Noten; overal noten



(Door Rolf Weijburg)

De belangrijkste inkomstenbron van Grenada, het op tien na kleinste land ter wereld, is tegenwoordig het toerisme. De prachtige natuur, de stranden, de bergen, de zee, de onderwaterwereld en de vriendelijke bevolking maken het land een geliefde bestemming.

Dat was niet altijd zo.
      Eind jaren zeventig/begin jaren tachtig bijvoorbeeld, waren de gebeurtenissen rondom de staatgreep van de socialist Maurice Bishop en de Amerikaanse invasie die daar enkele jaren later op volgde, voor menig toerist reden het land links te laten liggen. Toerisme is een onbetrouwbare inkomstenbron. 
      Om de afhankelijkheid van het toerisme enigszins te verkleinen heeft Grenada zich net als veel andere kleine landen via zogenaamde Citizenship Investment Programs gericht op de verkoop van paspoorten.

In koloniale tijden waren de meeste Caribische eilanden belangrijk voor onder andere de suikerriet verbouw en export. In Grenada kwam daar de verbouw en handel van allerlei specerijen bij - Grenada heeft als bijnaam “The Spice Island” – en in het bijzonder die van nootmuskaat. Suikerriet is inmiddels op enkele kleine plantages na waar rum wordt geproduceerd, uit Grenada verdwenen. Hier en daar vind je nog de restanten van suikerrietfabrieken, met roestende treintjes en enorme persen wegkwijnend in de vochtige tropische hitte.

Maar de nootmuskaat is gebleven: tegenwoordig is Grenada de op één na grootste exporteur van nootmuskaat ter wereld.

Oorspronkelijk groeide de lage nootmuskaatboompjes uitsluitend op de verre Banda Eilanden in de Molukken. De specerij, gebruikt als smaakversterker, medicijn (het zou bescherming geven tegen de pest) en conserveringsmiddel was al in de late middeleeuwen in Europa erg geliefd, maar schaars. Het spul kostte een fortuin.
      Arabieren die de Indische Oceaan bevoeren hadden een monopolie op de handel in nootmuskaat. Ze namen de noten mee naar het Midden Oosten en verhandelden ze met de Venetianen, maar de plaats van herkomst van de kostbare handel werd door de Arabieren angstvallig geheim gehouden.
      Alfonso de Albuquerque, de Portugese ontdekkingsreiziger, was de eerste Europeaan die in 1512 de Banda Eilanden wist te bereiken en daar “de geboorteplaats” van de nootmuskaat ontdekte. De Portugezen hadden geen bezittingen in die eilanden en de handel in nootmuskaat werd al snel overgenomen door de VOC, die uiteraard geld rook en in haar strijd om het monopolie een slagveld aanrichtte onder de eilandbewoners.
      In de jaren die volgden veranderde de VOC de eilanden in grote, goed georganiseerde nootmuskaatplantages compleet met forten, havens en handelssteden. Hoewel de controle over de Banda Eilanden jarenlang werd aangevochten bleven de eilanden tot aan de onafhankelijkheid van Indonesië in Nederlandse handen.

Alleen in de periode 1806 tot 1815 raakten de Nederlanders even de macht over Indië en dus ook de Banda Eilanden, kwijt. Eerst aan de Fransen, daarna aan de Britten. Het was tijdens dit Britse interregnum van 1811 tot 1815, dat de Britten op de Banda Eilanden nootmuskaatboompjes begonnen uit te graven om ze met aarde en al te verschepen naar Britse koloniën zoals Sri Lanka, Penang, Zanzibar en … Grenada.
      Vooral op het Caribische Grenada deden de bomen het goed en als tweede producent ter wereld levert het kleine Grenada vandaag de dag 20% van de wereldproductie. (Indonesië 75%).

Kleurets (detail) “Grenada”, 2003,Rolf Weijburg

Nootmuskaat is een perzikachtige vrucht. Bij rijping barst de vrucht open en wordt de pit, die omhuld is met een felrood “net”, de foelie, zichtbaar. De foelie wordt van de pit gepeld en in houten bakken te drogen gelegd. Afhankelijk van de kwaliteit wordt de foelie gebruikt als kruid in de maaltijd, als conserveringsmiddel in bijvoorbeeld salami of als basis voor nagellak en andere cosmetica.
      De pitten worden vervolgens gedurende 4 tot 6 weken gedroogd en regelmatig gekeerd en daarna van hun schalen ontdaan. De afgepelde schalen worden gebruikt als brandstof of om bijvoorbeeld paadjes mee te bestrooien zodat er geen onkruid meer groeit. De schaalloze pitten, de eigenlijke nootmuskaat, worden gekeurd op grootte en kwaliteit. Het oliegehalte van de pitten is daarbij doorslaggevend. Een simpele test geeft uitsluitsel: de noten worden in bakken water gegooid en hoe minder ze drijven hoe meer olie, hoe beter de kwaliteit.
      Uiteindelijk worden de geselecteerde noten in jutezakken verpakt en geëxporteerd naar vooral de VS, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Nederland.

           

In Gouyave, een wat slonzig stadje aan de noordwest kust van Grenada, staat de grootste van de vier nootmuskaat coöperatieven van het eiland. Hier komt de oogst binnen van een deel van de 7000 (!) Grenadaanse nootmuskaatproducenten.

                                  

In schaduwrijke zijstraatjes sorteerden vrouwen de noten. In het grote gebouw van de coöperatie werd de foelie van de noten gepeld en kwamen de pitten in alle tinten bruin terecht in grote houten bakken die de donkere ruimtes vulden als stapelbedden.

                                  

 Er heerste een sfeer van lang geleden. Het was er stoffig en warm en de lucht leek verzadigd van de geur van nootmuskaat.
      Aan de zijkanten scheen het felle zonlicht gespleten door de palmbomen en gefilterd door het stof prachtig door de ramen naar binnen.


 

      Grenada is trots op zijn hoge positie op de ranglijst van nootmuskaatproducenten.
       

      Dat zie je aan de nootmuskaat in de nationale vlag, de nootmuskaat op de Caribische Dollar, op Grenadaanse munten en postzegels..

En bijvoorbeeld ook aan de naam van het beroemde bar-restaurant - waar je heen gaat voor het uitzicht, niet voor de kwaliteit van het eten - aan de Carenage in Grenada’s hoofdstad Saint George’s.

 

 

 

 


Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld


KliHIER voor alle afleveringen