Reizen (252)

 

Voorjaar 1995

''Niet doen'', zegt ze, ''vooral niet doen''

                           

 

Stolichnaya Wodka

In maart 1995 liep ik door het centrum van Moskou. Er lag nog sneeuw en het was koud. 
      Ik maakte daar een radioprogramma over de Russische bard Vladimir Vyssotski en werd vergezeld door Svetlana. Zij zorgde voor vertalingen. Een doortastende en zelfverzekerde vrouw. 

      Ik kwam overal in en werd voorgesteld aan een ieder die zij voor mij belangrijk vond.

Het was in de Málaja Gruzinskaja , een rustige lommerrijke straat waar Vyssotski woonde. Ik stopte bij één van de talloze stalletjes, die je overal in Moskou tegenkomt.
      Ik wilde een fles Wodka kopen en wees het etiket Stolichnaya aan. Want dat kende ik natuurlijk.

Svetlana greep in. ‘Niet doen’, zei zij. ‘Niet doen’.
     
‘Oh’ antwoordde ik. ‘Waarom niet?’
     
‘Omdat je nooit weet wat er in die fles zit. De mensen stoken hier allemaal hun eigen alcohol. Soms is dat goed, maar het is vaak ook rotzooi. Gevaarlijke rotzooi. Ze doen dat in zo’n zelfde fles en plakken er een etiket op. Dit hier (rechts) is een etiket in Latijnse letters.
     
Russen zullen dat nooit kopen. Dat doen alleen buitenlanders als jij’.

Tja.
     
Svetlana zei dat ik naar zo’n staatswinkel kon gaan. Maar dat was duur.
En daarom zou ze me wel helpen.
     
Bij een volgend tentje zag ze de fles boven op de foto. Etiket in het Cyrillisch schrift en zegeltjes onder de dop aan de bovenkant. 
Ze praatte even met de verkoper en wist het zeker.   
     
‘Dit is originele Stolichnaya’, zei ze. ‘Dat zie je zo, you know: toeristen kopen dit niet want ze herkennen de tekens niet. En dat weten die standhouders ook. Bovendien is het heel moeilijk en veel te veel werk om zo'n fles op dezelfde manier te verzegelen.

Etiket 

Stolichnaya wodka bestaat sinds 1939 of 1941. Dat is niet helemaal zeker.
     
Althans dat lees ik in Davaj!, De Russen en hun wodka.
Een leuk & onderhoudend boek van Edwin Trommelen met tal van citaten en anekdotes over wodka van Russische schrijvers, waaronder Tsjechov, Gogol, Dostojevski, Tolstoj, Solzjenitsyn en Poesjkin.

Voor Stolichnaya wordt ondermeer graan en zuiver bronwater gebruikt.
     
Het etiket zit er al sinds 1953 op. Het gebouw is het voormalige Moskva hotel op het Rode Plein. Dit hotel werd begin deze eeuw afgebroken en vervangen door een nieuw gebouw. Maar het etiket is gebleven.

Het merk beleefde -alweer volgens Edwin Trommelen- in 1975 zijn ruimtedoop:

     "Om de gemeenschappelijke vlucht Apollo/Sojoez te vieren had kosmonaut Aleksej Leonov een tube bij zich met een Stolichnaya etiket erop. Dat de tube geen wodka bevatte maar borsjtsj, mocht de pret niet drukken''. 

Vladimir Vyssotski ligt isinds 1980 in Moskou begraven. Zijn graf wordt vooral in het weekend nog steeds druk bezocht. Hij was een grote volksheld, maar ook een alcoholist die zichzelf te gronde richtte. 

      Volgens zijn echtgenote Marina Vlady dronk hij namelijk zes tot zeven flesssen wodka per dag. Meestal Stolichnaya

Op dit filmpje probeert Edwin Trommelen zijn wodka te delen met Russen. Onder muziek van Vyssotski. 


Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan
37: Robert Peel, een Engelsman op Fanø
38: Svetlana, een Russin

 

 

 

GRENADA, THE SPICE ISLAND

(Door Rolf Weijburg)

Grenada, het op 10 na kleinste land ter wereld, is een natie van drie bewoonde eilanden in het zuiden van de oost Caribische eilandketen.
      De geschiedenis van het vulkanisch bergachtige Grenada leest als een duplicaat van de meeste andere eilanden en naties in de regio. Rond het begin van de jaartelling werden de eilanden bevolkt door Amarindians, die ruim 500 jaar later zouden worden verdreven door Arawak indianen . In de zevende eeuw waaierden de vechtlustige Carib indianen, net als hun voorgangers ook vanuit Zuid Amerika, uit over de Cariben. Zij verdreven op hun beurt de Arawaks en heersten nog steeds over de eilanden toen Columbus langskwam. Daarna kwamen de Fransen, vervolgens de Britten en beide kolonisatoren raakten in zware strijd met de Caribs die uiteindelijk bruut werden uitgemoord.
      Ook op Grenada. De Fransen kwamen terug, en de Britten, en weer de Fransen, maar uiteindelijk kwam Grenada bij het Verdrag van Versailles in 1783 in Britse handen.
      Grenada werd een British Crown Colony in 1877, kreeg de status van Associated State in 1967 en een Grondwet in 1973. In 1974 werd Grenada een onafhankelijke staat, een parlementaire democratie binnen het Britse Gemenebest. De vlag van de nieuwe natie werd gehesen op 7 februari 1974.

Het was een vlag die de eigenschappen en aspiraties van de nieuwe natie mooi samenvatte.
      De rode kleur van de rand stond voor de moed en vitaliteit van de Grenadanen, terwijl de rand zelf harmonie en eenheid moest uitstralen. De goudgele kleur stond voor de zon en de warmte van de bevolking. Groen was natuurlijk de vruchtbaarheid van het land, de weelderige vegetatie en de landbouw. De zeven sterren zijn de zeven parochies waarin het land bestuurlijk verdeeld is en de nootmuskaatvrucht, Grenada’s belangrijkste exportproduct, moest ‘s lands voortvarende toekomst verbeelden.
      Weliswaar was Koningin Elizabeth II een soort opperstaatshoofd van Gemenebestland Grenada, de échte touwtjes lagen in handen van Eric M. Gairy, oprichter van de vakbondsbeweging en de Grenada United Labour Party. Gairy was al sinds 1951 politiek leider van Grenada en kon zijn positie ook na de onafhankelijkheid in 1973 behouden.
      Hij werd Grenada’s eerste premier na de onafhankelijkheid.

Onder protest. Want met de jaren waren Gairy en zijn overheidsvriendjes steeds corrupter geworden. Geholpen door de beruchte Mongoose Gang, een bende die door gewelddadige overvallen angst en verderf zaaide op de eilanden en Gairy’s opponenten en critici aanviel en bedreigde, hield Gairy halsstarrig vast aan de macht.

Het land kwam in opstand, er waren stakingen en demonstraties en op 13 maart 1979, toen Eric Gairy op bezoek was bij de UN in New York, werd op Grenada zonder bloedvergieten een coup gepleegd. De gewapende coupplegers waren afkomstig uit de gelederen van de socialistische New JEWEL Movement (NJM, waarbij JEWEL staat voor Joint Action for Education, Welfare and Liberation). Enkele dagen na de coup werd de People’s Revolutionary Government (PRG) geïnstalleerd, de grondwet opgeschort en werd de 35 jarige advocaat en leider van de NJM Maurice Bishop als nieuwe socialistische premier naar voren geschoven.

 

Maurice Bishop

 

De charismatische, op Aruba geboren Maurice Bishop werd al gauw door de Grenadaanse bevolking op handen gedragen. Hij zette de mensenrechten die tijdens het bewind van Gairy nogal waren genegeerd hoog op de agenda en zocht naar mogelijkheden om Grenada’s economie die op sterven na dood was, weer op de rails te krijgen.
     

      Er kwamen coöperaties en kredietvoorzieningen voor boeren, er werden huizen gebouwd, scholen en klinieken. Onderwijs en gezondheidszorg werden gratis. Met de hulp van Cubaanse adviseurs, bouwkundigen en arbeiders werd in het zuiden van Grenada bij Point Salines begonnen aan de bouw van een groot, nieuw vliegveld.

 

      Veel van Grenada’s buren waren niet zo blij met de plotselinge draai naar links op het eiland en helemaal niet toen Bishop zich voor steun en hulp steeds meer tot de Soviet-Unie en Fidel Castro's Cuba richtte
      Ook Amerika volgde de ontwikkelingen met argusogen. Zoveel linkse kameraadschappelijkheid in de achtertuin kon nooit goed zijn.

 

                   

Oplopende spanningen

Maar na vier jaar aan de macht was de sfeer binnen de PRG aardig gaan verslechteren. Onder de machthebbers ontstond steeds meer kritiek op Bishop’s functioneren. Hij zou te soft zijn, te relaxed, en eigenlijk niet links genoeg. Een deel van hen eiste dat het leiderschap gedeeld moest worden. Bishop zou zijn goede contacten met de bevolking verder moeten uitbuiten terwijl Bernard Coard, een echte hardliner en aanhanger van de communistische doctrines van Lenin en Marx, zich meer achter de schermen met de organisatie zou gaan bemoeien. In de praktijk betekende dit dat Bishop enorm aan macht zou gaan inboeten. De spanningen liepen op en op 13 oktober 1983 werd Maurice Bishop door de aanhangers van Coard onder huisarrest gesteld.
      Opnieuw kwamen er onlusten, stakingen, opstanden. De hele Grenadaanse bevolking eiste Bishop’s vrijlating. Na zes dagen onrust wist een groep demonstranten Maurice Bishop te bevrijden. De menigte trok, samen met Bishop, op naar Fort George, het hoofdkwartier van de PRG, om te voorkomen dat Coard en zijn Marxisten de macht zouden overnemen.
      Er braken gevechten uit. Meer dan honderd Grenadanen, mannen, vrouwen en kinderen, vonden de dood en aan het eind van de middag van 19 oktober 1983 werd Maurice Bishop samen met vier van zijn aanhangers op de binnenplaats van het fort geëxecuteerd.

Urgent Fury

 

      Er werd een avondklok ingesteld, overtreders zouden direct worden doodgeschoten. De Marxistische Ruling Military Council van de PRG had nu de macht in handen. De belofte dat er binnen twee weken een burgerregering zou worden geïnstalleerd werd door niemand geloofd.

In Washington pleegde Ronald Reagan een paar dagen later een kort telefoontje:

“Operation Urgent Fury” ging van start.

 

WORDT VERVOLGD

  

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

Het mooie dorpje Sønderho

   

Fanø in Denemarken is het meest noordelijke Waddeneiland, maar maakt volgens deze kaart geen deel uit van het UNESCO Werelderfgoed.
      Dat lijkt mij onterecht en ik zal uitleggen waarom.

     

Het is een prachtig eiland met zo’n 15 kilometer ononderbroken breed strand, met bossen en duinen en twee aantrekkelijke plaatsjes: Nordby en Sønderho.
      Vooral dit laatste dorp is zeer de moeite waard om te bezoeken. 
Het werd in 2012 door de Denen uitgeroepen tot mooiste dorp van het land. 

    

Je kunt er komen per veerboot vanuit Esbjerg. Nog geen kwartier varen. Er is een bootje voor voetgangers en fietsers en een ferry voor auto’s.

    

Een retour voor een auto en maximaal negen personen kost 195 Deense Kroon. Omgerekend is dat circa € 26,70. De inwoners van Fanø vinden dat veel, want ze zijn voor een belangrijk deel van hun inkomsten afhankelijk van het toerisme.
      Per jaar komen er zo’n 125.000 toeristen, die goed zijn voor 725.000 overnachtingen.  

(Ter vergelijking: Texel ontvangt per jaar ongeveer 1 miljoen bezoekers; een retourticket voor een auto en max. negen personen kost daar € 37,--)

    

Sønderho heeft kleurige huizen met rieten daken, want het riet groeit daar volop. Ze staan vrij dicht opeen. Er lopen tussen de huizen door voetgangerspaadjes, die het allemaal intiem maken. 
      De huizen staan in verband met heersende winden min of meer in gelid. De daken in het zuiden worden het meest geteisterd en moeten om de paar jaar hersteld of vernieuwd worden. Een enkel huis staat door ruimtegebrek ‘’verkeerd’’.

    

    

Dat leren we tenminste van Robert Peel. In een plaatselijk café sprak hij ons aan in vlekkeloos Engels. 
Of we soms uit Nederland kwamen. 
      Hij bleek een Engelsman, die zich op dit eiland gevestigd had. Tenminste in de zomer, want in de winter was het er veel te koud en te nat. Robert had ook in Nederland gewoond en bleek goed Nederlands te spreken. 
      ‘’Of we 27 minuten de tijd hadden’’. Dat hadden we. (Vier volwassenen en twee tieners).
Het bleek voldoende voor een rondleiding door het dorp.

Na een tocht over smalle paadjes eindigen we bij een decoratief wandbord, waarop de geschiedenis in voor- en tegenspoed is verbeeld. 
      Een voor zo’n klein dorp rijke geschiedenis met op het bord een zogeheten welvaartslijn waarop economische invloeden duidelijk herkenbaar zijn. Rampen, oorlogen, bloei en rijke visvangsten volgen elkaar op.

    

Een bord ook met een kritische ondertoon. Kijk eens naar dit tegeltje. 
      Volgens Robert Peel zitten er te veel zeehonden rondom het eiland met als gevolg dat er vrijwel geen vis meer in de zee zit. De plaatselijke overheid wil daar maatregelen tegen nemen, maar wordt tegengewerkt door een Deens alternatief voor ‘’Wakker Dier”. 
      Het was de bedoeling dat de tegel met de zeehond onder de paraplu in Delfts Blauw zou worden gefabriceerd bij de Koninklijke tegelfabriek in Makkum Friesland, maar dat bleek veel te duur.

      

Kritiek is er ook op de Kopenhagers, die op Fanø een tweede huis hebben. ‘’Te arrogant’, vindt de plaatselijke bevolking. En ze ‘’doen maar wat’’. Verven hun huizen in kleuren en strepen ‘’alsof het wenkbrauwen zijn’’. 
      Op het bord komt dit tot uitdrukking door de K (Kopenhagen) op het oude nummerbord.

   

In de haven van Sønderho lagen in 1980 nog zo’n 30 schepen.

   

Nu is het dichtgeslibd. Er zijn plannen om de boel uit te baggeren, maar ook dit ondervindt weerstand.

   

Buiten het dorp is daar allemaal niets meer van te merken. De duinen zijn hoog en het strand is breed.

   

Overstromingen waren er in het verleden ook. Op deze paal staan de jaartallen van de laatste twee eeuwen. De hoogste stand werd bereikt in 1839.

   

  

(Eerder geplaatst: 28-10-'16)

Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan
37: Robert Peel, een Engelsman op Fanø

 

          

De ultieme ‘’droom’’-bestemming

                      


TOBAGO CAYS

(Door Rolf Weijburg)

De Grenadine eilanden in de Caribische staat Saint Vincent & The Grenadines, het op elf na kleinste land ter wereld, hebben een enorme aantrekkingskracht op yachties, die met al dan niet lokaal gehuurde jachten de oostelijke Cariben langs zeilen. Veel Fransen die vanuit hun Caribische overzeese departementen Guadeloupe, Saint Barths of Martinique zee kiezen, maar ook Britten natuurlijk, Amerikanen en een keur aan andere nationaliteiten dobbert tijdens het seizoen langs de tot de verbeelding sprekende Caribische eilandparadijsjes.
      De Grenadines van Saint Vincent zijn voor velen een ultieme droombestemming: de eilanden liggen niet te ver uit elkaar, palmenstranden te over, een prachtige onderwaterwereld, goede ankerplekken en uitstekende voorzieningen.
      En bínnen die Grenadines zijn, zo vertelt menige gids, de Tobago Cays de absolute topbestemming.

Vanaf Mayreau stuurden we de catamaran oostwaarts naar de Tobago Cays, vijf onbewoonde eilandjes in een kraakheldere zee vol koraal en exotische vissen, veilig beschermd door twee enorme riffen, het Horseshoe Reef en het World’s End Reef.
      Langs wat verraderlijke ondieptes draaiden we tussen de eilandjes Petit Bateau en Jamesby door en ankerden tegenover Baradal eiland aan de rand van Horseshoe Reef.
      De eilanden waren weelderig begroeid en hadden allemaal idyllische strandjes. Omdat de Tobago Cays beschermd gebied is, woonde er niemand en was er geen bebouwing. Je zou er zo maar door een romantisch Robinson Crusoe gevoel overvallen kunnen worden.

Ware het niet dat er overal jachten lagen …

Werkelijk overal tussen de eilandjes en langs het grote rif lagen jachten. Het woord horizonvervuiling kwam bij me op. Het was een drukte van belang.
      Tussen de glimmende jachten scheurden boat boys heen en weer met hun boten die door de jaren heen steeds grotere buitenboordmotoren hadden gekregen.
      Het waren mannen uit Mayreau die goed verdienden aan de yachties door boodschappen voor ze te halen, vis aan ze te verkopen en verder alles te regelen wat er maar te wensen was.

De yachties zelf dobberden in hun dinghies tussen jacht en strand, of langs het rif om te gaan snorkelen. Dat deden wij ook natuurlijk. Ik zag het veelkleurige koraal en de scholen kleurige visjes, prachtige anemonen en lange naaldvissen die me met hun uitpuilende ogen verbaasd aankeken. Later klom ik naar het topje van Baradal eiland, waar ik een Duitser tegenkwam die er, clandestien, op een beschutte plek zijn tentje had opgezet.
      Voor veel mensen uit Mayreau was het zeiltoerisme weliswaar een welkome aanvulling op het schrale inkomen, maar de keerzijde van al die jachten is in de loop der jaren ook zichtbaar geworden: in de afgelopen tien jaar is de verontreiniging van het water en de kusten rondom de Tobago Cays enorm toegenomen. Maagdelijk zijn de eilandjes allang niet meer.


PALM & UNION

We lichtten het anker en voeren een paar kilometer naar het zuidwesten, naar Palm Island. Een klein eiland met drie heuveltoppen, een lang strand en een resort hotel.
      Het eiland werd ooit voor 99 jaar gehuurd door een rijke Texaan die het van Prune Island omdoopte tot Palm Island. Hij bouwde er een kleinschalig hotel dat hij tot zijn dood bleef runnen. Daarna werd het hotel overgenomen door een grote hotelketen, die er een luxe resort van maakte met comfortabele bungalows in de schaduw van een palmbomenplantage. We ankerden tegenover de steiger van het hotel. Erachter lag de receptie met een souvenirwinkel waar ik postzegels wilde kopen. Palm Island had ooit zijn eigen postzegels uitgegeven. Maar we waren te laat, de winkel was al gesloten.

Het is wat met die postzegels in Saint Vincent & The Grenadines. Het land gaf enorm veel postzegels uit, veel meer dan de 110.000 inwoners ooit voor frankering zouden gebruiken. Sterker nog, enige jaren terug was Saint Vincent & The Grenadines na Guinée en Guyana wereldkoploper als het ging om hoeveelheden uitgegeven postzegels. Allemaal voor de internationale filatelistische markt.
      Op het postkantoor in de hoofdstad Kingstown vond ik zegels waarop “Saint Vincent & The Grenadines” stond, maar er lagen ook zegels met alleen “Saint Vincent” en zegels waarop “Grenadines of Saint Vincent” stond vermeld. Bovendien hadden binnen de Grenadines de eilanden Mustique, Bequia, Union en Palm allemaal ooit hun eigen zegels uitgegeven.
      Ik wilde vanaf ieder van die eilanden een kaartje met de eigen postzegels versturen. Vanaf Saint Vincent en Mustique was dat gelukt, op Bequia hadden ze uitsluitend zegels van Saint Vincent & the Grenadines en toen we die avond op weg naar de Sunset Bar & Gril van het resort langs de receptie kwamen, kreeg ik te horen dat Palm Island, na die ene uitgifte, nooit meer zegels had uitgegeven. 

De ankerplaats werd bestookt door wind en golven waardoor de catamaran de hele nacht zwaar lag te rollen. Na een slechte nacht zetten we ’s ochtends vroeg koers naar het markante silhouet - waardoor het de bijnaam Tahiti of the Grenadines kreeg - van Union Island.

Union Island is met 2700 inwoners na Bequia het dichtstbevolkte Grenadine eiland. Het is het enige eiland in de Grenadines dat heeft geprobeerd zich af te scheiden van Saint Vincent. In de jaren zeventig was het er een poosje onrustig omdat opstandelingen op gewelddadige wijze aansluiting zochten tot Grenada.  De opstand werd onderdrukt door een speciaal uit Saint Vincent overgevlogen politiemacht.
      Er zijn twee dorpen op Union, Clifton en Ashton, die aan het begin van de vorige eeuw bijna geheel ontvolkt waren. Het bevolkingsaantal begon in de jaren zestig weer gestaag te groeien nadat een Fransman uit Martinique, André Beaufrand, bij Clifton een hotel, de Anchorage, bouwde en er een kleine airstrip bij liet aanleggen. Vliegveldje, beschutte ankerplaatsen voor jachten, een fijn hotel met uitstekend restaurant en de nabijheid van de parels van de Cariben, de Tobago Cays, bleken de juiste ingrediënten voor een succesvolle toeristische onderneming.

We ankerden in water van een ongelofelijke kleur en helderheid bij een groot rif in de baai van Clifton, het hoofdplaatsje van Union Island. Een eindje verderop stak de landingsbaan van het kleine vliegveld de zee in.
      We gingen aan land. De Anchorage was inmiddels een begrip geworden en het toerisme naar Union was enorm toegenomen. In het kielzog van al die toeristen had zich een heuse toeristenindustrie neergevleid in de smalle hoofdstraat van Clifton. Guesthouses, dive-clubs, excursiebureautjes, een bank, een tourist office, restaurantjes en barretjes stonden er zij aan zij.

Ook souvenirwinkels waren er natuurlijk en in één van deze winkels vond ik een aantal Philatelic Souvenir Sets, slordig in plastic verpakte kartonnetjes met niet alleen series kleurige Saint Vincent postzegels maar ook een aantal met zegels van Union Island én van Bequia.
      Navraag in het Clifton postkantoor in dezelfde hoofdstraat, leerde weliswaar dat het postkantoor geen Union Island zegels  verkocht, maar dat die zegels uit de souvenirwinkel wel gewoon voor post gebruikt konden worden.

En inderdaad, negentien dagen nadat ik een kaartje met Union zegels had beplakt en in de lokale brievenbus had achtergelaten, viel het op de deurmat van mijn huis in Utrecht.

We liepen het eiland rond. Naar Richmond Bay waar pelikanen indrukwekkende duikvluchten uitvoerden, tussen de bergtoppen Olympus en Parnassos door, waar geiten graasden op groene alpenweiden leek het wel. Naar het noorden toe waren er prachtige uitzichten over het ruige onbewoonde noordelijk deel van dit fraaie eiland.
      Ergens kwamen we een dame tegen die bloemetjes in de plooien van haar oogleden droeg. Echt waar. Probeer dat maar eens!

Toen liepen we Ashton in. Het stadje leek zich totaal van het toerisme te hebben afgekeerd. Geen restaurants of barretjes hier, geen souvenirwinkels, geen tourist office, geen toeristen. Slechts keurige huizen in lintbebouwing en aan de kust iets dat ooit als een groot project voor een marina moet zijn begonnen maar in de beginfase van de bouw al leek te zijn gestopt. Misschien wilden de Unionanen het wel zo houden: Clifton voor de toeristen, Ashton voor de Unionanen.
      Lopend langs de zuidkust terug naar Clifton zagen we beneden ons een aantal jongens cricket spelen. Vanaf het speelveld strekte een schitterend uitzicht zich uit tot aan het zuidelijkste eiland van Saint Vincent & The Grenadines, Petit Saint Vincent - in de volksmond Peesvee en ook al een resort - en het noordelijkste eiland van buurstaat Grenada, Petite Martinique.

We vertrokken. Noordwaarts zeilden we weer. Terug naar Saint Vincent en verder. Onderweg gooiden we bij Bequia het anker uit en kon ik met de dinghy aan wal om er een kaartje te posten met de op Union in een souvenirwinkel gekochte Bequiaanse postzegels die op Bequia niet te krijgen waren.

En inderdaad, het werkte: 21 dagen later lag het kaartje bij mij thuis.

  

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

 KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 



 

Winter 1984

Een impressie van Gerard Jacobs 


 
In Oorlog met een IKEA-pakketje

 Op zoek naar de bronnen van de Nijl arriveren wij na een slopende tocht door het onmetelijke Soedd moeras, in het dorp Yeï, een gehucht aan een onverharde weg in het grensgebied van Zuid-Sudan met Kenia, Oeganda en Zaïre.
      We hebben dagenlang tussen de Dinka’s verkeerd, een Afrikaans nomadenvolk, dat leeft van melk vermengd met bloed. We zijn uitgeput, vuil, hongerig en dorstig als we ons melden bij het kantoor van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen in Yeï, dat verantwoordelijk is voor de opvang van duizenden vluchtelingen in de regio.

Het hoofd van de UNHCR, een Spaanse aristocraat met een markiezenbaardje, bekijkt ons neerbuigend, haalt de neus op en stuurt ons weg – ondanks de aanbevelingsbrieven van de Nederlandse ambassade in Khartoem.
      Nijdig huren wij – veeleisende verslaggevers die al maanden onderweg zijn van Alexandrië naar het hart van Afrika- een kamer in het plaatselijke hotel, tevens bordeel, een verzameling rondavels met rieten dak. Eten is er niet, wel lauw bier, vertelt de uitbater, en de douche wordt door de dames gebruikt als werkruimte.
      Als de avond valt en de douche nog steeds bezet is, rijdt een 4-wheeldrive het terrein op. De UNHCR-vertegenwoordiger nodigt ons, op last van zijn vrouw, zo bekent hij chagrijnig, uit voor de avondmaaltijd.

       ‘Een karig maal,’ waarschuwt zij, een beeldschone Filippijnse, glimlachend. ‘Rijst met vis.’ Het is een arm dorp'.
Zij kookt bij kaarslicht, buiten op het erf, op een primus en inspireert mijn collega tot het schrijven van gedichten bij sterrenlicht.

We halen samen water in de rivier. Ze had, vertelt ze zuchtend als we met koud water in een plastic teiltje de afwas doen, meer van het leven verwacht toen hij, deze edelman uit Aragon, haar ten huwelijk vroeg op de Filippijnen.
      Een kasteel, suggereren wij. Niet deze hut van aangestampt leem. Wij kijken hem bestraffend aan. Hij drinkt mokkend whisky. Er is geen ijs.
Ze heeft een verzoek. Met de diplomatieke koerier is onlangs gearriveerd – per vliegtuig in de hoofdstad Khartoem, toen per boot over de Nijl naar Juba, en verder landinwaarts met de camion naar Yeï -, een slaapkamerklerenkast. De bruine IKEA-dozen liggen op het erf, halfgeopend.

      ‘Mijn man kan geen wijs uit de gebruiksaanwijzigingen,’ bekent ze.
Of wij, in ruil voor het met liefde bereide maar karige maal, de kast in elkaar willen zetten?

Wij doen galant ons best. Maar helaas, zo blijkt ook na lang zoeken met een kaars op het erf, er ontbreekt een plastic zakje met schroeven en bouten.
      ‘Geen probleem,’ verzekeren wij de Spaanse edelman bij het afscheid. ‘Volgens de instructie, kunt u de ontbrekende onderdelen ophalen bij de dichtstbijzijnde IKEA-vestiging.
      Waarschijnlijk in Genève.’


Dagboekje

Ik heb er mijn dagboekjes uit die roerige tijd even bijgehaald. Daar staan die ''gedichten bij sterrenlicht'' niet in.
      Maar wel wat beschouwingen over de situatie daar en hoe dat vorm gegeven moet worden in reportages.
Een klein stukje. En dan volgt de ''vertaling''.

 
 

Hier staat:

Wat hebben we tot nu toe?
Hoe moet dat in elkaar worden gestoken?
Verwarring lijkt groot. Bij mij. Bij Gerard.
Hoe combineer je kikkers in de plee met een
dreigende burgeroorlog, vluchtelingen, en zoiets 
als armoedebestrijding en ontwikkelingssamenwer-
king.

De chaos compleet! Zoiets.

Zaterdag 4 februari


Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh