Eiland van de superrijken


(Door Rolf Weijburg)

Vanaf Mustique varen we zuidwaarts langs Petit Mustique, Savan en Petit Canouan. Fregatvogels jagen achter keerkringvogels aan om ze hun prooi af te pikken. Een enorme school vissen kleurt het water zilver. In de verte ligt het markante silhouet van Canouan, met de puntige Mount Royal als een baken in het noorden van het eiland.
      We zeilen langs de dorre oostkust van het heuvelachtige eiland, prachtige stranden schitterden fel wit achter turquoise lagunes. Om de zuidpunt bij Glossy Hill en dan de fraaie, hoefijzervormige Charlestown Baai in, waar we voor anker gaan. Canouan is met een bevolking van 1200 na Bequia (5000) en Union Island (2500) het derde bewoonde eiland van de Grenadines van Saint Vincent.


Charlestown

Het hoofdplaatsje, Charlestown, ligt tegen de flanken van de heuvels achter Charlestownbaai. Het was een plaatsje met wat rommelig door elkaar geplaatste huisjes dat er uitzag alsof het niet echt als dorp gegroeid was, maar daar gewoon maar op een goeie dag in één keer was neergekwakt.
      Er waren een aantal kerkjes (Saint Michaëls Church, All Angels Church - het barst van de kerken in de Cariben -),en wat kleine winkeltjes die vaak ook tegelijkertijd als barretjes fungeerden. Het postkantoortje was gesloten omdat de postbeambte met spoed naar de kerk moest.


Queen Conch

De Queen Conch, de grote schelp van de roze vleugelhoornslak, is in het dorp alom tegenwoordig. Het vlees van de slakken, lambi, wordt hier veelvuldig gegeten. De enorme schelpen worden gebruikt als ornamenten of opgepoetst en verkocht aan toeristen, maar meestal gooit men ze nadat de slakken zijn verwijderd, gewoon weg. Op bepaalde strandjes liggen bergen oude schelpen.


Green Heron

Verder naar het zuidwesten lag een klein vliegveldje waar maar weinig gebeurde. Er stonden een paar nooit afgebouwde kapitale villa’s te verpieteren tegen de dorre heuvels. Nee, Canouan kon in 2004, ondanks zijn prachtige stranden, niet echt voldoen aan het paradijselijke imago dat men over het algemeen van een Caraïbisch eiland heeft.
      Bovendien vond ik bij een klein moeras de Green Heron, een vreemde, niet groene, kwakachtige vogel die ineengedoken en steels langs de waterkant sloop op jacht naar vis. De bewoners noemden het beest de Water Witch, wat ook al niet hielp.

      In de jaren zeventig verrees aan de mooie Glossy Bay in het uiterste zuidwesten een resorthotel dat, omdat er anders geen klanten zouden komen, ook maar een vliegveldje had laten aanleggen.
      Later opende ook het Tamarind Hotel op het strand van Charlestown Bay zijn deuren. Het eiland werd opengelegd, waren de veelbelovende kreten, maar in de praktijk veranderde er maar bar weinig voor de eilandbewoners die tot in de 21ste eeuw grotendeels verstoken bleven van bijvoorbeeld elektriciteit.

Antonio Saladino

Aan het begin van deze eeuw liet de Italiaans-Zwitserse ondernemer Antonio Saladino, die aanvankelijk land had gekocht op het noordelijker gelegen Mustique, zijn oog vallen op het noordelijk deel van Canouan. Het gebied van glooiende heuvels rondom Mount Royal - met 260 meter het hoogste punt van Canouan - dat ongeveer één derde van het hele eiland besloeg, omvatte een aantal fantastische beschutte stranden grenzend aan het Canouan Coral Reef National Park, waar in een door een rif beschermde lagune de bevoorrechte toerist naar hartenlust zou kunnen duiken en snorkelen tussen het veelkleurige koraal en de ontelbare tropische vissen.

Resort
     

Hier bouwde de rijke Zwitser een super luxueus vijf sterren resorthotel, Pink Sands (meer dan 2000 dollar per kamer per nacht).
      Talloze investeerders wist Saladino aan te trekken om het resort uit te breiden.

Zo kwam er een zwembad van maar liefst 1200 vierkante meter en investeerde ene Donald Trump miljoenen in het exclusieve Casino Monte Carlo Villa en de ontwikkeling van een 18 holes golfbaan die steevast ieder jaar in de top tien van beste/mooiste golfbanen ter wereld zou gaan figureren.
      Later werd er een Spa aan het complex toegevoegd, kreeg het eiland een marina, vestigde de grootste jacht-verhuurder van de Cariben, The Moorings, er een verhuur basis en werd het vliegveldje dusdanig uitgebreid dat er nu 737’s kunnen landen.

Honderden miljoenen heeft het allemaal gekost. Canouan is van een onbekend backwater in luttele jaren opgestuwd tot een eiland voor de superrijken, of, zoals ik in een advertentie las:

      “The Island where billionaires go to escape millionaires”.

Saladino heeft inmiddels zijn resort verkocht en daarna is het weer doorverkocht, en nog eens. Trump is uitgekocht. Waarschijnlijk heeft iedereen veel winst gemaakt.
      Er is vast ook wel een aantal voordeeltjes geweest voor de lokale bevolking. Elektriciteit voor iedereen bijvoorbeeld, maar of iedereen nu wel zo blij is met dat exclusieve toerisme durf ik te betwijfelen.

Mayreau

We vertrokken en staken de 10 kilometer lange zeestraat over naar het volgende eiland: Mayreau.

(Nu ik dit zo opschrijf schiet het me te binnen dat ik ooit bevriend was met de Franse zangeres Isabelle Mayereau, zou zij iets met het eiland van doen hebben?)

Een fijne bries stuwde ons met grootzeil en fok vooruit en we ankerden in Saline Bay in het zuidwesten van dit kleine eiland dat met nog geen 300 inwoners het dunst bevolkt is van de Grenadines van Saint Vincent.
      Er was slechts één hotel op dit eiland, het redelijk low-profile Salt Whistle Bay Hotel aan de gelijknamige baai in het noorden.

Toen we bij het verlaten strand van Saline Bay aankwamen en de dinghy ver genoeg het zand hadden opgetrokken, zagen we tegen de struiken aan honderden tafels en stoelen liggen. Er stonden ook wat barbecue’s bij. Ook Mayreau ontving, ondanks de afwezigheid van grote hotels, blijkbaar grote groepen toeristen, waarschijnlijk van cruiseschepen.
      We liepen een lage heuvel over en kwamen bij een zoutmeer waar in vroeger tijden zout gewonnen werd en geëxporteerd naar andere eilanden. We liepen over een pad door het droge struikgewas en kwamen bij een lang, smal strand aan de oostkust dat bezaaid lag met waaierkoraal. Het pad liep omhoog naar het kleine dorp zonder naam maar met twee kerken. Aan alle kanten ontvouwden zich hier spectaculaire uitzichten over de Caribbean met Canouan in het noorden, de Tobago Cays in het oosten en het grillige silhouet van Union Island in het zuiden.

Langs een klein begraafplaatsje daalden we af tot aan Salt Whistle Bay dat vol begon te lopen met jachten.
      Het geluid van ratelende ankerkettingen kon je vanaf de heuvels al horen.

We dronken een biertje op het terras van het hotel terwijl een nieuwsgierig zwart vogeltje met fel gele kraaloogjes op het tafeltje tussen de bierflesjes heen en weer hipte. Toen het wegvloog draaide het zijn staart enkele malen een kwartslag van horizontaal naar verticaal en weer terug.
      Dat heb ik nog nooit een vogel zien doen.

's Avonds bezochten we de lawaaierige uitspanning van Robert Righteous and the Youths in het dorp zonder naam. Net als op de meeste andere Grenadines was drinkwater ook op Mayreau een probleem. Regenwater werd er opgevangen in een drietal waterbassins en als het onvoldoende had geregend sprong een tanker vanuit Saint Vincent (want daar regent het extreem veel) bij.

      Maar bij Robert Righteous was drinkwater helemaal niet nodig. Terwijl Robert uitbundig een aantal Fransen vermaakte op de dansvloer had iedereen aan bier en rum genoeg.


 

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen