Reizen (253)


Juni 1981

Een uurtje vliegen voor een borrel

‘Heb je even tijd?’
      Ik kijk de man aan. Hij is fors. Brede neus, zware zwarte snor, dikke lippen. Grote handen waarmee hij een amberen ketting ronddraait. ’s Middags ontmoette ik hem op een feestje van de olieminister van Koeweit. Decor: de 26ste verdieping in de grootste van de drie Kuwait Towers. Een langzaam ronddraaiend prestigieus restaurant, dat uitzicht biedt op de diepblauwe Perzische Golf en de gelig lege verschroeide aarde van Koeweit, Irak en Saudie Arabië. Ik was daar met een Nederlandse diplomaat, die mij op last van de ambassade in de watten moest leggen vanwege ‘hoogst onaangename’ avonturen in Irak. 

Alles was er. Iraanse kaviaar uit de Kaspische Zee. Truffels, ganzenlever, salades met gerookte zalm, langoustines, inktvis, krabben en kreeften. Gevulde snoeken. Geroosterde zuiglammetjes met een mandarijntje in hun bek, vele variëteiten hummus. Gevulde courgettes en gevulde paprika’s. Geroosterde aubergines. Exotisch fruit. Ook drank. Verse sappen, kokosmelk, Scandinavisch water. Geen varkensvlees. Geen alcohol.
      De Nederlandse diplomaat was een vervelende man. Hij maakte grapjes over ‘die Marxistische gek’ Allende, want hij had ook in Chili ‘gediend’. Ik schudde hem af en raakte in gesprek met de plaatselijke directeur van Gulf Air. Een Palestijn uit Ramallah op de Westbank. 
      Nadat ik verteld had, dat ik journalistiek werk in Ramallah had gedaan en dat leden van de Joodse Defensieliga in 1979 onze studio in Hilversum waren binnengevallen en een uitzendband hadden vernield, nodigde hij mij na afloop van het partijtje uit om mee te gaan naar zijn kantoor in een andere Kuwait Tower. ‘Dan praten we nog wat and then’, zei hij met een vette knipoog: ‘we take off our shoes and have a ball’. 

     
Onderweg naar zijn kantoor probeer ik mij voor te stellen wat hij bedoelt. Gaan wij de bloemetjes buiten zetten? En hoe zou dat toch in dat saaie Koeweit moeten? Want al na een paar dagen was mij duidelijk dat de puissante rijkdom in dit landje voor niet veel meer dan verveling en lamlendigheid zorgt.

     

Ook het partijtje de avond tevoren was een stuitend decadente vertoning. Het speelt zich af in het Marriott Hotel, dat een aan wal gesleept vrachtschip blijkt te zijn. De Amerikaanse directeur, zijn mannelijke stafleden en hun dames dansen daar wat op belegen popmuziek. Zij raken vrijwel allen onder invloed, nadat de illegale drankflessen tevoorschijn komen.
      ‘Driehonderd vijftig dollar op de zwarte markt’, zegt een man trots en wijst naar een fles Glenfarclas single malt whisky. Zijn verveelde echtgenote kijkt hem meewarig aan en neemt mij op.
      ‘We gaan dansen’. Zij trekt mij mee, valt over een snoertje en blijft op de grond liggen. 
       

Of ik tijd had? Natuurlijk! 
      ‘Zeshonderdduizend Palestijnen wonen hier in Koeweit’, zegt de zware man, die zich voorstelt als Saed Raadeh.’Zij zorgen ervoor dat familieleden op de Westbank een beetje behoorlijk in leven blijven’.
      ‘Heb je trek in een borrel?’
      ‘Ja, ja. Saed. Natuurlijk wil ik een borrel’.
    
      'Dus je hebt tijd en je hebt trek in een borrel’, constateert Saed met voldoening.
Hij pakt de telefoon, geeft een commando en vertelt dat hij gestudeerd heeft op de Bir Zeit universiteit op de Westbank. Even later wordt hij teruggebeld.
      ‘De auto is er. Ga je mee?’ Saed staat op en gaat mij voor. Beneden bij de ingang van Kuwait Tower staat een grijze limousine. Een echte.
      ‘Tien meter en 61 centimeter lang’, zegt Saed lachend. ‘Eight business seats’.
Wij stappen in en glijden weg. We gaan immers een borrel drinken.
      ‘Waar gaan we heen Saed?’
      ‘Ach je zult wel zien’.

 De limousine rolt het vliegveld op. Niemand legt ons een strobreed in de weg. De chauffeur parkeert pal naast een Boeing 747. Ik begrijp dat we in dat enorme toestel een borrel gaan drinken. Saed is inmiddels familiaar geworden.
      ‘Come on Ronnie. We gaan aan boord’.
Hij gaat me voor en kijkt vergenoegd om zich heen als hij constateert dat de Economy Class vol zit. We gaan helemaal naar boven. Eerste klas. Daar zitten zes mannen die hun eerste borrels al op hebben. We worden bediend door een stewardess in een onwaarschijnlijk kort oranje rokje.
      ‘Is dit Koeweit? Is dit Islam?’

 De motoren van de Boeing razen. We taxiën over het veld en stijgen op.
‘Waar gaan we heen Saed? Ik bedoel: je vroeg of ik tijd had. Maar dit had je misschien even kunnen vertellen’.
      ‘Wel nee. We gaan naar Bahrein. Dat is een uurtje vliegen. En weet je wat het voordeel is van Bahrein?
Ze schenken daar in iedere bar sterke drank’.

Even later staat in Bahrein opnieuw een limousine te wachten. Van bescheiden omvang dit keer. We rijden naar Manama en komen terecht in de Clipper Room van het Intercontinental hotel.
      ‘Vertel eens over de Nederlandse omroep'', vraagt Saed na een borrel of wat. Hij is inmiddels behoorlijk aangeschoten. `Uw man van de ambassade zei dat je daar leuk over kunt vertellen’.
      ‘Dat wordt echte borrelpraat’, denk ik.
      ‘Mag het ook een andere keer Saed?’

Volkomen irrationeel denk ik ineens dat Arabieren niet tegen drank kunnen
      Want hoe kan ik op dat moment vertellen over het Nederlands omroepbestel. Over een christelijke omroep, een katholieke, algemene, populaire,  sociaal-democratische, vrijzinnige, humanistische, interkerkelijke, evangelische en een allesoverkoepelende. En over ongetwijfeld in de toekomst nog op te richten, Islamitische, Boeddhistische, Joodse, jongeren- of ouderen-omroepen.
      Over plannen voor commerciële omroepen. Over piratenzenders, regionalen en lokalen. Over organisaties die leden moeten hebben en omroepen die het zonder mogen stellen. Over A-, B-, C- dan wel aspirant-omroepen, die de uren mogen vullen volgens de verdeelsleutel 5, 3, 1, 0,2.
       Als niemand in Nederland dat begrijpt, hoe kan ik 't dan een dronken Palestijn in een Bahreinse bar uitleggen?
Als we nog een paar drankjes verder in Hunter’s lodge bar zijn kijkt Saed lodderig op zijn grote klokje. 
      ‘Het wordt tijd om terug te gaan’. 

Terug in Koeweit vraagt Saed of hij nog iets voor me kan doen.
      ‘Ik wil naar Ras al Khaimah. De Emiraten. Daar vliegen jullie toch ook op’.
      ‘Komt in orde’ zegt Saed . 
Hij belt midden in de nacht iemand op. Ik hoor hem opnieuw bevelen geven.

      ‘Okay’ zegt hij. `Take his name please. Victor alpha nancy, delta echo nancy, capital bravo obo obo godfrey alpha alpha roger delta. Initial is R’.
En weer met een knipoog naar mij: ‘’Stands for Ronnie’’.

 

Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan
37: Robert Peel, een Engelsman op Fanø
38: Svetlana, een Russin
39: De Mariakapel, een wit bouwsel in Ligurië
40: Zoltán, een Hongaar
41: Een verliefd stel; Hollandse tieners op Sardinië
42: De Jacquet's, een familie in de Champagne
43: Wapenhandelaar Johan, een Noor op Spitsbergen 
44: De correspondent, een Amerikaanse in Holland
45: Saeb, een Palestijnse kamelendrijver
46: De gebogen man, een Bosniër 
47: Mannen aan Zee, een beeld in Esbjerg
48: De verkoopster, een New Yorkse 
49: De juwelier, een Palestijn in Jordanië
50: De oude stenen brug, Konjic Bosnië 
51: De bavianenkiller, een Zimbabwaan 
52: Maysa, een Koeweitse
53: Saed Raadeh, een Palestijn in Koeweit 

 

 

=============================================================================================

De visumtruc

(Door Rolf Weijburg)

Als een koorddanser balanceert São Tomé in de Golf van Guinée op de evenaar. Het eilandje das Rolas hangt er als contragewicht nét onder, Príncipe zweeft er een stukje boven.
      Ook de nul-meridiaan is niet ver weg en de inwoners van São Tomé en Príncipe wijzen de argeloze reiziger er dan ook graag op dat het land daardoor in het centrum van de wereld ligt.

'
"Centrum van de wereld"

Het zijn prachtige vulkanische eilanden, overgroeid met dichte jungle en bezaaid met de harde basalt overblijfselen van oude vulkanen die als pilaren in het landschap staan. Rondom liggen de lieflijkste met palmen omzoomde stranden.
      Smalle weggetjes kronkelen langs cacaoplantages met vervallen plantagehuizen en door Portugees koloniale dorpen.
Een tropisch paradijs dat met zijn 1001 km2 landoppervlak het grootste is van de 25 kleinste onafhankelijke landen ter wereld, 42 keer zo klein als Nederland.


Harde geschiedenis

Maar de kleine republiek kent een harde geschiedenis van uitbuiting en onderdrukking tijdens vijfhonderd jaar Portugese overheersing en vijftien jaar Marxisme
      Eerst als belangrijke suikerproducent, later als tussenstop op de slavenroute naar Amerika en weer later als koffie- en cacaoproducent verkeerde São Tomé in constante spanning tussen de Portugezen en de veelal uit Angola weggehaalde zwarte bevolking. Opstanden werden regelmatig hardhandig en bloedig onderdrukt.
      Portugal hield met ijzeren greep zijn feodale heerschappij over de eilanden in stand. Pas vanaf 1974 toen het regime van Salazar in Portugal ten val was gebracht, werden de Portugese koloniën losgelaten en in 1975 werd São Tomé en Príncipe een onafhankelijke republiek.


Marxistische kameraden

Vrijwel direct verlieten alle Portugezen en andere Europeanen het land en bleef de jonge republiek min of meer bankroet achter. Zonder geschoolde arbeiders, leraren of doktoren. De plantages raakten in verval, inkomsten waren er nog nauwelijks en São Tomé wendde zich gedesillusioneerd tot het Oostblok.
      Russische adviseurs werden aangetrokken, Cubaanse artsen, Oost-Duits technisch personeel en een hele rits Oostblok ambassades openden hun deuren. Zelfs een Noord-Koreaans Consulaat werd er geopend. São Tomé werd een Democratische Volksrepubliek en de strategische ligging in olierijk gebied garandeerde hulp en eeuwige trouw van de Marxistische kameraden.
      De plantages werden genationaliseerd. Grondbezit aan banden gelegd. De enkele hotels waren “teruggegeven aan het volk” en toeristen werden als pottenkijkers geweerd door een streng visabeleid dat erop neerkwam dat niemand meer zonder officiële uitnodiging het land in kwam.

De Nederlandse diplomaat-auteur F. Springer schreef een prachtig kort verhaal “Een glimlach in september” over hoe hij in die tijd als ambassadeur in Angola op São Tomé zijn geloofsbrieven kwam overhandigen en vergeten werd in een door permanente mist omhuld vervallen en telefoonloos plantagehuis ergens ver weg boven op een berg.
      São Tomé was een gesloten land waar paranoia heerste. De vijand was immers overal. Waakzaamheid was geboden. De Milities van het Volk hielden toezicht op de burgers.
      Terwijl Príncipe als “militair gebied” van de rest van het land werd afgesloten, werden er op São Tomé vreemde regels ingesteld in het Belang van de Natie. Zo was het verboden om ‘s avonds op de boulevard van São Tomé-stad een sigaret te roken: men zou eens kunnen proberen via het brandende puntje van de sigaret lichtsignalen te zenden aan voor de kust verscholen vijandige onderzeeërs....


Boulevard

Het was niet eenvoudig om een visum te bemachtigen voor dit hermetisch gesloten Marxistische eilandrepubliekje. Een politiek die uitsluitend mensen met familiebanden of op officiële missie een bezoek aan het land toestond en het feit dat de republiek slechts vijf ambassades over de hele wereld bezat, maakten een visum voor São Tomé zeer zeldzaam. Maar in Libreville, Gabon, was het met enige inventiviteit en een beetje toeval dan toch gelukt.
      Op de ambassade die was gevestigd in een klein pand in de buitenwijk Akebe, vulden we de visumaanvraagformulieren in. Toerisme kon niet worden opgegeven als reden van een bezoek aan het land. Toerisme was officieel verboden. Iedereen die naar de eilandrepubliek wilde afreizen diende op zakelijke of officiële missie te zijn en een contactpersoon in São Tomé te hebben.


Inviting the World at Home

Onder het kopje “Missie in São Tomé” vulden we “Posterijen” in. Bij “Contactpersoon in São Tomé” schreven we “Izidro Machado Pereira”.

Het was 1981 en ik was in die tijd al enige jaren bezig met een wereldwijd mail-art project,“Inviting the World at Home”, waarin ik vanuit alle door internationale grenzen omgeven gebieden ter wereld een postkaartje probeerde te ontvangen.
      Vanuit São Tomé had ik ook zo’n kaartje ontvangen.
Dat was verzonden door de directeur van de Santomese posterijen, de heer Izidro Machado Pereira.

Hij had een vriendelijk woordje op de achterkant van het postkaartje geschreven en ik dacht dat het geen kwaad kon om deze aardige man als contact op te geven.

We ondertekenden de formulieren, deden er ieder drie pasfoto’s bij, betaalden het equivalent van tachtig gulden en liepen in de tropische hitte terug naar het centrum.
      Drie dagen later zat dezelfde ambassademedewerker achter de balie en begroette ons vriendelijk. “U komt voor de visa? Neemt u even plaats dan zal ik uw paspoorten gaan halen.”
      De man verdween in een kamer. Wat zenuwachtig gingen we zitten.  Zou het lukken? Zouden we écht een visum voor dit geheimzinnige landje krijgen?

Daar vloog de deur weer open. Een heer in keurig pak stapte met een brede grijns naar de balie toe. Hij had onze twee paspoorten bij zich en boog ver over de balie heen om ons de hand te kunnen schudden.
      “Welkom, welkom!”zei hij op enthousiaste toon.“Ik ben de ambassadeur. Wat fijn dat ik u ontmoet! Het is mij een waar genoegen u een visum te mogen verstrekken zodat u onze gemeenschappelijke vriend Izidro kunt bezoeken. Hoe is het met hem? Ik heb hem al zó lang niet meer gezien!”

We mompelden dat we dachten dat het wel goed met hem ging. Dat wij hem ook al zo lang niet gezien hadden.
      “Ach, ja. De tijd gaat zo snel. Ik studeerde in Lissabon. Izidro ook. We waren onafscheidelijk. Ook later in São Tomé zagen we elkaar erg vaak. Maar sinds ik bij de diplomatieke dienst werk en bijna altijd in het buitenland zit, zie ik hem nog maar erg weinig. Ach, het lijkt eeuwen geleden. Doet u hem vooral de hartelijke groeten! Ik wens u een zeer goede reis!”

Het Visum

Hij stak zijn hand op en weg was-ie weer.

Door een wel heel toevallige samenloop van omstandigheden leek de eerste hindernis genomen: we hadden een prachtig visum in onze paspoorten.
      Nu konden we ons vol overgave storten op het volgende probleem dat een bezoek aan het op vierentwintig na kleinste land ter wereld in de weg stond.
      De Democratische Republiek São Tomé e Príncipe was niet te bereiken.

Een wekelijkse retourvlucht van Portugal naar Angola met een tussenstop in São Tomé was de enige verbinding van de republiek met de buitenwereld. Vanuit het nabijgelegen Gabon was er geen enkele reguliere verbinding met dat stukje Marxisme in de Atlantische oceaan.
      Niet per vliegtuig. Niet per boot.

(Wordt vervolgd)

 

 


Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld


Kl
iHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

Zomer 1981

De Radiopresentatrice als Diva

Ze heet Maysa en is doortastend. Een diva in haar land. Presentatrice van een dagelijkse radioshow op AM6 Broadcast Station Kuwait. Roel van Broekhoven en ik zijn te gast in het programma. Wij reizen namelijk voor de VPRO-Radio zonder geld de wereld rond en maken daar nogal populaire reportages van die -meestal- per diplomatieke post naar Nederland worden verzonden. Het is een wedstrijd tegen een ander team. Het radiostation is getipt door onze ambassade in Kuwait City.
      Het gesprek wordt opgenomen. Wij zijn inmiddels een paar dagen in Koeweit en vertellen nu al dat het ons hier uitstekend bevalt. Beetje warm alleen, want het is eind juni en de temperaturen lopen overdag op tot tegen de vijftig graden.   

Het gesprek kabbelt wat.
      Waar we al geweest zijn en hoe we dat toch doen: zonder geld. Wat tot nu toe de meeste indruk maakte en hoe we op dat idee gekomen zijn?

Maar Maysa neemt de tijd. Ze wil het ‘’persoonlijke’’ verhaal. Roel heeft net een relatie beëindigd en is hevig verliefd op een nieuwe mevrouw. Daar wil Maysa alles van weten.
      En ik moet vertellen over mijn twee kindertjes, die dan twaalf en elf jaar zijn. In de Arabische wereld worden kinderen streng opgevoed zegt ze. Strenger dan bij jullie geloof ik. Is dat zo? En hebben ze dan niet teveel vrijheid?  
Mis je ze niet erg?  Heb je al heimwee? En worden jongens en meisjes op dezelfde manier opgevoed.
      Als ik daar een instemmend antwoord op geef, is het duidelijk dat Maysa haar twijfels heeft. In Koeweit kan dat niet en zo hoort het ook. Dat is de strekking van haar vraagstelling.

Toch is het wel een plezierig gesprek. Ook onze vooroordelen worden een beetje ontkracht. De positie van de vrouw is vandaag de dag in Koeweit nog steeds behoorlijk onderhorig, laat staan in 1981. Met dat idee zijn we dat land binnen gekomen en in twee dagen hebben we dat vooral bevestigd gezien. Maar de vrije manier waarop Maysa (zonder hoofddoek en in westerse kleding) haar vak kan uitoefenen vraagt toch om nuancering en bijstelling.

Aan het eind van het gesprek mogen wij een verzoekplaatje noemen. Tja.
      Ik zeg: ’’Doe maar A hard Rain van Bob Dylan. Is wel toepasselijk’’.
Dat moet ik herhalen. Ze schrijft het op en tijdens het nagesprekje blijkt dat zij nog nooit van Bob Dylan heeft gehoord. Kennelijk reageren wij daar nogal verbaasd op.  En dan gaat zij in de verdediging. Hebben wij wel eens muziek uit Koeweit gehoord? En wat weten wij eigenlijk van de beroemde Koeweit Rock? Zij zoekt wat uit en laat het ons horen.

Als het programma is uitgezonden krijgen wij allerlei uitnodigingen om festiviteiten bij te wonen en gratis bij mensen te slapen .
      Maar dat is niet nodig, want wij slapen al gratis. In het Marriott hotel, dat een aan land getrokken koopvaardijschip is. Kamers 161 en 162 inclusief patrijspoort.

     
Er is bijvoorbeeld ook een uitnodiging van IKEA Koeweit. Als wij met onze apparatuur in de etalage gaan zitten en daar een nachtje blijven slapen verdienen we daar ook nog geld mee.  

      We hebben dat niet gedaan. Een dag later krijgen we namelijk gratis vliegtickets van de plaatselijke directeur van Gulf AIR. We kunnen via Bahrein, Qatar en Ras Al Khaimah in de Emiraten naar Bombay in India vliegen.
      Die tussenstops waren nodig voor het programma. Wij moesten de wereld rond in 60 dagen. Er waren spelregels. We mochten wel vliegen maar in één vlucht niet meer dan één landsgrens oversteken.    
 

Als u nog eens naar fragmenten van die programma's wilt luisteren of er kennis mee wil maken ga dan HIER naar toe. 
      Dit is een samenvatting van drie uur uit twintig uur uitzending.
Het interview met Maysa staat daar niet op, maar de directeur van Gulf Air komt wel aan het woord. 
      Op 42'55''.   

  

Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan
37: Robert Peel, een Engelsman op Fanø
38: Svetlana, een Russin
39: De Mariakapel, een wit bouwsel in Ligurië
40: Zoltán, een Hongaar
41: Een verliefd stel; Hollandse tieners op Sardinië
42: De Jacquet's, een familie in de Champagne
43: Wapenhandelaar Johan, een Noor op Spitsbergen 
44: De correspondent, een Amerikaanse in Holland
45: Saeb, een Palestijnse kamelendrijver
46: De gebogen man, een Bosniër 
47: Mannen aan Zee, een beeld in Esbjerg
48: De verkoopster, een New Yorkse 
49: De juwelier, een Palestijn in Jordanië
50: De oude stenen brug, Konjic Bosnië 
51: De bavianenkiller, een Zimbabwaan 
52: Maysa, een Koeweitse

 


Verwoestingen op Grenada

(Door Rolf Weijburg)
De meeste van de 1000 inwoners van Petite Martinique stammen af van Franse kolonisten, (Franse) vrije slaven en een enkele Schotse scheepsbouwer. De Franse achtergrond verklaart deels waarom Petite Martinique een buitenbeentje is binnen het overwegend Britse Grenada en het de nationale wetgeving nogal eens aan zijn laars lapt.

      Zo bleek eens te meer aan het eind van het vorige millennium. In 1997 wilde de Grenadaanse overheid aanhaken bij het Amerikaanse plan om verspreid over de Cariben een netwerk van kustwachtstations te bouwen dat via patrouilles en het monitoren van alle scheepsbewegingen in de regio de drugssmokkel aan banden zou kunnen leggen. Eén zo’n kustwachtstation zou op Petite Martinique moeten worden gebouwd, bovenop de berg, vlakbij de school met de mooie muurschilderingen, op een klein speelveld.
      De eilandbewoners waren daar echter weinig van gediend, allereerst omdat het gebouw één van de weinige open speelruimtes op het kleine eiland zou doen verdwijnen maar vooral vanwege iets heel anders.

''Ruilhandel''

Visserij is samen met scheepsbouw de belangrijkste industrie op het eiland. De bootjes die traditioneel worden gebouwd langs de kusten van Petite Martinique, werden veelal ingezet voor de visserij. De vis werd verkocht aan eilandbewoners met grotere boten die ermee naar het veel noordelijker gelegen Franse eiland Martinique voeren, waar de vangst werd afgenomen door de vele hotels op het eiland.
      Met het verdiende geld werd drank, sigaretten, meubels en allerlei luxe goederen ingekocht en vervolgens verhandeld in Saint Lucia, de Grenadines, Carriacou en Grenada. Heel Petite Martinique leefde van deze handel, die de eilandbewoners ruilhandel noemden. De Grenadaanse overheid vond echter dat het hier smokkel betrof. Het meningsverschil zorgde al jaren  voor grote wrijving in de verhoudingen tussen Petite Martinique en de overheid.

      Hoewel de Petite Martiniqais zeiden niets met drugs te maken te hebben, waren de eilandbewoners toch bang dat het geplande Amerikaanse Kustwachtstation de “ruilhandel” zou gaan verstoren waardoor het eiland zijn belangrijkste bron van inkomsten zou verliezen. Er kwam protest, er waren demonstraties, er was zelfs wat geweld en twee jaar later, toen wij het eiland bezochten, had men het er nog steeds over, maar was er nog niets gebouwd.

      Ik ben sinds 1999 niet meer op Petite Martinique terug geweest en kom er maar niet achter of dat kustwachtstation er nu uiteindelijk gekomen is of niet. Recente lijstjes en grafieken tonen echter aan dat Petite Martinique nog steeds één van de hoogste levensstandaards van de hele Cariben geniet. Ik denk daarom dat de eilandbewoners in ieder geval hun “ruilhandel” tot op de dag van vandaag gewoon hebben kunnen voortzetten.

We verlieten Petite Martinique weer met de Osprey express-service. Terug naar Carriacou, waarvandaan we met een vliegtuigje van The Airlines of Carriacou naar Grenada vlogen. Vanuit de lucht konden we Carriacou met Petite Martinique en Petite Saint Vincent er vlak achter mooi zien liggen. We vlogen daarna over de ruige bergen van Grenada stapten over op een BA vliegtuig voor de terugvlucht naar huis …

Werkstuk

De kinderen waren enthousiast over Grenada. Lisa (10) maakte er een mooi werkstuk over, en hoewel er tot op de dag van vandaag nog regelmatig over gesproken wordt, ging het leven toch gewoon weer verder.



Orkaan IVAN 

Ook in Grenada kabbelde het leven rustig door. Er waren af en toe wat relletjes, een paar schandaaltjes en genoeg corruptie. De moeilijke jaren van de communistische staatsgreep lagen in een ver verleden, de toeristenindustrie bracht voorspoed.  Het ging eigenlijk best goed met het land.

      Totdat Ivan langs kwam.

    

Op 7 september 2004 kwam er een eind aan het 49 jaar orkaanvrije bestaan van Grenada. Ivan, een orkaan van de 3de categorie, stevende recht op Grenada af en richtte, eenmaal aan land, een gigantische ravage aan. 90% (negentig!) van alle huizen werd verwoest

        

Schepen werden op de kust gesmeten, auto’s raakten te water, duizenden palmen werden onthoofd, de nootmuskaatindustrie kwam nagenoeg tot stilstand.


Cycloon Emily

De wederopbouw was moeizaam en tijdrovend en net toen het er allemaal weer een beetje uit begon te zien, arriveerde Emily, een cycloon van de 1ste categorie die op 14 juli 2005 vooral het noorden van Grenada verwoestte.
      Toch ging de wederopbouw daarna redelijk snel en in december 2005 waren de meeste hotels alweer terug in business en waren veel huizen en gebouwen orkaanbestendig herbouwd. Ook het Nationale Cricket Stadion was in 2004 dusdanig zwaar beschadigd dat er een nieuw stadium moest worden gebouwd. China voorzag naast de geldelijke bijdrage ($40 miljoen) ook in de aanvoer van honderden Chinese arbeiders voor de bouw en, nadat Emily in 2005 langs was geweest, voor de reparatie van de schade.

Stadion

Het stadion werd officieel geïnaugureerd tijdens de Cricket Wereld Cup in april 2007 en bij de openingsceremonie werd de geldschieter uiteraard in het zonnetje gezet en werd ter ondersteuning het Chinese nationale volkslied ingezet.

Althans dat dácht men.
      In werkelijkheid werd het volkslied van Taiwan gespeeld.

Diverse Grenadaanse topfunctionarissen hebben we daarna nooit meer op hun plek teruggezien …

  

 

 


Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld


KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

Glas aan het eind van de Via Baltica

Onze koning is op staatsbezoek in de Baltische landen
      Dat zijn Estland, Letland & Litouwen. Ze grenzen aan elkaar. En ze werden vorige eeuw langdurig bezet door de Sovjet Unie. Verder hebben ze niet zoveel gemeen. Estland bijvoorbeeld voelt zich veel meer verbonden met Finland. Ze spreken daar varianten van de Fins-Oegrische taal en ook cultureel zijn er verbanden en overeenkomsten. 

      De glaskunst bijvoorbeeld. In het oude stadsdeel van de Estische hoofdstad Tallinn kocht ik in een galerie deze borrelglazen, geblazen door de in haar land vermaarde glaskunstenares Viivi-Ann Keerdo.

           

Tallinn is het eindpunt van de Via Baltica, een weg die de drie landen verbindt en de Letse en Litouwse hoofdplaatsen Riga en Vilnius aandoet. Op 23 augustus 1989 stonden op deze weg twee miljoen mensen hand in hand om te protesteren tegen het Molotov-Von Ribbentrop pact, dat precies vijftig jaar daarvoor gesloten was. Een pact waarbij Hitler en Stalin de toen onafhankelijke Baltische staten verkwanselden en aan de Sovjet-Unie uitleverden.
      Tien jaar daarna -in 1999 dus- heb ik die weg gevolgd.  

Twee jaar later heb ik dat nog eens gedaan. Vice-versa.
      Nieuwsgierigheid, want het beviel me daar wel. De landen waren nog niet bij de Europese Unie aangesloten. Bij de grennsovergangen stonden lange files. 

      LITOUWEN is landschappelijk mooi en afwisselend. Glooiende velden, bossen en open vlaktes.
Veel wolven en een enkele beer. Voetbal is populair, maar basketbal en wielrennen populairder. Een deel van Litouwen is ooit Pools geweest en die taal wordt in sommige gebieden nog steeds gesproken. Het aantal Russen is beperkt; onder de tien procent. Vilnius is een aardige maar onmiskenbaar provinciale stad.

      LETLAND is compacter en rommeliger. De hoofdstad Riga is een metropool met Art Deco gebouwen, mooie winkelstraten en plezierige parken. Een derde van de bevolking bestaat uit etnische Russen. Twaalf procent daarvan bezit niet de Letse nationaliteit omdat ze de taal onvoldoende beheersen. Burgemeester van Riga is de van oorsprong Russische Nils Usakovs, wiens ware naam Oesjakov verletst is.

      ESTLAND was en is in allerlei opzichten het meest modern. De universiteiten staan internationaal goed aangeschreven en het aantal mensen dat Engels spreekt is relatief groot. Tallinn is een toeristische stad van formaat. In het oude centrum waar ik die glaasjes kocht, komen weinig Esten. Te duur & te druk. Er zijn vooral in het weekend veel Finnen, die snel even overvaren. De Estische wodka is goed en goedkoop en dat zou ook gelden voor de vrouwen. Veel Finnen logeren in hotel Viru, dat in Tallinn dan ook de bijnaam Hotel Virus heeft.

       Esten zeggen dat ze de Finnen verstaan. Finnen zeggen dat ze de Esten niet verstaan.

Als je op maandagochtend overvaart naar Helsinki tref je aan boord veel Finnen, die nog nalallend rondstrompelen. Ik weet dat, want ik was er een keer bij. Bandjes waarop aan boord langdurig Finse tango’s te horen zijn, helpen niet echt.

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh