Een comeback


Ze is inmiddels 51 Josefien.
      Mager, onhandig en een beetje in de war. Ze heeft een burn-out gehad.

Sinds zij vorig jaar met een paar vriendinnen een cruise over de Middellandse Zee maakte is het niet meer goed gekomen.

Ze is verward.

Onzeker, bang; sterker: angst. Angst voor mensen, voor gebeurtenissen, voor omstandigheden; angst voor alles.
      Huilen moet ze. Zomaar.

 

Slaapstoornissen. Pillen heeft ze geslikt. Veel pillen. Therapie gedaan.

 

 

Sigurd's liefdesbekentenis

 

Ze zit voor het raam. Josefien. En kijkt naar de koeien in het weiland aan de rand van Haarlem-Noord.
      Haar mooie buurvrouw Laila Hensen wist het wel.
      ’Liefde’ had ze gezegd, ‘er moet liefde in je leven komen’.


Josefien vond dat maar raar. Mannen; nee aan mannen moest ze niet denken.
      Tot gisteren.
Toen had ze die brief gekregen. Een echte. Met de hand geschreven in uiterst simpel Engels.
      Van Sigurd, de dikke Noor die haar tijdens die cruise steeds wilde versieren. Tot Ernesto was gekomen, de Italiaanse kok, die haar leven meer dan op hol had gebracht.


Eigenlijk wil ze niet meer denken aan het afgelopen jaar.
      Ze heeft nu immers die brief. Een larmoyante brief. Een heerlijke brief.
Zo’n brief die je misschien maar één maal in je leven krijgt.
      Heerlijk was het. Heerlijk.

 

Maar ja. Wat moet ze doen. Ze lees en herleest.

‘Ik kan je niet meer uit mijn gedachten bannen. Steeds kom je terug. Josefien. Ik kan er niet meer tegen Josefien.
      Je zit in me.
Overal ben je Josefien. Ik kan het niet meer aan. Ik kan het niet verdragen. Josefien.
      Alsjeblieft. Ik wil naar je toe.
Ik wil je voelen. Ik wil je omarmen. Ik wil alles voor je doen. Josefien. Alles.’


Hartkloppingen

Ze kijkt in de spiegel en ziet haar hart kloppen. Ze voelt het diep van binnen. Die brief. Voor haar.
      Hij was verliefd. Nee: het was erger… hij was totaal van de kaart.

Ze gaat in gedachten terug naar de cruise van vorig jaar.
      Sigurd was de dikke Noor, met wie ze een paar leuke dagen had gehad.
Maar ja. Toen was Ernesto gekomen. De verleidelijke Italiaan met zijn mooie ogen, zijn heerlijke figuur, zijn mooie praatjes en zijn snelle pakken.
      Ze had die dikke Noor direct voor hem ingeruild.
En over zijn gevoelens had ze verder nooit nagedacht.


‘Heb je wel’, schreef Sigurd , ‘heb je wel nagedacht wat je mij aandeed toen je er met die gladjakker vandoor ging.
Hoe je mijn hart gebroken hebt, Josefien.
      Hoe ik smachtend achterbleef op dat rotschip , hoe ik mij moest terugtrekken in dat hutje, hoe mijn reis totaal verknald werd omdat ik jou steeds met die stomme Italiaan bezig zag’
.


En dan:
      ‘Josefien. Alsjeblieft. Als je nog iets om me geeft, als je me nog één keer wil ontmoeten, zeg dan ja Josefien en dan kom ik.
Ik neem bloemen voor je mee. Josefien. Ik neem nog veel meer voor je mee. Ik neem mezelf mee.
      Ik heb het afgelopen jaar voor je hard gelopen Josefien. Ik ben voor je afgevallen. Ik heb een haarstukje genomen. Josefien.
Wil je me terug Josefien? Wil je me terug?.
      Ik kom. Ik kom direct. Ik kom kruipen desnoods Josefien.
En als ik niet naar jou mag komen, kom dan hiernaar toe. Hier naar Laerdal.
      Gaan we skiën Josefien. Langlaufen. Ik zal het je allemaal leren. Alles wil ik je leren. Alles’.


De kaart

Ze zit voor het raam. Josefien. Ze kijkt naar de kaart van Laerdal die hij heeft bijgevoegd.
      Mooi. Heel mooi. Zijn stad. Zijn omgeving. En dan die passie. Wat een liefde. En dat voor haar.
Zij, die zo’n moeilijk jaar achter de rug had.
      Een jaar vol therapie, van medicijnen, van onzekerheid, angst, emoties en treurnis.
Voor haar die dacht dat er nooit meer vreugde en liefde in haar leven zou zijn.

Wat had ze die arme jongen, die goeie man, wat had ze hem allemaal aan gedaan?
      ‘Kom’, dacht ze. ‘Kom maar hier naar toe’.

Ze pakt haar mooiste briefpapier en een echte vulpen. En begint te schrijven.

‘Dear Sigurd’.