dacht het eigenlijk wel!
      Toch?
Wijntje, likeurtje. Kopje koffie met een cognagje?
      Zeg het maar hoor. Zeg het maar gewoon tegen Sonja‘.

      ‘Wat zullen we doen’, zegt Daphne.

Maar het dringt nauwelijks tot haar door. Josefien. Ze heeft een kleurtje en windt zich op.Trekt met haar lippen, tuit haar mond.

      ‘Wat zeg je?’.

      'Wat zullen we nemen?, zegt Daphne enigszins geprikkeld.

      ‘Ik eh … ik weet het nog niet!

‘Kom dames’, zegt Sonja.
      ‘Ik kan hier niet blijven staan. Het is behoorlijk druk. Dat zien jullie toch ook wel. Nou!’

Daphne wijst naar het leien bordje en zegt:
      'Ik wil mosselen. Met drie verschillende sausjes en frietjes. En een droge witte wijn.

‘Goed zo’, zegt Sonja.
      ‘En jij mevrouw in het zwart?’, zegt ze.

      ‘Eh..ja doe mij dat ook maar’, zegt Josefien.

En direct tot Daphne:
      ’Wat wil je me dan vragen?’

‘Nou’, zegt Daphne.
     
‘Laatst vertelde je dat je in jouw jeugd de staart van de koeien omhoog moest houden van boer Kees. En dat hij je dan een beloning gaf. Dat hij lief voor je was.
      Eh… wat deed hij dan?’

Josefien kijkt haar vriendin aan. Ontsteld.
      ‘Oh niets bijzonders’, zegt ze snel.

Daphne neemt haar op.
      ‘We zitten hier bij De Leugenaar, maar dat wil nog niet zeggen dat jij een potje moet liegen’.


We Gaan!  

Sonja komt met de glazen wijn.
      ’Wat is er allemaal aan de hand. Kunnen jullie je ruzie niet ergens anders uitvechten!‘.

‘Kom’, zegt Daphne. Ze pakt Josefien onder haar rechterarm, trekt haar omhoog en zegt:
      ‘We gaan!’.