Reizen (272)

 

Het opgeknapte bordje

 In het voorjaar van 2004 liep ik zomaar wat door de straten van Georgetown, de hoofdstad van Guyana in Zuid-Amerika. 
       Ik had vrijwel niets bij me, want de criminaliteitscijfers daar waren verontrustend hoog.
In een straatje acheraf speelde een aantal jongetjes cricket met zelfgemaakte spullen.
      De bal was met elastiekjes in elkaar gefrommeld, het bat een platgemaakte boomstronk. Het wicket was een grote kokosnoot waarop ze wiebelende houtjes hadden gelegd.. Er waren goede spelertjes bij. Zelfs een kleine spinbowler die veel grotere jongetjes regelmatig uitgooide.

 

Luxe spullen

Een gehandicapt jongetje had zich daar ook geïnstalleerd.
      Op een kistje had hij spulletjes uitgestald om te verkopen. Dat lukte niet zo best.
Guyana is -op Haïta na- het armste land van ‘Het Westen’.
      De mensen daar hebben geen geld om ’luxe’ spullen te kopen. Ook niet van een gehandicapt kind.

Toeristen zijn er in dit land maar weinig.
      Het was dus logisch dat de jongen al zijn hoop op mij gevestigd had.
Hij had ondermeer tasjes, ringen, schrijfpapier en bestek.
      Ik kocht een paar dingen, maar werd pas echt vertederd door dit bordje.
Hij had ’t laten vallen.

 

 
Geen korting

Dat was natuurlijk heel jammer voor zijn nering en daarom had hij het bordje met veel geduld weer gelijmd.
      Hij wilde mij nog korting geven; dat heb ik maar laten zitten.

 

Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan
37: Robert Peel, een Engelsman op Fanø
38: Svetlana, een Russin
39: De Mariakapel, een wit bouwsel in Ligurië
40: Zoltán, een Hongaar
41: Een verliefd stel; Hollandse tieners op Sardinië
42: De Jacquet's, een familie in de Champagne
43: Wapenhandelaar Johan, een Noor op Spitsbergen 
44: De correspondent, een Amerikaanse in Holland
45: Saeb, een Palestijnse kamelendrijver
46: De gebogen man, een Bosniër 
47: Mannen aan Zee, een beeld in Esbjerg
48: De verkoopster, een New Yorkse 
49: De juwelier, een Palestijn in Jordanië
50: De oude stenen brug, Konjic Bosnië 
51: De bavianenkiller, een Zimbabwaan 
52: Maysa, een Koeweitse
53: Saed Raadeh, een Palestijn in Koeweit 
54: Twaalf Lesothaanse dames
55: Een gehandicapt jongetje in Guyana 

 

 


Een gedenkwaardige ontmoeting

(Door Rolf Weijburg)

We hadden heerlijk geslapen in de logeerkamer van de Gabonese ambassade in de Democratische Republiek São Tomé e Príncipe, het op 24 na kleinste land ter wereld. De huishoudster had ons ontbijt klaargemaakt en toen we aan de koffie zaten kwam Denis Alexis Vouaya, de conseiller, ons begroeten.
      Hij overhandigde ons zijn visitekaartje.
“Mocht u tijdens uw verblijf nog moeilijkheden ondervinden, dan kunt u altijd met mij contact opnemen.”

 

Het was een kaartje van toen hij nog op de Gabonese ambassade in Argentinië werkte, -“Het is nog niet gelukt om nieuwe visitekaartjes te laten drukken”- waarop hij met balpen het Santomese adres had geschreven.
      Sinds een haf jaar was hij als conseiller overgeplaatst van Buenos Aires naar São Tomé. De Ambassadeur was vanuit Buenos Aires overgeplaatst naar de Gabonese ambassade in Malabo, hoofdstad van het naburige Equatoriaal-Guinea, misschien wel het meest corrupte land ter wereld. Er was daar toen nog geen olie gevonden en de overplaatsing was waarschijnlijk niet echt een promotie.

Een kleine maand eerder hadden we de ambassadeur in Malabo (Linksboven op eiland Bioko) ontmoet. Het was een gedenkwaardige ontmoeting …

      Bijna iedere dag bij het vallen van de avond zat hij daar. De ambassadeur van Gabon in zijn voortuintje in Malabo. In keurig pak gestoken en zittend op een witte plastic tuinstoel aan een metalen klaptafeltje. Een glas whisky binnen handbereik. Een transistorradiootje stond altijd aan, maar de ambassadeur zat er immer emotieloos bij. De residentie en tevens ambassade bevond zich direct aan de route tussen ons hotel en het centrum van Malabo. Nooit groette hij of keek ook maar op als we langskwamen.
      Op een ochtend liepen we het voortuintje in. Zoals zo vele huizen in Malabo, zag ook dit huis er uit alsof het geen bewoners had. Een deur aan de zijkant van het huis stond open. Erachter verdween een donkerbruine trap langs vaalgele muren naar boven.

Daarboven in de hal zat de receptionist van de Ambassade van Gabon in Equatoriaal-Guinea. “Bonjour messieurs dames, waarmee kan ik u van dienst zijn?” vroeg de receptionist.

"Ik wil graag een visum aanvragen voor een verblijf in de republiek Gabon", antwoordde ik.

"Wat is uw nationaliteit?"

"Nederlands.”

“En mevrouw?”

“Française, ik heb geloof ik geen visum nodig."

"Dat is correct. U wel inderdaad meneer, als Nederlander. Ik moet even de ambassadeur raadplegen. Heeft u een ogenblikje?" De man opende een deur en verdween. We hoorden wat gemompel waarna hij weer tevoorschijn kwam.
      "Zijne Excellentie de Ambassadeur wil u graag even spreken. Wilt u binnenkomen?"

We stapten de kamer in en de receptionist sloot de deur achter ons. We bevonden ons in een grote vierkante ruimte. Er zaten tralies voor de ramen. Er stond een bijna lege boekenkast, een viertal stoelen, een groot bureau met daarop een bakelieten zwarte telefoon, een plastic pennenbakje en een Gabonees vlaggetje op een standaard. Een ventilator zwaaide zware lucht door de kamer. Natuurlijk hing Gabon’s President Omar Bongo strak ingelijst aan de muur. Achter het bureau zat de ambassadeur. Hij keek ons met een fronsende, wat geërgerde blik aan. Hoewel hij ons toch al vaak gezien zou kunnen hebben, was er geen enkel teken van herkenning.

"Goedemorgen. Wat is er allemaal aan de hand?"

"Hoe bedoelt u?"

"Nou, waarom moet u zo nodig naar Gabon? Wat hebt u daar te zoeken?"

"Wij zijn een rondreis door equatoriaal Afrika aan het maken. Daarbij willen we ook graag uw land Gabon aandoen. We hebben gehoord dat het er erg mooi is."
      "Ja, mooi, ja. Maar toch. U moet weten dat wij mensen met de Nederlandse nationaliteit niet zomaar zonder meer in Gabon kunnen toelaten. Hoe denkt u eigenlijk naar Gabon af te reizen? Gaat u per vliegtuig of heeft u een auto?"

"Nee, geen van beide. Misschien nemen we de boot naar Bata, dan over land door Rio Muni en bij Cocobeach Gabon in. We reizen met het openbaar vervoer. Taxi brousse."

"Taxi brousse?"

"Ja, zoals iedereen."

"Tja, maar dat is toch wel zeer ongebruikelijk. In Gabon hebben alle blanken auto’s. Nee, ik weet het niet. Ik zie weinig redenen om u een visum te verstrekken."

Hij leunde achterover. De armen over elkaar. Een gezicht alsof het laatste woord gezegd was. Toen opeens, alsof hij een ingeving kreeg, boog hij weer voorover, keek naar Catherine en zei: "Madame, en u dan? Bent u ook van plan om door die ongeciviliseerde jungle van Rio Muni te reizen? En ook nog per taxi brousse? Dat is toch niks voor een dame."
      "Nou," zei Catherine, "dat valt wel mee. Het is niet erger voor mij dan voor een ander. Maar ik heb de Franse nationaliteit en kan dus, dacht ik, in ieder geval zonder visum Gabon in, niet?"

Het gezicht van de ambassadeur klaarde zienderogen op. Er verscheen een brede glimlach op zijn gezicht. "Aha! Madame est Française. Ik dacht dat u ook Nederlandse was. Nee, de Fransen zijn onze beste vrienden, die kunnen komen en gaan zoals ze willen. Dat is werkelijk geen enkel probleem, laat daar geen misverstand over bestaan. Waar komt mevrouw precies vandaan?"

"Uit Parijs."

"Parijs! De Lichtstad. De stad van het échte leven." Zijn gezicht kreeg wat dromerigs.

"Ach, Parijs”, mijmerde hij. “ Toen ik daar nog op onze ambassade werkte. Dát was pas leven. Parijs. Montmartre, Champs-Élysées, de Seine. Fauchon. Ja, Fauchon, kent u Fauchon? Wat men daar toch al niet kon kopen. De heerlijkste lekkernijen haalde ik daar. Kaviaar, foie-gras en allerlei soorten kaas. Soms kocht ik er bonbons. In een heel klein zakje. Erg duur. Zeer exquise. Uitzonderlijk lekker waren die. Ach, Parijs.” Hij sloot eventjes de ogen.
      “Hier in Equatoriaal-Guinea staat het vol met verwaarloosde cacaoplantages, maar bonbons zijn er niet eens te krijgen. Dat zou hier ook niet kunnen, trouwens. Die zouden direct smelten in deze tropische hitte want ze hebben misschien maar twee ijskasten in dit land. Hahaha. Ja, twee ijskasten in het hele land en één ervan staat hier in mijn huis! Hahaha!”
      Zijn bulderende lach kaatste tegen de kale muren.

Hij wendde zich opnieuw tot Catherine.
      “En wat moet u dan toch hier in dit land, Madame? U, een Française! U kunt toch beter naar Gabon gaan. Naar Libreville. Daar vindt u de dingen die u nodig heeft. Dat is een geciviliseerde stad. Net als Parijs, alleen wat kleiner. Of Buenos Aires, kent u Buenos Aires? In Argentinië? Ook daar was ik ambassadeur en ook daar is alles te koop, net als in Parijs. Ze hebben heel veel koeien in Argentinië. Maar daar maken ze geen melk van zoals die Nederlanders doen. Nee, niks melk. Vlees! Die koeien eten ze daar gewoon op! Enorme stukken vlees krijg je daar in de restaurants, heerlijk mals vlees. Er is daar weelde en overvloed. Daar komt een mens tot leven. Net als in Parijs of Libreville. Maar hier…? Apenvlees eten ze hier, bushmeat, niks koeien. Madame, ik kan u maar één ding aanraden. Gaat u hier toch weg. Gaat u toch naar Libreville."

 "Ja, maar wij reizen samen. Als u mijn partner geen visum kunt geven kan ik ook niet naar Gabon."

De ambassadeur ging weer recht achter zijn bureau zitten. De situatie drong langzaam tot hem door.

"Nee, nee, dat kan niet”, zei hij nadenkend. “U heeft gelijk. Deze meneer moet een visum krijgen. Het zou onverantwoord zijn u, een Française, alleen door die onderontwikkelde jungle te laten reizen. Ik ga kijken of ik wat voor uw reisgenoot kan doen. Heeft u de formulieren al gehad? Ndoya!"
      De deur ging onmiddellijk open. De receptionist stak zijn hoofd door de deuropening.
"Ndoya, deze Franse dame wil graag een visum aanvragen voor deze meneer. Zij heeft twee aanvraagformulieren nodig."

Tegen Catherine zei hij: “U kunt de formulieren hiernaast invullen, Madame. Twee pasfoto’s van meneer erbij en ik zal zorgen dat het visum over twee dagen klaar is. Ik wens u een zeer aangenaam verblijf in Gabon, au revoir Madame.”

Amper een kort knikje kreeg ik van hem. 

  

 


Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld


Kl
iHIER voor alle afleveringen

 

 

 

George Baker en z’n Little Green Bag

 

De aangepaste gruttertekst

(Door Rolf Weijburg)

Het in 1969 verschenen “Little green bag” van The George Baker Selection werd slechts een bescheiden hitje, vooral in vergelijking met het megasucces dat George Baker, pseudoniem voor Johannes Bouwens, met het in 1975 uitgebrachte “Una paloma blanca” had.
      Maar nadat “Little green bag” in 1992 in Quentin Tarantino’s “Reservoir dogs” werd gebruikt, werd het singletje opnieuw uitgebracht en groeide het liedje plotseling uit tot een flinke culthit.

In de jaren daarna zakte het liedje weer weg in de vergetelheid, maar kijk, nu heeft supermarktketen  Lidl het nummer met George Baker en al weer uit de la getrokken.
      Het lijkt erop dat “Little green bag”, weliswaar met aangepaste gruttertekst, weer een heel nieuw derde leven is begonnen.

 

 

Zou George met het verdiende geld intussen een bedrijfje zijn begonnen in Basseterre, hoofdstad van de op zeven na kleinste staat ter wereld, het Caribische Saint Kitts & Nevis?

 

 


Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld


Kl
iHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

Voorjaar 2000 

De Hoedjes van Lesotho

Eén van de merkwaardigste gebouwen in Afrika staat in de belangrijkste straat van de hoofdstad Maseru in Lesotho. Een onafhankelijk land dat geheel omringd wordt door Zuid Afrika. Een koninkrijk. Een land in de bergen, dat er prat op gaat het ''hoogste laagste punt ter wereld'' te hebben. Het land heeft ook een ijsbaan, volgens mij de enige in heel Afrika. 

      Kingsway heet die straat. En daar staat een vrij groot gebouw in de vorm van een hoed, de zogenaamde Basotho hoed. Er is een restaurant in gevestigd, waar je hele dikke omeletten kunt eten.
      Het bouwsel is van onderen rond en loopt omhoog in een punt met een kroon erop. Het is felgeel met een bruine rand. Het is gevormd naar de heuvel, die zich in het land bevindt bij het fort van de voormalige koning, Meshoeshoe de Grote. 
     

     

Deze hoed is het nationale symbool van Lesotho. Je vindt het overal terug. Bijvoorbeeld in de vlag, maar ook op nummerplaten van auto’s.

 

 

Pitriet

In Maseru, maar ook in kleinere plaatsjes op het platteland, kun je van die hoedjes kopen. Ze worden gemaakt van een soort pitriet. Uiteraard met de hand.  
      Recht tegenover mijn hotel aan Kingsway op een pleintje was zo’n verkoopplaats. Er stonden twaalf verkoopsters. Als ze je zien gaan ze elkaar beconcurreren. ’ You want hat, mister? Selfmade hat. Very very cheap‘.
      Ze zijn leuk en druk en kleurrijk gekleed. Ze trekken aan je haar, aan je broek, aan je trui. Ze lachen en flirten. En ze bieden zo hard tegen elkaar op, dat de hoedjes uiteindelijk vrijwel niets meer kosten.
      Ik keerde in Holland terug met 12 hoedjes in verschillende soorten en maten.
Op Internet wordt zo'n wat groter hoedje aangeboden voor 49,95 US $. 

       Ik heb er nog een paar over. 

 

 

   

Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan
37: Robert Peel, een Engelsman op Fanø
38: Svetlana, een Russin
39: De Mariakapel, een wit bouwsel in Ligurië
40: Zoltán, een Hongaar
41: Een verliefd stel; Hollandse tieners op Sardinië
42: De Jacquet's, een familie in de Champagne
43: Wapenhandelaar Johan, een Noor op Spitsbergen 
44: De correspondent, een Amerikaanse in Holland
45: Saeb, een Palestijnse kamelendrijver
46: De gebogen man, een Bosniër 
47: Mannen aan Zee, een beeld in Esbjerg
48: De verkoopster, een New Yorkse 
49: De juwelier, een Palestijn in Jordanië
50: De oude stenen brug, Konjic Bosnië 
51: De bavianenkiller, een Zimbabwaan 
52: Maysa, een Koeweitse
53: Saed Raadeh, een Palestijn in Koeweit 
54: Twaalf Lesothaanse dames

 

 


De laatste hindernissen


Geen verbindingen

(Door Rolf Weijburg)

Een wekelijkse retourvlucht van Portugal naar Angola met een tussenstop in São Tomé was in 1981 de enige vlucht die de democratische volksrepubliek São Tomé e Príncipe, het op 24 na kleinste land ter wereld, met de buitenwereld verbond.
      Vanuit Gabon was er geen enkele reguliere verbinding met dit stukje Marxisme, een kleine driehonderd kilometer westelijk in de Atlantische oceaan.

Niet per vliegtuig. Niet per boot.

Gelukkig had de kapitalistische overvloed van Libreville, de hoofdstad van het met oliedollars rijk geworden Gabon, veel aantrekkingskracht op het in São Tomé gevestigde communistische corps diplomatique. In het straatarme Sao Tomé was niets te krijgen en Cubanen, Roemenen, Oost-Duitsers en Russen maakten nogal eens snoepreisjes naar Libreville met zijn met Franse lekkernijen volgestouwde winkels.
      Na vier dagen rondhangen op het vliegveld van Libreville hadden we dan ook beet. Een paar Russische diplomaten op São Tomé wilde naar Gabon en had daartoe via de radio een vliegtuigje gehuurd bij Air Affaires, een klein Gabonees chartermaatschappijtje (dat vijftien jaar later failliet zou gaan en daarna als Nouvelles Air Affaires op de Zwarte Lijst van de EU terecht kwam).

"Ik vlieg leeg naar Sao Tomé", vertelde de piloot," Jullie kunnen mee. Gratis, de Russen betalen."
      De tweede hindernis was genomen.

 

Vriendelijke Fransman
"De grootste hindernis komt nog." zei de piloot toen we onze paspoorten hadden laten stempelen en in het vliegtuigje hadden plaatsgenomen. Hij was een vriendelijke Fransman van middelbare leeftijd met Johnny Hallyday-bakkebaarden en bijpassende zonnebril. Al meerdere jaren vloog hij zo nu en dan naar São Tomé.
      Dolgraag zou hij er eens een poosje blijven om te kunnen diepzeeduiken in de prachtige wateren rondom het eiland. “Maar nog nooit heb ik een visum gekregen. Terwijl ze me nu toch wel zo’n beetje kennen. De paar hotels die er waren ten tijde van de Portugezen zijn trouwens allemaal gesloten. Teruggegeven aan het volk, zoals dat heet, en dat is nou net jullie probleem. Iedere buitenlander die in São Tomé aankomt is op een missie, wordt opgehaald en logeert op van te voren geregelde adressen. Jullie hebben alleen maar een visum. Niemand staat op jullie te wachten."
      Hij stuurde het vliegtuigje de startbaan op, gaf gas en trok het na een lange aanloop los van de grond. Libreville gleed onder ons weg. Daarna was er alleen nog zee. Catherine staarde uit het raampje. Ik frommelde wat aan mijn seatbelt. Het vliegtuigje pruttelde zachtjes deinend verder boven het eindeloze water.


Twee Russen

Na een flink uur veranderde de horizon van diepblauw naar donkergroen. Opeens schoot een klein eilandje onder ons door, een stukje zee nog,een strand, palmbomen, wat huisjes en sneller dan verwacht was daar het zwart van de landingsbaan.
      We rolden over het asfalt naar een klein, keurig wit geschilderd gebouwtje. Aeroporto Internacional de São Tomé stond erop. Het werd omringd door palmbomen en bloemen. Toen de piloot de motor uitzette was het doodstil. Hij draaide zich om.
      "Maak je geen zorgen. Ik moet zo twee Russen mee terug nemen. Heb ik nog drie stoelen over. Als het niet lukt, als ze jullie het land niet in laten, vliegen jullie gewoon weer mee terug."

We stapten uit en liepen over het hete, lege asfalt naar het witte gebouwtje. De aankomsthal was leeg op een militair na die zei dat we moesten wachten. Buiten kwam even later een man aangefietst die zijn fiets tegen de muur van de aankomsthal zette, enkele deuren opende en gewichtig plaats nam achter het loket "Immigraçao". Hij bladerde aandachtig in onze paspoorten, vond de visa, keek ons met een doordringende blik aan en vroeg:

      "Wat is uw missie in São Tomé?"
      "Posterijen." zei ik.
      "Posterijen?" Hij bekeek de visa nog eens. "Posterijen?"
      “Jazeker, Posterijen. Wij zijn …”

Denis Alexis Vouaya

"Bonjour messieurs dames, welkom op São Tomé!" Een kleine man in onberispelijk driedelig grijs was bij het loket komen staan en sprak ons in perfect Frans aan. "Mijn naam is Denis Alexis Vouaya, Conseiller van de Gabonese ambassade hier in São Tomé. Komt u mee? De wagen staat voor."
      Een kort handgebaar naar de douanier was voldoende om deze ertoe te zetten het fel begeerde Entrada stempeltje in onze paspoorten af te drukken, die hij daarna met een onderdanig knikje aan onze nieuwe vriend overhandigde.

                      

"Allons-y!" De heer Vouaya pakte onze tassen en liep kordaat door de lege ruimtes van dit Internationale vliegveld naar buiten. De laatste hindernis leek genomen.

Op het parkeerterrein stonden wat plantenbakken vol bloemenpracht en kleine boompjes met kwetterende vogeltjes. Op de achtergrond verdwenen intens groene bergen in de lage wolken. Van de vertrekkende Russen was geen spoor te bekennen. Tussen de vers witgeschilderde betonnen randjes op het grove asfalt stond slechts één auto: een enorme glimmende zwarte Mercedes met op beide koplampen een Gabonees vlaggetje.
      Denis Alexis Vouaya legde de tassen achterin, opende één van de zes portieren en zei met een innemende glimlach: "Stapt U in.” Hij sloot het portier achter ons en nam plaats achter het stuur.

”U vraagt zich natuurlijk af wat dit allemaal heeft te betekenen." zei hij terwijl hij de wagen achter de twee vlaggetjes aan het lege parkeerterrein af reed. "Het is hier erg rustig moet u weten. São Tomé is waarschijnlijk één van de kleinste landen ter wereld. Er is niets te doen, maar vooral: er is niets te krijgen. Mijn ambassadeur had het daar nogal eens moeilijk mee. Onlangs vertrok hij voor een weekend naar Gabon, en sindsdien is het onduidelijk wanneer en of hij terugkomt."

      We reden langs een prachtige baai omringd door palmbomen en weelderig begroeide bergen. Er was nauwelijks verkeer. Hier en daar liepen mensen op de weg. Kinderen begonnen enthousiast te zwaaien.

       “Ach, misschien komt hij wel nooit meer terug. Maar ik zorg ervoor dat de Mercedes altijd gepoetst en wel klaarstaat zodat ik op ieder moment Mijn Ambassadeur in stijl kan afhalen. Vanochtend zat ik in de tuin toen ik opeens het geronk van een vliegtuigje hoorde. Dat zal hem zijn, dacht ik en ik ben snel naar het vliegveld gereden. Toen zag ik in plaats van Mijn Ambassadeur, u beiden. Ik had direct door dat er iets mis was, zo makkelijk zijn ze hier niet, en besloot een handje te helpen."

São Tomé-stad

We reden São Tomé-stad binnen. Een slaperig Portugees dorpje in de tropen. Gepleisterde huizen in pasteltinten. Een parkje met bankjes onder de bomen. Een sfeer als in een verhaal van Babar, de Franse olifant. We draaiden een oprit op en in de schaduw van een enorme flamboyantboom parkeerde Denis Alexis Vouaya de wagen.

"Mag ik u uitnodigen om deze eerste dag in São Tomé e Príncipe de gast te zijn van de Gabonese ambassade?"


(Wordt vervolgd)

  

 


Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld


Kl
iHIER voor alle afleveringen

 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh