Reizen (253)

 

Winter 1984

Een impressie van Gerard Jacobs 


 
In Oorlog met een IKEA-pakketje

 Op zoek naar de bronnen van de Nijl arriveren wij na een slopende tocht door het onmetelijke Soedd moeras, in het dorp Yeï, een gehucht aan een onverharde weg in het grensgebied van Zuid-Sudan met Kenia, Oeganda en Zaïre.
      We hebben dagenlang tussen de Dinka’s verkeerd, een Afrikaans nomadenvolk, dat leeft van melk vermengd met bloed. We zijn uitgeput, vuil, hongerig en dorstig als we ons melden bij het kantoor van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen in Yeï, dat verantwoordelijk is voor de opvang van duizenden vluchtelingen in de regio.

Het hoofd van de UNHCR, een Spaanse aristocraat met een markiezenbaardje, bekijkt ons neerbuigend, haalt de neus op en stuurt ons weg – ondanks de aanbevelingsbrieven van de Nederlandse ambassade in Khartoem.
      Nijdig huren wij – veeleisende verslaggevers die al maanden onderweg zijn van Alexandrië naar het hart van Afrika- een kamer in het plaatselijke hotel, tevens bordeel, een verzameling rondavels met rieten dak. Eten is er niet, wel lauw bier, vertelt de uitbater, en de douche wordt door de dames gebruikt als werkruimte.
      Als de avond valt en de douche nog steeds bezet is, rijdt een 4-wheeldrive het terrein op. De UNHCR-vertegenwoordiger nodigt ons, op last van zijn vrouw, zo bekent hij chagrijnig, uit voor de avondmaaltijd.

       ‘Een karig maal,’ waarschuwt zij, een beeldschone Filippijnse, glimlachend. ‘Rijst met vis.’ Het is een arm dorp'.
Zij kookt bij kaarslicht, buiten op het erf, op een primus en inspireert mijn collega tot het schrijven van gedichten bij sterrenlicht.

We halen samen water in de rivier. Ze had, vertelt ze zuchtend als we met koud water in een plastic teiltje de afwas doen, meer van het leven verwacht toen hij, deze edelman uit Aragon, haar ten huwelijk vroeg op de Filippijnen.
      Een kasteel, suggereren wij. Niet deze hut van aangestampt leem. Wij kijken hem bestraffend aan. Hij drinkt mokkend whisky. Er is geen ijs.
Ze heeft een verzoek. Met de diplomatieke koerier is onlangs gearriveerd – per vliegtuig in de hoofdstad Khartoem, toen per boot over de Nijl naar Juba, en verder landinwaarts met de camion naar Yeï -, een slaapkamerklerenkast. De bruine IKEA-dozen liggen op het erf, halfgeopend.

      ‘Mijn man kan geen wijs uit de gebruiksaanwijzigingen,’ bekent ze.
Of wij, in ruil voor het met liefde bereide maar karige maal, de kast in elkaar willen zetten?

Wij doen galant ons best. Maar helaas, zo blijkt ook na lang zoeken met een kaars op het erf, er ontbreekt een plastic zakje met schroeven en bouten.
      ‘Geen probleem,’ verzekeren wij de Spaanse edelman bij het afscheid. ‘Volgens de instructie, kunt u de ontbrekende onderdelen ophalen bij de dichtstbijzijnde IKEA-vestiging.
      Waarschijnlijk in Genève.’


Dagboekje

Ik heb er mijn dagboekjes uit die roerige tijd even bijgehaald. Daar staan die ''gedichten bij sterrenlicht'' niet in.
      Maar wel wat beschouwingen over de situatie daar en hoe dat vorm gegeven moet worden in reportages.
Een klein stukje. En dan volgt de ''vertaling''.

 
 

Hier staat:

Wat hebben we tot nu toe?
Hoe moet dat in elkaar worden gestoken?
Verwarring lijkt groot. Bij mij. Bij Gerard.
Hoe combineer je kikkers in de plee met een
dreigende burgeroorlog, vluchtelingen, en zoiets 
als armoedebestrijding en ontwikkelingssamenwer-
king.

De chaos compleet! Zoiets.

Zaterdag 4 februari


Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan

 

 

Voorjaar 2010 

Zomaar een stadje in de heuvels

Zuid-Bohemen Tsjechië

Mladá Vožice is een stadje in Zuid-Bohemen Tsjechië
     
Nog geen 3.000 inwoners. Zo’n tachtig kilometer onder Praag.
Het is dromerig. Aangenaam. Verstild.
      Heuvels en bossen in de omgeving.
Vrijwel alles gebeurt op het centrale plein: Zižka Square.


Hotel

Een relatief groot hotel, een paar restaurants, terrasjes, een grote Coop, een kleine Coop en nog een paar winkeltjes.
      Een kerk met een mooie toren, een aantal karakteristieke huizen aan het centrale plein,  twee scholen, een standbeeld en een vervallen kasteel.


Plein

Alle wegen leiden naar het plein.

Entree

 In Mladá Vožice kom je niet per ongeluk, want het ligt bepaald niet aan een hoofdweg.

      Je kunt er eenvoudig een huis huren.
Met uitzicht op het dorp en uitzicht op heuvels en bossen. De mensen zijn aardig.
      Er komen vrijwel ieder weekend vrij veel mensen uit Praag , die hier een tweede huis hebben.
Men eet dan graag karper, die in de vijvers rond het dorp gekweekt wordt.

Vietnam-handel

Op zaterdag zijn de winkels dicht. Met uitzondering van de levensmiddelenzaak van de Vietnamees Van Lap Luong.
      Die is trouwens ook op zondag open.
En hoe laat hij op weekdagen open gaat, laat zich raden.
     
Vanaf januari 1950 kwamen er Vietnamezen van de toenmalige Democratische Republiek naar het communistische Tsjechoslowakije. De landen knoopten toen diplomatieke betrekkingen aan.
      De Vietnamezen kwamen om te werken en om te studeren. Ze openden ondermeer restaurants en winkeltjes. 
Zij zijn de op twee na grootste ethnische groepering -ca. 60.000- in het huidige Tsjechië.
      Na de Slowaken en de Ukrainers. 
Er zijn ook veel Roma in het land, maar die hebben veelal de Tsjechische nationaliteit.


Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 

 



Eiland van de superrijken


(Door Rolf Weijburg)

Vanaf Mustique varen we zuidwaarts langs Petit Mustique, Savan en Petit Canouan. Fregatvogels jagen achter keerkringvogels aan om ze hun prooi af te pikken. Een enorme school vissen kleurt het water zilver. In de verte ligt het markante silhouet van Canouan, met de puntige Mount Royal als een baken in het noorden van het eiland.
      We zeilen langs de dorre oostkust van het heuvelachtige eiland, prachtige stranden schitterden fel wit achter turquoise lagunes. Om de zuidpunt bij Glossy Hill en dan de fraaie, hoefijzervormige Charlestown Baai in, waar we voor anker gaan. Canouan is met een bevolking van 1200 na Bequia (5000) en Union Island (2500) het derde bewoonde eiland van de Grenadines van Saint Vincent.


Charlestown

Het hoofdplaatsje, Charlestown, ligt tegen de flanken van de heuvels achter Charlestownbaai. Het was een plaatsje met wat rommelig door elkaar geplaatste huisjes dat er uitzag alsof het niet echt als dorp gegroeid was, maar daar gewoon maar op een goeie dag in één keer was neergekwakt.
      Er waren een aantal kerkjes (Saint Michaëls Church, All Angels Church - het barst van de kerken in de Cariben -),en wat kleine winkeltjes die vaak ook tegelijkertijd als barretjes fungeerden. Het postkantoortje was gesloten omdat de postbeambte met spoed naar de kerk moest.


Queen Conch

De Queen Conch, de grote schelp van de roze vleugelhoornslak, is in het dorp alom tegenwoordig. Het vlees van de slakken, lambi, wordt hier veelvuldig gegeten. De enorme schelpen worden gebruikt als ornamenten of opgepoetst en verkocht aan toeristen, maar meestal gooit men ze nadat de slakken zijn verwijderd, gewoon weg. Op bepaalde strandjes liggen bergen oude schelpen.


Green Heron

Verder naar het zuidwesten lag een klein vliegveldje waar maar weinig gebeurde. Er stonden een paar nooit afgebouwde kapitale villa’s te verpieteren tegen de dorre heuvels. Nee, Canouan kon in 2004, ondanks zijn prachtige stranden, niet echt voldoen aan het paradijselijke imago dat men over het algemeen van een Caraïbisch eiland heeft.
      Bovendien vond ik bij een klein moeras de Green Heron, een vreemde, niet groene, kwakachtige vogel die ineengedoken en steels langs de waterkant sloop op jacht naar vis. De bewoners noemden het beest de Water Witch, wat ook al niet hielp.

      In de jaren zeventig verrees aan de mooie Glossy Bay in het uiterste zuidwesten een resorthotel dat, omdat er anders geen klanten zouden komen, ook maar een vliegveldje had laten aanleggen.
      Later opende ook het Tamarind Hotel op het strand van Charlestown Bay zijn deuren. Het eiland werd opengelegd, waren de veelbelovende kreten, maar in de praktijk veranderde er maar bar weinig voor de eilandbewoners die tot in de 21ste eeuw grotendeels verstoken bleven van bijvoorbeeld elektriciteit.

Antonio Saladino

Aan het begin van deze eeuw liet de Italiaans-Zwitserse ondernemer Antonio Saladino, die aanvankelijk land had gekocht op het noordelijker gelegen Mustique, zijn oog vallen op het noordelijk deel van Canouan. Het gebied van glooiende heuvels rondom Mount Royal - met 260 meter het hoogste punt van Canouan - dat ongeveer één derde van het hele eiland besloeg, omvatte een aantal fantastische beschutte stranden grenzend aan het Canouan Coral Reef National Park, waar in een door een rif beschermde lagune de bevoorrechte toerist naar hartenlust zou kunnen duiken en snorkelen tussen het veelkleurige koraal en de ontelbare tropische vissen.

Resort
     

Hier bouwde de rijke Zwitser een super luxueus vijf sterren resorthotel, Pink Sands (meer dan 2000 dollar per kamer per nacht).
      Talloze investeerders wist Saladino aan te trekken om het resort uit te breiden.

Zo kwam er een zwembad van maar liefst 1200 vierkante meter en investeerde ene Donald Trump miljoenen in het exclusieve Casino Monte Carlo Villa en de ontwikkeling van een 18 holes golfbaan die steevast ieder jaar in de top tien van beste/mooiste golfbanen ter wereld zou gaan figureren.
      Later werd er een Spa aan het complex toegevoegd, kreeg het eiland een marina, vestigde de grootste jacht-verhuurder van de Cariben, The Moorings, er een verhuur basis en werd het vliegveldje dusdanig uitgebreid dat er nu 737’s kunnen landen.

Honderden miljoenen heeft het allemaal gekost. Canouan is van een onbekend backwater in luttele jaren opgestuwd tot een eiland voor de superrijken, of, zoals ik in een advertentie las:

      “The Island where billionaires go to escape millionaires”.

Saladino heeft inmiddels zijn resort verkocht en daarna is het weer doorverkocht, en nog eens. Trump is uitgekocht. Waarschijnlijk heeft iedereen veel winst gemaakt.
      Er is vast ook wel een aantal voordeeltjes geweest voor de lokale bevolking. Elektriciteit voor iedereen bijvoorbeeld, maar of iedereen nu wel zo blij is met dat exclusieve toerisme durf ik te betwijfelen.

Mayreau

We vertrokken en staken de 10 kilometer lange zeestraat over naar het volgende eiland: Mayreau.

(Nu ik dit zo opschrijf schiet het me te binnen dat ik ooit bevriend was met de Franse zangeres Isabelle Mayereau, zou zij iets met het eiland van doen hebben?)

Een fijne bries stuwde ons met grootzeil en fok vooruit en we ankerden in Saline Bay in het zuidwesten van dit kleine eiland dat met nog geen 300 inwoners het dunst bevolkt is van de Grenadines van Saint Vincent.
      Er was slechts één hotel op dit eiland, het redelijk low-profile Salt Whistle Bay Hotel aan de gelijknamige baai in het noorden.

Toen we bij het verlaten strand van Saline Bay aankwamen en de dinghy ver genoeg het zand hadden opgetrokken, zagen we tegen de struiken aan honderden tafels en stoelen liggen. Er stonden ook wat barbecue’s bij. Ook Mayreau ontving, ondanks de afwezigheid van grote hotels, blijkbaar grote groepen toeristen, waarschijnlijk van cruiseschepen.
      We liepen een lage heuvel over en kwamen bij een zoutmeer waar in vroeger tijden zout gewonnen werd en geëxporteerd naar andere eilanden. We liepen over een pad door het droge struikgewas en kwamen bij een lang, smal strand aan de oostkust dat bezaaid lag met waaierkoraal. Het pad liep omhoog naar het kleine dorp zonder naam maar met twee kerken. Aan alle kanten ontvouwden zich hier spectaculaire uitzichten over de Caribbean met Canouan in het noorden, de Tobago Cays in het oosten en het grillige silhouet van Union Island in het zuiden.

Langs een klein begraafplaatsje daalden we af tot aan Salt Whistle Bay dat vol begon te lopen met jachten.
      Het geluid van ratelende ankerkettingen kon je vanaf de heuvels al horen.

We dronken een biertje op het terras van het hotel terwijl een nieuwsgierig zwart vogeltje met fel gele kraaloogjes op het tafeltje tussen de bierflesjes heen en weer hipte. Toen het wegvloog draaide het zijn staart enkele malen een kwartslag van horizontaal naar verticaal en weer terug.
      Dat heb ik nog nooit een vogel zien doen.

's Avonds bezochten we de lawaaierige uitspanning van Robert Righteous and the Youths in het dorp zonder naam. Net als op de meeste andere Grenadines was drinkwater ook op Mayreau een probleem. Regenwater werd er opgevangen in een drietal waterbassins en als het onvoldoende had geregend sprong een tanker vanuit Saint Vincent (want daar regent het extreem veel) bij.

      Maar bij Robert Righteous was drinkwater helemaal niet nodig. Terwijl Robert uitbundig een aantal Fransen vermaakte op de dansvloer had iedereen aan bier en rum genoeg.


 

 

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 






The Billionaire’s Island


(Door Rolf Weijburg)

Saint Vincent en the Grenadines is het op elf na kleinste land ter wereld en hoewel de eilandketen The Grenadines slechts ongeveer een achtste van het 390 vierkante kilometer grote land bestrijken, zijn ze toeristisch verreweg het meest in trek. Voor “de gewone toerist” misschien een onbekende bestemming, maar onder zeilers genieten ze, vanwege hun schoonheid en ideale bevaarbaarheid, enorme populariteit.
      De paradijselijke baaien en baaitjes op de meeste eilanden liggen in het hoogseizoen dan ook vol met zeiljachten.
We voeren het drukke Admiralty Bay uit, om de westpunt van Bequia heen en draaiden de dubbele neus van de catamaran “Icaros” richting Mustique.

Onderweg probeerden we met de dinghy op het vlak bij Bequia gelegen Petit Nevis aan land te gaan, maar door de flinke golfslag lukte dat niet. Jammer, want op het eilandje zijn nog resten van een walvisstation te zien. Er liggen ook nog veel walvisbotten, hoewel het merendeel in de jaren zestig is weggehaald door de bewoners en bouwers van Moonhole, een kleine kluizenaarsgemeenschap op het uiterste zuidwestelijke puntje van Bequia.
      Daar had een uit New York afkomstig gepensioneerd echtpaar zich teruggetrokken om samen met enkele geloofsgenoten en lokale ambachtslieden met lokaal hout en keien, walvisbotten en allerlei aangespoeld materiaal enkele uiterst experimentele woningen te bouwen. Eerst onder een grote natuurlijke rotsboog, maar later ook tegen de hellingen erachter. De commune leefde er enkele jaren in afzondering, maar tegenwoordig is de kleine nederzetting een zogenaamd eco-resort.
      Het was vanaf zee goed te zien.

In een goed uur staken we over naar Mustique. Een klein bootje begeleidde ons naar een ankerbal in de prachtige Brittannia Bay, waar we aanlegden.
      Er lagen hier beduidend minder jachten voor anker dan we bij Bequia hadden gezien.
Voor ons trok een smal strand onder hoge palmen langs de kust. Iets naar het noorden zagen we het grote overdekte houten terras van het wereldberoemde Basil’s Bar & Restaurant dat de zachte branding overkapte.
      Dit was één van de drie bars en één van de twee restaurants die het eiland rijk was. Er waren twee zeer luxe hotels op het eiland (bij elkaar goed voor 25 kamers) en er was een piepklein dorpje, Lovell Village, dat slechts een paar honderd inwoners telde. Een eindje voorbij Basil’s stak een aanlegsteiger waar eens in de zoveel dagen de Inter-Island Ferry aanmeerde, het kraakheldere water in. Het eiland had ook een klein vliegveld waar een paar keer per dag vliegtuigjes uit Barbados en enkele andere eilanden landden.

Waarom zoveel voorzieningen voor een eiland met slechts een paar honderd inwoners?
      Wel, als ik u zeg dat het weelderig begroeide, met prachtige stranden omgeven Mustique als bijnaam “The Billionaire’s Island” heeft, dan voelt u de bui al hangen.
      Het ongeveer 5 bij 2,5 kilometer metende Mustique werd in 1958 gekocht (voor 45000 Pond) door de rijke Britse aristocraat en ondernemer Colin Tennant, later Lord Glenconner, die het eiland wilde ontwikkelen tot een exclusieve hideaway voor zijn rijke en adellijke vrienden. Hij plantte het eiland vol palm- en fruitbomen en bouwde een compleet nieuw en keurig dorp voor de oorspronkelijke bewoners. Toen het Koninklijk jacht Brittania in 1960 op zijn Caribische tour ter gelegenheid van het huwelijk van Prinses Margaret en Lord Snowdon Mustique aandeed, bood Tennant de prinses, met wie hij goed bevriend was, als huwelijksgeschenk een stuk land op het eiland aan, waarop zij haar eigen vakantievilla mocht bouwen.
      Dat huis, “Les Jolies Eaux”, staat er inmiddels sinds 1969 op een schiereiland aan de zuidkust. De prinses, die wel van een partijtje hield, kwam er vaak, hield er grote feesten, ontving en relaxte er. Na haar overlijden in 2002 bleef het enige tijd ongebruikt, maar nu kan je de villa voor zo’n 30.000 dollar per week huren.


Colin Tennant

Door de jaren heen vonden allerlei andere beroemdheden, adellijken en magnaten de weg naar Mustique en inmiddels staan er 110 villa’s verspreid over de heuvels en langs de kusten van het idyllische eiland. De één nog extravaganter dan de ander. Zo’n beetje iedere bouwstijl is er terug te vinden, variërend van Caribische gingerbreadhouses, Franse chateaux en Veneziaanse palazzi tot kapitale villa’s in Balinese, Marokkaanse of Japanse stijl. Het zijn follies waar je écht in kan wonen.
      Stuk voor stuk imposante bouwwerken die voor het overgrote deel van het jaar leeg staan of voor viernullenbedragen verhuurd worden (inclusief personeel uiteraard). De eigenaren, waaronder Mick Jagger, wijlen David Bowie, Tommy Hilfiger, Shania Twain en Bryan Adams, komen er slechts enkele weken per jaar.

      Om financiële redenen was Colin Tennant in 1976 min of meer gedwongen het eiland over te dragen aan de nieuw opgezette Mustique Company waarin alle villa-eigenaren zich hadden verenigd. Tennant verliet het eiland en stierf in 2010 op het naburige Saint Lucia.

      Zijn standbeeld blijft uitkijken over Mustique.

De Mustique Company regeert nu over het eiland. Alle huizen en gebouwen, anders dan de villa’s van de jetset, zijn eigendom van de Company. De oorspronkelijke bewoners die bij elkaar in het dorpje Lovell wonen betalen geen huur. Hun kinderen mogen gratis naar de basisschool, het enige onderwijs op Mustique. 

      Later is er gegarandeerd werk voor ze op het eiland. De Company onderhoudt voorts de wegen, stelt algemene regels op, zorgt voor security, harkt de stranden aan, exploiteert de ankerballen in Brittania Bay , etc. etc. Mustique geeft zelfs, zij het zeer sporadisch, zijn eigen postzegels uit.

 

 Kaartje


Mules

Het eiland is als een apart landje uitsluitend voor de Rich & Famous, een afgeschermde speeltuin met hoog Disneylandgehalte waar The Company over waakt.
     

Het eerste dat opviel toen ik er aan land stapte was het verkeer. Dat was er haast niet, maar als er dan iets gemotoriseerds over de keurige asfaltweggetjes langstrok, waren het van die elektrische golfkarretjes, van het merk Mule.
      Afgezien van een enkele vrachtwagen of bestelbus van The Company, waren dit de enige auto’s op het eiland, andere waren verboden. Er waren geen stoplichten of verkeersborden.

Ik liep Basil’s Bar binnen en bestelde op het terras een cappuccino. Voor een zo gerenommeerde en wereldberoemde tent als dit vond ik het er eigenlijk niet zo bijzonder, een beetje sleets zelfs, uitzien. Maar je zat er heerlijk, dat moet gezegd.
      Een eindje verderop stonden tussen uitbundig bloeiende frangipani’s en bougainvillea twee gingerbread huisjes die zó uit Disneyland hadden kunnen komen. De een was een bakkerij, de ander een souvenirwinkeltje.

Door lopend langs de kust een kleine heuvel op kwam ik bij het dorpje Lovell, de enige nederzetting op het eiland, een aantal kleine, goed onderhouden huisjes rondom een lus aan het einde van de weg.
      Ik slenterde verder het eiland over. De weggetjes kronkelden netjes tussen de heuvels door langs keurig bijgesnoeid bos, aangeharkte perkjes en strak gemaaid gras. Vogeltjes kwetterden precies zoals het hoorde en qua wildlife was er nog de roodpotige landschildpad, een beschermde diersoort en troeteldier van het eiland - ergens staat zelfs een klein standbeeld van twee copulerende schildpadden - dat voorrang heeft als het de weg oversteekt.

Hier en daar doemden uitspattingen van overdreven architectonisch optimisme op achter pompeus bewerkt hekwerk, lange muren of hoge heggen. Af en toe schitterde het blauw van een zwembad tussen de palmbomen door.
      Ik kwam bij het kleine vliegveldje. Hoewel de huiseigenaren van Mustique waarschijnlijk allemaal wel een eigen privé jet hadden, konden en mochten ze die hier vanwege ruimtegebrek niet parkeren (overigens is er ook geen plek waar je je megajacht kwijt kunt). Er stond één klein vliegtuigje van Grenadine Air dat net was aangekomen. In het postkantoortje dat tegenover de terminal stond kocht ik een aantal Mustique postzegels.
      Later liep ik langs een klein binnenmeer vol watervogels aan de westkust en kwam terecht op het strand van Lagoon Beach aan de zuidkust. In de schaduw van de wuivende palmen stonden talloze mooie houten bankjes keurig in gelid in het zand, maar er zat niemand op. Er was niemand op het strand, alleen drie mannen die met rookgeweren bezig waren muggen en zandvliegen te vernietigen.

Want Mustique moet schoon!

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

‘’Mijn man is een beetje een klootzak’’

Het was in het najaar van 1994. Ik zat aan boord van een VARIG-toestel op weg van Amsterdam naar Rio de Janeiro in Brazilië. Vorstelijk op de eerste rij van de Businessclass. Als je namelijk met deze maatschappij vloog en je boekte een kamer in het Rio Palace Hotel aan Copacabana werd je geüpgraded. 
      Naast mij zat Mariah met een wiegje op haar schoot. De baby van drie maanden krijste en had een vieze luier. 
Maria gaf mij het wiegje en probeerde het kind te laten ophouden met schreeuwen, terwijl ze tegelijk een schone luier probeerde om te doen. Dat lukte niet zo best. En het werd nog problematischer toen het toestel vertrok en de veiligheidsgordels om moesten. Ze brabbelde wat in het Portugees. Het leken mij intense vloeken.  

Als de baby eindelijk een beetje rustig is, kijkt ze me aan en zegt in het Nederlands: ‘’Weet je hoe dat komt. Het was een zware bevalling. Heel zwaar”.
En dan gaat ze staccato door zonder dat ik wat hoef te vragen.
‘’Ik had zwangerschapsvergiftiging. Heb drie maanden plat op bed gelegen. Ik kon bijna niets. Van alles afhankelijk. En ook de bevalling ging moeizaam. Ik heb er alles bij elkaar zo’n 20 uur over gedaan. Soms een wee, dan weer niet. Dat was in het ziekenhuis, want ik kon natuurlijk niet thuis bevallen. Dat had ik overigens toch niet gewild. Bij ons thuis is dat niet de gewoonte.”

Mariah is een Braziliaanse. Maar ze is getrouwd met een Hollander en woont al tien jaar in Nederland.
Ze spreekt vrijwel accentloos Nederlands. “Maar ik verlangde altijd naar Brazilië. Weet je; Ik heb tien jaar constant heimwee gehad. Constant’’.
      En dan komt het.
‘’Mijn man begrijpt daar niets van. Hij wil er ook niets van begrijpen. Weet je, Het is een beetje een klootzak’’.

Zo!
      Dat is een hele ontboezeming tegen een onbekende. We zitten nog geen uur in dat vliegtuig.

Het gebeurt mij vaker in de lucht. Anonimiteit, een gebrek aan gêne, een soort zekerheid dat je elkaar nooit meer tegenkomt, aandrang om een last kwijt te raken, roekeloosheid vanwege de hoogte; ademgebrek, laisser-faire; ik weet het allemaal niet, maar het gebeurt me te vaak om toevallig te zijn.

We hebben nog zo’n twaalf uur te gaan inclusief een stop in Lissabon. Dat kan een gezellige tocht worden.

Weer hoef ik niets te vragen.
      ‘’Toen ik plat op bed lag ging hij vreemd. Niet één keer, maar voortdurend. En niet met één vrouw, maar met meerderen. Ik wist dat gewoon. En toen ik ernaar vroeg, bekende hij het grif. En weet je waarom?  Omdat ik uit Brazilië kom. Braziliaanse mannen gaan namelijk altijd vreemd. Dus ik was daaraan gewend. Zei hij. Dat zei hij echt. Ik lig plat op bed, kan vrijwel niets en moet dan accepteren dat hij dat soort dingen doet’’.

‘’Je begrijpt dat we ruzie kregen na de bevalling. En niet zo’n beetje ook. En toen besloten we om een tijdje uit elkaar te gaan. Ik ga nu naar mijn ouders in Belo Horizonte. Ze hebben dat kind nog nooit gezien.  En daarna zie ik het allemaal wel.
      Ik ben fotograaf. Kan alles aanpakken. Trouwreportages maken, portretfoto’s, maar ook persfoto’s. En ik kan ook als cameravrouw mee met T.V.-ploegen. Ik heb nog steeds contacten in Brazilië. En wie weet: als het me bevalt zoekt die klootzak het maar uit. Dan moet hij maar naar Brazilië komen, Weet hij ook eens hoe het is om in een ander land te wonen”.

Ze neemt een korte pauze. Drinkt een glaasje wijn en neemt een nootje. Kijkt me even aan en gaat weer door:
      ‘’Denk nou niet dat het me in Nederland niet bevalt. Denk dat vooral niet. In al die jaren ben ik veel dingen gaan waarderen. Een zekere regelmaat, je weet waar je aan toe bent. Mensen zijn
tolerant en als buitenlandse heb ik nooit iets van onverdraagzaamheid laat staan discriminatie ervaren. Brazilië is in vrijwel alle opzichten anders. Je kunt toch van allebei houden? Of vind je van niet?”

‘’Ik denk het wel Mariah. Maar dat weet ik niet zeker. Ik heb wel veel gereisd, maar nooit in een ander land gewoond. En dat lijkt me wel nodig om daar een oordeel over te hebben’’.
      ’Kijk’’, zegt ze. ‘’Dat bevalt me nou aan jullie. Eerlijk een mening geven en niet meepraten met iemand. Zullen we dan nog maar een wijntje nemen en toosten op de toekomst?’’


Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

 

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh