Te gast

 

Van Amsterdam naar Bergen



Tovertuin

Judaspenning. Berenklauw. Mos. Niet een tuin zoals nette mensen die hadden. Mijn opa werd boos als mensen dachten dat fluitenkruid onkruid was en het uittrokken. Braamstruiken als heg. Ik herinner me de toetjes en de jam van mijn oma, en hoe mijn nichtje dat niet mijn nichtje was (want mijn oma en opa waren niet getrouwd) met lege jampotjes bramen gingen plukken. Kleverige vingers, schrammen op onze benen. We staken onze tong uit om te kijken welke er paarser was.

Ik was nog niet groot genoeg om over de berenklauw heen te kijken en als stadskind was ik bang er te verdwalen. Achterin, waar de diep uitgetreden paden verdwenen onder afgevallen bladeren en naalden beving me soms plotseling een soort huiver en dan liep ik snel terug, naar waar de donkerte minder donker was en de geur van mos, vocht en bladeren die grond aan het worden waren minder hevig en ik de dingen weer herkende: de vijver, de put, de stenen bank, de lantaarn tussen het kleine huis waar mijn oma woonde en het grote atelierhuis van mijn opa die niet mijn opa was.

Op het betegelde pad tussen de huizen lag ze opgebaard, in een simpele kist op een paar schragen, haar blauwe pyjama met de witte stipjes aan, mijn oma die niet om luxe gaf. Ik had mijn eerste nylonkousen aan voor de begrafenis en kwam er daarna niet meer.

Wel ging ik er later, als ik weer eens naar Bergen werd getrokken, af en toe kijken. De Eeuwige Laan, de Mosselenbuurt. Het sluippaadje tussen de achterkanten van de huizen en de tuinen door dat we toen het Nachtegalenlaantje noemde is nu een officieel wandelpad dat Hemelrijklaantje heet. Dan de Vincent van Goghweg. Daar, op de hoek met het Wiertdijkje, waar het bos opeens overgaat naar een polderlandschap met koeien en een wazige duinenrand in de verte en je de zon weer op je gezicht kunt voelen, daar is het. Opgelucht constateerde ik elke keer weer dat de oude spreuk in de letters van mijn opa nog op het huis stond: ‘smeed de zwaarden om tot ploegijzers’, en ook de vertrouwde namen nog op de brievenbus stonden: Ponstijn. Baruch. Iemand van de familie woonde er nog, en de tuin was nog hetzelfde, alleen zoveel kleiner geworden als ik groter was gegroeid. ‘Waarom ga je niet gewoon naar binnen, bel toch aan’, zei een vriend die een keer mee was, zijn hand al op het hek. Zijn stem klonk veel te luid, het was alsof die iets verjoeg, geritsel, een kleurige schim tussen de bomen, iets van vroeger. Nee, ik wilde niet met hem die tuin in. Ik wilde alleen maar weten dat die er nog was.

Mijn nichtje kwam ik vele jaren nog eens tegen op een tentoonstelling. We zeiden dat we elkaar nog eens op zouden zoeken en deden het niet. Ik las in de krant dat haar vader was overleden, de laatste van haar familie op haar en haar dochters na. Ik dacht, nu zal het huis wel verkocht worden en iemand zal er een nette burgertuin van maken zonder fluitenkruid en mos. Ik wilde mijn nichtje nog een kaartje schrijven en vergat het.

Toeval. Ik was mijn schrijfkamertje in de duinen kwijt en zocht naar een nieuw onderkomen. Logerend bij vriendinnen in Bergen werkte ik aan een boek. Bezoekje aan het nieuwe museum Kranenburgh. Een verrassing. Daar hing een zelfportret van mijn opa Ponstijn, met witte baard, kunstenaarsbaret, rode vlaggen achter zijn hoofd. De dag erna bezocht ik als zo vaak de Eerste Bergense Boekhandel. ‘Ben je weer aan het schrijven’, vroeg Valeton, de eigenaar. ‘Ja’ zei ik, ‘altijd’. ‘Zoek je niet een werkplek voor af en toe’, vroeg hij, ‘ik weet een huis dat af en toe te huur is, niet voor toeristen, alleen voor rustige mensen die zich willen terugtrekken. Het oude huis van Jan Ponstijn, die schilder. Heb je wel eens van hem gehoord?’

We zitten in de keuken, mijn nichtje dat niet mijn nichtje is en ik, en drinken thee. Twee vrouwen van in de vijftig, met volwassen kinderen. Het huis is bijna onveranderd. Ik herken de schilderijen, de etsen, Toorop, de tegels, de kroonluchter in het oude atelier, de verzameling oude pistolen en speren, de blote rug van de werkster die voor mijn opa poseerde op een groot doek. Alleen de geur van vroeger mis ik, die van terpentijn. Het ruikt naar nieuw hout en nieuwe verf. Voor het raam pikt een koolmeesje aan een zakje pinda’s. ‘Komen ze nog op je hand zitten?’ ‘Nee, dat doen ze niet meer. Weet je nog hoe we hier met oma elke dag een kwartiertje stonden te fluiten, met een pinda op onze handpalm, weet je dat gevoel nog van die klauwtjes om je vinger?’

Herinneringen. Zij logeerde in het grote huis bij opa, en ik sliep in het heksenhuisje bij oma op de divan. In de tuin maakten we tenten onder de laag overhangende takken van de spar, met de oude fluwelen lappen uit het atelier waarmee we ons ook verkleedden. Wat waren we, Arabieren, zigeuners? Spelletjes die ik thuis nooit deed want mijn moeder hield niet van rommel en niet van logeerpartijtjes en helemaal niet zo van andere kinderen over de vloer. Maar in de tuin mochten we alles, als we de judaspenning maar niet knakten.

‘Vreemd’, zegt zij. ‘We waren toen toch echt vriendinnetjes, maar niet in Amsterdam, waar we woonden. Waarom speelden we alleen hier met elkaar?’
‘Ik wist niet eens waar jullie woonden. Weet je wat mijn vader over jullie zei? Best aardige mensen, voor communisten’.
Ze lacht. ‘En ik herinner me jouw vader de directeur. En hoe jullie aan kwamen rijden in zo’n slee, ik kende niemand met zo’n auto, en hoe hij ons dan meenam in de auto naar de eerste snackbar van Bergen, waar nu die brillenwinkel is. En dan kregen we een handvol kwartjes van hem en mochten net zoveel patat en kroketten eten als we wilden. Je vader was…’ Ze zoekt naar een woord.
‘Mijn vader was een kapitalist. Een aardige, maar toch, een beetje een patserige kapitalist’, help ik haar. Ze knikt. Precies. Nee, onze ouders zouden nooit op het idee zijn gekomen om hun dochtertjes met elkaar te laten spelen. In de stad was de afstand tussen onze families veel groter dan je in straten kon meten. We zwijgen en kijken de tuin in waar niets lijkt te zijn veranderd.

Als je goed kijkt kun je onder de grote spar nog steeds twee kleine meisjes zien spelen. In de tovertuin zijn ze een zelfbedacht tweepersoons volkje dat zich door niets en niemand laat verdelen.


Audio (29):

Schrijvers van Bergen en omgeving

Een literaire wandeling met Kees de Bakker, directeur van uitgeverij Conserve in Schoorl. Over Adriaan Roland Holst, Lucebert, Adriaan van Dis, Hildebrand, Jan de Hartog en Gerard en Karel van het Reve.
      Anja Meulenbelt leest haar essay Tovertuin.

 

 

 

Van Utrecht naar Bolivia


Het oversteken der grote wateren

Een dikke rode draad in mijn leven is de beoefening van budokunsten. Budo is Japans en betekent kortweg: ‘krijgsweg’. De tweede lettergreep, ‘do’ is het Chinese ‘tao’ en staat voor de weg die we tijdens ons bestaan afleggen. Over het eerste deel (bu) schrijft Hideo Muramatsu in Budo. Grondslagen en achtergronden: 
      
    

En ja: Onder de vele dingen waar ik mijn ouders dankbaar voor ben, neemt hun beslissing om me als tienjarig jochie naar judoles te sturen een ereplaats in. Judo en alles wat daar met de jaren bij kwam, gaf me een machtig hulpmiddel in de strijd om de overwinning op mezelf.
      Dit is een weg vol grote ontdekkingen die me dagelijks van pas komt. Eén daarvan is de constatering dat iemand je vijand is omdat je hem of haar zo bestempelt. Als je zonder vijanden wilt leven, beschouw dan iedereen als je vriend, inclusief jezelf. Klinkt misschien wat simpel, maar het komt er op neer dat je de budotechnieken gebruikt om vrienden te maken.

De vechtkunsten zijn in Bolivia niet bijster populair, ook al doet de ‘chique’ wel aan taebo of fight-do. In de loop der jaren heb ik de indruk gekregen dat de toch wel zware eisen van de zelfdisciplinering, die bij ‘oosters leren vechten’ hoort, het in Cochabamba afleggen tegen een aantal prioritaire geneugten (samen veel eten en drinken) die beter combineren met andere bewegingsvormen.
       In afgelegen volkswijken zie je mensen dan ook, vooral op de zondag vóór de chicha (drank), op pleintjes bij elkaar komen voor een partij zaalvoetbal, terwijl in het centrum de rijkere jeugd zich onder een enorme doorzichtige plastic koepel uitleeft met beach-volley.

                                                                                    MEER SPORT DAN KUNST        

Vechten is als bezigheid meer een sport dan een kunst, en de oefenzalen willen zich nog wel vullen voor taekwondo en full-contact karate, die beiden volledig wedstrijdgericht zijn.
      Buiten mezelf en een paar van mijn leerlingen heb ik in Cochabamba zelden iemand van boven de 35 actief gezien op de mat. De vormende waarde van het oefenen beperkt zich schijnbaar vooral tot de fysieke aspecten en dan houdt het na het bereiken van een bepaalde levensfase gewoon op.

Judo als wedstrijdsport, en het spijt me echt dit te moeten zeggen, is voor het grote publiek niet begrijpelijk genoeg, en dus niet aantrekkelijk. ‘Onze’ Anton Geesink heeft daar wel wat aan geprobeerd te doen door het blauwe pak in te voeren, waarmee het eenvoudiger werd onderscheid te maken tussen beide strijders.
      Maar naar de smaak van de op actie gerichte kijker gaat er bij judo teveel tijd zitten in vastpakken en aftasten, en dan kan de strijd ook nog eens in een tel afgelopen zijn, lang voordat de lekentribune er erg in heeft (“ja, je moet ook niet met je ogen knipperen”). Bij het moderne jiu-jitsu ligt dat anders. 

                                                                                         DE WIEG VAN JUDO          

Jiu-jitsu, letterlijk de flexibele kunst, ligt aan de wieg van judo, dat pas in 1882 als educatief systeem gecreëerd werd. Jiu-jitsu is al minstens acht eeuwen oud, maar wedstrijd zijn er pas sinds kort. In Brazilië, en later ook in Amerika, won vanaf de jaren tachtig een variant terrein waarin het spelletje vooral op de grond wordt uitgestoeid.
       In Europa ontwikkelde zich tezelfdertijd een wedstrijdsysteem dat een combinatie lijkt van karate, judo en worstelen. In Nederland vond de officiële ‘try-out’ van dit “Fighting System” pas in 1993 plaats, kort voor mijn vertrek naar Bolivia. Een beetje toevallig en vooral uit nieuwsgierigheid deed ik mee, en won in mijn categorie.
       Mijn wijze meester, Wim Boersma, die vond dat jiu-jitsu niet voor wedstrijden bedoeld was, feliciteerde me toch, grootmoedig als hij was. Heeft hij misschien voorzien hoe belangrijk het opdoen van die eigen ervaring voor mij nog zou blijken te zijn?

Vandaag, twaalf en een half jaar later, heb ik uit het raam van mijn kantoortje-aan-huis uitzicht op de grootste Dojo (trainingszaal) van Cochabamba. Danilo, een Boliviaanse leerling van het eerste uur, geeft judoles aan de middaggroep. De meeste van zijn leerlingen komen via een dagopvang van kinderen uit gezinnen in risico-situaties.
       Vorige week maakten Danilo en ik afspraken met een ander project van en voor jongeren die zelfgemaakt waterijs verkopen op de ‘cancha’, een informele markt van enorme omvang. En sinds twee maanden hebben we op de zondagen nog een mooie groep in één van de meest afgelegen volkswijken in het zuiden van de stad. Voor wie niet van het lesgeven rond hoeft te komen bieden de budokunsten hier in Bolivia genoeg mogelijkheden om het begrip zelfoverwinning zinvol in te vullen.

                                                                                         RAAKVLAKKEN

Wereldwijd is er de laatste tijd meer institutionele aandacht voor de raakvlakken van sportbeleving en de sociale ontwikkelingen binnen een samenleving. Twintig jaar geleden werd ik, als judoleraar in Nicaragua, niet al te vaak serieus genomen in de zwaarwichtige wereld van het internationale ontwikkelingswerk. Vandaag de dag wordt er in ieder geval niet meer om het idee gelachen.
      De toegenomen aandacht voor de sociale zin van het bewegen heeft tevens geleid tot meer begrip. Het is echter nog de vraag in hoeverre dit zich vertaalt in structurele verbeteringen in de maatschappelijke organisatie van sport en beweging. Eén van de grote thema’s waar we geen oplossing voor lijken te kunnen vinden is de tweeslachtige relatie tussen topsport en het “bewegen aan de basis”.
      Ik weet niet hoe dit in Nederland in elkaar zit, maar zowel in Nicaragua als in Bolivia heb ik ondervonden dat de promotie van bewegingswerk aan de basis (zoals judolessen met straatkinderen) voor een groot deel afhangt van de mate waarin je als leraar of organisatie tevens in staat bent om kampioenen voort te brengen. Is dat een probleem? Ja, dat is het zeker, gezien de enorme kloof tussen de mogelijkheden in het “Noorden” en het “Zuiden”. Het moderne jiu-jitsu biedt een goed voorbeeld.

                                                                                           ZEVENDE PLAATS

In 1999 richtten we in Bolivia de nationale jiu-jitsu bond op. In 2000 erkende de Internationale Ju-Jitsu Federatie (JJIF) onze bond als haar vijfde lid in Zuid-Amerika. Met de steun van bevriende leraren in Nederland en met mijn eigen wedstrijdervaringen als gids bereidde ik een paar van mijn leerlingen voor op de internationale arena.
      Tussen 2000 en 2003 behaalde met name Danilo goede resultaten. In 2002 eindigde hij als 7e op de Wereldkampioenschappen in Uruguay. Alleen al zijn aanwezigheid op dit WK, als eerste en enige Boliviaan, was een overwinning. Hij betaalde zelf zijn busreis, drie dagen non-stop heen en ook weer drie terug. De inschrijfkosten, het hotel en het jaarlijkse lidmaatschap van Bolivia aan de federatie financierden we uit ledencontributies en de inkomsten van particuliere lessen.
      Voor een bond als de onze, met jaarlijks niet meer dan vijftig betalende leden, is dat geen eenvoudige klus. Desondanks baarde Danilo’s 7e plaats in Bolivia geen opzien. Daar heb je op zijn minst een medaille voor nodig, en wat dat betreft is het effectiever (en goedkoper) om mee te doen aan toernooien in Zuid-Amerika. In 2003 kozen we daar dan ook voor, en financiëel trokken we het niet om daarna ook nog aanwezig te zijn op het WK 2004 in Madrid, dat glansrijk gewonnen werd door het Nederlandse team.

                                                                                             EUROCENTRISCH

De lijst van medaille winnaars toen geeft een idee van de stand van zaken binnen de internationale jiu-jitsu federatie. Slechts één van de 33 medailles was voor een niet-Europeaan. In eerste instantie is dit natuurlijk het resultaat van het harde werk dat de teams in de diverse Europese landen verzetten.
      Veel van mijn Zuid-Amerikaanse collega’s beschouwen deze resultaten echter ook als een gevolg van beleid van de JJIF, dat zij bestempelen als eurocentristisch. En ja, ik moet bekennen dat ik voor wat betreft Bolivia de hoop om de kloof op de korte termijn te kunnen overbruggen een beetje heb opgegeven. De prijs is te hoog, en de verwachte strategische waarde te laag.
      Onlangs raadpleegden we op een weekendkamp van onze jiu-jitsu groep het Chinese boek der veranderingen, de ‘I Ching’.
      Danilo stelde de vraag of ik hem in november mee zou nemen naar de WK 2006 in Rotterdam. En de I Ching antwoordde: ‘om de grote wateren over te steken heb je geduld en doorzettingsvermogen nodig’.

Audi (24):

Radioportret van Theo Roncken

http://www.vpro.nl/programma/wereldnet/afleveringen/17714553/

 

Van Goes naar Rotterdam

Image
Koert Davidse (Goes 1959) werkt sinds 1987 als scenarioschrijver en filmregisseur.

Sinds 2002 ook als producent in samenwerking met Yan Ting Yuen en Marc Thelosen voor www.seriousfilm.nl
      Studeerde fotografie en audiovisuele kunsten op St. Joost in Breda.



Licht geel gekleurde perrons!

Films geven veelal onbedoeld een goed beeld van hoe –vroeger- een specifieke plaats is ingedeeld en vormgegeven. Speelfilm in de functie van documentaire. Bij het bekijken van films kun je kijken naar sporen uit een wereld die verloren gegaan is.
      De persoon die het ‘kijken achter het filmbeeld’ tot kunst verheven heeft, is grafisch ontwerper Piet Schreuders. Nadat ik in Amerika was geweest, was ik er van overtuigd dat ik een documentaire over hem wilde maken, want steeds keek ik ‘door zijn bril’ naar de mij omringende wereld.
      Zo wordt in mijn documentaire ‘De bril van Piet Schreuders’ (1999) de Mainstreet van Culver City – Los Angeles geheel gereconstrueerd, zoals die er uitgezien heeft in de jaren 30. Dit aan de hand van de vele Lauren & Hardy films die hier opgenomen zijn. De filmstudio was om de hoek.

Locaties spelen altijd een belangrijke rol in mijn films, ze vertellen een deel van het verhaal. Het kleurt de hoofdpersoon: zegt iets over achtergrond en milieu.
      Begin jaren 80 ging ik in Rotterdam wonen. Ik studeerde nog aan de St. Joost Academie in Breda. Mijn eindexamen bestond o.a. uit een documentaire over het toenmalige Rotterdamse filmklimaat. (‘Stand van zaken’)
      Films ben ik blijven maken. Soms ook met typisch Rotterdamse onderwerpen en – locaties. De Laurenstoren in de korte fictiefilm De Val; de dierentuin en het CS in de documentaire over architect van Ravesteyn en het Heemraadsplein en de Nieuwe Binnenweg voor Rotterdamse saudade, over de Kaapverdiaanse muzikant Americo Brito.

Eén van de mooiste locaties blijft toch het Centraal Station. Althans zoals dit tot voor kort in gebruik was, naar het ontwerp van Sybold van Ravesteyn.
      Met de trein binnenkomen in Rotterdam. De licht geel gekleurde perrons, de markante huisjes op de kop, de mooi ‘geknakte’ overkapping. Het geheel doet bijna Italiaans aan. Van de perrons heb ik zelf opnames gemaakt voor de documentaire Sybold van Ravesteyn – architect voor de eeuwigheid. Maar dit moet zeker ook gebruikt worden in een fictiefilm. Een remake van Brief Encounter?


(Hieronder een lijst met een selectie uit het werk van Koert Davidse)

Als regisseur / scenarioschrijver / producent:
De wereld als verzameling  (HD - 10 min.)

Documentaire over de meta verzamelaar Erik Fens – 2007.

Première: Competitie Nederlands Film Festival ’07. Geselecteerd voor: Sao Paulo International Short Film Festival, Interfilm Berlin. In januari wordt de film als voorfilm in de bioscoop uitgebracht door Cinema Delicatessen

Sandberg 2002@ Stifo project -

Ontwerp interactief monument – www.deramp.nl ism Roel Wouters
Sybold van Ravesteyn: Architect voor de eeuwigheid’. (50 min. / DigiBeta)

Documentaire over deze bijzondere architect.

Première IFFR 1 februari 2005. Vertoond in vele filmtheaters in Nederland.


Als regisseur / scenarioschrijver:
De Ramp (80 min. / 16mm) NPS. Scenario & regie.

Ook nu nog houdt de herinnering aan de nacht van de watersnoodramp van 1953 de slachtoffers in zijn greep. Ontwikkeld op de IDFA-workshop o.l.v. Niek Koppen. Premiere op het Filmfestival Utrecht september 2002.
M'n ogen zeggen alles (50 min. / DigiBeta) - Humanistische Omroep.

Documentaire over de man die na een herseninfarct alleen z’n ooglid nog kan bewegen. En hoe hij hiermee communiceert met zijn gezin en vrienden. Uitzenddatum: 9 januari 2002. Eveneens vertoond op ZDF en ARTE.
De Val (7 min. / 35 mm) Scenario & regie van deze korte fictie film.

Première op het Filmfestival Utrecht 2001, vertoond op IFFR 2002 en Mexico City International Contemporary Film Festival ’06; 8th Jakarta International Film Festival ’06.

De dag dat ik besloot.....te stoppen met topsport (15 min. / 16mm) VPRO.

Korte documentaire in een serie van tien over jongeren die een radicale beslissing in hun leven gemaakt hebben. Geselecteerd voor het CineKid festival. Uitzenddatum: 22 oktober 2000.
James Avati a life in paperbacks’. (55 min. / 16mm) VPRO.

Documentaire over deze Amerikaanse paperbackcover illustrator. Gemaakt in samenwerking met Piet Schreuders. Videorelease in VS en Canada. Geselecteerd voor het 8ste International Art Film Festival in Bratislava. Uitzenddatum: 17 februari 2000.
De bril van Piet Schreuders (50 min./ DigiBeta) NPS. Scenario & regie.
Documentaire over de invloeden van de westerse massacultuur op het werk van grafisch ontwerper Piet Schreuders. Uitzenddatum: 15 februari 1999.
Arends (50 min.- NPS)
Scenario voor deze single play over het leven en werk van de schrijver/dichter Jan Arends. Regie Jelle Nesna. Genomineerd voor Beste Televisie Drama op het 17e Nederlandse Film Festival in Utrecht. Uitzenddatum: 10 november ‘97/ herhaling 19 januari ‘04
Classic Albums (50 min./ DigiBeta) NCRV. Scenario & regie.

Eén deel van deze zesdelige programmareeks. Reconstructies van legendarische Nederlandse pop LP’s. Deze aflevering gaat over ‘Voor de overlevenden’ van Boudewijn de Groot. Uitzenddatum 6 september 1997.

 

Als producent van seriousFilm:
Dinner with Murakam (50 min / 2006)
Documentaire van Yan Ting Yuen over de het Japan gezien door de ogen van de razend populaire schrijver Haruki Murakami.
Borssele (50 min / 2005)
Documentaire over de invloed van de kerncentrale op de mensen in de directe omgeving. Regie: Hester Overmars
Over Fenomenen en existenties No:3  (12 min / 2006)
Korte fictie film over de Russische absurdistische schrijver Daniil Charms– regie Andre Scheuders

 

 

 

 

 

 

Van de Sallandse heuvelrug naar de bergen van Judea


Half-Nederlands in Israël

Het is lekker om Israëli te zijn. Het is handig om goed aangepast te zijn. Er is een wereld van nieuwe mogelijkheden, die de taal en de cultuur me bieden en ik ben trots op dat blauwe paspoort. Dat rode paspoort heb ik niet weggedaan. Nederlander ben ik ook nog steeds.
      Ik heb de Nederlandse taal nog; ik draag mijn geschiedenis met me mee. Ook al voel ik me bevrijd van Nederland, op mijn manier ben ik vanaf het begin van mijn verblijf in Israël aansluiting blijven zoeken met Nederland, mijn Nederland.

Er zijn genoeg dingen die ik geprobeerd heb en waar ik mee opgehouden ben. Er is hier een Nederlandse gemeenschap, waar ik me liever verre van houd. Ik kijk wel eens op www.uitzendinggemist.nl maar de TV kan me uiteindelijk gestolen worden. En elk jaar gooi ik de uitnodiging van de ambassade voor een borrel op Koninginnedag ongeopend in de prullenbak.
       Op één van de vele omzwervingen op het internet ontdekte ik de archieven van Simek 's Nachts en daar ben ik naar blijven luisteren. Op die manier ontdekte ik podcasting en naast vele Engelstalige podcasts, luister ik trouw naar Simek op podcast en verder de nodige VPRO programma's. Dat is het Nederland in mij.

Er is een bepaalde coherentie met toen ik nog in Nederland woonde. Als ik mijn moment weet te vinden en een interview van Simek beluister of een marathoninterview, dan lijkt dat heel erg op vroeger. Ik draag een diepe nostalgie mee naar dinsdagen in 1989.
      Ik was student. Ik stond 's ochtends heel vroeg op en studeerde vlijtig in een poging het werk al tussen de middag klaar te hebben en dan begon de pret, VPRO radio. Met God zij met ons, Passages Passanten, Het spoor terug, interviews van Wim Kayzer en Max Pam, een uur Ischa, wat al niet.
      Sommige interviews van Wim Kayzer heb ik opgenomen en de bandjes beluisterde ik sinds 1989 nog vaak. Wagenaar, Dessaur, Rentes de Carvalho, Schillebeeckx. Als het mooi weer was, ging ik tussen drie en vier de deur uit. Dan wandelde ik van mijn studentenkamer in Oud-West naar de Plantage Middenlaan, café Eik en Linden. Op het bovenzaaltje schaarde ik me onder het publiek om live bij Een uur Ischa aanwezig te zijn.

PODCASTS


 Daar lijkt het luisteren naar die podcasts dus op. Dat is mijn persoonlijke smaak die ik meegenomen heb naar hier en die wezenlijk dezelfde is gebleven. Als de smaak zich ontwikkeld heeft, niet in het minst onder invloed van het Israëlische, dan komt dat in zekere zin tot uitdrukking in mijn voorliefde voor Martin Simek.
      Er is iets dat ik in hem herken en dat hij in zijn interviews ook vaak uitdraagt. Dat is het hybride, de drager van de meervoudige identiteit, Nederlands, Tsjechisch en een vleugje Italiaans. Ik voel mee met dat beurtelings zich identificeren met Nederland en de Nederlandse cultuur en er meteen weer als een buitenstaander naar kijken.
      Op dezelfde manier werd ik meegezogen in de marathoninterviews met Rudi Kross, Lea Dasberg en Albert Helman.

Simek wordt nog fascinerender wanneer hij een gast heeft met dezelfde dubbele inborst. Het tweeluik van Mohammed Jabri staat mij nog in het geheugen gegrift. Probeert Jabri van Simek een Nederlander te maken, dan is hij een Tsjech en probeert Jabri heel erg Marokkaans te zijn, dan neemt Simek het op voor Nederland. De emoties lopen zo hoog op in het eerste deel dat de mannen bijna met elkaar op de vuist gaan.
      Dat is ook de reden dat er een tweede deel werd opgenomen. Daarin blijken ze beiden on-Nederlands te zijn, of half-Nederlands, zoals ik het ook ervaar. Heel luchtig stappen ze over de ruzie van de vorige uitzending heen en kunnen kameraden zijn. Daar is het volbloed Nederlands niet erg goed in.
      De omgang met heftige emoties ligt de Nederlander niet erg en als het niet lukt om ze eronder te houden, dan slaan ze diepe wonden en geeft dat licht aanleiding tot hardnekkige wrok. Geen basis om na flink schelden vrolijk verder te praten. Ik kon het ook nooit, tot ik het in Israël leerde. Dat is ook het leuke voor een hybride mens: je hebt een breder palet om uit te kiezen.

Dat echte (nou ja) Nederlanders daar absoluut niet mee overweg kunnen wordt nog wel het best duidelijk in het interview dat Simek met Rita Verdonk had. Daar ging het fout, maar vervolgens kwam het ook echt niet meer goed. Simek rekende het zichzelf aan, maar ik geef de schuld aan Verdonk, die afgrijselijk verkrampte bij een emotionele reactie op haar standpunten en beleid.
      De RVU wist er ook geen weg mee en het interview is uit Simeks archief verdwenen. Maar ik heb de mp3 nog - voor wie eens lekker kromme tenen wil trekken. Zo kom ik steeds weer bij Simek terug, ook als ik hem wat minder vind. Met hem, blijf ik op mijn manier Nederlander.


Interviews Martin Simek met Mohammed Jabri.

 

Van Schoonrewoerd naar Zimbabwe

Image


KRITIEK EEN BEETJE BEU



Goof de Jong (Schoonrewoerd 1955) werd in 1986 uitgezonden naar Zimbabwe als leraar wiskunde door het toenmalige Komitee Zuidelijk Afrika. Hij werkte er 11 jaar als leraar op het platteland en in één van de townships van Harare. In de jaren negentig startte hij met een Nederlandse collega een reisagentschap, dat zich oorspronkelijk richtte op toerisme. Na de crisis die in 2000 startte raakte de toerisme-industrie in ernstige problemen en het bedrijf veranderde van koers. Het verzorgt nu de reizen voor ambassades, hulporganisaties en privé bedrijven en organiseert gespecialiseerde vakantiereizen naar Zimbabwe (o.a golf, vogelaars, kano safari’s, wandel- en fietstochten). Goof is correspondent van Wereldnet voor het radioprogramma Wereldnet, dat iedere werkdag wordt uitgezonden op radio 1 tussen 05.30 en 6.00 uur. Hij vertegenwoordigt ook PUM (Nederland Senior-Experts) in Zimbabwe.

 

Lichtpuntjes van Zimbabwe

      “Hoe kun je daar nu nog léven?”
      “Hoe kun je daar nog geld verdienen?”
      “Heb je wel genoeg te eten?”
      “Kom toch terug naar Nederland! Je kan zo weer voor de klas!”
      “Is het voor jou wel veilig daar?”

Elke dag weer krijg ik dezelfde vragen. Mijn familie en vrienden maken zich al jaren zorgen over mijn verblijf in Zimbabwe.
      Soms belt er een radioprogramma: “Kan je uitleggen hoe dat werkt in Zimbabwe, met een inflatie van ruim 5000%?” .
      “Wanneer komt er een eind aan het tijdperk van de huidige president Robert Mugabe?”

En ik blijf maar proberen zo goed mogelijk antwoord te geven. Ik zie altijd wel lichtpuntjes: Het is hier niet zo erg als in Darfur of in Bagdad. Hitler, Stalin en Moboetoe waren veel grotere boeven dan Mugabe.
      Ons bedrijf loopt goed. We hebben het druk!
En dan de mensen hier! Vriendelijk, altijd een grap, altijd hulpvaardig, nooit luidruchtig of grof en agressief.  
      Ondanks hun honger, hun dagelijkse strijd tegen misère, hun broosheid.

                                                                                                                                                      VOLKSAARD

Het is de aard van de Zimbabweanen; repressie van de overheid verandert die volksaard niet zo snel. Dat is universeel. Spraken onze ouders niet altijd over de saamhorigheid en de humor tijdens de tweede wereldoorlog? De boeken van bijvoorbeeld Marquez zijn doordrenkt met dezelfde waarheid: de vuilheid van de burgeroorlog, de eeuwige stank van de steden en de armoede zijn niet in staat een volk eronder te krijgen.
      Het individu kan helaas zijn leven verliezen, maar Zimbabwe zal voortleven. Een vriend van me zei het heel stevig: “We may die of hunger or war, but I have already planted many seeds.”


                                                                                                                                                      MENSENRECHTEN


Wat ook maar zelden in de krant komt is het werk van honderden mensen in Zimbabwe die zich soms met gevaar voor eigen leven inzetten voor mensenrechten, die strijden tegen armoede en onrecht. Die dag en nacht in de weer zijn met de vele weeskinderen. Maar ook mensen die grandioze muziekfestivals organiseren, mensen die actief zijn in vakbonden, in de wereld van sport en bedrijfsleven. Wij hebben geweldige schrijvers hier. Artiesten. Komieken.

Ik schreef Paul de Leeuw een paar weken geleden: “Ik wil een documentaire maken over mensen die hun nek uitsteken. Ik ben de negatieve berichtgeving over Zimbabwe beu! Help me, het kan prachtig worden!” Hij heeft niet geantwoord. Hij zal wel gedacht hebben: “Goof heeft vast tropenkolder! Hoe kan je nou iets positiefs over Zimbabwe maken?”

Mijn kennissen in Nederland vinden die laconieke toon maar bedenkelijk. Ze vinden dat ik de dingen op zijn kop zet: “In zo’n verkeerd land kun je gewoonweg niet gelukkig zijn”. Maar ik zie dat heel anders. Ik woon hier al meer dan 20 jaar. Vrijwillig. Ik hoop dat er nog 20 bij zullen komen!
      Ik zei dat gisteren nog tegen mijn biljartmaatje. Zijn antwoord was kort en krachtig: “We’ll see what you say tomorrow, maybe the beer will be finished!” De kastelein is een ex-leerling van me. Hij vertelt al jaren een ieder die het horen wil zijn verhaal: “This white man from Holland used to be my mathematics teacher, he wanted me to become a banker, but he miscalculated. I became his barman, that is why he is still in Zimbabwe!”


                                                                                                                                 UNIEK & ONVERANDERLIJK


Het is allemaal moeilijk om uit te leggen. Je moet er geweest zijn. Afgelopen maanden was hier een aantal Nederlandse families op vakantie. Terug naar het land waar ze in de jaren negentig gewoond en gewerkt hebben. Het viel me op hoe ze onafhankelijk van elkaar dezelfde conclusies trokken: “de mensen zijn niet veranderd. Ja; ze zijn armer geworden. Ze gaan gebukt onder de economische en politieke crisis, maar ze zijn nog dezelfde Zimbabweanen, die we kenden.”
      Het is als met een landschap of de kleuren van de lucht van een land: uniek en onveranderlijk. De repressie is toegenomen, zo ook de angst voor autoriteiten; de kranten schrijven meer leugens dan 10 jaar geleden en politici zijn corrupter dan ooit. Maar van een afstand bekeken is het alsof de tijd daar geen rekening mee houdt, de ellende van alledag laat ze aan haar voorbij gaan.


                                                                                                                                                              KAASKOLOS

Misschien juist daarom wil ik hier niet weg. In Nederland wordt elke seconde gebouwd en getimmerd; elke vierkante meter krijgt een nieuwe bestemming. Alles wat oud is wordt vervangen door iets dat nieuw is en beter. Mijn geboortedorp herken ik niet meer.Er loopt een ringweg dwars door de weilanden heen, er liggen verkeersdrempels, het kerkplein is gereconstrueerd en ik zie dat de kaasfabriek zich ten koste van het voebalveldje heeft uitgebreid tot een kaaskolos. In Zimbabwe heb je dat niet. De ober van het beroemde Bronte hotel is nog steeds dezelfde als toen ik in 1986 er voor het eerst kwam. Hij is ouder, en ja, zeker ook wijzer geworden. Maar het is dezelfde vriendelijke man, dezelfde gebaren en hetzelfde taalgebruik als toen: “One cold beer as usual Sir?”

www.nyati-travel.com