Van Zuid-Soedan tot ver in Siberië 

 In Oorlog met een IKEA-pakketje

 Op zoek naar de bronnen van de Nijl arriveren wij na een slopende tocht door het onmetelijke Soedd moeras, in het dorp Yeï, een gehucht aan een onverharde weg in het grensgebied van Zuid-Soedan met Kenia, Oeganda en Zaïre.
      We hebben dagenlang tussen de Dinka’s verkeerd, een Afrikaans nomadenvolk, dat leeft van melk vermengd met bloed. We zijn uitgeput, vuil, hongerig en dorstig als we ons melden bij het kantoor van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen in Yeï, dat verantwoordelijk is voor de opvang van duizenden vluchtelingen in de regio.

Het hoofd van de UNHCR, een Spaanse aristocraat met een markiezenbaardje, bekijkt ons neerbuigend, haalt de neus op en stuurt ons weg – ondanks de aanbevelingsbrieven van de Nederlandse ambassade in Khartoem.
      Nijdig huren wij – veeleisende verslaggevers die al maanden onderweg zijn van Alexandrië naar het hart van Afrika- een kamer in het plaatselijke hotel, tevens bordeel, een verzameling rondavels met rieten dak. Eten is er niet, wel lauw bier, vertelt de uitbater, en de douche wordt door de dames gebruikt als werkruimte.
      Als de avond valt en de douche nog steeds bezet is, rijdt een 4-wheeldrive het terrein op. De UNHCR-vertegenwoordiger nodigt ons, op last van zijn vrouw, zo bekent hij chagrijnig, uit voor de avondmaaltijd.

       ‘Een karig maal,’ waarschuwt zij, een beeldschone Filippijnse, glimlachend. ‘Rijst met vis.’ Het is een arm dorp.
       Zij kookt bij kaarslicht, buiten op het erf, op een primus en inspireert mijn collega tot het schrijven van gedichten bij sterrenlicht.

We halen samen water in de rivier. Ze had, vertelt ze zuchtend als we met koud water in een plastic teiltje de afwas doen, meer van het leven verwacht toen hij, deze edelman uit Aragon, haar ten huwelijk vroeg op de Filippijnen.
      Een kasteel, suggereren wij. Niet deze hut van aangestampt leem. Wij kijken hem bestraffend aan. Hij drinkt mokkend whisky. Er is geen ijs.
Ze heeft een verzoek. Met de diplomatieke koerier is onlangs gearriveerd – per vliegtuig in de hoofdstad Khartoem, toen per boot over de Nijl naar Joeba, en verder landinwaarts met de camion naar Yeï -, een slaapkamerklerenkast. De bruine Ikeadozen liggen op het erf, halfgeopend.

      ‘Mijn man kan geen wijs uit de gebruiksaanwijzigingen,’ bekent ze.
Of wij, in ruil voor het met liefde bereide maar karige maal, de kast in elkaar willen zetten?

Wij doen urenlang galant ons best. Maar helaas, zo blijkt ook na lang zoeken met een kaars op het erf, er ontbreekt een plastic zakje met schroeven en bouten.
      ‘Geen probleem,’ verzekeren wij de Spaanse edelman bij het afscheid. ‘Volgens de instructie, kunt u de ontbrekende onderdelen ophalen bij de dichtstbijzijnde Ikea-vestiging.
      Waarschijnlijk in Genève.’